Dialyse

2,917 views
2,504 views

Published on

0 Comments
1 Like
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

No Downloads
Views
Total views
2,917
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
50
Actions
Shares
0
Downloads
11
Comments
0
Likes
1
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Dialyse

  1. 1. Bezoek aan het nierdialysecentrum in het JESSAziekenhuis, campus Virga Jesse te Hasselt Roos Geurts (dialyseverpleegkundige) 15 maart 2012, 3ZHVK
  2. 2. De eerste kunstnier Prof Dr. Willem Kolff, uitvinden van de kunstnier.
  3. 3. 6 nefrologische artsen 1 hoofdverpleegkundige 2 adjuncten +/- 70 verpleegkundigen HASSELT HASSELT HEUSDEN TONGERENVirga Jesseziekenhuis Salvator Sint-Franciscus ZH A.Z. Vesalius (centrumdialyse) (autodialyse) (autodialyse) (autodialyse)38 dialyseplaatsen 12 dialyseplaatsen 10 dialyseplaatsen 10 dialyseplaatsen Maandag-Zaterdag Ma-Woe-vrijdag Maandag-Zaterdag Ma-Woe-Vrijdag VM,NM,Nacht VM en NM VM VM en NM + Di-Do-Zaterdag VM
  4. 4. 1.  Het verloop van een dialysebehandeling kunnen bespreken a)  Voorbereiding   Gegevensverzameling   Dialysetoestel   Patiënt b)  Aansluiten van een patiënt c)  Algemene kennis van de basisprincipes d)  Afsluiten van een patiënt e)  Nazorg2.  De verpleegkundige aandachtspunten kunnen benoemen tijdens een dialysebehandeling a)  Tijdens het aansluiten b)  Tijdens de dialyse c)  Tijdens het afsluiten
  5. 5. 3.  De meest voorkomende complicaties kunnen benoemen tijdens een dialysebehandeling a)  Hypotensie b)  Thoracale pijn c)  Krampen d)  Hoofdpijn e)  Koude rillingen en koorts5.  De voedingsgewoonten van een patiënt kunnen verklaren en kunnen linken aan de normale bloedwaarden a)  Eiwitten b)  Fosfor c)  Kalium d)  Natrium e)  Vocht /water
  6. 6. a) Voorbereiding:  Gegevensverzameling  via het individuele dialyseorder   Naam en geboortedatum van de patiënt   Soort dialyse; hemodialyse, hemodiafiltratie   Soort kunstnier (BLS716,,F60)   Vorm van toegangsweg voor dialyse (fistel of katheter)   Dialyseduur (+/- 240 min)   Dialysaatsamenstelling; K(alium) 1,2 of 3 C(alcium) 2,5 ; 3 of 3,5   Hoeveelheid bicarbonaat + natrium in het dialysaat   Streefgewicht   Afsluitvolume   Hoeveelheid fraxiparine of dosis heparine
  7. 7. a) Voorbereiding   Dialysetoestel  benodigdheden   dialyseleidingen (arterieel + veneus)   kunstnier (polyflux 170 of 210, FX60, nefral)   bibag (poederoplossing voor bicarbonaatmengsel)   aansluitmateriaal   Dialysetoestel  werkwijze   toestel laten testen + monteren   dialyseleidingen vullen met fysiologische oplossing + ontluchten   dialysaatkoppelingen aan kunstnier bevestigen   dialyseparameters instellen in toestel (dialyseduur, patiënt-specifieke gegevens zoals bicarbonaat/natrium samenstelling) a.d.h.v patiëntenkaart   Patiënt   Patiënt wegen = voor het bepalen van de ultrafiltratie a.d.h.v het vooraf bepaalde streefgewicht   Comfortabele houding bieden in bed/zetel   Voorzien van voldoende ondersteuning in rug, armen en benen   Bloeddruk meten
  8. 8. b) Aansluiten van een patiënt 2 Mogelijkheden: a) Via een dialysekatheter  subclaviakatheter of vena femoralis katheter b) Via een AV fistel of goretex OPMERKING !!! Techniek van deze uit te voeren verpleegkundige handeling gebeurt volgens vastgelegde zorgprocedures (zie verder bij aandachtspunten)
  9. 9. = verbinding tussen een = kunstmatige verbinding tussen vene en een arterie een vene en een arterie
  10. 10. Een dialysebehandeling heeft twee belangrijke functies: 1)  Verwijderen van afvalstoffen 2)  Verwijderen van overtollig vochtc) De basisprincipes Verwijderen van afvalstoffen d.m.v diffusie doorheen een semipermeabel membraan DIFFUSIE = fysisch proces waarbij opgeloste stoffen zich verplaatsen van een omgeving met hoge concentratie naar een omgeving met een lage concentratie totdat er een gelijkmatige verdeling is. De mate van verdeling wordt bepaald door de grootte, concentratie en lading van de molecule in de oplossing. Toepassing op dialyse  diffusie wordt hier veroorzaakt door de concentratiegradiënt tussen bloed en dialysaat = stromen in tegenovergestelde richting = constante concentratiegradiënt over de hele lengte van de kunstnier.
  11. 11. Snelheid van diffusie afhankelijk van:   De snelheid van de bloedpomp   De snelheid van de dialysaatflow   De concentratiegradiënt tussen bloed en dialysaat   De eigenschappen van de kunstnier zoals type, dikte en oppervlakte van het membraan
  12. 12. c) De basisprincipes Verwijderen van overtollig vocht d.m.v ultrafiltratie doorheen een semipermeabel membraan  overtollig vocht onttrekken via de intravasculaire ruimte (extracellulair compartiment) zie ook dia nr17 ULTRAFILTRATIE = fysisch proces waarbij vloeistof wordt getransporteerd doorheen een semi-permeabel membraan met behulp van een drukverschil. Resulterend drukverschil over het membraan = transmembraandruk of TMP  de druk die, bij een bepaald type nier, nodig is om een bepaalde hoeveelheid vocht uit een bepaalde hoeveelheid bloed te verwijderen
  13. 13.   Positieve druk aan de linkerkant (bloedzijde)  drukt vloeistof doorheen membraan = wordt door de bloedpomp tot stand gebracht  Negatieve druk aan de rechterzijde (dialysaatzijde)  zuigt vloeistof doorheen membraan = wordt door een zuigpomp op de afvoerleiding (hydraulisch systeem) tot stand gebracht
  14. 14. c) De basisprincipes CONVECTIE = beweging van opgeloste stoffen door middel van een waterstroom “meestromen”. Wanneer een oplossing in beweging is, zullen de daarin opgeloste stoffen meestromen. Voorbeeld: Koffie + suiker – oplossen zonder roeren versus oplossen m.b.v roeren Toepassing op dialyse  convectie wordt hier veroorzaakt door het proces ultrafiltratie. Membraanpermeabele opgeloste stoffen volgen het geültrafiltreerde water doorheen het membraan. Opmerking!!! Voor het verwijderen van grote opgeloste stoffen waarvan de diffusiesnelheid er laag is, is convectie het enige transportprincipe
  15. 15. d) Afsluiten van een patiënt   Bloed aanwezig in de dialyseleidingen zoveel mogelijk terug toedienen aan patiënt = minimaliseren van het eigen bloedverlies   Epo toedienen via de veneuze leiding   Bloeddrukcontrole   Afsluitparameters noteren (zie verder bij verpleegkundige aandachtspunten bij afsluiten)   Verwijderen van naalden of afsluiten van een dialysekatheter
  16. 16. e) Nazorg   Katheter of fistel voorzien van het nodige verbandmateriaal   Wegen van de patiënt   Verslag maken van het verloop van de dialyse met aandacht voor specifiek voorkomende complicaties
  17. 17. a) Tijdens het aansluiten Toestel •  belang van de juistheid van de ingestelde parameters, vnl de totale ultrafiltratie •  fraxiparine of heparine toedienen via het toestel aan de bloedleidingen om stollingen te voorkomen •  drukken controleren op een pompsnelheid van 200 ml/min (veneus, arterieel, kunstnier,…) •  pompsysteem op snelheid zetten Patiënt met een dialysekatheter •  mondmasker zowel voor patiënt als verpleegkundige •  zo steriel mogelijk te werk gaan  goed desinfecteren met chloorhexidine (= groot infectierisico voor patiënt) •  goede observatie van de katheter, oa aanwezigheid van roodheid, korstje, zwelling •  aanwezig citraat + stolsels in katheterlumen voldoende verwijderen = goede dialyse •  op voorhand goed flushen om debiet te controleren •  steriele verbinding met de bloedleidingen maken •  zorgen voor een goede fixatie  voorkomen van afknikken en tractie
  18. 18.  Patiënt met een fistel •  mondmasker enkel voor de verpleegkundige •  fistel goed inspecteren op tekens van infectie, drukpijn, hematoom en aanwezigheid van de trilling •  steeds bloedkorstje verwijderen voor aanprikken •  prikplaats goed ontsmetten, afwisselende prikplaatsen gebruiken •  Knelband aanspannen •  steriel te werk gaan  aanprikken met teflon naalden •  rekening houden met de pijnbeleving van de patiënt •  juistheid van de positie van de naald(en) goed controleren •  Knelband losmaken •  de naaldkatheter goed fixeren met een vleugelslag en op de insteekopening steriele kleefpleister •  bij het aankoppelen van de leidingen opletten voor aanwezige stolsels •  bij het fixeren van de leidingen opletten voor druknecrose en tractie
  19. 19.  Patiënt met een gortex •  idem wat betreft de observatie •  steeds een andere prikplaats gebruiken •  in tegenstelling tot fistel geen knelband gebruiken bij het aanprikken (geen drukverhoging of verstopping) •  Aanprikken met ijzeren naalden OPMERKING !!! Een ruime praktijkervaring is vereist om een punctie bij een AV fistel uit te voeren, namelijk een perforatie kan leiden tot een uitgebreid hematoom en zelfs functieverlies van de AV fistel
  20. 20. Algemene parametercontroles zowel van het toestel als de vitale parameters van de patiënt worden om de 30 MIN uitgevoerd . Deze worden vervolgens bondig genoteerd op het hiervoor voorziene controleblad, alsook geregistreerd in het computersysteem van de afdeling.b) Tijdens de dialyse  Toestel •  toestelparametercontrole •  pompsnelheden aanpassen a.d.h.v de waarneembare drukken •  problemen zoals stollingen, volgelopen drukleidingen, te hoge concentratie van het dialysaat,… op een correcte wijze oplossen  Patiënt •  goede observatie gedurende de gehele dialyse  verschillende parameters oa de bloeddruk, polsslag, temperatuur, huidskleur, ademhaling, bewustzijn, … •  de nodige verpleegkundige handelingen uitvoeren bij aanwezigheid van complicaties (zie verder) •  individuele verzorgingen, voornamelijk specifieke wondverzorgingen •  individuele educatie, emotionele begeleiding
  21. 21. c) Tijdens het afsluiten  Algemene aandachtspunten: •  bloed aanwezig in de leidingen zoveel mogelijk terug toedienen aan patiënt = minimaliseren van het eigen bloedverlies •  EPO toedienen via de veneuze poort in de veneuze bloedleiding •  afsluitparameters noteren, zoals het tijdstip van afsluiten,OPMERKING !!! Bij het verwijderen van bloeddruk, polsslag, lichaamstemp°, totaal hoeveelheid gezuiverdijzeren naalden bij een gortex = GEEN bloedvolume en de totale ultrafiltratie + eventuele bijzonderheden  Aandachtspunten afsluiten van een AV fistel:dialyseklemmen gebruiken maar •  bloedleidingen niet deconnecteren van de naaldkatheter •  naald per naald verwijderen •  punctieplaats met een steriel absorberend kompres afdrukkenafdrukken met de hand •  dialyseklem op kompres plaatsen = druk uitoefenen om bloedding te stoppen •  na bepaalde tijd, voorzichtig controleren of bloedding getopt is •  indien bloeden gestopt = punctieplaatsen met een steriel kompresje bedekken gevolg door een steriel absorberend kompres waarrond een verband wordt gewindeld
  22. 22.  Aandachtspunten afsluiten van een dialysekatheter •  bloedleidingen deconnecteren van de katheterlummen •  het uiteinde van de katheterlumen op een steriel veld leggen = infectierisico verkleinen •  de katheterpoort ontsmetten met chloorhexidine •  elk katheterlumen wordt eerst geflusht met 10ml fysiologische oplossing en vervolgens opgevuld met een aangegeven hoeveelheid citraat  bv) veneus beentje = 2,2 ml; arterieel beentje = 2,1ml •  het uiteinde van de katheterlumen wordt voldoende gereinigd met Hac 3,5% en nagedroogd •  katheterlumen steriel afsluiten met een luer lock dopje •  Vervolgens een verband maken, ofwel verband met tegaderm (= volledig op de huid) ofwel een sacoche verband (= zakje voor katheter in te leggen)
  23. 23. Staand order 1.5 Versie: Chronische hemodialyse September Blad  1/2   Symptomatische hypotensie/ 2010 Syncopea) Hypotensie/plotse bloeddrukval Oorzaken;   Circulatoire ondervulling – te hoge ultrafiltratie, anemie of acute bloedding   Verminderde cardiale reserve – hartfalen, sepsis, hartritmestoornissen, ischemie, hartinfarct, pericardtamponade   Te sterke dalin van de osmolariteit (dialysaat natrium)   Antihypertensiva voor dialyse   Maaltijd tijdens de dialyse = episodisch   Allergische reactie   Dialysegebonden of chronisch persisterend = bij elke dialyse Symptomen;   “Symptomatische hypotensie” = bloeddrukdaling met één of meer van de volgende klachten: –  Onwel voelen –  Kortademigheid –  Ijlhoofdigheid –  Buikpijn –  Misselijk –  Vagale symptomen; geeuwen, braken, spierkrampen   “Syncope” = bloeddrukdaling met bewustzijnsverlies, klam zweet en faecale of urinaire incontinentie
  24. 24. Staand order 1.5 Versie: Chronische hemodialyse September 2010 Blad  2/2   Symptomatische hypotensie/ Syncope Interventies bij hypotensie;   Ultrafiltratie uitzetten   Bed in trendelenburg   Bloeddruk meten   200 ml fysiologische oplossing toedienen   Ingestelde totale ultrafiltratie kritisch verifiëren, dialyseorder nakijken (Na profiel, maximum ultrafiltratie, gewijzigd gewicht op eerste dialysedag van de week)   Indien goede reactie na 5min = stijging van de bloeddruk en verdwijnen van de klachten  ultrafiltratie met 500ml verminderen en herstarten met ultrafiltreren.   Indien onvoldoende recuperatie = dokter verwittigen  Interventie bij syncope;   Ultrafiltratie uitzetten   Bed in trendelenburg   Bloeddruk meten en instellen op een interval van 5 minuten   200 ml fysiologische oplossing toedienen, intussen gelofusine® vragen aan collega   2l O2 toedienen + cardiale monitor + saturatiemeter aansluiten   Dokter verwittigen   Ingestelde totale ultrafiltratie kritisch verifiëren, dialyseorder nakijken   Ultrafiltratie wordt pas terug geactiveerd na recuperatie van de patiënt en aanpassing van het streefgewicht door de arts
  25. 25. Staand order 1.6 Versie: Chronische hemodialyse September Blad  1/2   Thoracale pijn 2010b) Thoracale pijn Oorzaken;   Hypotensie   Agina pectoris   Hemolyse (beschadiging van de RBC bv door pomptrauma)   Luchtembool   Longembool Symptomen;   Bij hypotensie = zie staand order 1.5   Bij agina pectoris = drukpijn op borst, keeltoesnoering, uitstralende last in linker arm of interscapulair, vnl patiënten gekend met ischemische hartlijden   Bij hemolyse = drukpijn op borst, kortademigheid, rugpijn, visuele tekens zoals portorode verkleuring van het bloed in de veneuze leiding   Bij luchtembool = bij zittende patiënten eerder centrale symptomen zoals bewustzijnsverlies en convulties, bij liggende patiënten eerder kortademigheid, hoesten en pijn in de borstkast   Bij longembool = hoesten, kortademigheid, pleurale prikkeling, bloedfluimpje
  26. 26. Staand order 1.6 Versie: Chronische hemodialyse September 2010 Blad  2/2   Thoracale pijn Interventies bij angina pectoris;   Ultrafiltratie stopzetten   Bloeddruk meten; indien hypotensie deze behandelen zoals in staand order 1.5   Dokter verwittigen   3 L O2/min via neusbril toedienen + cardiale monitor aansluiten   Indien BD hoger dan 120mmHg: 5mg Cedocard sublinguaal toedienen  Interventies bij hemolyse, luchtembool of longembool;   Onmiddellijk de veneuze leiding afklemmen en de dialyse stoppen   Bloeddruk meten   Bed in trendelenburg en de patiënt op linker zijde leggen   Dokter verwittigen   10 L O2 /min via masker toedienen + cardiale monitor aansluiten   Leidingen ontkoppelen
  27. 27. Staand order 1.4 Versie: Chronische hemodialyse September Blad  1/1   Krampen 2010c) Krampen Oorzaken;   Ondervulling, evt gepaard gaande met hypotensie   Hyponatriëmie en andere elektrolyten stoornissen zoals hypomagnesiëmie   Perifeer vaatlijden Symptomen;   Pijn in de vingers, tenen, kuiten bij onverwachte bewegingen   Kramptoestand van vingers of tenen   Spierknobbels in de kuit Interventies;   Bloeddruk en polsslag controleren   Behandelen van hypotensie zoals beschreven in staan order 1.5   Indien geen hypotensie, dien 3 gram glucose toe, indien diabeet 10 ml NaCl 10% toedienen   Ijsfrictie, stretching, massage, flexium spray   Ingestelde totale ultrafiltratie kritisch verifiëren, dialyseorder nakijken (Na profiel, maximum ultrafiltratie, gewijzigd gewicht op eerste dialysedag van de week)   Indien geen recuperatie opnieuw 3 gram glucose of 10 ml NaCl 10% toedienen   Indien hierna geen verbetering binnen 15min, dokter om advies vragen
  28. 28. Staand order 1.3 Versie: Chronische hemodialyse September 2010 Blad  1/1   Hoofdpijnd) Hoofdpijn  Oorzaken + symptomen;   Dialyse discquilibrium; algemene hoofdpijn, gepaard met braken   Hypoglycemie, hypernatriëmie, hyponatriëmie   Subduraal hematoom; acute hevige hoofdpijn   Migraine; eenzijdige hoofdpijn met pulserend karakter, in aanvallen opkomend, gepaard met duizeligheid, braken, lichtschuwheid,…   Spanningshoofdpijn; frontaal of occipitaal, barstend of kloppend   Hoofdpijn uitgelokt door medicatie  Interventies;   Controleer de vitale parameters; BD, pols, T°   Evalueer het bewustzijn en pupillen, bij verwardheid of neurologische uitval, dokter verwittigen   Glycemie controleren bij diabetes patiënten   Dien paracetamol 1gram toe (Dafalgan forte®) indien geen verontrustende klachten of symptomen   Indien niet beter na 30 min = dokter verwittigen om verder onderzoek te starten
  29. 29. Staand order 1.7 Versie: Chronische hemodialyse: September Blad  1/1   Koude Rillingen en Koorts 2010d) Koude rillingen en koorts Oorzaken + symptomen;   Koude rillingen = banaal koudegevoel door o.a. omgevingstemperatuur, tocht, temperatuur van het dialysaat   Koorts = Bacteriëmie/septicemie  stijging van de lichaamstemperatuur > 37,5°C steeds geassocieerde symptomen zoals grauwe lippen, minder alert, tachycardie, neiging tot hypotensie, spierpijnen,…  Interventies; Bij koude rillingen met geassocieerde symptomen of bij koortstijging tot meer dan 38°C   Bloedname voor witte bloedceltelling en CRP (C- reactief proteïne; NW = < 0,8mg/dl) + complet met formule   Afnemen van twee koppels hemoculteren via de dialyselijn   Dokter verwittigen i.v.m mogelijk antibiotica voorschrift   Eén extra koppel hemoculturen slechts op advies van de arts   Planning voor de volgende dialyse; opnieuw CRP controle
  30. 30. A.  Regulering vochthuishouding en elektrolytenbalans B.  Ondersteuning van de bloeddrukregulatie C.  Verkrijgen/behouden van een goede voedingstoestand (ook via bloedwaarde albumine op te volgen, NW: 3,5 - 5,0 g/dl) D.  Vertraging van de achteruitgang van de nierfunctie De basis van een goed dieet is een gevarieerde,evenwichtige voeding met weinig zout, een juiste keuze in de vetstoffen en weinig eiwitten.
  31. 31.   Bouwstoffen voor het lichaam   Groei en vervanging van de lichaamscellen   Opgebouwd uit aminozuren   Eiwitopname is nodig, geen reservevoorraada) EIWITTEN Stofwisseling van eiwit geeft UREUM  schadelijke afvalstof in het lichaam = > dan NW ureum = 17 – 51 mg/dl = ernstige klachten, zoals moeheid, misselijkheid, braken, smaakverandering, jeuk en hoofdpijn. De hoeveelheid op te nemen eiwit = individueel  +/- 1 á 1,2 g/kg lichaamsgewicht Voedingsproducten waarin eiwit voorkomt:  vlees, vis, gevogelte, eieren, melkproducten, yoghurt, noten en peulvruchten Voedingsproducten waarin eiwit minder voorkomt:  brood, groenten, rijst, aardappelen, macaroni en koekjes Voedingsproducten waarin eiwit niet voorkomt:  dieetmargarine, olie, honing, jam, suiker, frisdranken, thee, koffie, snoep en maïzena OPMERKING !!! Voedsel rijk aan eiwit = meestal ook rijk aan fosfor
  32. 32.   De nieren zijn betrokken bij de calciumfosfaathuishouding   Worden via de voeding opgenomen (eiwitrijke producten en cola)   Fosfor + calcium = stevigheid van de bottenb) FOSFORTe veel fosfor = kan leiden tot jeuk, rode ogen   schadelijk voor beendergestel  fosfor bind zich aan calcium uit de beenderen waardoor deze broos worden, neerslag van fosfor rond de gewrichten   Schadelijk voor de hart-, long- en bloedvaten  afzetting van calciumfosfaatOndanks beperkte fosfaatinname toch bepaalde aanbevolen hoeveelheid eiwit nodig via de voeding, dus via medicatie een te hoog fosforgehalte voorkomen.   Gebruik van fosfaatbindende medicatie – binden het fosfaat via de voeding en verlaten het lichaam via het maag- darmkanaal   Deze medicatie innemen vlak voor of tijdens de maaltijd   Bijwerking = obstipatie NW fosfor = 2,5 – 4,5 mg/dl NW calcium = 8,9 – 10,3 mg/dl
  33. 33.   Een mineraal   Komt vooral voor in spiercellen   Functies  de impulsgeleiding door de zenuwen  de spiercontractie  het handhaven van de normale bloeddrukc) KALIUM NW kalium = 3,5 – 4,5 mmol/l Verstoring van het kaliumgehalte in het bloed heeft voornamelijk hartritmestoornissen tot gevolg en kan zelfs leiden tot een hartstilstand. Een eerste verschijnsel van een teveel aan kalium is een slaptegevoel in de benen en het moeilijk stappen De belangrijkste voedingsproducten waarin kalium voorkomt: aardappelen, groente, fruit, vruchtensap, gedroogde vruchten, koffie, tomaat, melkproducten, appelstroop en peulvruchten Voedingsproducten waarin minder kalium voorkomt: thee, rijst, deegwaren, frisdrank, kaas, roomboter, olie, jam, honing en suiker
  34. 34. Specifieke aandachtspunten bij kalium in de voeding zijn:   de dagelijkse soep achterwege laten   slechts één stuk fruit per dag consumeren   aardappelen twee maal koken   rijst en deegwaren inschakelen   groenten één maal koken en het kookwater vervolgens weggieten, te mijden groenten zijn: spinazie, schorseneren, spruiten en witte bonen Om het kaliumgehalte tussen twee dialysebehandelingen niet te veel te laten stijgen, is er een kaliumbeperking in de voeding van 2000-2400 mg/dag nodig. Wanneer dit kaliumbeperkend dieet niet voldoende is, wordt er kaliumverlagende medicatie (kayexalate®) voorgeschreven = wordt gebruik ter behandeling van hyperkaliëmie die kan optreden bij acute of chronische nierinsufficiëntie.
  35. 35.   Een mineraal   Belangrijke rol bij de stofwisseling  vasthouden van vochtc) NATRIUM Normaal functionerende nieren = verwijderd evenveel natrium via de urine als opgenomen via de voeding  Nierfalen = teveel natrium en dus teveel vocht in het lichaam Gevolgen = hoge bloeddruk, oedemen, kortademigheid, dorstgevoel In de voeding is natrium een onderdeel van het keukenzout. Voedingsproducten die veel zout bevatten:   Chips, pinda’s, bouillonblokjes, drop, soep uit blik of pakjes Een natriumbeperking tot 5 à 6 gram zout (= zoutarm dieet) is zinvol bij hypertensie en ter ondersteuning van de vochtbeperking (veel zout = veel dorst)
  36. 36. d) VOCHT/WATER Belangrijke functies:   transportmiddel van voedingstoffen en stofwisselingsproducten   regelen van de lichaamstemperatuur Balans tussen vochtverlies en vochtopname   Normale uitscheiding via nieren, ontlasting, longen en transpiratie = totaal 2000ml/dag   Verminderde nierfunctie = sterke vochtbeperking !!! VUISTREGEL !!! Slechts 500ml vocht per dag méér drinken dan dat men urineert
  37. 37.   Wondverzorgingsverpleegkundigen  Predialyse - verpleegkundigen  Vaatacces – verpleegkundigen  Vaccinatie – verpleegkundigen  Verpleegkundigen binnen het zorgenplan  CPR verpleegkundigen  Studie verpleegkundigen  Stagementor  Verantwoordelijke verpleegkundigen voor de maandelijkse bloednamen  Verpleegkundigen in de wachtdienst (acute dialysen, externe dialyse op intensieve, MIC en CCU  Mogelijkheden tot bijscholing, oa. Mentorschap opleiding Posthogeschool nefrologische opleiding, basiscursus hemodialyse,… hoofdzakelijk georganiseerd door ORPADT ( = organisatie van het paramedisch personeel der dialyse en transplantatiecentra)

×