De wil om te spreken

1,610
-1

Published on


Een onderzoek naar de aangiftebereidheid onder slachtoffers van gedwongen prostitutie en het effect van grootschalige politieacties tegen gedwongen prostitutie

Published in: Education
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
1,610
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
2
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

De wil om te spreken

  1. 1. De wil om te spreken Een onderzoek naar de aangiftebereidheid onder slachtoffers van gedwongen prostitutie en het effect van grootschalige politieacties tegen gedwongen prostitutie Scriptie geschreven in het kader van de Master strafrecht (criminologische variant) aan de Faculteit der Rechtsgeleerdheid, Universiteit Groningen Irene van der Meer studentnummer: 16101619 Begeleider: Dr. M. Althoff Juli 2012
  2. 2. De wil om te spreken 2 Inhoudsopgave 1. Inleiding Blz. 1 1.1 Belang van het onderzoek Blz. 3 1.2 Methode van onderzoek Blz. 3 2. Juridisch kader en het huidige beleid met betrekking tot gedwongen prostitutie Blz. 5 2.1 Internationale regelgeving Blz. 5 2.2 Nederlandse regelgeving Blz. 6 2.2.1 Grooming Blz. 7 2.3 Bewijsvraag gedwongen prostitutie Blz. 7 2.3.1 Absoluut doorlaatverbod Blz. 8 2.3.2 Strafbare feiten gepleegd door het slachtoffer Blz. 8 2.4 Buitenlandse slachtoffers Blz. 9 2.5 Ketenaanpak Blz. 11 2.6 Prostitutiebeleid Blz. 12 2.6.1 Wijzigingen huidig prostitutiebeleid Blz. 13 3. Een profielschets van slachtoffers en daders Blz. 15 3.1 Omvang gedwongen prostitutie Blz. 15 3.2 Aard gedwongen prostitutie Blz. 16 3.3 De daders Blz. 18 3.3.1 Daderprofiel Blz. 18 3.3.2 Werkwijze loverboys Blz. 19 3.4 Kenmerken slachtoffers gedwongen prostitutie Blz. 22 3.4.1 Risicofactoren voor slachtofferschap Blz. 22 3.4.2 Beschermende factoren Blz. 24 3.5 Slachtoffers uit Nederland Blz. 24 3.6 Buitenlandse slachtoffers Blz. 25 3.6.1 Slachtoffers uit Centraal- en Oost Europese landen Blz. 26 3.6.2 Slachtoffers uit Nigeria Blz. 27 4. Verklaringsbereidheid van slachtoffers van gedwongen prostitutie Blz. 29 4.1 Daderstrategie Blz. 29 4.2 Rol van de politie Blz. 31 4.3 Persoonlijke factoren Blz. 32 5. Evaluatie grootschalige politieactie Eindhoven Blz. 36 5.1 Aard en omvang van de politieactie Blz. 36 5.2 Doelgroep Blz. 37 5.3 Doelstelling politieactie Blz. 37 5.4 Haalbaarheid en uitvoerbaarheid van de doelstelling Blz. 38 5.5 Bedoelde en onbedoelde effecten van de actie Blz. 40 6. De conclusie Blz. 44 7. Literatuurlijst Blz. 50
  3. 3. De wil om te spreken 3 8. Bijlage: Samenvattingen interviews Blz. 54 8.1 De verhalen van de slachtoffers Blz. 54 8.2 Samenvattingen van interviews met experts gedwongen prostitutie Blz. 57 8.2.1 Recherche Fryslan team mensenhandel Blz. 57 8.2.2 Interview C. Loeber Nationale recherche Blz. 57 8.2.3 Interview H. Mongard werkzaam bij stichting Fairwork Blz. 58 8.2.4 Interview I. van Buren werkzaam bij Fier Fryslan Blz. 59
  4. 4. De wil om te spreken 4 Hoofdstuk 1 Inleiding De afgelopen jaren heeft mensenhandel in de zin van seksuele uitbuiting veel politieke en publieke aandacht gekregen. Mensenhandel heeft prioriteit gekregen in de opsporing en vervolging. Het ministerie van Veiligheid en Justitie buigt zich opnieuw over de strafbaarstelling van gedwongen prostitutie en wenst dat de straffen worden verhoogd.1 Voormalig wethouder Asscher pleit in Amsterdam voor het opschonen van het prostitutiegebied (actieplan tegen mensenhandel en prostitutie, 2012). De Wallen in Amsterdam zou aangemerkt kunnen worden als een criminogene zone (Van Traa, 2007). De conclusie van dit rapport is dat de coffeeshops en de raamprostitutie een afzetkanaal vormen voor georganiseerde misdaad, waaronder gedwongen prostitutie. De gedwongen prostitutie vormt derhalve een probleem in Nederland. Toch is de gedwongen prostitutie een zeker onzichtbaar probleem. Aan de ene kant valt niet te ontkennen dat het probleem bestaat en aan de andere kant is er weinig over bekend. Want wie zijn deze slachtoffers en de daders? Hoe groot is het probleem en hoe vaak komt het eigenlijk voor? De cijfers, die het aantal mogelijke slachtoffers van gedwongen prostitutie dienen weer te geven, lijken slechts een benadering te zijn van aantal werkelijke slachtoffers in Nederland (NRM, 2010). Een mogelijke verklaring hiervoor kan gezien worden in de lage aangiftebereidheid van de slachtoffers (Bekker, 2010). In 2000 zijn het algemeen bordeelverbod en het verbod op souteneurschap opgeheven in Nederland. Deze artikelen zijn geheel uit het wetboek van strafrecht verdwenen, met als gevolg dat prostitutie uit de illegaliteit is gehaald. Het idee achter deze opheffing was het inzichtelijker maken van de prostitutiebranche, door middel van gemeentelijke vergunningen en controles door de politie. Op deze manier zou de positie van de prostituee verbeterd worden en gedwongen prostitutie worden tegen gegaan. De strafbaarstelling van ongewenste vormen van prostitutie, zoals gedwongen prostitutie, is daarom ook aangescherpt. De gedwongen prostitutie valt onder het misdrijf mensenhandel, zoals genoemd in artikel 273F Wetboek van Strafrecht. Ook in de legale sector komt nog altijd gedwongen prostitutie voor (Van Hout en Van der Laan, 2008). Het opheffen van het bordeelverbod en verbod op souteneurschap heeft zodoende niet geresulteerd in het uitbannen van ongewenste vormen van prostitutie. Daarbij richt de bestrijding van gedwongen prostitutie zich veelal op exploitanten van seksbedrijven. Het is aannemelijk te maken dat deze exploitanten dwang kunnen uitoefenen op een prostituee, maar doorgaans wordt de prostituee uitgebuit door een pooier (Daalder, 2007). Het aantal prostituees met pooiers lijkt niet te zijn afgenomen, na de opheffing van het bordeelverbod. Dit vormt een complicerende factor bij de bestrijding van gedwongen prostitutie. Ondertussen stijgt het aantal (mogelijke) slachtoffers elk jaar. Dit volgt uit de cijfers van het Coördinatiecentrum 1 Nieuwsbericht Rijksoverheid, 29 februari 2012 te vinden via http://www.rijksoverheid.nl/nieuws/2012/02/29/maximumstraf-voor-mensenhandel-omhoog.html
  5. 5. De wil om te spreken 5 mensenhandel (CoMensha). Wanneer instanties zoals opsporings- en hulpverleningsinstanties te maken krijgen met mogelijke slachtoffers van mensenhandel dan kunnen zij hiervan een melding maken. Als enige instantie is de politie verplicht een melding te maken bij CoMensha. CoMensha verwerkt deze cijfers en verdeelt deze onder in de verschillende type mensenhandel, zoals seksuele uitbuiting en overige uitbuiting. In 2011 heeft CoMensha 1222 mogelijke slachtoffers van mensenhandel geregistreerd (CoMensha, 2012).2 In 782 gevallen konden deze worden geregistreerd onder seksuele uitbuiting, daarmee vallen de meeste slachtoffers onder seksuele uitbuiting. Mensenhandel is verboden op grond van artikel 273F Wetboek van Strafrecht. In Nederland is er sprake van mensenhandel als personen door middel van dwang, misleiding of misbruik worden uitgebuit. Onder mensenhandel valt onder andere de gedwongen prostitutie, werken onder mensonterende omstandigheden (lange werkdagen voor een laag salaris) of een persoon dwingen om zijn organen af te staan. Mensenhandel betreft een delict dat ernstige schendingen meebrengt van de lichamelijke en geestelijke integriteit. Slachtoffers worden veelal geestelijk en/of lichamelijk mishandeld. In de meeste gevallen zijn de slachtoffers erg getraumatiseerd door hetgeen hen is overkomen. Het misdrijf mensenhandel is moeilijk aan de oppervlakte te brengen, omdat slachtoffers vaak geen aangifte doen tegen de mensenhandelaar. Dat blijkt uit onderzoek van kenniscentrum voor emancipatie E-Quality, Bonded Labour in Nederland (nu Fairwork) en het CoMensha (Fairwork e.a., 2011). Slachtoffers van mensenhandel, en dus gedwongen prostitutie, doen maar in de helft van de gevallen aangifte tegen hun uitbuiters. Veelvoorkomende redenen om geen aangifte te doen zijn angst voor wraak, gevoelens van schuld, schaamte en het niet in bezit zijn van een geldige verblijfsvergunning. De drempel om aangifte te doen ligt kennelijk erg hoog voor slachtoffers van gedwongen prostitutie. Toch zijn er aanwijzingen dat gedwongen prostitutie veelvuldig voorkomt (NRM, 2010). Gedwongen prostitutie is geen zogenoemd klachtdelict. Een mensenhandelaar kan derhalve ook ambtshalve worden veroordeeld zonder dat er een aangifte is gedaan tegen hem. Echter, een aangifte blijkt in veel gevallen toch wel nodig te zijn om tot een veroordeling van de dader te kunnen komen (Damen, 2011). Om deze reden doen de opsporingsdiensten pogingen om de aangiftebereidheid onder slachtoffers te vergroten. Een recent en innovatief voorbeeld hiervan is de grootschalige politieactie in Eindhoven van 23 maart 2012. Het prostitutiegebied van Eindhoven is voor deze actie volledig afgesloten en de aanwezige prostituees werden overgebracht naar het stadhuis. Door vermoedelijke slachtoffers van gedwongen prostitutie uit de uitbuitingsomgeving te halen en hun hulp te bieden op het stadhuis zouden zij sneller bereid zijn een verklaring af te leggen. 2 CoMensha registreert enkel mogelijke slachtoffers van mensenhandel, het aantal werkelijke slachtoffers is derhalve onbekend.
  6. 6. De wil om te spreken 6 In 2011 heeft een soortgelijke actie plaatsgevonden in het prostitutiegebied van Den Haag. Beide acties gaven voor de eventuele slachtoffers geen aanleiding om aangifte te doen tegen hun uitbuiter, terwijl van een aantal prostituees bekend was dat zij slachtoffer waren van gedwongen prostitutie.3 Men kan zich afvragen of deze acties dan wel bijdragen aan de aangiftebereidheid onder slachtoffers van gedwongen prostitutie. 1.1 Belang van het onderzoek Opsporingsambtenaren moeten steeds meer moeite doen om aangiftes te verkrijgen van slachtoffers van gedwongen prostitutie (Staring, 2007). Terwijl deze aangiftes een positief effect kunnen hebben op een eventuele veroordeling van de uitbuiter (Damen, 2001). Het beleid ten opzichte van mensenhandel in de prostitutie zou daarom meer gericht moeten worden op het vergroten van de aangiftebereidheid van slachtoffers (NRM, 2010). Hiervoor is bijvoorbeeld de politieactie in Eindhoven en Den Haag bedacht. Het doel van dit onderzoek is inzicht te verkrijgen in de factoren die een rol spelen bij de aangiftebereidheid onder slachtoffers van gedwongen prostitutie. Het aangiftegedrag zou mede zijn grondslag kunnen vinden in de cultuur van het land van herkomst van de slachtoffers. Van Nigeriaanse slachtoffers is bekend dat zij onder druk worden gezet door middel van voodoo. Daarnaast zouden de slachtoffers vanuit Centraal- en Oost-Europa vatbaarder zijn om slachtoffer te worden vanwege de slechte economische status die zij hebben in hun land van herkomst. Een bestudering van deze verschillende culturen ten aanzien van het land van herkomst kan meer inzicht geven in de afweging om wel of geen aangifte te doen tegen hun uitbuiter. Daarnaast zal in dit onderzoek een analyse gemaakt worden van het huidige Nederlandse beleid ten opzichte van de gedwongen prostitutie en zal bestudeerd worden of dit beleid wel voldoende aanknopingspunten heeft om slachtoffers aan te sporen om aangifte te doen. Ten slotte zal op basis van de inzichten betreffende de aangiftebereidheid van slachtoffers van gedwongen prostitutie, de politieactie in Eindhoven van 23 maart 2012 worden getoetst of zij het gewenste effect heeft, ten aanzien van het verhogen van het aangifteniveau bij gedwongen prostitutie. De centrale vraag van dit onderzoek luidt: “Welke problemen liggen ten grondslag aan het lage aangifteniveau bij slachtoffers van gedwongen prostitutie en zijn politieacties, zoals uitgevoerd in Eindhoven, een geschikte maatregel om het aangifteniveau te verhogen?” 1.2 Methode van onderzoek Voor de beantwoording van de centrale vraag van dit onderzoek zal in het tweede hoofdstuk de inrichting van het huidige beleid in Nederland ten aanzien van gedwongen prostitutie geschetst worden. Daarvoor zal ik eerst het juridisch kader schetsen, hierbij betrek ik zowel internationale als de nationale wetgeving. De Nederlandse wetgeving is gebaseerd op de internationale wetgeving en verdient daarom aandacht. Vervolgens zal ik schetsen hoe men in Nederland op dit moment de gedwongen prostitutie aanpakt. Ten slotte zal ik kijken naar 3 Interview Mongard, medewerker stichting Fairwork
  7. 7. De wil om te spreken 7 het toekomstige prostitutiebeleid, deze bevat een aantal aanpassingen van het huidige prostitutiebeleid ter bestrijding van de gedwongen prostitutie. Dit hoofdstuk geeft weer wanneer er sprake is van gedwongen prostitutie en hoe Nederland op dit moment de gedwongen prostitutie aanpakt. In het derde hoofdstuk zal ik me richten op de daders en de slachtoffers van mensenhandel in de prostitutie. Ik zal hiervoor een profielschets maken van de slachtoffers en daders en de werkwijze van de daders beschrijven. In dit hoofdstuk zal ik onderscheid maken tussen verschillende landen van herkomst van slachtoffers, zoals Nederland, Nigeria en Centraal en Oost Europese landen. Deze naties staan in de top tien van slachtoffers van mensenhandel in Nederland (CoMensha, 2011). De omstandigheden en de cultuur van het land van herkomst van de verschillende slachtoffers kan een aanzienlijke rol spelen in de manier waarop slachtoffers worden geronseld door mensenhandelaren. De manier van ronseling en de omstandigheden in het land van herkomst zouden een verklaring kunnen geven waarom slachtoffers geen aangifte doen tegen hun uitbuiter. In hoofdstuk vier zal ik onderzoeken welke factoren een rol spelen bij de aangiftebereidheid onder slachtoffers van gedwongen prostitutie. Hierbij zal ik de inzichten die ontstaan zijn uit criminologisch onderzoek als uitgangspunt nemen. Daarnaast zal ik slachtoffers en professionals die vanuit de hulpverlening of de opsporing betrokken zijn bij gedwongen prostitutie interviewen. Ik zal bespreken in hoeverre de gevonden inzichten uit criminologisch onderzoek bij de door mij gevoerde interviews aan de orde komt. Dit hoofdstuk zal een verklaring kunnen geven waarom de drempel om aangifte te doen voor slachtoffers zo hoog is. In hoofdstuk vijf zal ik de politieactie in Eindhoven van 23 maart 2012 evalueren. Deze actie dient te werken als een soort interventie. De slachtoffers worden uit hun omgeving gehaald en worden voorgelicht over hun rechten. De vraag bestaat of dit soort politieacties de aangiftebereidheid onder de slachtoffers van gedwongen prostitutie kan vergroten. In dit hoofdstuk zal ik op basis van de verworven inzichten, ten aanzien van aangiftebereidheid, deze politieactie evalueren. In het laatste hoofdstuk zal ik een conclusie geven op basis van de verworven inzichten. In dit hoofdstuk zal ik ook antwoord geven op de centrale vraag van dit onderzoek.
  8. 8. De wil om te spreken 8 Hoofdstuk 2 Juridisch kader en het huidige beleid met betrekking tot gedwongen prostitutie De gedwongen prostitutie valt onder het misdrijf mensenhandel.4 Mensenhandel houdt in dat mensen worden uitgebuit en onder mensonterende omstandigheden moeten werken. Men noemt het daarom ook wel moderne slavernij. In dit hoofdstuk zal ik het juridische kader schetsen met betrekking tot mensenhandel. De Nederlandse delictsomschrijving is afgeleid van de internationale regelgeving. In dit hoofdstuk zal daarom ook een deel van de internationale regelgeving aan bod komen. Ten slotte zal ik het huidige Nederlandse prostitutiebeleid schetsen. Het Nederlandse prostitutiebeleid is mede gericht op het tegengaan van gedwongen prostitutie. Het kader dat in dit hoofdstuk zal worden geschetst zal een beeld geven wat gedwongen prostitutie volgens de wet inhoudt. Dit is belangrijk omdat de definitie gedwongen prostitutie nog wel eens vragen kan opwerpen. Is het ‘dwingen van iemand om in de prostitutie alleen mensenhandel of is ook het uitbuiten van mensen die al in de prostitutie werkzaam zijn ook mensenhandel? Dit hoofdstuk zal op deze vraag een antwoord geven. Daarnaast geeft het beschreven kader een beeld hoe in Nederland, op dit moment, wordt omgegaan met deze problematiek. Nederland is namelijk uniek in Europa op het gebied van prostitutie daar het hier gezien wordt als een “normaal” beroep. 2.1 Internationale regelgeving Mensenhandel is gedefinieerd in verschillende internationale verdragen. In artikel 4 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, is het verbod opgenomen tegen slavernij en dwangarbeid. Lid 1 van dit artikel spreekt over het verbod ‘iemand in slavernij of dienstarbeid te houden’. Lid 2 spreekt over het verbod ‘gedwongen of verplichte arbeid te verrichten’. Hieronder valt uiteraard mensenhandel, zij het in de breedste zin van het woord. Dit lid spreekt over dwangarbeid en de omstandigheid iemand hierin te houden. Mensenhandel omvat veel meer dan alleen deze twee kenmerken en om deze reden bestaat er nog meer specifieke internationale regelgeving op het gebied van mensenhandel. De voornaamste hiervan is het VN-verdrag betreffende bestrijding van internationaal georganiseerde misdaad en de protocollen tegen mensenhandel en mensensmokkel; de zogenoemde Palermo-protocollen (2004). In artikel 3 van deze zogenoemde Palermo-protocollen is de volgende definitie gegeven aan mensenhandel: ‘het werven, vervoeren, overbrengen van en het bieden van onderdak aan of het opnemen van personen, door dreiging met of gebruik van geweld of andere vormen van dwang, ontvoering, bedrog, misleiding, machtsmisbruik of misbruik van een kwetsbare positie of het verstrekken of in ontvangst nemen van betalingen of voordelen teneinde de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap heeft over een andere persoon, ten behoeve van uitbuiting.’ Er is dus in ieder geval sprake van mensenhandel als personen door middel van dwang, misleiding of misbruik worden uitgebuit. 4 Artikel 273F Wetboek van Strafrecht
  9. 9. De wil om te spreken 9 De Palermo- protocollen dienen als basis voor de latere wetgeving, zoals de Europese regelgeving en Nederlandse regelgeving. 2.2 Nederlandse regelgeving Het verbod van mensenhandel is in Nederland geregeld in artikel 273F Wetboek van Strafrecht. Het artikel is opgenomen in de titel ‘Misdrijven tegen persoonlijke vrijheid’. Dit betekent dat uitbuiting die een inbreuk op de persoonlijke vrijheid van het slachtoffer inhoudt de strafwaardigheid vormt. Dit houdt in dat mensenhandel in verschillende sectoren kan plaatsvinden (Smit en Boot, 2007). Zo is niet alleen de uitbuiting in de prostitutie strafbaar gesteld maar ook uitbuiting in andere arbeid en illegale orgaanhandel. De definitie van mensenhandel is in Nederland gebaseerd op de Palermo-protocollen. Nederland gaat in dit artikel een stuk verder dan de internationale regelgeving. Niet alleen het brengen van een persoon in een uitbuitingssituatie, maar ook het houden in een uitbuitingssituatie of het beletten zich uit de uitbuitingssituatie te ontrekken is strafbaar gesteld ( Van Dooijeweert e.a., 2009). Zoals eerder gezegd omvat artikel 273F Wetboek van Strafrecht naast het verbod van gedwongen prostitutie ook het verbod van andere gedwongen arbeid. In dit hoofdstuk zal ik alleen ingaan op de delen van dit artikel die gericht zijn op gedwongen prostitutie. In artikel 273F lid 1 sub 1 Wetboek van Strafrecht geeft de wetgever de omstandigheden aan wanneer men spreekt van mensenhandel. De wetgever onderscheidt hierbij de volgende onderdelen:  De gedragingen: “degene die een ander werft, vervoert, overbrengt, huisvest of opneemt”  De (dwang)middelen: “degene die een ander door dwang, geweld, of andere feitelijkheid, dreiging met geweld, of andere feitelijkheid, afpersing, fraude, misleiding, misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht, misbruik van een kwetsbare positie of door het geven of ontvangen van betalingen of voordelen om de instemming van een persoon te verkrijgen die zeggenschap over die ander heeft”  Het oogmerk: “met het oogmerk van uitbuiting van die ander of de verwijdering van diens organen” Deze omstandigheden schetsen een zuivere vorm van mensenhandel, dat gericht is op uitbuiting. Daarnaast is ook het aanwerven van personen met het oogmerk diegene in een ander land beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen tegen betaling strafbaar gesteld (artikel 273 F lid 1 sub 3 Wetboek van Strafrecht). Hier is dus geen uitbuiting vereist, slechts het aanwerven is voldoende. Tevens is ook geen uitbuiting vereist wanneer het slachtoffer de leeftijd van 18 jaar nog niet heeft bereikt (artikel 273F lid 1 sub 5 Wetboek van Strafrecht). Mensenhandel is niet een zogenoemd klachtdelict, daarom is een aangifte of klacht geen eis voor vervolging. Om tot een dossier te komen wordt er gebruik gemaakt van de zogenoemde ‘stapelmethode’ (Van der Wiele, 2011). Door middelen zoals observaties en meldingen van derden kunnen er signalen bij de politie binnen komen over mensenhandel. Deze signalen hoeven niet expliciet gericht te zijn op (vermeende) gedwongen prostitutie, maar zijn veelal verbonden met de prostitutie. Het kan bijvoorbeeld gaan om een melding van personen die zich ophouden in het prostitutiegebied in een Bulgaarse auto. De politie
  10. 10. De wil om te spreken 10 kan vanuit haar controlerende taak hiervan een melding maken in het systeem5 . Er wordt een melding gemaakt in het systeem en in de mutatie wordt het woord ‘prostitutie’ vermeld. Deze verwijzing duikt vervolgens op in het computersysteem van de mensenhandelteams en centraal bij het Expertisecentrum Mensenhandel en Mensensmokkel. Wanneer alle losse stukjes informatie bij elkaar gevoegd kunnen worden, ontstaat er een dossier. Dit houdt in dat het dossier ook opgebouwd kan worden zonder dat de politie bewust bezig is met een mensenhandelzaak. Wanneer het prostitutie controleteam vermoedt dat er sprake is van gedwongen prostitutie dan wordt deze informatie ook nagekeken voor bewijsvergaring. Met dit dossier kan ook overgegaan worden tot vervolging van de verdachte(n) van gedwongen prostitutie. 2.2.1 Grooming Het werven van slachtoffers voor seksueel misbruik wordt ook wel ronselen genoemd (Bovenkerk, San, Boone, Boekhout van Solinge & Korf, 2004). Ronselen kan zowel actief als passief plaatsvinden. Actief ronselen houdt in dat de dader zich op openbare plaatsen begeeft waarbij hij gemakkelijk in contact kan komen met zijn slachtoffers. Een manier van actief ronselen van minderjarigen kan onder het begrip ‘grooming’ vallen. Grooming is sinds 1 januari 2010 strafbaar gesteld in artikel 248 E Wetboek van Strafrecht: “Hij die door middel van een geautomatiseerd werk of met gebruikmaking van een communicatiedienst een persoon van wie hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat deze de leeftijd van zestien jaren nog niet heeft bereikt, een ontmoeting voorstelt met het oogmerk ontuchtige handelingen met die persoon te plegen of een afbeelding van een seksuele gedraging waarbij die persoon is betrokken te vervaardigen wordt, indien hij enige handeling onderneemt gericht op het verwezenlijken van die ontmoeting, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of geldboete van de vierde categorie.” Dit artikel ziet onder andere toe op de grooming op internetsites en social media. Het artikel stelt de ontmoeting met de minderjarige met als doel ontuchtige handelingen te plegen strafbaar. Voor een succesvolle vervolging hoeft er geen sprake te zijn van het uitvoeren van de ontuchtige handelingen. Het enkel communiceren met een minderjarige waarbij men seksuele toespelingen doet, valt niet onder dit artikel.6 Daarnaast is er expliciet gekozen voor de term ontuchtige handelingen omdat niet elk seksueel contact met een minderjarige strafbaar is. Zo is een minderjarige die seksuele handelingen uitvoert bij een persoon van zijn eigen leeftijd niet strafbaar. Passieve ronseling houdt in dat de daders zich zo presenteren dat zij zich ‘aantrekkelijk’ maken voor zijn toekomstige slachtoffers. Door een bepaald imago te creëren zorgen deze daders ervoor dat zijn slachtoffers naar hem toekomen, omdat ze hem bijvoorbeeld spannend vinden. Hierop zal verder ingegaan worden in hoofdstuk drie. 2.3 Bewijsvraag gedwongen prostitutie Het aantal vrijspraken bij uitbuiting in de seksindustrie blijkt relatief hoog te zijn (NRM, 2009). Ook uit onderzoek van Duijst (2009) blijkt dat loverboys, een type mensenhandelaar, relatief vaak worden vrijgesproken. Zij twijfelt of artikel 273F Wetboek van Strafrecht wel de juiste manier is om deze loverboys aan te pakken. Naar aanleiding hiervan is er onderzoek 5 Interview recherche Friesland 6 Aanwijzing kinderpornografie (240 B Wetboek van Strafrecht), 2011
  11. 11. De wil om te spreken 11 gedaan naar de bewijsvraag van gedwongen prostitutie (Damen, 2011). Uit dit onderzoek blijkt dat er een viertal problemen ten grondslag liggen aan het hoge aantal vrijspraken op het gebied van gedwongen prostitutie. Ten eerste door een gebrek aan steunbewijs, naast een belastende aangifte of verklaring, lijkt deze aangifte of verklaring sneller als onbetrouwbaar te worden aangemerkt. Ten tweede vormt de bewijsvoering rond zowel het oogmerk als de uitbuiting vaak een probleem. Voor het oogmerk is een vergaande mate van opzet vereist, wat soms moeilijk te bewijzen is. En voor uitbuiting lijkt de mate van vrijwilligheid van het slachtoffer een grote rol te spelen voor de rechter. Ten derde vormt de bewijsvoering rondom de onvrijwilligheid van het slachtoffer veelal ook een probleem. Niet alleen het brengen van een persoon in een uitbuitingssituatie is strafbaar maar ook het instandhouding van de uitbuiting. Dit lijkt in sommige gevallen toch moeilijk te bewijzen. Ten slotte wordt ook het ontbreken van een belastende aangifte of verklaring van de slachtoffers genoemd. 2.3.1 Absoluut doorlaatverbod Het doorlaatverbod houdt in dat elk signaal dat duidt op mensenhandel direct moet worden onderzocht (artikel 126 FF Wetboek van Strafrecht). De politie en het Openbaar Ministerie mogen daarbij het delict nooit laten voortduren zodat slachtoffers derhalve in de uitbuitingssituatie blijven zitten. Het verbod dient de slachtoffers te beschermen. Politie dient daarom vroegtijdig of zelfs voortijdig in te grijpen, waardoor verder onderzoek naar de organisatie en werkwijze kan worden gestoord (NRM, 2007). Het gevaar bestaat dat hierdoor de zogenoemde kopstukken van de organisatie aanhouding kunnen voorkomen. Doordat de politie nog niet de hele organisatie in kaart heeft kunnen brengen. Daarnaast lijkt het verbod in de praktijk niet altijd haalbaar (NRM, 2010). Wegens capaciteitsgebrek zou de politie niet altijd direct een onderzoek kunnen starten naar mensenhandel. Ook kan het voorkomen dat een mensenhandelzaak het moet afleggen tegen andere geprioriteerde zaken, zoals ernstige zedenzaken of grote drugszaken. 2.3.2 Strafbare feiten gepleegd door het slachtoffer Soms komt het voor dat een slachtoffer van mensenhandel ook betrokken is als dader bij sommige overtredingen of misdrijven tijdens de uitbuitingssituatie. Hierbij kan men denken aan drugs vervoeren. De bereidheid van het slachtoffer om aangifte te doen en mee te werken aan het onderzoek zou sterk gerelateerd zijn aan het risico dat het slachtoffer loopt om zelf vervolgd te worden voor onrechtmatige gedragingen die het in de uitbuitingssituatie heeft begaan (NRM, 2009). In dit geval kan de rechter gebruik maken van het zogenoemde non punishment-beginsel. Dit beginsel is neergelegd in artikel 26 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake bestrijding van mensenhandel (2005). “Elke Partij voorziet, in overeenstemming met de grondbeginselen van haar rechtsstelsel, in de mogelijkheid slachtoffers geen straf op te leggen voor hun betrokkenheid bij onrechtmatige handelingen indien zij hiertoe gedwongen werden.” Hoewel Nederland niet expliciet spreekt van een non punishment-beginsel kan men dit wel ‘inlezen’ in artikel 9 A Wetboek van Strafrecht. “Indien de rechter dit raadzaam acht in verband met de geringe ernst van het feit, de persoonlijkheid van de dader of de omstandigheden waaronder het feit is begaan, dan wel die zich nadien hebben voorgedaan, kan hij in het vonnis bepalen dat geen straf of maatregel zal worden opgelegd.”
  12. 12. De wil om te spreken 12 Het opportuniteitsbeginsel brengt met zich mee dat het Openbaar Ministerie af kan zien van (verdere) vervolging (artikel 167 en 242 Wetboek van Strafvordering). De sepotgronden kan men vinden in de aanwijzing sepotgronden (2009). De Nationaal Rapporteur Mensenhandel pleit ervoor ook slachtofferschap van mensenhandel hierin op te nemen in de aanwijzing sepotgronden (NRM, 2009). Dit zou wenselijker zijn voor het slachtoffer, aangezien dan een rechtsgang wordt voorkomen. Ten tijde van dit onderzoek kunnen slachtoffers van mensenhandel er niet zomaar vanuit gaan dat zij niet zullen worden vervolgd. 2.4 Buitenlandse slachtoffers Wanneer er sprake is van buitenlandse slachtoffers van mensenhandel bestaat er speciale regelgeving ten behoeve van deze slachtoffers, de zogenoemde B9-regeling. De B9-regeling staat beschreven in de Vreemdelingencirculaire 2000 (b), hoofdstuk 9. Wanneer de slachtoffers aangifte of een verklaring afleggen kunnen zij, gedurende de eventuele strafrechtelijke procedure, een tijdelijke verblijfsvergunning krijgen. Deze regeling ziet toe op twee doeleinden (NRM, 2009). Ten eerste het belang van opsporing en vervolging door de aangiftedrempel te verlagen en de getuigen te behouden voor onderzoek. Ten tweede het belang van het slachtoffer, door het aanbieden van opvang en bescherming. Het uitzetten van slachtoffers van mensenhandel in Nederland kan voor een periode van maximaal 3 maanden worden opgeschort. De periode van 3 maanden kan gebruikt worden als bedenktijd voor de overweging om aangifte te doen. Ten aanzien van (mogelijke) slachtoffers is de B9-regeling van toepassing op:  Vreemdelingen die worden aangetroffen bij een bestuurlijke of politiecontrole in een seksinrichting  Vreemdelingen die in Nederland in de prostitutie werkzaam zijn geweest, die niet over een geldige verblijfstitel beschikken en die zelf contact opnemen met de politie  Vreemdelingen die in Nederland werkzaam zijn geweest, die niet over een geldige verblijfstitel beschikken en die zelf contact opnemen met de politie  Vreemdelingen die nog niet in Nederland werkzaam zijn geweest, die niet over een geldige verblijfstitel beschikken maar wel mogelijk slachtoffer zijn van mensenhandel  Vreemdelingen die nog geen toegang tot Nederland hebben gehad, maar wel mogelijk slachtoffer van mensenhandel zijn. Een voorbeeld hiervan is de vreemdeling die aangeeft slachtoffer te zijn of waarvan men denkt dat zij slachtoffer is van mensenhandel voordat zij zich werkelijk in Nederland heeft bevonden. In sommige gevallen is het niet wenselijk om aangifte of een verklaring af te leggen door deze slachtoffers. Dit kan wanneer het slachtoffer te maken heeft met ernstige bedreigingen en/of een medische of psychische beperking heeft. In deze uitzonderlijke gevallen kan beslist worden het slachtoffer toch een verblijfsvergunning te verlenen. Dat hier sprake is van mensenhandel dient onomstotelijk vast te staan en daarnaast moet er een goede reden zijn om geen aangifte te willen doen of medewerking te willen verlenen aan het strafproces. Naast (mogelijke) slachtoffers van mensenhandel kunnen ook getuigaangevers een beroep doen op de zogenaamde B-9 regeling, hetzij in beperkte vorm.
  13. 13. De wil om te spreken 13 Ten aanzien van getuigenaangevers is de B-9 regeling van toepassing op:  De vreemdeling die getuigenaangever is van mensenhandel  De vreemdelinge ter zake aangifte heeft gedaan  Sprake is van een strafrechtelijk opsporingsonderzoek of vervolgingsonderzoek naar of berechting in feitelijke aanleg van de verdachte van het strafbare feit, waarvan aangifte is voldaan  Het verblijf in Nederland van de getuigenaangever dient naar het oordeel van de Minister in het belang van de opsporing of vervolging van de verdachte noodzakelijk is. Wanneer de vreemdeling, zowel de aangever als de getuigenaangever, aan de voorwaarden voldoet van de B9-regeling kan zij een verblijfsvergunning krijgen. In eerste instantie zal deze verleend worden voor één jaar en kan, wanneer het onderzoek of de rechtelijke procedure nog loopt, worden verlengd. Met deze verblijfsvergunning kunnen de slachtoffers of getuigen aan het werk in Nederland zonder de benodigde tewerkstellingsvergunning. Wanneer de procedure stopt of is afgerond, wordt de verblijfsvergunning ingetrokken. Slachtoffers van mensenhandel kunnen, wanneer de aangifte geleid heeft tot een veroordeling, gebruik maken van voortgezet verblijf. Dit kan ook wanneer zij minimaal drie jaar rechtmatig in Nederland verbleven. Op de B9-regeling is vanuit de politiek kritiek, omdat men wantrouwend is over de intenties van de vreemdeling. Sommige vreemdelingen zouden de regeling gebruiken om een verblijfsvergunning te krijgen. Doordat de politie met sommige aangiftes van vreemdelingen zo weinig aanknopingspunten hebben voor de opsporing worden deze zaken relatief vaak geseponeerd. Volgens de politie krijgen zij vaak vrijwel identieke verhalen te horen bij een aangifte of kunnen de slachtoffers slechts een vaag signalement van de dader geven. Minister Leers heeft in een brief aan de Tweede kamer vier maatregelen voorgesteld om misbruik van de B9-regeling tegen te gaan. Deze maatregelen moeten leiden tot een snellere procedure en een korter verblijf:  Doorlooptijden in B9-regeling verkorten, zo zullen de ‘echte’ slachtoffers sneller gebruik kunnen maken van hun rechten  Valse aangifte mensenhandel waar mogelijk vervolgen  Verblijfsrecht na sepot van de strafzaak beëindigen  Pilot Kansloze aanvragen uitvoeren, zoals eerder genoemd zijn sommige aangiftes zo onduidelijk dat er vrijwel geen aanknopingspunten zijn voor opsporing door de politie. Deze maatregelen zijn nog niet uitgevoerd en de wetgever kijkt op dit moment naar de mogelijkheden om deze maatregelen in te voeren. De hulp- en opvangsorganisatie ‘Fier Fryslan’ heeft een brief aan minister Leers geschreven waarin zij aangeeft de maatregelen niet als wenselijk te beschouwen. Zoals eerder aangegeven zien zij er geen heil in om de doorlooptijd van de B9-regeling te verkorten, daar zij bang zijn dat de zaken dan (nog) sneller worden afgedaan. Fier Fryslân is van mening dat deze periode te kort is, omdat de slachtoffers nog niet klaar zijn om aangifte doen door de traumatische ervaring.7 Volgens deze organisatie is het zeer lastig om de hulpverlening binnen 3 maanden in gang te zetten. Daarbij kan terugkeer naar het land van herkomst problemen geven waardoor zij gepusht 7 Gesprek met mevrouw I. van Buren, coördinator mensenhandel Fier Fryslan
  14. 14. De wil om te spreken 14 worden om aangifte te doen. Dit zou dan niet in belang van het slachtoffer zijn. De Nationaal rapporteur mensenhandel noemt de regeling enigszins hybride. De regeling is ten eerste bedoeld voor het beschikbaar houden van vreemdelingen voor politie en justitie, maar heeft steeds meer de vorm gekregen van een verblijfsvergunning. Enerzijds wordt het opsporing- en vervolgingsbelang ermee gediend, maar anderzijds gaat het ook om een recht voor het betrokken slachtoffer. Deze beide belangen lopen niet altijd geheel parallel (NRM, 2009). Naar aanleiding van de brief van minister Leers heeft ook de Nationaal Rapporteur voor Mensenhandel een brief aan het Ministerie voor Immigratie, Integratie en Asiel geschreven. De Rapporteur betwijfelt in deze brief dat de voorgeschreven maatregelen van voormalig Minister Leers enig effect zal hebben op het vermeende misbruik van de B9-regeling. Daarnaast spreekt de Rapporteur haar vrees uit over de druk die op het slachtoffer zal komen te staan door uitvoering van de maatregel. Deze druk zal de aangiftebereidheid niet ten goede komen en zal waarschijnlijk negatieve gevolgen hebben voor de opsporing en vervolging van mensenhandel, aldus de Nationaal Rapporteur. 2.5. Ketenaanpak In Nederland is er een speciaal actieplan opgesteld ter bestrijding van de loverboyproblematiek. Loverboys zijn mensenhandelaren die zijn slachtoffers ronselt via een speciale techniek, namelijk door een (psychologische) relatie met het slachtoffer aan te gaan. Om loverboyproblematiek goed aan te pakken, is een structurele, integrale (keten)aanpak noodzakelijk. Het inzetten van zorg of strafrecht alleen is niet genoeg om de problematiek aan te pakken, aldus Opstelten (Handreiking aanpak loverboyproblematiek, 2012). Om deze reden heeft het Ministerie van Veiligheid en Justitie een rijksbreed actieplan opgesteld. De verschillende mensenhandelteams maken, zoals in paragraaf vier van dit hoofdstuk is besproken, gebruik van de zogenoemde stapelmethode. Door het samenwerken van de verschillende ketenpartners is het gemakkelijker om tot dossiervorming te komen. De verschillende partners kunnen nu tijdens het overleg praten over de signalen welke hun opvallen binnen hun werkgebied en de andere partners kunnen hier vervolgens op reageren. Volgens de handreiking kunnen de verschillende partners per gemeente verschillen. Wel is er sprake van een zogenaamd kernteam, welke de vaste basis zal vormen van de ketenaanpak. Dit kernteam bestaat uit: gemeente, politie, OM, instanties belast met de zorg voor minderjarigen (zoals Bureau Jeugdzorg), instanties belast met de zorg voor meerderjarigen (zoals GGD en GG&D) en het ondersteunen en faciliteren van ketensamenwerking. Naast het feit dat het kernteam met elkaar overleg pleegt, kan zij ook informatie vragen of overleg plegen met de partners uit de zogenoemde ‘flexibele schil’. Mogelijke partners van de flexibele schil kunnen zijn: scholen, opvanginstelling, Regionale Informatie en Expertise Centrum (RIEC), belastingdienst, Kamer van Koophandel, hulpverleninginstanties en de leerplichtambtenaar. De ketenpartners stellen gezamenlijke doelen. Die zij vastleggen in een convenant. Dankzij dit convenant is het eenvoudiger toe te zien op het naleven van de doelen nu zij op schrift zijn gesteld. Daarnaast maakt het convenant het eenvoudiger voor de ketenpartners om informatie met elkaar uit te wisselen nu dit is toegestaan op grond van het convenant. Hierbij moet men wel rekening houden met het feit dat de toegestane informatie voor
  15. 15. De wil om te spreken 15 uitwisseling voldoende gespecificeerd is en verband houdt met de doelen in het convenant. Zo is de privacy van de betrokkenen gewaarborgd. De manier van samenwerking kan per gemeente verschillen, zo bestaan er verschillende samenwerkingsvormen, zoals een stuurgroep, voorbereidingsteam, projectgroep en casusoverleg.  Stuurgroep: In de stuurgroep neemt het topmanagement van de betrokken partijen deel. De stuurgroep rapporteert aan het college van B&W en de gemeenteraad. Deze stuurgroep bekijkt welke aanpak het beste zou werken in hun regio. De stuurgroep komt eens in de zes weken bijeen.  Projectgroep: Het ketenregieteam mensenhandel beslist over het uitvoeren van analyses van de aard en de omvang van mensenhandel, heeft mandaat en ziet toe op het correct functioneren van de gehele ketenaanpak mensenhandel. Het ketenregieteam komt eens in de zes weken bijeen.  Voorbereidingsteam: Het voorbereidingsteam bereidt de casussen voor het casusoverleg voor. Het analyseert en combineert signalen of meldingen die binnenkomen in de keten met andere signalen en overige informatie.  Casusoverleg: Per ingebrachte casus wordt een schets gegeven van de achtergrond, de openstaande acties, vragen die in het casusoverleg moeten worden besproken en voorstellen voor eventuele interventies. Afhankelijk van de grote van de gemeente kan gebruik worden gemaakt van een vorm van samenwerking of kunnen de verschillende samenwerkingsvormen naast elkaar in een gemeente worden gebruikt. Zo kent de gemeente Rotterdam een stuurgroep en een projectgroep. 2.6 Prostitutiebeleid Naast het gegeven dat gedwongen prostitutie strafbaar is gesteld, houdt men in het huidige prostitutiebeleid ook rekening met de bestrijding van gedwongen prostitutie. Zo is het beleid mede ontstaan vanuit het oogpunt om ongewenste vormen van prostitutie, en daarbij dus gedwongen prostitutie, tegen te gaan. In deze paragraaf zal ik een overzicht geven van het huidige prostitutiebeleid en zal ik ingaan op de eventuele toekomstige wijzigingen van dit beleid. In artikel 250bis Wetboek van Strafrecht (vervallen in 2000) had de wetgever het exploiteren van een bordeel en souteneurschap strafbaar gesteld. Het prostitueren zelf is nooit strafbaar gesteld. De wet was erop gericht vermoedelijke uitbuiters, dus pooiers en bordeeleigenaren, strafbaar te stellen. De wetswijziging had tot gevolg dat prostitutie kleinschaliger werd en meer verspreid over de stad ging opereren (Mulder, 2004). Toen bleek dat de prostitutie niet zou verdwijnen, liet de politie het werken achter ramen toe. Er ontstond een situatie van gedoogbeleid.
  16. 16. De wil om te spreken 16 In 2000 zijn het algemeen bordeelverbod en het verbod op souteneurschap opgeheven. Dit artikel is uit het Wetboek van Strafrecht geschrapt. Daarentegen werd in een nieuw artikel gedwongen prostitutie strafbaar gesteld (artikel 250A Wetboek van Strafrecht). Dit artikel is in 2005 vervallen. Het motief voor het opheffen van het bordeelverbod was dat de situatie van gedogen zou moeten worden gelegaliseerd en daarnaast zag de wetgever de wetswijziging als een manier om mensenhandel, en daarmee dus de gedwongen prostitutie, tegen te gaan (Daalder, 2007). De wetgever heeft daarom aan de wetswijziging van 1 oktober 2000 zes hoofddoelstellingen verbonden: 1) Beheersing en regulering van exploitatie van prostitutie 2) Verbetering van de bestrijding van onvrijwillige prostitutie 3) Bescherming van minderjarigen tegen seksueel misbruik 4) Bescherming van de positie van prostituees. 5) Het ontvlechten van prostitutie en criminele randverschijnselen 6) Het terugdringen van de omvang van prostitutie door illegalen. Dit houdt in dat in de meeste gemeenten de exploitatie vergunningplichtig is geworden. Aan de hand van deze vergunningen kan door instanties controles uitgevoerd worden waarbij wordt getoetst of er aan de vergunning verbonden eisen wordt voldaan. De wetgever zag dit als een mogelijkheid de handhavings- en opsporingscapaciteit voor mensenhandel gerichter in te kunnen zetten waardoor mensenhandel beter zou kunnen worden bestreden. Door de betere handhaving van de branche zou de pakkans van ongewenste vormen van prostitutie toenemen. De afgelopen jaren is er nogal wat kritiek geweest over deze wetwijziging, omdat de gedwongen prostitutie niet verminderd zou zijn. In het rapport Schone Schijn (2008) blijkt dat de vergunde prostitutiesector eveneens onvrijwillige prostitutie bevat. Deze conclusie volgt uit het zogenoemde Sneeponderzoek. Dit onderzoek is gestart nadat er in totaal 14 verdachten zijn opgepakt met betrekking tot mensenhandel in de prostitutie. Deze verdachten leken te functioneren als een criminele organisatie. 2.6.1 Wijzigingen huidig prostitutiebeleid Omdat de onvrijwillige prostitutie niet lijkt te zijn verminderd, ligt er een nieuw wetsvoorstel klaar. Ten tijde van dit onderzoek ligt dit wetsvoorstel bij de Eerste Kamer ligt ter behandeling. Het wetsvoorstel ‘Regulering prostitutie en bestrijding misstanden seksbranche’ houdt een aantal wijzigingen in welke de gedwongen prostitutie tegen dient te gaan. De wijzigingen houden in:  Registratieplicht Prostituees zijn met de nieuwe wet verplicht zich in te schrijven in een landelijk register van prostituees. Voor de registratie komt er een landelijk register. Het voeren van een intakegesprek is verplicht bij de registratie. Tijdens dit gesprek wordt schriftelijke informatie meegegeven over rechten, risico's en mogelijkheden om hulp te bieden bij beëindiging van het beroep. Degene die de intake afneemt, dient te letten op eventuele signalen van gedwongen prostitutie.  Minimumleeftijd De minimumleeftijd om te mogen werken als prostituee wordt verhoogd van 18 naar 21 jaar. De naleving van deze minimumleeftijd wordt geregeld met de minste 21 jaar
  17. 17. De wil om te spreken 17 is. Hierbij zullen de zeer jonge meisjes, welke vatbaar zijn om slachtoffer te worden van mensenhandel, worden beschermd. Een persoon van 21 jaar zou sterker in zijn of haar schoenen staat dan een persoon van 18 jaar.  Vergunningplicht Het is verboden een seksbedrijf uit te oefenen zonder vergunning. Onder een seksbedrijf vallen bijvoorbeeld bordelen, escortbedrijven en sekstheaters. Daarnaast komt er een landelijk register van geweigerde, geschorste en ingetrokken vergunningen. Burgemeesters die een aanvraag voor een vergunning hebben gekregen of een vergunning hebben verleend, krijgen toegang tot het register. Daarnaast krijgen de toezichthouders en Bureau BIBOB toegang tot het register.8 Hiermee kan de aanvraag van een exploitant die in de ene gemeente is geweigerd ook in een andere gemeente geweigerd worden. De gemeente houdt de mogelijkheid om een maximum aantal vergunningen te verlenen. Een gemeente kan ook besluiten geen vergunning te verlenen voor een seksbedrijf in de gemeente. Dit is enkel mogelijk ter bescherming van de openbare orde, de woon- en leefomgeving of de veiligheid en de gezondheid van prostituees of klanten.  Strafbaarstelling klanten De nieuwe wet maakt een klant strafbaar als niet is nagegaan of een prostituee ingeschreven is in het landelijk register. De klanten dienen een nummer te bellen om na te gaan of de betreffende prostituee is geregistreerd. De klanten krijgen dus niet rechtstreeks toegang tot het register.  Toezicht De burgermeester dient ambtenaren aan te stellen welke belast zullen worden met het toezicht op de vergunningsvoorwaarden. 8 Bureau Bibob voert op verzoek van bestuursorganen integriteitscreeningen uit. Bureau Bibob doet dit aan de hand van de Wet bevordering integriteitsbeoordelingen door het openbaar bestuur
  18. 18. De wil om te spreken 18 Hoofdstuk 3 Een profielschets van slachtoffers en daders Zoals in hoofdstuk twee is besproken is het aantal vrijspraken bij gedwongen prostitutie relatief hoog. De rol van het slachtoffer speelt hierin een significante rol. In de rechtbank staat vaak de onvrijwilligheid van het slachtoffer ter discussie. Tevens ontbreekt er dikwijls een belastende verklaring van het slachtoffer ten opzichte van de dader. Om meer inzicht te krijgen in deze problematiek zal in dit hoofdstuk de rol van het slachtoffer worden besproken. Hoe zijn zij in de uitbuitingssituatie terecht gekomen? Daarbij bespreek ik ook de rol van de dader. De werkwijze van mensenhandelaren kan een significante rol spelen in de aangiftebereidheid van slachtoffers (Helfferich e.a., 2010). Het is daarom belangrijk om hiervan een beschrijving te geven. Eerst zal ik in dit hoofdstuk de aard en de omvang van de gedwongen prostitutie beschrijven. Vervolgens zal ik een profielschets geven van de dader en zijn werkwijze bespreken. Ten slotte zal ik een profielschets geven de slachtoffers van gedwongen prostitutie. Ik heb ervoor gekozen om een profiel te schetsen van drie verschillende slachtoffers; namelijk slachtoffers uit Nederland, Nigeria en uit Oost-Europa. Deze naties staan in de top tien van slachtoffers van gedwongen prostitutie in Nederland (CoMensha, 2011). Hierbij zal ik schetsen wie slachtoffers van gedwongen prostitutie zijn en welke risicofactoren voor slachtofferschap in de literatuur genoemd worden. 3.1 Omvang gedwongen prostitutie Het Coördinatiecentrum Mensenhandel (CoMensha) registreert jaarlijks de mogelijke slachtoffers van mensenhandel. Voor registratie vindt er geen toetsing plaats over het feit of iemand daadwerkelijk slachtoffer is van mensenhandel. Daarom spreekt de registratie alleen over mogelijke slachtoffers. Deze registratie is gebaseerd op de meldingen die CoMensha krijgt van instanties die betrokken zijn bij de gedwongen prostitutie. In 2011 zijn 1222 mogelijke slachtoffers van mensenhandel bij CoMensha aangemeld (CoMensha, 2012). In 2010 waren dit er nog 993. Onderstaand tabel laat het aantal geregistreerde mogelijke slachtoffers zien vanaf 2008 tot en met 2011. Jaar Aantal Aantal werkzaam in de prostitutie 2008 826 480 2009 909 427 2010 993 797 2011 1222 782 Zoals af te lezen valt uit de tabel is er een stijgende lijn te zien van geregistreerde mogelijke slachtoffers. Dit hoeft niet te betekenen dat het aantal slachtoffers van mensenhandel is gestegen, echter het aantal mogelijke slachtoffers is meer in zicht gekomen. De Nationaal Rapporteur stelt hierbij dat deze aantallen waarschijnlijk slechts een benadering vormen van het daadwerkelijke aantal slachtoffers van mensenhandel en gedwongen prostitutie (NRM,2010). De reden hiervoor is dat wellicht niet alle signaleerders bekend zijn met CoMensha. Tevens zouden niet alle betrokken instanties precies weten wanneer men een melding dient te maken van mogelijk slachtofferschap. Alleen de politie is verplicht een
  19. 19. De wil om te spreken 19 melding te maken van mogelijk slachtofferschap waardoor wellicht de meeste slachtoffers niet in de registratie worden opgenomen. CoMensha schrijft de uitschieter van het aantal slachtoffers in 2011 mede toe aan het feit dat zij zich meer ingezet hebben op het binnenhalen van aanmeldingen en de extra inzet van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Het overgrote deel van de geregistreerde slachtoffers is werkzaam geweest in de prostitutie (CoMensha, 2012). Naast de algemene registratie van mogelijke slachtoffers van mensenhandel, publiceert CoMensha elk jaar een zogenoemde top tien van de herkomstlanden van slachtoffers. Hieruit blijkt dat de meeste mogelijke slachtoffers van mensenhandel uit Nederland, Nigeria en Oost-Europa (Polen, Bulgarije, Hongarije) komen (CoMensha, 2012). Er zijn respectievelijk 337, 134 en 297 mogelijke slachtoffers geregistreerd. Er zijn geen specifieke aantallen bekend hoeveel van deze slachtoffers precies werkzaam zijn geweest in de prostitutie. Vooral het aantal Polen zou gestegen zijn door invallen in de land- en tuinbouw sector. Hoewel het aantal slachtoffers in overige branches steeds meer lijkt te stijgen, blijkt de prostitutie branche toch het meest aantrekkelijk voor uitbuiting (CoMensha, 2012). 3.2 Aard gedwongen prostitutie Gedwongen prostitutie wordt veelal in verband gebracht met de georganiseerde misdaad (Morrison en Crosland, 2000). Dit blijkt ook uit het feit dat mensenhandel onderdeel uitmaakt van het Palermo-protocol wat gericht is op het tegengaan van georganiseerde misdaad. De Rapporteur Mensenhandel stelt ook dat vanwege het verbod op prostitutie en het bezoeken van prostituees in verschillende landen, bijvoorbeeld Roemenie en Zweden, en de specifieke wetgeving in deze landen de prostitutie eerder geneigd is ondergronds plaats te vinden (NRM, 2009). Waardoor de georganiseerde misdaad zich vaker met prostitutie bezig zal houden (NRM, 2009). Georganiseerde misdaad behoeft doorgaans specifieke kennis en kunde betreffende de delicten die men pleegt (Kleemans, 2007). Hierbij kan men denken aan kennis van de wetgeving op een bepaald gebied. De georganiseerde misdaad kent een aantal specifieke kenmerken waarin zij verschilt met ‘normale’ criminaliteit in groepsverband:  Er dient sprake te zijn van een goed vertrouwen onderling, aangezien bij dit type criminaliteit veelal veel geld en risico’s gemoeid is. Daarbij dient de groep te bezitten over goede sociale relaties. Deze relaties richten zich tot leveranciers en afnemers van hun diensten.  In logistiek opzicht zijn deze delicten ook relatief complex. Zo behoeft de organisatie, en daarbij de uitvoering van het delict, veelal mededaders binnen de eigen groep als de legale wereld. Bij de ‘legale wereld’ kan men denken aan hulp bij transport en hulp bij de (financiële) administratie. Deze mededaders werken veelal vanuit hun expertise op een bepaald werkgebied.  De delicten hebben veelal een transnationaal karakter. Uit de eerste rapportage van de Nationaal rapporteur Mensenhandel blijkt dat het niet zo vreemd is dat de georganiseerde misdaad zich bezighoudt met mensenhandel. Het uitbuiten van personen kan vaak voor een langere periode en telkens opnieuw plaatsvinden waardoor er hoge opbrengsten te genereren zijn. De pakkans en de hoogte van straffen bij eventuele veroordeling zijn daarbij relatief laag (Damen, 2011).
  20. 20. De wil om te spreken 20 Dat gedwongen prostitutie in Nederland ook geschaard kan worden onder georganiseerde misdaad blijkt van uit het verschijnen van het rapport Schone Schijn. In het rapport Schone Schijn (2008) wordt het criminele netwerk van de groep “Durdan” beschreven. Deze groep maakte zich schuldig aan mensenhandel en bestond uit 35 pooiers, bodyguards en andere handlangers. Binnen deze groep was er sprake van een zeer duidelijke hiërarchie van pooiers, omhooggeklommen slachtoffers (deze hebben meer verantwoordelijkheden gekregen dan de gewone slachtoffers), bodyguards en zogenoemde snorders (chauffeurs zonder vergunning). Er zijn 120 mogelijke slachtoffers in verband gebracht met deze groep. De slachtoffers werden ingedeeld in verschillende ploegendiensten en kregen veelal streefbedragen opgelegd, wat ze moesten verdienen die dag. Wanneer de slachtoffers niet het bedrag behaalden moesten ze extra ploegendiensten draaien. De slachtoffers moesten op verschillende plekken in Nederland, Duitsland en België werken. De groep maakte gebruik van een zogenoemd prostitutiecarrousel, zo bleven de slachtoffers interessant voor klanten, want nieuwe prostituees krijgen veelal meer klanten dan prostituees die al langer in een bepaalde buurt staan. Daarnaast kon de hulpverlening en de politie op deze manier nooit echt grip op de slachtoffers krijgen. De meeste slachtoffers waren namelijk al vertrokken voordat de politie en de hulpverleningsinstanties actie konden ondernemen. De pooiers regelden de (financiële) administratie en zorgden voor huisvesting en medische en cosmetische zorg. Een aantal slachtoffers hebben gedwongen abortussen en borstvergrotingen ondergaan. De pooiers kregen zowel bij de huisvesting (dit waren huisjes op een recreatiepark) als bij de cosmetische zorg zogenaamde groepskorting. Daarnaast leverden de slachtoffers vrijwel al hun geld in bij de groep. De slachtoffers betaalden zelf de huur van de kamer en betaalden verplicht protectiegeld voor de bodyguards, de rest van het geld gaven zij af. De slachtoffers leefden van zakgeld dat zij kregen van de pooiers. Deze werkwijze heeft veel overeenkomsten met de werkwijze passend bij de georganiseerde misdaad. Zo beschikte de groep over een groot sociaal netwerk met onderling een duidelijke hiërarchie. Daarnaast beschikten zij over verschillende facilitatoren, logistiek en werden de slachtoffers in verschillende landen te werk gesteld. Naast het criminele netwerk werken sommige handelaren in een geïsoleerde criminele groep (NRM, 2004). Dit is een groep van twee tot vijf leden die het gehele proces van ronseling tot het te werk stellen in de prostitutie op zich nemen. De leden hebben weinig contact met andere groepen of netwerken die zich bezighouden met gedwongen prostitutie. Tot slot kent de gedwongen prostitutie nog solisten. Hier is sprake van een hoofddader, met eventueel een ‘hulp’, waarbij deze ‘hulp’ geen significante rol mag vervullen. Bij dit type dader worden veelal de zogenoemde loverboys in verband gebracht (NRM, 2004). Dit is niet geheel correct aangezien loverboys een speciale techniek gebruiken om vrouwen te ronselen. Deze techniek kan evenwel gebezigd worden door de verschillende leden van een geïsoleerde groep of crimineel netwerk. De bovengenoemde ‘Durdan’ groep kan gezien worden als een crimineel netwerk, maar maakte ook gebruik van de loverboy techniek. De meeste slachtoffers hadden een relatie met een van de kopstukken van de groep (Van Wijk, 2008).
  21. 21. De wil om te spreken 21 3.3 De daders In Nederland wordt meestal gesproken over loverboys. Dit is, ondanks dat Nederland het enige land is die deze term gebruikt, een internationale manier om slachtoffers te kunnen werven (NRM, 2011).9 Veel slachtoffers die in Nederland te werk zijn gezet in de prostitutie zijn op deze manier geronseld. Vaak bestaat het idee dat buitenlandse slachtoffers op een andere manier worden geronseld om in Nederland te werken, maar veelal komt de werkwijze van de dader overeen met die van een loverboy. Daarnaast is er in Nederland ook veel onderzoek gedaan naar het fenomeen loverboy. Om deze reden zal ik dit type dader als uitgangspunt van dit deel van dit hoofdstuk gebruiken. Een loverboy is volgens de Van Dale een jongen die een verhouding met een meisje begint om haar later tot prostitutie te dwingen.10 Volgens Bovenkerk (2005) duidt de definiëring van een loverboy op drie bestanddelen, namelijk: opzet, minderjarigheid van het slachtoffer en dwang of manipulatie. Met opzet wordt bedoeld dat de loverboy opzettelijk een verhouding aangaat met het meisje met als doel haar aan zich te binden en zo te kunnen exploiteren. De meeste slachtoffers van loverboys zijn tussen de 18 en de 23 jaar. Het is dus niet zo dat loverboys alleen minderjarige slachtoffers maakt. Wel zijn er aanwijzingen dat de slachtoffers wel veelal op minderjarige leeftijd worden geworven om zo direct wanneer zij meerderjarig zijn te werk gesteld kunnen worden (Van der Wiele en De Ruiter, 2011). Ten slotte noemt Bovenkerk nog dwang en manipulatie. Zonder dit bestanddeel zou er geen strafbaar feit zijn gepleegd, maar zou er sprake zijn van een overeenkomst tussen de pooier en de prostituee. 3.3.1 Daderprofiel Loverboys zijn over het algemeen allochtone jonge mannen tussen de 18 en 30 jaar oud die snel geld willen verdienen (Van der Wiele en De Ruiter, 2011 en Bovenkerk e.a. 2005). De loverboys zijn gewelddadig en hebben een voorliefde voor status. Door middel van manipulatie lukt het hun om de slachtoffers tot de prostitutie te brengen en doordat ze telkens hun werkwijze aanpassen zijn ze moeilijk te grijpen door de politie. Van der Wiele en De Ruiter (2011) hebben ook een daderprofiel ontwikkeld:  Merendeel is in het bezit van de Nederlandse nationaliteit  Meestal een allochtone achtergrond, vooral veel Turken, Marokkanen en Antilianen  Veelal jonger dan 24 jaar  Hebben een laag opleidingsniveau, hebben hun opleiding niet afgemaakt of zijn schoolverlaters  Sociaal vaardig (Garnier, 2009)  Opereren veelal in groepen (crimineel netwerk) 9 Loeber, nationale recherche 10 Van Dale, 2012
  22. 22. De wil om te spreken 22  Zijn op jonge leeftijd al begonnen met een criminele carrière; voornamelijk geweldpleging, vermogensdelicten (Van Lune, 1997) of drugshandel (Garnier, 2009) De loverboys zijn doorgaans opgegroeid in sociaal zwakke gezinnen, waar ook sprake is van andere problematiek zoals geweld, verwaarlozing, verslaving of schulden. Hieruit kunnen ontwikkelingstoornissen ontstaan, zoals narcistische en antisociale persoonlijkheidsstoornissen (Van der Wiele en De Ruiter, 2011). Vrouwen worden veelal gezien als gebruiksvoorwerpen. Nederlandse meisjes worden vooral gezien als ‘hoerige types’ die gemakkelijk te manipuleren zijn tot het werk van prostitutie. Tevens vinden de loverboys het ook minder erg om een ‘hoerig type’ in de prostitutie te brengen (Bovenkerk e.a., 2005). De loverboys zien het ‘werk’ vooral als gemakkelijk werk met weinig risico’s en hoge opbrengsten (Venicz & Vanwesenbeeck, 1998). Een nieuw fenomeen van de loverboy zou het begrip lovergirl zijn.11 Deze lovergirls zouden op ongeveer dezelfde wijze als loverboys meisjes de prostitutie in drijven (deze werkwijze volgt hierna). Met als verschil dat de lovergirls zich in eerste instantie voordoen als een vriendin van het meisje. De lovergirl kan dan vervolgens het slachtoffer chanteren, dwingen om voor haar te werken of het meisje voorstellen aan een loverboy. Het is aannemelijk dat deze lovergirls zelf slachtoffer zijn van een loverboy (NRM, 2009). Bij lovergirls wordt ook vaak de link gemaakt met de zogenaamde Nigeriaanse Madams. Deze madams kan men in twee groepen verdelen. De eerste groep madams heeft eerst in Nederland gewerkt als (minderjarige) prostituee en zich vervolgens opgewerkt tot madam. De tweede groep heeft in Nigeria al als prostituee of madam gewerkt en bevindt zich nu als madam op de Nederlandse markt (Oviawe en Iyare, 1999). De madam staat aan het hoofd van een crimineel netwerk en heeft mensen onder zich werken, die bijvoorbeeld de vrouwen vergezellen bij hun reis naar Nederland (Siegel, 2007). Het verschil tussen een lovergirl en een Nigeriaanse madam is dat een lovergirl niet eindverantwoordelijk is en daarom ook niet de verdiensten trekt uit de uitbuiting.12 Nigeriaanse madams staan wel bovenaan de (criminele) keten en verdienen ook daadwerkelijk aan de uitbuiting. De Nationaal rapporteur van mensenhandel ziet de lovergirls dan ook als een nieuwe ronseltechniek dan dat dit een nieuwe vorm van mensenhandel is (NRM, 2009). Een reden van een lovergirl om anderen te werven voor haar loverboy is over het algemeen om in de gunst van de loverboy te komen. 3.3.2 Werkwijze loverboys De loverboys passen hun werkwijze aan op het type meisje waar ze zich op hebben gericht (Verwijs e.a., 2011). De loverboy zoekt de zwakke plek van het slachtoffer en gaat daarmee aan de slag. Ondanks dat de loverboy zijn werkwijze aanpast aan het slachtoffer zijn er toch bepaalde stappen die de meeste loverboys maken wanneer zij een slachtoffer werven. Deze drie stappen kunnen onderscheiden worden in ronseling, inlijving en instandhouding (Bullens e.a., 2000). Deze drie stappen zullen hieronder verder uitgewerkt worden. De eerste stap wordt ronseling genoemd. Ronseling kan gezien worden als de voorbereidingsactiviteiten van de loverboys. De ronseling kan op twee verschillende manieren plaatsvinden, namelijk actieve ronseling en passieve ronseling (Bovenkerk, 2005). 11 ‘Lovergirls in opmars’ Algemeen Dagblad, 26 april 2012 12 Interview Loeber, nationale recherche
  23. 23. De wil om te spreken 23 Actieve ronseling houdt in dat de loverboys bewust op zoek gaan naar potentiële slachtoffers. Dit kan bijvoorbeeld bij scholen, internaten of discotheken. Passieve ronseling houdt in dat de loverboys benaderd worden door meisjes die hun levensstijl interessant vinden en zich daardoor tot de jongen aangetrokken voelen. Zij zijn ook bereid om veel te doen voor de loverboy om in zijn gunst te komen en te blijven. Ronseling via internet is op dit moment erg in opkomst vanwege het veelvuldige gebruik van social media (Van der Wiele en De Ruiter, 2011). Het aantal meisjes dat een loverboy op deze manier bereikt is vele malen groter dan in bijvoorbeeld een discotheek. De loverboy kan met meerdere meisjes tegelijk contact hebben. Door de informatie die de meisjes al geven via verschillende profielsites kunnen loverboys heel gemakkelijk aansluiting vinden bij de meisjes (Van der Beek, 2011). Wanneer meisjes bijvoorbeeld op hun profiel hun muziekvoorkeur aangeven kan de loverboy hier gemakkelijk op inspringen en zo het eerste contact leggen met een meisje. Daarnaast durven mensen meer op het internet dan in het ‘echte’ leven. Veel meisjes denken dat het tamelijk onschuldig is wat zij doen op internet, omdat ze niet verwachten dat ze de jongen in het echt zullen zien. Echter, voor de loverboys is het betrekkelijk gemakkelijk om achter de woonplaats van het meisje te komen of de school waar zij naartoe gaat. De loverboy kan ervoor kiezen om een afspraak met het meisje te regelen, maar kan ook proberen het meisje te verleiden tot seksuele handelingen voor de webcam of om seksueel getinte foto’s op te sturen naar de loverboy. Wanneer de loverboy een afspraak maakt met het slachtoffer zal hoogstwaarschijnlijk de werkwijze van de loverboy hetzelfde blijven als wanneer hij haar in een discotheek had ontmoet. De loverboy heeft echter al eerder een vertrouwensrelatie opgebouwd via het internet. Wanneer de loverboy het meisje verleidt tot seksueel getinte foto’s of seksuele handelingen voor de webcam kan de loverboy ook direct overgaan tot de inlijving van het slachtoffer. Hij kan haar namelijk chanteren met het filmpje of met de foto’s waardoor de loverboy grip krijgt op het slachtoffer. De loverboy zal een relatie aangaan met het slachtoffer (Van der Wiele e.a., 2011). In de meeste gevallen investeert de loverboy veel tijd in het slachtoffer, door haar aandacht te geven en in sommige gevallen cadeaus. Kenmerkend zou het maken van toekomstplannen zijn. Wanneer de loverboy en het slachtoffer een relatie met elkaar hebben begint de zogenaamde ‘honeymoonfase’ in deze periode zijn de slachtoffers niet bereikbaar voor de familie, politie of hulpverlening. De slachtoffers irriteren zich aan de bemoeizucht van anderen met haar relatie en sluit zich hiervan af. Dat de loverboy hiervoor zorgt, heeft zij niet in de gaten. De loverboy zorgt ervoor dat ze sociaal geïsoleerd raakt en emotioneel afhankelijk wordt van hem. Dit doet hij door zich onvoorspelbaar te gedragen, de ene keer doet hij lief en de andere keer gedraagt hij zich agressief. Het slachtoffer probeert bij de loverboy in de gunst te blijven, daarbij bagatelliseert zij de eventuele mishandelingen (Vanwesenbeeck, 1994). De loverboy controleert het slachtoffer constant. Ze moet te allen tijde laten weten waar ze is. De loverboy gaat ook steeds meer beslissen voor het slachtoffer, dit kan brainwashing genoemd worden. Het verdient melding dat de werkwijze van een loverboy niet altijd in eerste instantie liefkozend verloopt. Er zijn ook gevallen bekend waarbij het slachtoffer direct te maken krijgt met geweld, bedreiging en chantage. Een hulpverlener gaf het voorbeeld dat een slachtoffer dan al bij de eerste dag een pistool op haar hoofd krijgt en wordt gedwongen in de prostitutie te werken (Van der Wiele e.a., 2011).
  24. 24. De wil om te spreken 24 De tweede stap is de inlijving van het slachtoffer in de prostitutie. Veel slachtoffers zullen in eerste instantie weerstand bieden tegen de inlijving (Bullens e.a., 2000). De loverboys gebruiken twee soorten technieken om toch de inlijving te kunnen realiseren, namelijk technieken met en technieken zonder fysiek geweld. De technieken zonder fysiek geweld houden voornamelijk het uitoefenen van psychische druk, bedreiging, het inspelen op schuldgevoelens, chantage en misleiding in. Onder de technieken met fysiek geweld valt bijvoorbeeld mishandeling, verkrachting en onvrijwillige ontmaagding. De derde stap is de instandhouding. Deze stap heeft veel overlap met de vorige stap(pen). Zo blijft misleiding een rol spelen bij instandhouding (Bullens e.a., 2000). Door de emotionele afhankelijkheid met de loverboy en de sociale isolatie van het slachtoffer lijkt het erg moeilijk te zijn voor het slachtoffer om weg te gaan bij hem. Maar ook hier speelt fysiek geweld een grote rol. Zo kan het dat een slachtoffer na een gesprek met een politieagent (vanwege een bestuurlijke controle) in elkaar geslagen wordt, omdat hij geen toestemming heeft gegeven om met de politie te mogen praten.13 De instandhouding kan men onderverdelen in twee typen beschermingsmaatregelen die de loverboy kan nemen (Bullens e.a., 2000). Ten eerste zijn er de interne beschermingsmaatregelen, deze zijn erop gericht de slachtoffers binnen hun invloedsfeer te houden. Hierbij worden de slachtoffers continu, zowel op het werk als privé, in de gaten gehouden en gecontroleerd. In sommige gevallen dienden de slachtoffers toestemming te vragen om de deur uit te mogen en werden hun spullen gecontroleerd op eventuele telefoonnummers van onbekende mannen. Deze maatregel gaat gepaard met bedreiging en fysiek geweld. Ten tweede bestaan er externe beschermingsmaatregelen, deze dienen de politie, klanten en andere pooiers (loverboys) weg te houden bij het slachtoffer. Dit kan door het slachtoffer uit te horen, te bedreigen of om te kopen wanneer zij in contact met de politie is geweest. Als het slachtoffer te veel contact heeft met de politie of met een bepaalde klant zal de uitbuiter het slachtoffer naar een andere werklocatie brengen. Het gegeven dat slachtoffers doorgaans bij hun loverboy blijven of zich loyaal blijven opstellen ten opzichte van hun loverboy kan verklaard worden door het stockholmsyndroom (Farley e.a., 1998) en de traumatische verbintenis (Herman, 1993). Het stockholmsyndroom is een overlevingsmechanisme voor slachtoffers welke kan optreden tijdens een gijzeling. Het houdt in dat het slachtoffer sympathie heeft voor degene die haar misbruikt en zelfs verdedigd ten opzichte van de buitenwereld. De slachtoffers hebben positieve gevoelens tegenover de dader en staan negatief tegenover degenen die hen willen helpen. De slachtoffers zullen daarom ook niet meewerken om aan de situatie te ontkomen. De traumatische verbintenis ontstaat wanneer het slachtoffer zich in een afhankelijkheidrelatie bevindt waarbij sprake is van structureel geweld. De loverboy traumatiseert het slachtoffer zowel lichamelijk als psychisch (Van Dijk e.a.,2006). Door deze trauma’s wordt het slachtoffer angstig, raakt ze geïsoleerd en maakt haar afhankelijk. Het slachtoffer probeert te voldoen aan de verwachtingen van de loverboy en richt zich daarom alleen nog maar op hem. In sommige gevallen neemt het slachtoffer het wereldbeeld over van de loverboy, daarom denken ze dat de situatie waarin zij verkeren normaal is. 13 Linda voormalig slachtoffer gedwongen prostitutie
  25. 25. De wil om te spreken 25 3.4 Kenmerken slachtoffers gedwongen prostitutie Zoals reeds in de vorige paragraaf is aangegeven komen de meeste mogelijke slachtoffers van mensenhandel in de prostitutie uit Nederland, Nigeria en Oost-Europa (CoMensha, 2012). Het aantal mogelijke slachtoffers uit Nederland en Oost-Europa, is bij elke registratie van CoMensha onveranderd hoog gebleven, daarbij stijgt het aantal mogelijke slachtoffers uit Afrikaanse landen aanzienlijk (CoMensha, 2012). De meeste mogelijke slachtoffers van gedwongen prostitutie zijn vrouwen. Uit onderzoek is gebleken dat vrouwen vatbaarder zouden zijn om slachtoffer te worden dan mannen (Adviescommissie mensenrechten, 1992). De oorzaak hiervan zou zijn dat vrouwen zich vaker in een achtergestelde positie zouden bevinden. Dit kan de economische positie van de vrouw betreffen, maar dit kan ook traditioneel of cultureel bepaald zijn. Er lijkt echter sprake te zijn van een groei aan mannelijke slachtoffers. Dit zou te maken kunnen hebben met de huidige economische crisis waardoor ook mannen werkloos raken en daardoor vatbaarder zouden zijn voor mensenhandel. De meeste mannen die aangemerkt worden als mogelijk slachtoffer van mensenhandel zijn werkzaam in de zogenoemde overige uitbuiting, zoals land- en tuinbouw en horeca. In 2011 zijn er 66 mannen geregistreerd als mogelijk slachtoffer van gedwongen prostitutie (CoMensha, 2012). Omdat relatief weinig mannen geregistreerd worden als slachtoffer van gedwongen prostitutie zal dit onderzoek zich verder richten op vrouwelijke slachtoffers. Slachtoffers van gedwongen prostitutie zijn in alle leeftijdscategorieën te vinden. Uit onderzoek is gebleken dat de meeste slachtoffers van gedwongen prostitutie te vinden zijn in de leeftijdscategorie van 18 tot en met 23 jaar (CoMensha, 2012). Meisjes van 17 jaar zouden ook aantrekkelijk zijn voor loverboys, zij kunnen namelijk op deze leeftijd worden geworven zodat ze zodra ze 18 jaar oud zijn in de vergunde prostitutie te werk gesteld kunnen worden (Van der Wiele en De Ruiter, 2011). De slachtoffers van gedwongen prostitutie kan men in een zestal groepen onderscheiden, namelijk:  Meerderjarige slachtoffers die legaal in Nederland verblijven. Dat wil zeggen slachtoffers met een vaste, niet bedreigde verblijfstitel op grond waarvan zij in Nederland mogen wonen en werken.  Minderjarige slachtoffers die legaal in Nederland verblijven.  Meerderjarige slachtoffers die illegaal in Nederland verblijven. Slachtoffers die hier verblijven zonder legale verblijfstitel, op grond van een tijdelijke verblijfstitel waarmee zij niet in Nederland mogen wonen en werken of op grond van valse papieren.  Minderjarige slachtoffers die illegaal in Nederland verblijven.  Meerderjarige slachtoffers in de asielprocedure.  Minderjarige slachtoffers in de asielprocedure en Alleenstaande Minderjarige Asielzoekers (Verwijs e.a., 2011). 3.4.1 Risicofactoren voor slachtofferschap In de victimologie spreekt men van victim proneness en victim precipitation (Goody, 2005). Met het eerste wordt bedoeld dat sommige mensen een grotere kans lopen om slachtoffer te worden. Met victim precipitation wordt bedoeld dat sommige slachtoffers bewust of
  26. 26. De wil om te spreken 26 onbewust door hun optreden bijdragen aan de criminaliteit waar zij zelf slachtoffer van worden. Deze theorie kan men ook toepassen op de slachtoffers van gedwongen prostitutie. In Nederland wordt veel gesproken over de zogenaamde loverboys. Er is hier dan ook veel onderzoek naar gedaan. In de derde rapportage bespreekt de nationaal rapporteur een aantal risicofactoren om slachtoffer van een loverboy te worden (NRM, 2004). Deze risicofactoren kan men scharen onder victim proneness. Ten eerste zouden jongeren waarbij sprake is van faseproblematiek een verhoogd risico lopen om slachtoffer te worden van een loverboy. Deze jongeren hebben tijdens de pubertijd om uiteenlopende redenen een conflict met hun ouders waardoor zij zich niet meer begrepen voelen. Deze jongeren verkeren vaak al in een sociaal isolement. Ten tweede zouden jongeren waarvan de ouders overbeschermd of zeer streng zijn opgevoed ook een verhoogd risico lopen. Deze jongeren zouden te weinig ruimte krijgen om zichzelf te ontwikkelen, waardoor ze vatbaarder zijn voor de praktijken van loverboys. Ook kan men hierbij denken aan de slachtoffers welke uit streng religieuze gezinnen of eerculturen komen. Deze slachtoffers zijn gemakkelijker te chanteren door loverboys (Van der Wiele en De Ruiter, 2011). Ten derde lopen personen met een problematische gezins- en hulpverleningsachtergrond ook een verhoogd risico. Hierbij kan men onder andere denken aan een problematische thuissituatie, waar verwaarlozing of mishandeling voorkomt. Ten slotte zou zwakbegaafdheid ook een verhoogd risico vormen. Loverboys zouden in sommige gevallen zelfs gebruik maken van een rekentest om de verstandelijke vermogens van het slachtoffer te testen (Van der Wiele en De Ruiter, 2011). Het opleidingsniveau van de slachtoffers is veelal zeer divers, echter de meeste slachtoffers hebben een lage opleiding, zijn vroegtijdig met hun opleiding gestopt of hebben hun studie onderbroken om uiteenlopende redenen. Vrouwen met een laag zelfbeeld zijn ook vatbaarder om te vallen in het web van een loverboy (Van der Wiele en De Ruiter, 2011 en Bovenkerk e.a., 2005). Hierbij kan men denken aan vrouwen die de neiging hebben zichzelf weg te cijferen. Hierdoor worden ze extra kwetsbaar. Een reden waarom vooral buitenlandse vrouwen sneller slachtoffer worden van gedwongen prostitutie is vooral de economische positie en status van de vrouwen. Met name in landen waar sprake is van armoede zouden vrouwen vatbaarder zijn om in handen van handelaren te vallen (Hopkins en Nijboer, 2000). De slachtoffers willen niet alleen ‘ontsnappen’ aan de armoede, maar willen vaak ook hun economische en sociale status verhogen (Vocks e.a., 2001). Daarnaast willen sommige slachtoffers de levensstandaard die zij gewend zijn behouden, waardoor ze op zoek gaan naar mogelijkheden om snel geld te verdienen. Door het vaak onrealistische beeld van het ‘ rijke westen’ denkt men vaak hier snel geld te kunnen verdienen om het vervolgens te gebruiken in hun land van herkomst. Ten slotte zou een slechte juridische status ook een verhoogd risico opleveren om in handen van een mensenhandelaar te vallen (NRM, 2010). Een voorbeeld zijn de alleenstaande minderjarige asielzoekers. Zij bleken niet genoeg beschermd te worden in de verschillende opvangcentra. Veelal was er weinig informatie over deze jongeren, waardoor ze ongemerkt door handelaren konden worden meegenomen, zonder dat iemand ze echt mistte. Omdat deze slachtoffers nog niet beschikken over een geldige verblijfsstatus in Nederland zijn deze slachtoffers veelal erg afhankelijk van de uitbuiter. Zoals eerder genoemd bedoeld men met victim precipitation dat sommige slachtoffers bewust of onbewust door hun optreden bijdragen aan de criminaliteit waar zij zelf slachtoffer van worden. Ten eerste bleken sommige slachtoffers voorafgaand aan hun slachtofferschap seksueel wervend gedrag te hebben vertoont. Het seksbeeld van deze
  27. 27. De wil om te spreken 27 vrouwen is verwrongen waardoor zij zich gemakkelijk laten overhalen tot seksueel overschrijdend gedrag (Van der Wiele en De Ruiter, 2011). Loverboys zouden slachtoffers ook op ‘hoerig gedrag’ selecteren (Bovenkerk e.a., 2005). Ten tweede blijken de slachtoffers bewust op zoek te gaan naar loverboys en gaan erg ver om bij deze mannen in de gunst te komen (Bovenkerk e.a., 2005). Het is niet zo dat deze vrouwen slachtoffer wilden worden maar ze hebben wel de situatie, in eerste instantie, zelf opgezocht. Vrouwen die de neiging hebben zichzelf weg te cijferen ontwikkelen soms ook een zogenoemde ‘relatieverslaving’ (Norwood, 1985). Deze slachtoffers zijn veelal op zoek naar een relatie en vervolgens investeren zij hier veel tijd en energie in. Hiervoor krijgen zij niets of weinig terug van de uitbuiter. De slachtoffers hebben hoge verwachtingen van een relatie, maar ook van zichzelf. Hierdoor gaan deze slachtoffers heel ver om de man gunstig te stemmen. Zij zouden op zoek zijn naar liefde en affectie en vanuit dat punt rollen zij in een verkeerde relatie. 3.4.2 Beschermende factoren De bovengenoemde factoren zouden aangeven welke personen een verhoogd risico lopen om slachtoffer te worden. Echter, dit betekent niet dat personen die beschikken over een of meer van deze factoren ook daadwerkelijk slachtoffer worden. Men zou kunnen stellen dat er ook zogenoemde beschermende factoren bestaan waardoor er juist minder kans is dat deze personen slachtoffer worden. Aan beschermende factoren kan men denken aan de thuissituatie van het slachtoffer waarbij een goede vertrouwensrelatie bestaat en een veerkrachtige persoonlijkheid (Van Dijk e.a., 2006). 3.5 Slachtoffers uit Nederland In hoofdstuk twee is uitvoerig de Nederlandse wetgeving ten opzichte van gedwongen prostitutie en het prostitutiebeleid besproken. In dit hoofdstuk zal deze informatie daarom niet onnodig worden herhaald. In Nederland bestaat er veel aandacht voor prostitutie en gedwongen prostitutie. Nederland heeft ervoor gekozen prostitutie en het prostitutiebezoek legaal te maken om hier op deze manier controle over te houden. Daarbij zijn de ongewenste vormen van prostitutie beleidsprioriteit geworden voor de overheid. Nederland presenteert zich als een land waarin prostitutie heel normaal is en dat men zich hiervoor niet hoeft te schamen. Prostitutie is het oudste beroep in Nederland en prostituees worden gezien als mondige vrouwen die zichzelf goed kunnen redden in de maatschappij en die weten wat zij willen. Dit zou de drempel naar prostitutie verlagen, omdat prostitutie in Nederland duidelijk zichtbaar is. In bijna elke grote stad is er een ‘red light district’ te vinden en ten opzichte van het buitenland is Nederland in het algemeen er trots op dat deze branche zo openlijk functioneert. Het taboe is minder sterk aanwezig dan in landen waar prostitutie verboden is. Ondanks dat prostitutie een ‘normaal’ beroep is in Nederland voelen veel prostituees zich gestigmatiseerd (Rode draad, 2011). Prostituees ervaren bijvoorbeeld vaak dat zij met minachting worden bejegend. Door dit stigma houden veel prostituees hun werk verborgen voor hun sociale omgeving. Dit geldt ook voor Nederlandse slachtoffers van gedwongen prostitutie. De angst bestaat dat zij altijd verbonden worden met de prostitutie, ook als ze er al zijn uitgestapt. Dit bemoeilijkt de verklaringsbereidheid van slachtoffers van gedwongen prostitutie. Dit betekent dat de stap tot de prostitutie niet zo groot lijkt, want het is immers een heel ‘normaal’ beroep. Maar wanneer men zich in de prostitutie bevindt raakt men vaak sociaal geïsoleerd waardoor het zeer moeilijk is om hiervan afstand te nemen.
  28. 28. De wil om te spreken 28 De media besteedt veel aandacht aan gedwongen prostitutie. Zo zijn er verschillende documentaires gemaakt en is in 2003 een film gemaakt genaamd Loverboy.14 Daarnaast zijn er talloze boeken geschreven over prostitutie en over gedwongen prostitutie. Een boek dat veel teweeg heeft gebracht in Nederland is: ‘Echte mannen eten geen kaas’. Dit boek zou een autobiografie zijn van een slachtoffer van gedwongen prostitutie. Helaas bleek dit niet geheel waar te zijn en heeft dit toch voor een groot deel het denkbeeld van vele mensen over slachtoffers van gedwongen prostitutie gevormd. In 2008 lag heel Nederland aan de voeten van Maria Mosterd. Zij werd het boegbeeld voor de slachtoffers van loverboys. Ze verkocht duizenden boeken en verscheen in verschillende televisie programma’s. Voor het eerst was een slachtoffer zo open over hetgeen haar was overkomen en men was geschokt. Men kon niet begrijpen hoe dit een minderjarig meisje kon overkomen. Maria moest in de prostitutie werken tijdens schooluren voor haar loverboy. Om argwaan bij haar moeder te voorkomen zorgde haar loverboy ervoor dat ze nooit te laat thuis kwam. Iedereen vroeg zich af hoe dit mogelijk was, aangezien Maria onder de leerplicht viel. Maria gaf aan dat ze al die tijd had gespijbeld. De moeder van Maria spant een rechtszaak aan tegen de school, omdat zij zouden hebben verzuimd om te melden dat Maria dagen niet op school verscheen. Uit onderzoek bleek dat Maria helemaal niet zoveel had gespijbeld en de school had derhalve geen fouten gemaakt. Langzaam werd aan de waarheid van Maria’s verhaal getwijfeld. En nadat haar vermeende loverboy een interview (Villerius, 2010) gaf op de nationale televisie en er een boek werd gepubliceerd waaruit bleek dat haar verhaal niet kon kloppen, was het helemaal gedaan met de geloofwaardigheid van Maria (Korterink, 2010). De conclusie van Korterink was dat het verhaal niet geheel gelogen hoefde te zijn, maar er zaten veel gaten en tegenstrijdigheden in haar verhaal. Het verhaal dat zij werd geprostitueerd door haar loverboy kon niet waar zijn. Het was vooral een roep om aandacht geweest. Veel slachtoffers zijn hierdoor bang geworden om hun verhaal te doen, nu de meerderheid in Nederland deze verhalen met een korreltje zout neemt.15 Slachtoffers worden nu vaak gezien als mensen die roepen om aandacht of als mensen die liegen over hetgeen hen is overkomen. De verhalen van slachtoffers zijn vaak zo erg dat men denkt dat het niet waar kan zijn. Helaas heeft ook dit boek daaraan bijgedragen. Slachtoffers durven nu vaak hun verhaal niet te vertellen, omdat ze bang zijn dat ook zij niet geloofd zullen worden (StopLoverboysNU). 3.6 Buitenlandse slachtoffers Wanneer het gaat om grensoverschrijdende mensenhandel kunnen de factoren voor verhoogd slachtofferschap worden onderverdeeld in push- en pullfactoren (De Ruyver e.a., 2001). Bij de pushfactoren gaat het om de situatie van het slachtoffer in het land van herkomst, waardoor het slachtoffer eerder geneigd zou zijn om te migreren. Zo kan snel geld willen verdienen in het buitenland gezien worden als een pushfactor. De pullfactoren zijn de (aan)trekkende omstandigheden in de bestemmingslanden. Voorbeelden van pullfactoren zijn de behoefte aan (goedkope) arbeidskrachten in het bestemmingsland of de economische situatie in het bestemmingsland. 14 Onder andere de documentaire Jong, 2001 en 2003 en Heilig Vuur, 2001. 15 Een vandaag, 10 mei 2010
  29. 29. De wil om te spreken 29 3.6.1 Slachtoffers uit Centraal en Oost-Europese landen Na de val van de Muur (1989) en de politieke omwenteling in de Sovjet Unie (1991) hebben er een aantal politieke en maatschappelijke veranderingen plaatsgevonden in Centraal- en Oost Europa (Vocks e.a.,1999). Er vonden radicale privatiseringen plaats om zo snel mogelijk een markteconomie te ontwikkelen. Vooral het aantal vrouwelijke werklozen is enorm toegenomen hierna. Vrouwen hebben minder kans om een baan te vinden en te behouden in deze landen. Daarnaast worden vrouwen ook slechter betaald dan mannen en genieten zij niet dezelfde rechten als mannen, ook al hoort dit in theorie wel zo te zijn (NRM, 2009). Vrouwen voelen zich hierdoor gedwongen werk te vinden welke hen minder beschermd en veelal gecriminaliseerd is. De vrouwen uit deze landen zijn hierdoor vatbaarder om in handen van een mensenhandelaar te vallen. De eerder genoemde pushfactoren van deze landen zijn voornamelijk de economische status van het slachtoffer, het gebrek aan toekomstperspectief in het land van herkomst en het behouden van de voormalige levenstandaard. Er zijn gevallen waarbij de slachtoffers ook door hun familie worden aangemoedigd om in het ‘ rijke westen’ te gaan werken en daar geld te verdienen voor de familie (Monpellier, 2009). Dit betekent niet dat de familie in het land van herkomst weet dat het slachtoffer in de prostitutie gaat werken in Nederland.16 Bij sommige slachtoffers uit deze landen zou juist geen goede binding zijn met hun familie (Vocks en Nijboer, 2001). Zo zijn er gevallen bekend waarbij sprake is van mishandeling, alcoholmisbruik of incest binnen de familie. Hierdoor zouden de slachtoffers sneller de stap durven maken om te migreren, zij hebben weinig wat hen vasthoudt in het land van herkomst. Deze slachtoffers zouden daarom ook sneller ingaan op voorstellen van een mensenhandelaar. In Nederland is het voor deze slachtoffers mogelijk om te werken, vanwege het vrije verkeer van werknemers (artikel 45 – 48 Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie). Daarnaast is in Nederland de prostitutie gelegaliseerd waardoor deze slachtoffers gemakkelijk in deze branche aan het werk kunnen. De slachtoffers denken dat zij snel geld kunnen verdienen. Dit maakt de stap om te emigreren kleiner voor hen. Vocks en Nijboer (2001) onderscheiden drie soorten slachtoffers: 1) Ontvoerde of verkochte vrouwen. Deze slachtoffers beslissen niet zelf om te emigreren, maar worden veelal door bekenden van hun ontvoerd. Vervolgens worden deze vrouwen verkocht aan pooiers die hen dan te werk stellen als prostituee. Slachtoffers uit deze categorie maken niet zelf de beslissing om te migreren. De meeste slachtoffers van dit type zijn afkomstig uit Centraal-Europa. 2) Misleide vrouwen. Deze slachtoffers leven meestal onder slechte financiële omstandigheden waardoor ze graag naar het ‘rijke westen’ willen. Daar zouden de banen en de verdiensten beter zijn. Hun perceptie van de westerse samenlevingen is sterk gekleurd door onrealistische, optimistische verwachtingen, waardoor ze een gemakkelijke prooi voor mensenhandelaren vormen. Deze slachtoffers komen veelal uit Oost-Europa. 3) Uitgebuite vrouwen. Deze slachtoffers leven meestal, net als type twee, onder slechte financiële omstandigheden en kiezen ervoor om in West-Europa te gaan werken als prostituee. Zij kennen vaak de mensenhandelaar en maken ook afspraken met hem. Deze slachtoffers hebben vaak een lage opleiding en geen goede familieband wat hen in het land van herkomst zou kunnen houden. Dit type komt voornamelijk uit Centraal-Europa. 16 Mongard medewerker Stichting Fairwork
  30. 30. De wil om te spreken 30 De ontvoerde, verkochte en misleide vrouwen weten niet dat zij in Nederland te werk worden gesteld in de prostitutie. De ontvoerde en verkochte vrouwen willen ook niet vertrekken uit hun land van herkomst, deze vrouwen zullen dus graag terugwillen naar het land van herkomst. De misleide vrouwen kiezen er wel voor om te vertrekken uit het land van herkomst om te werken in een land waar veel banen zijn en het loon hoger is. Deze vrouwen denken vaak dat zij als Au-pair, model of in de horeca zullen gaan werken, vervolgens komen zij er pas later achter dat zij in de prostitutie zullen werken. De uitgebuite vrouwen weten wel dat zij in Nederland in de prostitutie zullen gaan werken. Deze vrouwen kunnen al als prostituee hebben gewerkt in het land van herkomst, maar dit hoeft niet. De vrouwen willen snel geld verdienen en denken dat de prostitutie hen hierbij zal helpen. Zij zullen in Nederland per klant veel meer verdienen denken ze. In Nederland aangekomen zullen ze vaak een schuld moeten terugbetalen aan de mensenhandelaar, want deze heeft hen geholpen naar Nederland te komen. De vrouwen verdienen daarom veel minder dan dat zij in eerste instantie dachten te gaan verdienen of in ieder geval dat zij horen te verdienen. Tevens zijn de omstandigheden waaronder zij werken vaak anders dan men tevoren had gedacht.17 Deze vrouwen zijn bewust naar Nederland vertrokken en zullen daarom niet snel terug willen naar het land van herkomst. 3.6.2 Slachtoffers uit Nigeria De meeste Nigeriaanse slachtoffers van gedwongen prostitutie komen uit Edo state (Vocks e.a., 2001). Er heerst veel corruptie in Nigeria en veel Nigerianen leven onder erbarmelijke omstandigheden. Om dit te veranderen werd het Structurele Aanpassingsprogramma (SAP) ingevoerd, hierbij werd de import van voedsel aan banden gelegd, overheidssubsidies werden afgeschaft (bijvoorbeeld voor benzine), de vaste wisselkoers van de munteenheid werd losgelaten en de overheidssector moest drastisch inkrimpen. Het effect van deze maatregelen waren dalende inkomens, werkloosheid en faillissementen. Edo state is zwaar getroffen door de SAP- maatregelen. Er heerst in dit gebied veel werkloosheid, en daarbij verlies van status. In Nigeria is status erg belangrijk. Vrouwen hebben een lagere status dan mannen (Van Dijk e.a.,2006). Wanneer de Nigerianen uit het land van herkomst zien dat het werken in andere landen financieel erg voordelig is zijn steeds meer families bereid hun dochter mee te geven aan een mensenhandelaar (Siegel, 2007). Op deze manier proberen zij hun familiestatus te verhogen. Niet alleen arme families proberen hun status te verhogen. Er zijn ook slachtoffers gevonden onder de rijkere families van Nigeria (Bamgbose, 2002). Vrouwen uit Nigeria zouden bovendien seksueel veel vrijer zijn dan bijvoorbeeld vrouwen in Nederland. Vrouwen bieden hier regelmatig hun lichaam aan om vervolgens cadeaus of geld te krijgen (Van Dijk, 2006). Dit wordt in Nigeria niet per definitie gezien als prostitutie. Deze seksuele (ruil)handeling gebeurt al op jonge leeftijd, zo lijkt het normaal te zijn dat een leerling een relatie met een leraar aanknoopt voor goede cijfers. Net als de Oost- Europese slachtoffers hebben Nigeriaanse slachtoffers veelal een te rooskleurig beeld van West-Europa. De zogenoemde pushfactoren voor Nigerianen zijn met name de economische status die zij hebben in het land van herkomst. Doordat zij op zoek zijn naar manieren om geld te verdienen voor de familie zijn zij vatbaar voor mensenhandelaren. Daarbij kan het verdienen van geld ervoor zorgen dat de status en aanzien van de familie in Nigeria weer verbeterd. Dit is iets wat erg belangrijk is, en vooral in het gebied Edo State, in de Nigeriaanse samenleving. Daarbij is het aanbieden van het 17 Mongard, medewerker Stichting Fairwork
  31. 31. De wil om te spreken 31 lichaam van een vrouw heel normaal in de Nigeriaanse samenleving, waardoor dit ook geen struikelblok hoeft te vormen. Een pullfactor zou de vraag naar prostituees kunnen zijn. Deze vrouwen kunnen niet zondermeer in Nederland werken, daar zij meestal geen werkvergunning hebben. Deze slachtoffers bevinden zich vooral in het illegale circuit. Voordat Nigerianen een reis naar het buitenland maken ondergaan zij veelal eerst een ritueel. Dit ritueel zou aangemerkt kunnen worden als voodoo en impliceert een verbintenis tussen de twee personen die het ritueel ondergaan (NRM, 2002). In het onderzoek “Een schijn van voodoo” (2006) is het ritueel dat slachtoffers van gedwongen prostitutie veelal ondergaan beschreven. Deze type verbintenis is religieus-juridisch. In dit onderzoek werd geschreven over een vrouw genaamd Monday, die een beschrijving geeft van dit ritueel. Monday en de man gaan naar een heiligdom waar priesters werken, zogenoemde ‘zieners’. Deze zieners hebben een juridische functie. Aan deze priesters dienen Monday en de man te vertellen waarvoor zij een verbintenis met elkaar aangaan. Monday en de man moeten beiden lichaamsmateriaal afgeven en hiervan wordt een pakketje gemaakt. Dit pakketje fungeert als een soort onderpand. Er worden hierbij medicijnen gegeven aan Monday. Deze medicijnen zouden gaan werken wanneer Monday zich niet aan de verplichtingen houdt van de verbintenis of wanneer zij acties onderneemt die nadelig zijn voor de man. Daarnaast krijgt Monday medicijnen waarvan ze moet braken, deze worden gebruikt om te controleren of er ook sprake is van hekserij bij Monday. Alle handelingen zijn erop gericht dat Monday niet zomaar eenzijdig de verbintenis kan verbreken of nadelige handelingen kan uitvoeren zonder dat er iets ‘kwaads’ gebeurt met haar of haar familie. Dit ritueel neemt weinig tijd in beslag en wordt zeer veel gebruikt in Nigeria. Doordat deze rituelen zo gangbaar zijn en door de angst van het kwaad wanneer de verbintenis wordt verbroken is het gebruik van voodoo erg effectief voor mensenhandelaren. De Nigerianen zullen zich uit angst aan de verbintenis houden en zijn zeer loyaal naar degene waarmee ze de verbintenis hebben afgesloten (NRM, 2002).
  32. 32. De wil om te spreken 32 Hoofdstuk 4 Verklaringsbereidheid van slachtoffers van gedwongen prostitutie In dit hoofdstuk zullen de factoren behandeld worden die een rol spelen bij de verklaringsbereidheid van slachtoffers van gedwongen prostitutie. Hierbij zal ik de inzichten die ontstaan zijn uit criminologisch onderzoek als uitgangspunt nemen. Volgens bestaand criminologisch onderzoek zijn er drie typen factoren te onderscheiden die van invloed zijn op de verklaringsbereidheid van slachtoffers (Helfferich e.a.,2010). De drie factoren zijn de volgende;  De gebruikte daderstrategie van de dader  De rol van de politie  De persoonskenmerken van het slachtoffer Vervolgens zal ik bespreken in hoeverre deze factoren in de door mij gevoerde interviews met 18 slachtoffers van gedwongen prostitutie en met professionals in dit werkgebied aan de orde kwamen.18 Hierbij zal ik zowel positieve als negatieve factoren behandelen. Het is van belang om inzicht te krijgen in welke factoren mogelijk een rol spelen bij de verklaringsbereidheid, zodat de opsporingsambtenaren en de hulpverlening hierop kan inspelen. 4.1 Daderstrategie De eerste factor genoemd in de literatuur ziet toe op de strategieën van de dader (Helfferich e.a.,2011). De gebruikte daderstrategie kan ervoor zorgen dat het slachtoffer geen aangifte wil of durft te doen. Veelgebruikte daderstrategieën zijn angst zaaien, bedreiging, chantage, dwang of fysiek geweld (Van der Wiele e.a., 2011). Daders gebruiken interne en externe beschermingsmaatregelen om het slachtoffer onder zich te houden (Bullens e.a., 2000). Interne beschermingsmaatregelen richtten zich erop om het slachtoffer binnen de invloedssfeer van de dader te houden, zoals het controleren en het bedreigen van het slachtoffer. Externe beschermingsmaatregelen richtten zich op de politie, klanten en eventuele andere pooiers zodat deze geen invloed kunnen uitoefenen op het slachtoffer. Een voorbeeld hiervan is dat de dader het slachtoffer steeds na enige tijd naar een andere werkplaats brengt. Hierdoor kan zij geen band opbouwen met mensen in de omgeving van haar oude werkplaats. In de gesprekken met slachtoffers werd in vier gevallen (van de hoeveel gevallen?) de angst voor represailles als reden genoemd om geen aangifte te willen doen. Daarnaast zijn sommige slachtoffers ook bang dat er iets met een familielid zal gebeuren. De slachtoffers geven aan dat ze ervan overtuigd zijn dat deze dreigementen ook zullen worden uitgevoerd. De dreigementen worden daarom in sommige gevallen ook aangesterkt doordat de dader een dreigement (deels) uitvoert. In het gesprek met Tatjana is dit duidelijk naar voren gekomen: Tatjana is een Nederlandse vrouw van 34 jaar. Tatjana heeft 15 jaar gewerkt voor haar pooier. Zij heeft in die tijd ook altijd samengeleefd met hem. Tatjana geeft aan lichamelijk 18 De namen van de geïnterviewde slachtoffers zijn fictief.
  33. 33. De wil om te spreken 33 niet meer in staat te zijn het werk te doen. Op dit moment is zij ook pas een half jaar gestopt met de prostitutie. Doordat ze zo ‘kapot’ is kon zij ook weg komen bij haar pooier. Tatjana is begonnen toen ze 18 jaar oud was. Ze geeft aan geen aangifte te willen doen tegen haar pooier, omdat ze bang is voor eventuele represailles. De bedreigingen zijn niet alleen gericht op haar adres, maar ook op die van haar ouders. Zo heeft haar ex-pooier een baksteen door de ruiten gegooid bij haar ouders. Volgens de politie is het gevaar dat het doen van aangifte met zich mee zou brengen minimaal. Veelal blijft het volgens hen bij bedreigingen of hooguit kleine uitvoeringen van bedreigingen. Deze bedreigingen worden heftiger tijdens een eventuele aangifte tegen de dader. Hieruit kan men opmaken dat de slachtoffers onder grote psychische druk staan waardoor ze toch geen aangifte doen of deze niet doorzetten. Deze psychische druk moet niet worden onderschat daar sommige slachtoffers jaren na dato nog kampen met problemen vanwege het trauma dat ze hebben opgelopen. Dit is bijvoorbeeld het geval bij het verhaal van Maureen: Maureen is een Nederlandse vrouw van 33 jaar oud. Ze heeft toen zij 20 jaar oud was 1 jaar voor haar pooier gewerkt. Samen met haar pooier is zij ontvoerd door een andere pooier. Deze andere pooier was een familielid van haar pooier. Maureen en haar pooier zijn vervolgens bevrijd door de politie. Zij heeft toen een verklaring afgelegd over wat haar is overkomen, maar is toen ook meteen opgenomen in een kliniek vanwege ernstige angststoornissen. Ze heeft op dat moment geen aangifte kunnen doen. De pooier die hen heeft ontvoerd heeft ongeveer 10 dagen in hechtenis gezeten en is toen weer vrijgelaten. Het feit is afgedaan als een familieconflict. De angststoornis heeft Maureen er toentertijd van weerhouden aangifte te doen. Tevens weet Maureen te vertellen dat deze ontvoering niet alleen van invloed is geweest op haar leven, maar dat deze ontvoering uitvoerig aan anderen is verteld. Zodat andere slachtoffers ook wisten wat hen te wachten kon staan als zij zich distantieerden van hun pooiers. Een ander voorbeeld van psychische druk is het gebruik van voodoo bij Nigeriaanse slachtoffers. Voor Nigeriaanse slachtoffers geldt dat zij bang zijn dat de vloek aan de hand van voodoo uitgesproken zal worden over het slachtoffer zelf of over hun familie in het land van herkomst (Vocks e.a., 2001). Door het ritueel dat met de voodoo verbonden is kan het slachtoffer niet zonder gevolgen de verbintenis met de mensenhandelaar verbreken. Ook is het niet mogelijk handelingen te verrichten die nadelig kunnen zijn voor de handelaar. De interne beschermingsmaatregelen van daders lijken bij buitenlandse slachtoffers nog sterker aanwezig te zijn.19 Bijvoorbeeld omdat de regelgeving vaak erg ingewikkeld is in de verschillende landen en ook in Nederland, vanwege alle veranderingen qua aanpak, hebben buitenlandse slachtoffers vaak wel een pooier nodig. Deze pooier weet namelijk precies waar hij de slachtoffers te werk kan stellen en aan welke regels zij zich moet houden. De vrouw gaat daarom heel bewust met de pooier in zee. Mede hierdoor zijn deze vrouwen in meerdere opzichten afhankelijk van de pooier, omdat deze bijvoorbeeld ook haar huisvesting regelt. Hierdoor is het moeilijk voor het slachtoffer om onder de invloed van de pooier uit te komen. Tevens worden buitenlandse slachtoffers gechanteerd dat ze aan het thuisfront zullen vertellen dat zij in de prostitutie werkzaam zijn, omdat meestal de familie in 19 Interview met mevrouw Mongard medewerker Stichting Fairwork, 2012

×