• Share
  • Email
  • Embed
  • Like
  • Save
  • Private Content
Karel Dessain Art Handelingen Kon Kring Oudheidkunde Mechele
 

Karel Dessain Art Handelingen Kon Kring Oudheidkunde Mechele

on

  • 2,010 views

Karel Dessain (1871-1944) was voorzitter van de katholieke partij van de stad en arrondissement Mechelen, burgemeester van Mechelen en senator. Zijn verzet tegen de Duitse bezetter tijdens de Eerste ...

Karel Dessain (1871-1944) was voorzitter van de katholieke partij van de stad en arrondissement Mechelen, burgemeester van Mechelen en senator. Zijn verzet tegen de Duitse bezetter tijdens de Eerste Wereldoorlog maakte hem tot een vaderlandse held.

Statistics

Views

Total Views
2,010
Views on SlideShare
2,005
Embed Views
5

Actions

Likes
0
Downloads
4
Comments
0

1 Embed 5

http://www.linkedin.com 5

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

    Karel Dessain Art Handelingen Kon Kring Oudheidkunde Mechele Karel Dessain Art Handelingen Kon Kring Oudheidkunde Mechele Document Transcript

    • Gepubliceerd: Herwig DE LANNOY, Ridder Karel Dessain (1871-1944). Katholiek burgemeester-senator en rots in de woelige Mechelse branding, in Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen, dl. 108, 2004, p. 203-250 (+ ill.). Ridder Karel Dessain (1871-1944) Katholiek burgemeester-senator en rots in de woelige Mechelse branding Zestig jaar geleden, op 5 september 1944, overleed Karel Dessain, drieënzeventig jaar oud en na een politiek leven van bijna éénenveertig jaar. Hij beleefde de politieke ommekeer die net als elders in Vlaanderen ingezet was met de invoering van het algemeen stemrecht in 1893 en aan het einde van de Eerste Wereldoorlog in een stroomversnelling kwam. Alleen al om deze reden is het interessant na te gaan welke rol een figuur als Karel Dessain in de woelige eerste helft van de twintigste eeuw in het politieke Mechelen gespeeld heeft. Deze drukker-uitgever uit een welgestelde ingeweken familie uit Luik, trad in 1903 in de Mechelse politieke arena als katholiek gemeenteraadslid. In 1909 werd hij verrassend burgemeester van Mechelen en hij zetelde in 1929 in de Senaat tot aan zijn dood in 1944. Vanaf 1922 droeg hij de adellijke eretitel van 'Ridder'. Een schets van het lange politieke leven van Ridder Dessain geeft een beeld van de veranderende machtspositie van de maatschappelijke stand waartoe hij behoorde: de gegoede burgerij. Deze was omstreeks 1909 tweetalig, maar gebruikte in eigen kring overwegend het Frans en etaleerde dat ook bewust op de publieke tribune. De politieke leiding van de Mechelse bourgeoisie stond voor de Eerste Wereldoorlog bijna unaniem vijandig tegenover de Vlaamse en democratische eisen van de volksmassa; Dessain vormde hierop geen uitzondering. Toen door de schok van de oorlog de drang naar politieke vertegenwoordiging bij arbeiders, bedienden en middenstanders niet meer te stuiten was, moest de gegoede burgerij haar houding onvermijdelijk aanpassen, wilde zij minstens een deel van haar machtspositie veiligstellen. Zij die volhardden in het conservatieve elitaire denken, werden van het politieke toneel gespeeld. Dessain – die door zijn gedurfd optreden tegen de Duitse bezetter het aureool van een vaderlandse held verkregen had - steunde meteen na de oorlog openlijk de democratische partijhervorming en kon zich daardoor politiek handhaven. Door zijn belangrijke steun aan de hervormers werd de Mechelse katholieke partij begin 1919 de eerste in Vlaanderen waar de invoering van de standenvertegenwoordiging een feit was. Daarmee had Dessain onrechtstreeks en onbedoeld de realisatie van de Vlaamse eisen bevorderd. Onder druk van de radicale Vlaamsgezinden was hij vanaf 1936 als symbool van het Belgisch patriottisme over het hoogtepunt van zijn macht heen, al bleef hij in de stad Mechelen alom gerespecteerd en kon hij als burgemeester en senator in functie blijven. Zijn plotse dood de dag na de bevrijding veroorzaakte een machtsvacuüm in het Mechelse politieke bestel (1). Opmerkelijke politieke intrede (1903-1914) Charles 'Karel' Patrick Joseph Marie Dessain werd geboren te Mechelen op 15 augustus 1871. Zijn vader, Pierre Dessain (1837-1913), behoorde tot een welgestelde katholieke familie van drukkers- uitgevers uit Luik. Na de overname van de bekende Mechelse drukkerij-uitgeverij Hanicq in 1855 werd Pierre Dessain belast met het beheer van het Mechelse filiaal. Hij vestigde zich in de stad en huwde er in 1861 met de adellijke Hélène (de) Terwangne (1840-1865) uit Luik. Dit kinderloze huwelijk eindigde al vier jaar later door het overlijden van zijn vrouw. Hij hertrouwde in 1870 met Anna Mac Dermott of Ramore (1842-1903), uit de Ierse adel. In 1910 werd hij door koning Albert I in de adel verheven (2). Hun oudste zoon Karel volgde de klassieke humaniora aan het Mechelse Sint-Romboutscollege, waar hij extra lessen Nederlands volgde als compensatie voor het 1
    • uitsluitend Franstalige en Engelstalige thuismilieu. Al was hij de oudste van vier zonen en drie dochters uit dit huwelijk, toch nam Karel Dessain nooit de leiding van het familiebedrijf op zich. Wel was hij lid van het directiecomité, samen met zijn vader en enkele van zijn broers en zussen, en werd hij er – naar familiale traditie – erevoorzitter van. De befaamde drukkerij-uitgeverij produceerde tot 1940 hoofdzakelijk liturgische werken van topkwaliteit (3). Karel Dessain huwde in 1894 met Maria van der Beken Pasteel (1870-1957), een dame uit de Luikse adel, en werd vader van vier zonen (4). Vader Pierre Dessain was gemeenteraadslid (1875-1882 en 1884-1896), schepen van onderwijs (1884-1896) en provincieraadslid ((1882-1894). In diens voetsporen trad de tweeëndertigjarige Karel Dessain na de verkiezingen van 18 oktober 1903 als gemeenteraadslid in de politiek en kwam in de sectie Financiën terecht. Hij werd in 1907 bestuurslid van het Christen Onderling Bijstandsverbond van het arrondissement Mechelen, maar bleef een onopvallende figuur (5). Dit veranderde toen het plotse overlijden van burgemeester, volksvertegenwoordiger, provincieraadslid en plaatselijk katholiek partijvoorzitter Edouard De Cocq op 25 februari 1909 een interne machtsstrijd veroorzaakte (6). De katholieke eerste schepen advocaat Jules Nobels, uit een welgestelde Mechelse familie, werd waarnemend partijvoorzitter, en maakte aanspraak op de burgemeesterssjerp en het mandaat van volksvertegenwoordiger (7). Maar hij was voor zijn conservatieve partijgenoten onaanvaardbaar wegens zijn steun aan de eisen van de Vlaamsgezinde arbeidersklasse en de vermeende invloed van zijn jongere Vlaamsgezinde broer advocaat Albert Nobels (1871-1931), die provincieraadslid, medestichter van de Katholieke Mutualiteit en voorzitter van de plaatselijke Katholieke Vlaamse Hogeschooluitbreiding was. Zijn rivaal was de leider van de conservatieve groep Jules Ortegat, doctor in de rechten en een welgestelde bestuurder van de Banque de Malines, gemeenteraadslid, gewezen schepen van financiën en bestendig afgevaardigde (8). Niet Nobels, maar Ortegat werd lijstaanvoerder bij de tussentijdse Kamerverkiezingen van 4 april 1909, en die zette zich tijdens de campagne uitdrukkelijk af tegen de Vlaamse eisen. Met zijn verkiezing tot volksvertegenwoordiger verstevigde Ortegat zijn machtspositie in de partij. Zijn conservatieve groep schoof de achtendertigjarige Dessain als kandidaat-burgemeester naar voor, en ook in de pers werd die toen al als dé grote kanshebber getipt (9). Op 6 november 1909 werd Karel Dessain tot burgemeester van Mechelen benoemd. De volgende dag diende Jules Nobels, gezien de "manque de sympathie" vanwege zijn collega-partijleden, zijn ontslag als schepen in (10). Korte tijd na zijn benoeming tot burgemeester verstevigde Dessain zijn politieke leiderspositie als plaatselijk partijvoorzitter, en in 1913 werd hij arrondissementeel ondervoorzitter. Rond zijn beperkte kennis van de Nederlandse taal werd een hele polemiek gevoerd. Dessain werd door zijn politieke tegenstanders tot in de nationale pers bestempeld als een 'Engelse Waal', die slechts moeizaam Nederlands sprak, geen enkel begrip toonde voor de Vlaamse belangen, en de greep van de Fransgezinde conservatieven op het beleid nog verstevigde. Vlaamsgezinde christen- democratische kranten als de Gazet van Mechelen verzekerden echter dat de nieuwe burgemeester niet anders zou kunnen en mogen doen dan "de taal der overgrote meerderheid der bevolking eerbiedigen. Anders zou hij zich politieker wijze zelfmoorden" (11). Dat hij in het thuismilieu geen Vlaamse opvoeding genoten had met een Waalse vader en een Ierse moeder, werd als een verzachtende omstandigheid ingeroepen. Dessain bleef in het eigen milieu weliswaar Frans spreken, maar sprak ook voor de Eerste Wereldoorlog in het openbaar courant Nederlands met een zwaar accent. In de gemeenteraad liet hij tot lang na de oorlog de Franse taal in de debatten toe omdat hij meende dat de raad niemand kon verplichten één of andere taal te gebruiken; van vóór de Eerste Wereldoorlog zag hij er op toe dat de verslagen altijd ook in het Nederlands opgemaakt werden, wat toen nog helemaal niet vanzelfsprekend was. Hij stelde de Vlaamsgezinden teleur toen hij zich samen met twee schepenen en twee gemeenteraadsleden onthield bij de stemming op 16 2
    • april 1912 over een motie voor een trapsgewijze maar volledige vernederlandsing van de Gentse Rijksuniversiteit. Dit was een belangrijk strijdpunt van de Vlaamse Beweging (12). Tijdens zijn eerste bestuursjaren zette Dessain het grootse project van zijn voorganger verder: het graven van een afleidingskanaal voor de Dijle, en het dempen en/of overwelven van vlietjes in het centrum, die als stinkende riolen door de industrialisatie een bedreiging voor de volksgezondheid vormden. Meteen werd de stad althans gedeeltelijk verlost van overstromingen en er werd een leidingensysteem van gezond en drinkbaar water aangelegd (13). Tegelijk werd de bestrating vernieuwd en werden tramwegen aangelegd. Deze infrastructuurwerken wogen zwaar op de begroting van de stad, die in 1914 tot pijnlijke saneringen gedwongen was om de schuldenlast onder controle te kunnen houden. Dessain verdiende alleszins alom respect voor zijn werkkracht en zijn volgehouden zuinig, zorgvuldig en deskundig financieel beheer als burgemeester (14). Vaderlandse held in de Eerste Wereldoorlog (1914-1918) België raakte door de Duitse invasie op 4 augustus 1914 verwikkeld in de Eerste Wereldoorlog. Op 28 augustus 1914 werd Karel Dessain door de Duitse militaire overheid gewaarschuwd dat Mechelen later die dag beschoten zou worden. Hij alarmeerde meteen de bevolking - voor zover die de stad nog niet verlaten had - en de burgers sloegen massaal op de vlucht richting Antwerpen, Lier, Gent of Brugge. Door een Belgisch tegenoffensief kon de bezetting van de stad nog enkele weken vertraagd worden, maar op 28 september rukten de Duitsers Mechelen binnen (15). Ondertussen had ook Dessain de zo goed als ontvolkte stad verlaten. Op 19 november 1914 kwamen één schepen en negen van de zesentwintig gemeenteraadsleden in vergadering bijeen. Zij verwelkomden vol lof Francis Dessain, die sinds half oktober terug in de stad was, en door de bestendige deputatie als waarnemend burgemeester voor de duur van de afwezigheid van diens broer Karel Dessain 'buiten de gemeenteraad' benoemd was. Doctor in de rechten Francis Dessain was advocaat te Antwerpen, volgde een priesteropleiding, en was vooral als gewezen kapitein van de Belgische nationale voetbalploeg en als voorzitter sinds 1906 van voetbalclub F.C. Malinois - het latere K.V.-Mechelen - een alom gekend Mechelaar. Hij was een pionier van de christen- democratie en tijdens de oorlog een enthousiast bestuurslid van de Katholieke Werkmanskring. Na de oorlog werd hij kanunnik en privé-secretaris van de Kardinaal. Maar in tegenstelling tot zijn broer was hij toen het Nederlands nog niet machtig: "Ik ben niet genoegzaam vertrouwd met de schone Vlaamse taal om mijn gevoelens te uiten met de kracht die ik eraan zou willen geven", verklaarde hij, waarna hij zijn overzicht van de gebeurtenissen in het Frans verder zette (16). Op 1 januari 1915 keerde Karel Dessain in de stad terug, en nam zijn functie van burgemeester meteen opnieuw waar. Nog diezelfde maand kwam het tot een eerste dispuut met de bezetter over een speciale taks, opgelegd aan personen die niet vóór 1 maart 1915 naar hun woonplaats teruggekeerd waren; de belasting werd uiteindelijk niet geheven, wellicht om praktische redenen. Begin mei 1915 vorderden de Duitsers een lijst van ongeveer 500 werkloze 'Arsenaalmannen'. Deze arbeiders van de centrale spoorwegwerkplaats te Mechelen weigerden voor de bezetter te werken en werden daarom met deportatie bedreigd. Dessain weigerde de namen van de arbeiders te geven, waarop de bezetter dreigde met een boete en met het instellen van de avondklok. De kiezerslijsten werden in beslag genomen en ambtenaren werden opgevorderd om de lijst op te maken. Dessain nam de verantwoordelijkheid op zich om het document te leveren; volgens latere heroïsche verhalen stond die vol met namen van overleden, afwezige, gehandicapte en ernstig zieke arbeiders van het spoorwegarsenaal. Om erger te voorkomen, ondertekende hij een affiche om de arbeiders aan te sporen aan het werk te gaan, en verkreeg hij de belofte dat zij niet voor oorlogsdoeleinden ingezet zouden worden. In de praktijk kwam er van de voorgenomen verplichte tewerkstelling trouwens niets terecht (17). 3
    • Dessain kreeg nog meer problemen toen hij ervan beschuldigd werd herderlijke brieven van kardinaal Mercier gedrukt te hebben. De verspreiding, ook in het buitenland, van de brief Patriotisme et Endurance ('Over vaderlandsliefde en standvastige lijdzaamheid') van Kerstmis 1914 had de Duitsers al een eerste keer op stang gejaagd. Mercier kloeg er de terechtstelling van onschuldige burgers en de vernielingen in België door de Duitsers aan, stelde dat de burgers aan de wederrechtelijke bezetter geen gehoorzaamheid verschuldigd waren, en riep op tot patriottisme en volhardende standvastigheid te midden van de talloze beproevingen. Daarop werden bij een huiszoeking in de drukkerij van Dessain 40.000 exemplaren van de brief in beslag genomen; zo'n 10.000 exemplaren waren al verspreid geraakt. Mercier werd meteen één van de boegbeelden van het Belgisch verzet. Hij herhaalde zijn boodschap in zijn herderlijke brief van januari 1916, en vooral in deze van 12 maart 1916, waarin hij zich op Benedicus XV (Giacomo Battista della Chiesa, paus van 1914-1922) beriep en zijn geloof in een uiteindelijke geallieerde overwinning uitte (18). Daarmee was voor de Duitsers de maat vol. Aangezien de bezetter het niet aandurfde de Kardinaal zélf te arresteren, werd op 13 maart 1916 Karel Dessain aangehouden en opgesloten in de Artilleriekazerne Baron Michel, samen met een zestal bedienden en arbeiders van de uitgeverij. Een achttal dagen later kwamen de medewerkers vrij, maar Dessain werd op 22 maart 1916 door het militaire gouvernement "wegens het vervaardigen van een drukwerk zonder toelating der censuur" tot één jaar gevangenis veroordeeld en uit zijn burgemeesterambt ontheven. Nochtans hadden Mercier en Francis Dessain - die van vóór de oorlog zijn broer Gustaaf bij de leiding van de uitgeverij hielp - uitdrukkelijk de verantwoordelijkheid van de publicatie op zich genomen. Maar de bezetter wou de burgemeester treffen, waardoor het gemeentebestuur haar sterke leidersfiguur verloor. Karel Dessain werd naar Duitsland gedeporteerd, eerst naar Anrath nabij Krefeld en later naar een kamp in de garnizoenstad Celle-Schloss nabij Hannover. Daar zaten ook de Brusselse burgemeester Adolphe Max, de Gentse burgemeester Emile Braun, de Gentse hoogleraar Henri Pirenne, de liberale burgemeester van Moerbeke-Waas en latere senator en gouverneur-generaal van Belgisch Congo graaf Maurice Lippens, de liberale volksvertegenwoordiger en later minister Fulgence Masson, de katholieke jurist en latere minister graaf Charles d'Aspremont Lynden en kanunnik Vrancken gevangen. Dessain zou uiteindelijk veel langer dan 12 maanden gedeporteerd blijven, namelijk tot het einde van de oorlog, 32 maanden later (19). Op 26 november 1918 keerde Dessain uit zijn Duitse gevangenschap terug. Dit vormde de aanleiding tot een feestelijke gemeenteraadszitting op 1 december 1918, die bijgewoond werd door hoge wereldlijke en geestelijke personaliteiten zoals kardinaal Mercier en door het talrijk opgekomen publiek. Burgemeester Dessain werd er als een vaderlandse held bejubeld; ook Mercier werd er geroemd. De liberale fractieleider dokter Paul Lamborelle (1871-1943), later schepen en parlementslid, riep euforisch op om de stad in een geest van politieke Godsvrede over de partijgrenzen heen te besturen. Twee dagen later herhaalde de liberale letterkundige Maurits Sabbe (1873-1938) de verzoenende boodschap bij de 'Vaderlandsche Plechtigheid' die een reeks van Mechelse Volksvoordrachten gedurende de oorlog afsloot (20). Op 9 februari 1919 was Dessain stichtend voorzitter van een plaatselijk Verbond der Weggevoerden. De volgende jaren bundelde deze organisatie de grieven en klachten van, en gaf zij ondersteuning en hulp aan door de Duitsers weggevoerde werklieden en politieke gevangenen (21). Steun aan bepaalde Vlaamse en democratische hervormingen (1919-1929) Meteen na de wapenstilstand begreep Dessain dat de schok van de oorlog, en de ontwrichte sociaal- economische verhoudingen als gevolg ervan, het politieke bewustzijn bij een groot deel van de bevolking verscherpt hadden. Hij behoorde tot de conservatieve gegoede burgerij die na de onvermijdelijke invoering van het algemeen enkelvoudig stemrecht nog slechts een politieke minderheid zou vormen. In plaats van zich vast te klampen aan de bedreigde machtspositie 4
    • oordeelde hij dat het beter was de grondige hervorming van de katholieke partij mee te steunen. Overigens hadden een aantal jonge Vlaamsgezinde christen-democraten tijdens de bezetting een diepgaande hervorming van de partij voorbereid. Hun leiders waren de leraren Philip Van Isacker en Alfons Verbist (22). Zij waren vast van plan de politieke afvaardiging te democratiseren en meteen ook te ‘vervlaamsen’ volgens het 'Vlaams Minimumprogramma', met actiepunten die door de Vlaamsgezinde tenoren in het land over de partijgrenzen heen bepaald waren. Binnen de katholieke partij zou de democratisering gerealiseerd worden door de invoering van de standenvertegenwoordiging. Volgens dit systeem kregen de vier georganiseerde belangengroepen of 'standen' - namelijk gegoede burgers, middenstanders, bedienden en arbeiders en ten slotte landbouwers en boeren - een eigen afvaardiging binnen de partij. Toen de partijhervorming enkele jaren later voltooid was, had het partijbestuur geen enkele bevoegdheid meer in het samenstellen van de kandidatenlijsten voor de verkiezingen; het waren de standen die de plaatsen onderling verdeelden, en elke stand besliste in theorie autonoom over de personen die deze plaatsen invulden (23). Dessain plaatste de partijhervorming al op 4 februari 1919 in de Mechelse associatie op de politieke agenda. Op 26 mei 1919 haalden de hervormers met de steun van Dessain hun slag thuis, waardoor de Mechelse katholieke partij de eerste in Vlaanderen was waar de standenvertegenwoordiging ingevoerd werd (24). De verkiezing van het nieuwe partijbestuur op 18 augustus 1919 was voor Dessain een opmerkelijke persoonlijke triomf: hij kreeg afgetekend de meeste stemmen achter zijn naam, meer nog dan de boegbeelden van de christelijke arbeidersbeweging ! De conservatieve Fransgezinden, die zich onverminderd tegen de hervorming verzet hadden, vielen uit de boot en scheurden zich af in een Belgicistische 'Katholieke Nationale Partij' (25). Dessain kreeg achteraf geen spijt van zijn keuze: "Moest ik opnieuw voor de zaak staan zoals ze zich heeft voorgedaan, aanstonds en uit volle genegenheid handelde ik opnieuw zoals ik gehandeld heb. Dit uit christene overtuiging en de verzekering dat ik zo best en zo zeker de belangen onzer katholieke partij en het algemeen belang dien" (26). De vrees bestond dat de scheuring zich verder zou verspreiden. Daarom remde Dessain als arrondissementeel ondervoorzitter, met akkoord van de hoogbejaarde arrondissementeel voorzitter Florent Van Cauwenbergh en van de hervormers, de formele invoering van de standenvertegenwoordiging op arrondissementeel niveau af tot na de parlementsverkiezingen van 16 november 1919. Bovendien werden enkel de plaatsen op de Kamerlijst volgens het nieuwe stelsel onder de verschillende standen verdeeld. Daardoor bleef de mogelijkheid open om, zoals in andere arrondissementen en in andere partijen, sommige volksvertegenwoordigers van vóór de oorlog - allen uit de stand van de gegoede burgerij - naar de kandidatenlijst voor de Senaat te verschuiven. Dessain zelf, die toen nog geen nationaal mandaat ambieerde, kreeg door de partijafdeling van het kanton Mechelen de eerste kandidatuur voor de 'hogere beroepen' op de Kamerlijst aangeboden, waardoor hij mogelijk lijsttrekker zou worden. Maar hij liet deze plaats aan zijn vriend Van Cauwenbergh uit Lier; uiteindelijk kwam hij als tweede kandidaat voor de burgerij op de vierde, niet-verkiesbare plaats voor de Kamer (27). Nog voor de gemeenteraadsverkiezingen van 29 april 1921 trachtte Dessain de Bond der Katholieke Maatschappijen nieuw leven in te blazen. Vóór de oorlog had dit Mechelse verbond een actief bestaan gekend, en was het een ideaal forum voor katholieke politici om ongedwongen voeling met de kiezers te houden. Als voorzitter nodigde Dessain op 12 augustus 1920 alle socio- culturele katholieke verenigingen en kringen uit voor een "verbroedering". Hij trachtte de leiding van de organisatie open te stellen, "zodat elke schakering van de bond zijn vertegenwoordiger in het hoofdbestuur zal hebben, zo voor muziek, toneel, zang, turnen en wetenschappen" (28). Ook de volgende jaren bleef het verbond actief, maar het hield zich eerder afzijdig van de politiek. 5
    • In het vooruitzicht van de gemeenteraadsverkiezingen trachtte Dessain de breuk met de afgescheurde katholieken te lijmen. Deze hadden in 1919 op arrondissementeel vlak slechts een beperkte aanhang, maar kregen in de stad Mechelen ruim 30 % van het katholieke kiezerskorps achter zich. Naast de standenvertegenwoordiging bleef het Vlaamse Minimumprogramma een onoverkomelijke struikelblok voor een verzoening, en op 29 juli 1920 werden onder voorzitterschap van Dessain de statuten van de hervormde partij goedgekeurd, zonder toetreding van de afgescheurde conservatieven. Dessain zetelde in het erecomité van een arrondissementeel 'congres van de standsorganisatie' dat op 12 september 1920 de partijhervorming bekroonde. Kardinaal Mercier had zelfs het erevoorzitterschap aanvaard en was ook aanwezig op de slotzitting; een signaal dat kon tellen naar de afgescheurde conservatieve katholieken toe ! Tot enkele weken vóór de verkiezingen werd er met de afgescheurde katholieken verder onderhandeld, vooral door Dessain. Want beide strekkingen beseften dat door de scheuring de kans reëel was dat de socialisten, die voor het eerst met een eigen lijst opkwamen, meteen als grootste partij uit de bus zouden komen, en de burgemeesterssjerp voor hun leider, volksvertegenwoordiger Désiré Bouchery, zouden opeisen (29). Zelfs bemiddeling via kardinaal Mercier kon de brokken niet lijmen… (30). De verkiezingscampagne verliep bitsig, en niet alleen voor Dessain, die ongemakkelijk tussen twee vuren zat. Enerzijds schampten de conservatieve katholieken dat hij al zijn getrouwen van vóór de oorlog verloren had en in het kamp van zijn vroegere aartsvijanden terechtgekomen was: "Pauvre Dessain, le voilà abandonné par ses pairs et forcé d'accepter comme avocat d'office ce bon gros Jules Nobels, dont il fut jadis le plus cruel ennemi !" (31). Anderzijds twijfelden de Fronters aan de rechtzinnigheid van Dessain, die opnieuw de Fransgezinden in de kaart zou spelen eens hij als burgemeester herbenoemd was: "dan zullen de katholieke flaminganten tevreden zijn, want Dessain is vlaamsverbonder, en de Nationalen zullen in hun vuistje lachen, want Dessain is voor en boven alles een verstokt franskiljons potentaat van 't soort der schijnheiliggemaskerden" (32). Dessain haalde als lijsttrekker de op één na meeste voorkeurstemmen, na volksvertegenwoordiger Van Isacker, maar die had nationale ambities en was niet geïnteresseerd in het Mechelse burgemeesterschap. Zoals gevreesd, werden de socialisten met 11 van de 27 zetels de grootste partij, en eisten zij de burgemeesterssjerp op. De progressieve katholieken zagen een coalitie met de socialisten alléén niet zitten; enkel in Antwerpen zou zulke formatie gerealiseerd worden, wat trouwens grote politieke opschudding tot op nationaal vlak veroorzaakte. Voor de liberalen was een socialistische burgemeester onaanvaardbaar, en de katholieken redeneerden plots als politieke 'familie', inclusief de afgescheurden, waardoor zij nipt toch de grootste waren, en Dessain de uitverkorene voor het burgemeesterschap bleef. Na moeizame onderhandelingen zette Dessain een driepartijencoalitie op poten met de acht progressieve katholieken, de elf socialisten en de vijf liberalen. Enkel de drie afgescheurde katholieken zaten in de oppositie. Pas op 5 juli 1921 werd Dessain als burgemeester herbenoemd. Maar dit werd door de katholieken duur betaald, want slechts één katholiek werd schepen, naast drie socialisten en één liberaal (33). Zoals verwacht, brak de strijd om de (Vlaamsvoelende) kiezer in de gemeenteraad meteen los. Al op de zitting van 24 juni 1921, de eerste na de installatievergadering van 14 juni, verrasten de socialisten met hun "wens ten gunste van de vervlaamsing der Gentse hogeschool". De Vlaamsgezinde leider van de christelijke arbeidersbeweging Philip Van Isacker wou de kaas niet van zijn brood laten halen, en deed er nog een flinke schep bovenop. Hij bepleitte de invoering van het 'Vlaams' als officiële taal in al de openbare besturen, en eiste in één adem de erkenning van 11 juli als officiële feestdag, inclusief vakantie voor de studenten en de stadsambtenaren. Ook Dessain steunde de motie voor de vernederlandsing die de debatten afsloot; enkel de drie afgescheurde katholieken stemden tegen en één liberaal onthield zich. Het incident had Dessain toch verrast, en het was tekenend voor het interne wantrouwen binnen de kersverse coalitie (34). 6
    • Naast stoere politieke verklaringen over de vernederlandsing, werd er onder impuls van de burgemeester hard gewerkt aan de concrete problemen op gemeentelijk vlak. Als industrieel was Dessain ook bekommerd om een degelijke huisvesting van de gewone man. Sinds 1891 was hij lid van een beheerscomité van werkmanswoningen in het arrondissement Mechelen, een functie die hijzelf hoog inschatte en meer dan veertig jaar zou waarnemen (35). Door de vernielingen van de oorlog waren er minstens 4.200 gezinswoningen tekort in Mechelen, en dit vroeg om belangrijke extra financiële inspanningen. Nadat de Wetgever in 1919 in een Nationale Maatschappij voor Goedkope Woningen en Woonvertrekken voorzien had, stichtte burgemeester Dessain op 15 juli 1921 de ‘Mechelse Goedkope Woningen’. Minder dan één jaar later startten de eerste bouwprojecten, en in 1938 beheerde de maatschappij 646 woningen (36). Na de gemeenteraadsverkiezingen trachtte Dessain alle katholieke gemeenteraadsleden – behalve de afgescheurde – van het hele arrondissement in één federatie samen te brengen. Het voornaamste doel was om door zulk overkoepelend overleg gemeenschappelijk het hoofd te bieden aan de inmenging van de hogere overheden in het gemeentelijk bestuur; Dessain heeft zich overigens altijd mateloos aan al die bemoeienissen geërgerd. Onder zijn voorzitterschap vond op 5 maart 1922 te Mechelen een eerste bijeenkomst plaats. De volgende jaren bleef het bij sporadische bijeenkomsten, al werden er vaak boeiende discussies gevoerd, zoals op 3 februari 1924 met een honderdtal raadsleden over de vernederlandsing van het onderwijs. Pas tien jaar later zou de tijd rijp zijn voor een gelijkaardig beter gestructureerd initiatief (37). De gespannen electorale sfeer bleef onverminderd voortduren in het vooruitzicht van – alweer – parlementsverkiezingen op 20 november 1921. Enerzijds zorgde Dessain mee voor de invoering van de standenvertegenwoordiging in alle geledingen van de katholieke partij voordat de kandidatenlijsten opgemaakt werden. Anderzijds zette hij zich opnieuw hard in voor een verzoening met de afgescheurde conservatieven, en bood hij hen een verkiesbare plaats op de provincieraadslijst aan, maar ook ditmaal liepen de onderhandelingen op niets uit. Door het ingewikkelde spel van de evenwichten tussen de standen en de regio’s – voor de Senaat vormden Mechelen en Turnhout één kiesarrondissement - kwam Dessain slechts als tweede opvolger op de Senaatslijst. Tijdens de kiesstrijd nam hij het in de kranten op voor de Vlaamsgezinde hervormers en hij verdedigde er voor het eerst uitdrukkelijk het Vlaamse Minimumprogramma, maar hij verwierp de administratieve scheiding, de ontwapening, het antimilitarisme en amnestie voor "des traîtres à la Patrie" (38). Opmerkelijk was dat kardinaal Mercier onomwonden de verdeeldheid in de Mechelse katholieke rangen in een herderlijke brief betreurde, maar dan wel na de verkiezingen… (39). Alleszins was het een duidelijk teken, onder andere voor Dessain, om de hereniging onverminderd te blijven behartigen. Het prestige van Dessain vergrootte nog toen hem in 1922 omwille van zijn verdiensten tijdens de oorlog, de adellijke titel van 'ridder' verleend werd, overdraagbaar bij mannelijke eerstgeboorte (40). Maar vooral de socialistische en Vlaams-Nationalistische pers greep dit voortdurend aan om Dessain af te schilderen als een Fransgezinde Belgicist, die bovendien lid zou zijn van kringen van die strekking, zoals de Union Civique en de Amitiés Françaises (41). Na de wet van 27 juni 1921 op de verenigingen zonder winstoogmerk, achtte Dessain het met de andere partijbonzen nuttig een Association conservatrice et catholique de Malines op te richten; dit gebeurde op 9 augustus 1922. Deze vzw was niet meer dan een juridisch vehikel voor de katholieke partijwerking dat de leden voor (financiële) aansprakelijkheid behoedde. De statuten verschenen op 27 augustus enkel in het Frans in het Belgisch Staatsblad. Blijkbaar werd door de partijtop het Nederlands nog steeds in officiële stukken enkel gebruikt als dat echt wettelijk verplichtend was… (42). Ondertussen kreeg Dessain in het stadsbestuur van Mechelen met grote moeilijkheden af te rekenen. Al op 6 oktober 1923 kwam het tot de langverwachte breuk tussen socialisten en liberalen in zijn Mechelse coalitie, van wie de ideeën op vlak van sociale, communautaire en financiële 7
    • politiek te fundamenteel verschillend waren. De afgescheurde katholieken boden meteen hun diensten aan, maar de progressieve katholieken wilden van geen formele toetreding weten. Zij sloten een nieuw bestuursakkoord met de liberalen alléén, de socialisten kwamen met de afgescheurde katholieken in de oppositie. De drie socialistische schepenen weigerden ontslag te nemen, maar zij verloren zowat al hun bevoegdheden. Het minderheidskabinet van 13 op 27 zetels kon rekenen op de stilzwijgende steun van de conservatieve katholieken, maar enkel voor de beleidspunten die hen interessant leken. Voor de burgemeester maakte dit het voeren van een kordaat en consequent beleid extra moeilijk. Bovendien kwam er van gedurfde moties, zoals deze ten gunste van de vernederlandsing van het onderwijs en de openbare besturen uit 1921, niets meer in huis (43). Toch had de schepencrisis de positie van Dessain als burgervader versterkt. Hij had van de gelegenheid handig gebruik gemaakt om het departement financiën naar zich toe te trekken. Het was hoogst ongebruikelijk dat zulke belangrijke bevoegdheid, zeker in een centrumstad als Mechelen met zo'n 60.000 inwoners, in de hand van de burgemeester kwam. Dessain behield het departement onder zijn rechtstreekse controle tot hij het onder druk van de partij in 1938 over moest laten aan zijn partijgenoot, de ACW-er en schepen Cyriel Neefs. Na het overlijden van Florent Van Cauwenbergh op 16 september 1923 werd Dessain arrondissementeel partijvoorzitter (44). Meteen drongen de georganiseerde arbeidersbeweging en landbouwersstand erop aan dat hij de standenorganisatie in alle geledingen van de partij zou doorvoeren. Hij besefte tevens dat een degelijke organisatie van de burgerij en de middenstand belangrijk en dringend was. Samen met provinciaal senator en rentenier hertog Robert d'Ursel (1873-1955) en de Lierse burgemeester en advocaat Jozef Schellekens (1867-1930) bereidde hij vanaf 15 juni 1924 de oprichting van een arrondissementele bond van burgers en middenstanders voor. Dessain slaagde er zelfs in de afgevaardigden van de afgescheurde conservatieve katholieke partij op de stichtingsvergadering op 9 november 1924 te krijgen. Maar de conservatieven weigerden toe te treden omdat het Vlaamse Minimumprogramma in de statuten ingeschreven werd. De Burgersbond werd dan maar zonder hen gesticht, waarna de partijhervorming ook op arrondissementeel niveau op 22 februari 1925 door voorzitter Dessain kon afgerond worden. De Burgersbond raakte al na de parlementsverkiezingen van 1925 op de achtergrond. Toch vormde het initiatief de aanzet tot de oprichting van plaatselijke burgers- en middenstandsbonden, zoals te Mechelen op 20 februari 1925 onder voorzitterschap van Dessain (45). In het vooruitzicht van de parlements- en provincieraadsverkiezingen van 1925 ondernam Dessain een nieuwe poging om de partijeenheid te herstellen. Hij herhaalde zijn voorstel uit 1921: de afgescheurde conservatieven kregen een verkiesbare plaats voor de provincieraad indien zij niet met een scheurlijst opkwamen. Ditmaal lukte een kartel met de conservatieven, maar zonder dat het tot een versmelting van de partijen kwam; dat zou de eerstvolgende jaren langzamerhand gebeuren. Dessain werd opnieuw tweede opvolger op de Senaatslijst (46). Aangezien bij de gemeenteraadsverkiezingen van 10 oktober 1926 eveneens een katholieke eenheidslijst tot stand kwam, was het burgemeesterschap van Dessain veilig gesteld. Zoals verhoopt was de herenigde katholieke partij opnieuw de grootste, maar nipt, met twaalf zetels tegenover elf voor de socialisten en vier voor de liberalen. Gezien de problemen van de voorbije jaren was er geen discussie over de coalitie. Burgemeester Dessain werd bijgestaan door drie katholieke en twee liberale schepenen (47). Trouwe partijsoldaat tijdens zijn parlementair mandaat (1929-1944) De politieke loopbaan van Karel Dessain bereikte in 1929 haar hoogtepunt. Toen de 61-jarige senator en rentenier jonkheer Anatole de Coc de Rameyen (1867-1932) van verdere kandidatuur 8
    • afzag, droeg de Burgersbond Dessain bij de parlementsverkiezingen van 26 mei 1929 voor. Aangezien voor de Senaatsverkiezing Mechelen en Turnhout één kiesarrondissement vormden, beschikte Mechelen door onderlinge afspraken toen enkel over de lijstaanvoering als verkiesbare plaats. Daarom werd uitgekeken naar een kandidaat die algemene achting genoot, en Dessain scheen op dat moment de geknipte figuur. De jonge garde radicale, Vlaamsgezinde katholieken opperde bedenkingen over deze 'franskiljonse ridder', zoals de Fronters hem noemden, maar de top van de partij en van het Vlaamsgezinde ACW bleven hem steunen (48). Na zijn verkiezing beklemtoonde Dessain meer dan de andere verkozenen dat hij senator was voor allen, niet van één stand. Tegelijk drukte hij het gerucht over zijn aftreden als Mechelse burgemeester meteen de kop in (49). Hij was op dat moment tegelijk senator, burgemeester van de centrumstad Mechelen, en arrondissementeel, kantonnaal en stedelijk partijvoorzitter. Dessain werd afgevaardigd naar de – politiek belangrijke - parlementaire commissie Binnenlandse Zaken, naast deze van Volksgezondheid en PTT. In de Senaat kwam hij vooral tussen bij het thema dat hem het meest lag en dat hem ook als burgemeester vooral bezighield: het financiële beheer. Zo kwam hij regelmatig tussen in de debatten rond de algemene begroting en in het bijzonder bij de budgetbesprekingen van Openbare Werken, Verkeer en Wetenschappen en Kunst (50). Maar daarnaast volgde hij voor belangrijke politieke dossiers gedwee het partijstandpunt, ook bij de stemmingen van de batterij taalwetten tussen 1929 en 1935. Hij nam eenzelfde houding aan tegenover gevoelige thema's als de amnestiekwestie; hij steunde in zijn eigen gemeenteraad op 14 april 1927 een motie van partijgenoot en ACW-er Alfons Verbist ten gunste van amnestie voor politiek veroordeelden (51). Dessain deed zijn intrede in het parlement op het moment dat de taalwetgeving in een stroomversnelling kwam. Op het gebied van de Vlaamse kwestie werd hij in de verdediging gedrukt door de steeds radicaler wordende Vlaamsgezinde katholieke parlementariërs, die vooral door de christelijke arbeidersbeweging voortgestuwd werden. Tegelijk kwamen de standen door de economische crisis vanaf 1929 grimmiger tegenover elkaar te staan. In het vooruitzicht van de volgende parlementsverkiezingen – ten laatste in 1933 - zette zich in de katholieke partij eind 1931 een verjongingskuur in, waarbij Dessain voor het eerst aan macht en invloed moest inboeten. Het initiatief ging overigens niet van hem uit, wel van enkele jonge progressieve Vlaamsgezinde krachten, al werd hij als afgevaardigde van de burgerij in het comité geplaatst dat de verjonging zou voorbereiden. Zijn invloed was er miniem, en als Belgisch patriot moest hij aanvaarden dat de partij zich voortaan openlijk voor aanhangers van het federalisme openstelde. Het doorbreken van dit 'cordon sanitaire' rond de federalisten haalde de nationale pers ! (52) Tekenend voor de partijtrouw van Dessain was de discussie rond zijn eventuele toetreding tot het dagelijks bestuur van de Federatie van Katholieke Verenigingen en Kringen. Begin 1932 nodigde de Federatie hem daartoe officieel uit, in haar poging sinds 1918 om zich op te werpen als het hoogste katholieke nationale partijorgaan, dat alle plaatselijke partijafdelingen zou verenigen. Het stak de Katholieke Unie naar de kroon, een verbond uit 1921 van het ACW, de Boerenbond en het Middenstandsverbond, waartoe de Federatie op de valreep, maar niet van harte, toegetreden was. De Federatie was de voorbije jaren meermaals het instrument gebleken van de conservatieve Belgicistische burgerij tegen de standenvertegenwoordiging en het Vlaams Minimumprogramma. Nog in juni 1925 had de hervormde Mechelse katholieke partij fel geprotesteerd tegen de obstructie die de Federatie voerde tegen de Vlaamsgezinde christen-democraat Prosper Poullet bij diens vorming van een regering van christen-democraten en socialisten (53). Dessain riep op 2 april 1932 het bestuur van de Provinciale Bond van Vrije Beroepen en Middenstanders bijeen om instemming te verkrijgen voor zijn toetreding tot het dagelijks bestuur van de Federatie. Dit mandaat bood volgens hem de kans om 'een jongere geest' in de Federatie binnen te brengen. Minister van Staat Frans Van Cauwelaert (1880-1961), ongenaakbare leider van 9
    • de Vlaamse christen-democratie, wees op de gevaren van zulk engagement in een vereniging die tot dan toe weigerde het principe van de standenvertegenwoordiging te erkennen. Hij stelde als voorzitter van de Bond dat het opnemen van een mandaat pas verantwoord was nadat de Katholieke Unie zélf volgens de standenvertegenwoordiging hervormd was. Dessain moest inbinden en weigerde tegen zijn zin het aangeboden bestuursmandaat bij de Federatie. Nadat de Katholieke Unie enkele maanden later haar hervorming voltooid had, drong Dessain niet meer aan… (54) Waarborg voor een zorgvuldig gemeentelijk financieel beleid tijdens de crisisjaren 1930-1936 Sinds de mislukking in 1925 van de arrondissementele Burgersbond zat de gestructureerde organisatie van de burgerij als standsgroepering in het slop. Anderzijds waren de middenstanders er op enkele jaren tijd wel in geslaagd op zichzelf zowel plaatselijk als arrondissementeel en nationaal een stevig verbond uit te bouwen, wat voor de machtspositie van de burgerij een bedreiging kon vormen. Op 16 april 1932 trachtte Dessain als stichter-voorzitter van een 'Verbond der Christen Gestudeerde Beroepen' de politieke inspraak van alvast deze groep te verzekeren. Maar de organisatie kende een sluimerend bestaan, en door de interne verdeeldheid binnen de burgerij mislukte de uitbouw van een gezaghebbende standsgroepering andermaal (55). Bij de gemeenteraadsverkiezingen van 9 oktober 1932 waren de afgescheurde katholieken ofwel niet meer politiek actief, ofwel geïntegreerd in de burgerstand van de hervormde partij. Door de aangroei van de bevolking had Mechelen voortaan 29 in plaats van 27 raadsleden. Maar hiervan konden de verenigde katholieken niet profiteren; zij bleven status-quo op 12 zetels, net als de liberalen met vier zetels. De socialisten vormden, net als in 1921, de grootste partij met 13 verkozenen. Dessain had ditmaal wél veruit de meeste katholieke voorkeurstemmen achter zijn naam gekregen. Hij bleef burgemeester met dezelfde coalitie en een schepencollege van drie katholieken en twee liberalen, en de socialisten in de oppositie. Bij de samenstelling van de kandidatenlijsten voor de vervroegde wetgevende verkiezingen van 27 november 1932 werd Dessain, ondanks de verjongingskuur, zonder discussie opnieuw lijsttrekker, en was hij zeker van zijn herverkiezing tot senator (56). Bij het vijftiende Congres van de Katholieke Vlaamse Landsbond te Mechelen op 28 en 29 juli 1934 verwelkomde Dessain de organisatoren op het stadhuis, en hij stak hen een hart onder de riem: "Mechelen is een Vlaamse stad, waar de leden van de Landsbond zich zeker thuis zullen voelen" (57). De volgende jaren verslechterde het politieke klimaat snel, zowel internationaal als in België en in Mechelen. Door de economische crisis kwam er veel kritiek op de politici die toen aan de macht waren. Niet alleen Van Isacker ondervond dat als minister, ook Dessain zag zijn invloed verminderen. Bovendien profileerden de middenstanders zich steeds uitdrukkelijker, tegen de nog steeds onvoldoende georganiseerde burgerstand in. De vraag voor erkenning van het Middenstandsverbond als aparte standsgroepering – wat het recht op een eigen afvaardiging op de kandidatenlijsten voor de verkiezingen betekende – sleepte vanaf 1932 aan, ook wegens verzet van het ACW, dat vreesde aan invloed te moeten inboeten. Dessain bevond zich in deze kwestie in een onaangename positie, aangezien hijzelf als politicus van de burgerstand rechtstreeks betrokkene was. Bij de samenstelling van de kandidatenlijsten voor de parlementsverkiezingen van 24 mei 1936 eiste het Middenstandsverbond een verkiesbare plaats voor haar arrondissementeel voorzitter en gewezen senator Jozef De Ley (58). Dessain zag zich genoodzaakt een verklaring af te leggen waarin hij zijn trouw aan de Katholieke Vlaamse Groep in Kamer en Senaat, ook inzake de Vlaamse kwestie, benadrukte. Maar enkele militante middenstanders bleken allerminst onder de indruk, en zij verklaarden ronduit dat zij in hem geen vertrouwen konden stellen inzake de 'rechtszinnige verdediging van de Vlaamse belangen'. Zij voorspelden dat enkel een grondig vernieuwde kandidatenlijst een verkiezingsnederlaag kon vermijden. Niettemin haalde Dessain het in de arrondissementele poll met 66 stemmen tegen 59 voor De Ley, die eerste opvolger werd (59). 10
    • Dessain werd als lijsttrekker voor de Senaat herkozen, maar de katholieke nederlaag was met een verlies van 8,2 % voor de Senaat te Mechelen, zoals in heel het land, nog groter dan verwacht. Een grondige vernieuwing van de partij kon niet langer uitblijven, en al op 30 augustus 1936 moest Dessain het arrondissementeel partijvoorzitterschap overlaten aan senator Alfons Verbist. Dessain werd niet eens lid van het comité dat de partijhervorming zou voorbereiden en doorvoeren. Tijdens de stichtingsvergadering op 3 februari 1938 van de Mechelse Katholieke Vlaamse Volkspartij (KVV), die in de plaats kwam van de oude 'Grondwettelijke Associatie', werd hij evenmin lid van het dagelijks partijbestuur. De jonge advocaat Louis Nobels, neef van zijn vroegere rivaal Jules Nobels, volgde hem op als plaatselijk voorzitter (60). Toch kon Dessain in de stad Mechelen zelf op heel wat aanhang blijven rekenen. In de Senaat bleef hij zich profileren als een gedegen financieel deskundige. Hij bepleitte er een verregaande administratieve vereenvoudiging van de gemeenteboekhouding, en stelde voor de gemeentebesturen te verplichten tekorten op de gewone (lopende) begroting met inkomsten uit de 'buitengewone' begroting te dekken, bijvoorbeeld door het te gelde maken van activa zoals het patrimonium. Hij maakte zich bij de landbouwers uit de eigen streek weinig geliefd met zijn aanklacht tegen de volgens hem te lage pachtgelden die de Commissies van Openbare Onderstand in het algemeen aan de boeren aanrekenden (61). Tegen wil en dank aan het hoofd van een controversiële rechtse coalitie (1938-1940) Om een socialistisch-liberale meerderheid na de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 1938 in Mechelen te voorkomen, startte de plaatselijke partijtop begin april 1938 geheime onderhandelingen met het Vlaams Nationaal Verbond (VNV), maar ook met de extreem-rechtse protestpartij Rex, die nationaal onder leiding stond van de flamboyante Léon Degrelle (1906-1994). Dessain, nochtans uittredend burgemeester, behoorde niet tot de vijf gemandateerden die de onderhandelingen in Mechelen voerden (62). Het is niet duidelijk of hij zich om principiële redenen bewust van deelname aan deze onderhandelingen heeft onthouden, al is dit best mogelijk. Of behoorde hij op dat moment al niet meer tot de plaatselijke machthebbers in de partij ? Hoe dan ook, nadat langdurig aan een 'Katholieke Concentratielijst' en een gezamenlijk programma gesleuteld was, kwam er een akkoord over een kartellijst. Blijkbaar werd op een bepaald ogenblik zelfs overwogen een veel verdergaande samenwerking tussen de drie partijen te realiseren, maar deze doelstelling werd op 3 september opgegeven. Verrassend was dat Dessain als lijsttrekker gevraagd werd. De nieuwe partijtop besefte dat de fel gecontesteerde Concentratielijst van KVV, VNV en Rex-Vlaanderen beter verteerbaar was binnen de partij en bij de meer gematigde kiezers door Dessain als boegbeeld van degelijk bestuur naar voor te schuiven. Alleszins was er tegen het aangegane kartel veel tegenstand van individuele leden binnen de partij en onenigheid binnen de standenorganisaties. Terwijl de nationale ACW-top het kartel bekritiseerde, was het precies tot stand gekomen onder druk van Mechelse ACW-personaliteiten als de plaatselijke ACW-voorzitter Cyriel Neefs, de ACW-secretaris Edward Clottens en vooral nationaal KVV-voorzitter en ACW-er Alfons Verbist (63). Nog verrassender was dat Dessain - als Belgisch patriot – het aanbod om de lijst te trekken, aanvaardde, en dus dé uitverkoren kandidaat was om zichzelf als burgemeester op te volgen. Bij de gemeenteraadsverkiezingen, die door de oorlogsdreiging met één week verdaagd werden tot 16 oktober 1938, haalde de Concentratielijst met 41 % nipt één zetel winst tegenover het resultaat van de katholieke lijst in 1932, of dertien van de negenentwintig mandaten. De VNV-er handelsvertegenwoordiger en oorlogsinvalide Hendrik Baetens, slechts negende op de lijst, haalde de meeste voorkeurstemmen na lijsttrekker Dessain. Twee VNV-ers en evenveel Rexisten werden verkozen, één van de Rexisten dankzij zijn hoge aantal voorkeurstemmen. Tot frustratie van socialisten en liberalen was de Concentratielijst door de kiezer dus helemaal niet afgestraft, al bleek het kartel evenmin een onverdeeld succes. De lijst telde weliswaar het grootste aantal verkozenen, maar slechts negen getrouwe katholieke partijgenoten kwamen in de raad. De socialisten haalden 11
    • ruim 40 %, en konden, met twaalf verkozenen, het verlies beperken tot één zetel. De liberalen behielden met 16 % hun vier zetels (64). Paradoxaal was het gevaar voor een 'antikatholieke' coalitie niet afgewend, maar vergroot. De socialisten bleven elke toenadering tot de Concentratie-groep als onbespreekbaar van de hand wijzen, en stuurden op een samenwerking met de liberalen aan. Maar de onderhandelingen over een rood-blauwe coalitie liepen vast op de ambities van beide partijen op het burgemeestersambt. Bovendien boterde het bij de liberalen al geruime tijd niet meer tussen de oude garde onder leiding van dokter Paul Lamborelle en de jongere Vlaamsgezinde groep die werd aangevoerd door de energieke advocaat en gewezen liberale volksvertegenwoordiger Oscar Vankesbeeck. Deze laatste was populair als voorzitter van voetbalclub Racing Mechelen en van de Koninklijke Belgische Voetbal Bond, maar had in 1936 naast de functie van gecoöpteerd senator gegrepen. Nochtans was hem die schriftelijk beloofd door zijn Lierse partijgenoot Arthur Vanderpoorten (1884-1945), die voor hem plaats wou ruimen, maar hiervoor vanwege de hoogste partijinstanties verbod kreeg (65). Thans zag Vankesbeeck zijn kans schoon om de partijleiding voor schut te zetten. Net voor het jaareinde zegde hij met zijn partijgenoot Frans Boon zijn steun toe aan de controversiële rechtse Concentratie-coalitie, in ruil voor twee schepenambten. Daarop werden beiden prompt uit de liberale partij gezet. Op het moment dat de partners een overeenkomst voor de nieuwe coalitie bereikten, sloeg bij Dessain de twijfel toe, en hij wou zich terugtrekken. Het was duidelijk dat Dessain de coalitie, die vooral door zijn partijgenoten de ACW-ers Alfons Verbist en Cyriel Neefs uitgedokterd was, niet gunstig gezind was en wellicht geen lang leven beschoren zag. De onderhandelaars konden hem uiteindelijk overtuigen "in het belang van de stad nog gedurende afzienbare tijd" het burgemeesterschap waar te nemen (66). Volgens de oppositie werd toen een scenario uitgewerkt waarbij Dessain vervroegd zou opstappen, om door Vankesbeeck opgevolgd te worden; dit 'verraad' zou dan de prijs zijn die de KVV moest betalen voor de steun van de twee afgescheurde liberalen. Hoe dan ook, een heterogene coalitie van KVV, VNV, Rex-Vlaanderen en de twee afgescheurde liberalen kon met de kleinst mogelijke meerderheid van vijftien op negenentwintig zetels van start gaan. De hogere overheid stond argwanend tegenover de wankele coalitie en vreesde voor de bestuurbaarheid van de stad. Bovendien kon zij de publieke twijfels van Dessain over de coalitie en zijn dubbelzinnige houding rond zijn mogelijk vervroegd vertrek helemaal niet appreciëren. Daarom liet Binnenlandse Zaken zijn herbenoeming aanslepen (67). De verbitterde oppositie speelde het spel hard, en de bespreking in februari 1939 over de begroting sleepte zes vergaderingen aan, ook al was die net als de vorige jaren in evenwicht. Al op 20 april 1939 viel de Concentratie in de gemeenteraad uiteen ten gevolge van de agitatie van de KVV tegen het VNV tijdens de campagne voor de parlementsverkiezingen. De socialisten vroegen het ontslag van het schepencollege, maar de VNV-ers en Rexisten bleven de coalitie en haar burgemeester trouw, en de nipte bestuursmeerderheid hield onder druk van de toenemende oorlogsdreiging moeizaam stand. Op 3 juni 1939, twee maanden na de parlementsverkiezingen op 2 april, werd Dessain eindelijk tot burgemeester herbenoemd. De speculaties over zijn vervroegd vertrek bleven nog een tijdje de ronde doen, maar door de oorlogsdreiging verdween het thema stilaan uit de actualiteit (68). Bij de vervroegde parlementsverkiezingen van 2 april 1939 schoof de KVV provinciaal senator en burgemeester van Lier Jozef Van Cauwenbergh (1880-1954) als lijsttrekker voor de Senaat naar voor. Maar de partij slaagde er niet in om het verlies van drie jaar tevoren goed te maken, zelfs niet gedeeltelijk; zij verloor bovendien twee van haar vier Kamerzetels. Dessain, die niet meer op de kandidatenlijst gestaan had, keerde als provinciaal senator terug (69). In de Senaat bracht Dessain de rampzalige situatie van de Mechelse meubelmakerij onder de aandacht. Deze traditionele nijverheid in Mechelen lag door de oorlogsdreiging lam: ruim 180 van de 200 bedrijven waren 12
    • dicht en 3.500 van de 4.000 werklieden waren werkloos. Hij vroeg dringende maatregelen om de uitvoer naar Amerika te bevorderen en bepleitte de oprichting van een centraal 'Meubelinstituut', een idee van gewezen Minister en Mechels partijgenoot Van Isacker (70). Opnieuw uit het burgemeestersambt gezet tijdens de Tweede Wereldoorlog (1940-1944) Na de Duitse inval in België op 10 mei 1940 bereidde Dessain met zijn schepenen de stad zo goed mogelijk voor op het naderende oorlogsgeweld. Op 12 mei riep hij alle mannen tussen 16 en 35 jaar op om zich meteen bij de Belgische strijdkrachten te Ieper te voegen. Hij verplichtte een aantal burgers tot evacuatie, wat na de oorlog nog voor problemen zou zorgen omdat Mechelen officieel niet tot de te evacueren steden behoorde. Op 17 mei moest Dessain de overgave van de stad aan zijn medeburgers bekendmaken. Toen de talrijke aarzelende arbeiders van het spoorwegarsenaal begin juni 1940 door de bezetter aangemaand werden om aan het werk te gaan, kregen zij vanuit het stadsbestuur de raad ogenblikkelijk op deze eis in te gaan. Dessain aarzelde niet Duitse bestellingen aan te nemen om de meubelmakers weer aan de slag te krijgen. Daarnaast vond hij allerlei karweitjes uit voor de tewerkstelling van zoveel mogelijk burgers. Tenslotte werd hij verplicht enige propaganda voor tewerkstelling in Duitsland te voeren. Maar hij verzette zich tegen de publicatie van een 'neutrale' - lees Duitsgezinde - Gazet van Mechelen (71). De eerste maanden van de bezetting werkte het Mechelse bestuur harmonieus samen. Vanaf eind augustus 1940 zette het VNV haar uitgedokterde lastercampagne tegen de vooroorlogse gezagdragers in, om hen in diskrediet te brengen en zo de macht naar zich toe te trekken; in andere gemeenten in Vlaanderen had zij zulke campagne al eerder opgestart (72). In februari 1941 kreeg Dessain van de Duitsers de 'raad' ontslag te nemen. De bezetter verwees naar vermeende 'onregelmatigheden', waarvan de rechtstreekse betrokkenheid van Dessain nochtans moeilijk bewezen kon worden. Er zou 'illegaal' graan in de bakkerij Het Volkbelang gevonden zijn, waarvoor de burgemeester persoonlijk verantwoordelijk geacht werd. Tijdens huiszoekingen – ook bij (alle ?) katholieke en liberale schepenen – werden bij Dessain thuis gehamsterde voedingsmiddelen gevonden; de goederen werden in beslag genomen en hij werd met 50 Deutsche Mark beboet. Een laatste argument voor zijn 'verwijdering' was zijn respectabele leeftijd; hij was toen 68 jaar oud. Dessain ging niet op de 'raadgeving' in, en kreeg hierbij de steun van de meeste gemeenteraadsleden, die eind februari een protestbrief aan de Belgische Staat richtten; de Rexisten onthielden zich bij de bespreking van het initiatief, en de VNV-ers weigerden de brief te ondertekenen. De Duitsers waren de obstructie hier - zoals elders in het land - beu, en vaardigden op 7 maart 1941 een ambtsverbod voor alle burgemeesters en schepenen ouder dan 60 jaar uit. Op 25 maart 1941 nam Dessain plechtig afscheid van de gemeenteraad. Het was de laatste vergadering van de raad, want een Duitse verordening van 28 mei 1941 verbood bijeenkomsten van de gemeenteraad, en droeg alle bevoegdheden over aan het college van burgemeester en schepenen. De katholieke schepen Cyriel Neefs werd waarnemend burgemeester, in afwachting van een definitieve benoeming (73). Die kwam er op 3 juli 1941, met de aanstelling van VNV-er Camille Baeck tot burgemeester. Ook de liberale schepen Boon werd op pensioen gezet. De agitatie tegen de vooroorlogse politieke machthebbers kende een triest hoogtepunt met de afzetting, en de gevangenschap in het Fort van Breendonk van eind mei tot juli 1941, van schepen Oscar Vankesbeeck en volksvertegenwoordiger Désiré Bouchery (74). Net als dertig jaar voordien kreeg Dessain problemen tijdens de bezetting; de Ierse afkomst van zijn moeder bleek al voldoende voor het etiket 'anglofiel'. Zijn aanwezigheid – op eigen houtje - op de begrafenis op 19 en 24 april 1944 van de slachtoffers van de luchtbombardementen op Mechelen werd door oorlogsburgemeester Baeck als een ongehoorde provocatie beschouwd. Die diende op 30 april een schriftelijke aanklacht bij Major von Maercker in. Baeck eiste een verbod op alle openbare 13
    • bedrijvigheden, zowel voor Dessain als voor het socialistisch gemeenteraadslid Jozef Verbert (1899-1954), die ook aan de plechtigheid had deelgenomen. Meer bepaald eiste Baeck dat beiden verbod kregen om bestuurslid te worden van de Mechelse afdeling van het Nationaal Steunfonds voor Geteisterden, die in oprichting was. Bovendien moest aan Dessain verboden worden beheersposten bij het Gemeentekrediet van België, bij de verzekeringsmaatschappij 'Onderlinge Maatschappij van Openbare Besturen' of in ambtelijke commissies waar te nemen. Baeck had voordien al zonder succes getracht bestuursmandaten persoonlijk in handen te krijgen en Dessain te weren (75). Dankzij bemiddeling van Cyriel Neefs via de secretaris-generaal van Binnenlandse Zaken Gerard Romsée (1901-1976) kwam er van de door Baeck geëiste tuchtmaatregelen niets in huis (76). De beschuldiging, na de oorlog, door communisten, socialisten en liberalen dat Neefs als 'collaborerend' oorlogsschepen toen Dessain in de steek had gelaten, was te kwader trouw en typisch voor de vijandige politieke sfeer in Mechelen van toen (77). Dessain bleef na zijn gedwongen ontslag actief: bij verschillende maatschappijen werd hij als – dikwijls wellicht officieus - vertegenwoordiger van de stad naar voren geschoven. Maar belangrijker waren zijn discrete politieke contacten over de toekomst van de stad na de geallieerde overwinning, waarin hij vast geloofde. Reeds midden 1942 belegde hij 'op een optimistisch ogenblik' een geheim onderhoud met de socialistische gemeenteraadsleden Désiré Bouchery en Jozef Verbert (1899-1954) over de toestand 'na de bevrijding'. Toen al werd de mogelijkheid geopperd van een brede coalitie van katholieken, socialisten en liberalen onder zijn leiding. In augustus 1944 werden met het vooruitzicht van een spoedige bevrijding deze besprekingen met de socialisten Verbert en de reizende ster provincieraadslid Antoon Spinoy (1906-1967) hervat (78). Onbetwist leiderschap na bevrijding en gevolgen van een plotse dood (4-5 september 1944) Op 4 september 1944 werd Mechelen bevrijd. Met veel moeite had Dessain de stad nog diezelfde avond vanuit Brussel kunnen bereiken. Meteen nam hij het burgemeesterambt opnieuw waar. Onder andere met pamfletten en via de pers riep hij alle burgers op zich waardig te gedragen, en de plunderingen en wraakacties tegen vermeende collaborateurs, die sinds de bevrijding her en der uitgebroken waren, onmiddellijk te stoppen. Schuldigen zouden hun straf niet ontlopen, en bijgevolg was het nergens voor nodig het recht in eigen handen te nemen. Dankzij zijn aanwezigheid raakten de verhitte gemoederen van de burgers al wat bekoeld. In de voormiddag van 5 september ontbood hij verschillende ambtenaren uit de stadsdiensten op zijn kabinet. Hij gaf hen opdracht lijsten op te maken van alle personeelsleden die van samenwerking met de bezetter verdacht konden worden. Daarnaast benoemde hij bij de politie drie commissarissen die buiten elke verdenking van collaboratie stonden. Vervolgens begon hij met een onderzoek van de notulen van het schepencollege gedurende de bezetting. Hij plande in de namiddag een overleg met het socialistische boegbeeld Bouchery, waarna een zitting met de op dat moment beschikbare gemeenteraadsleden van de katholieke, socialistische en liberale partij - dus zonder de Vlaams- Nationalisten en Rexisten - de formule van een drieledige coalitie besproken zou worden. Toen de burgemeester zich na het middagmaal naar het stadhuis spoedde, werd hij opgewacht door een enthousiaste menigte die hem optilde en naar binnen droeg. Daarna toog hij terug aan het werk. Temidden van bloemen en massa's gelukwensen stierf Dessain omstreeks 14 uur aan een beroerte in zijn kabinet op het stadhuis… (79). De plotse dood van Dessain schokte de stad. Het Schepencollege kwam in de namiddag van 5 september in haar samenstelling van vlak voor de bezetting bijeen, en besliste, met akkoord van de liberaal Boon, Neefs voor te dragen als waarnemend burgemeester. Maar die was op 4 september - zoals alle oorlogsschepenen – door de provinciegouverneur geschorst in afwachting van de resultaten van een onderzoek dat door de arrondissementscommissaris gevraagd was. Daarom zat de liberale schepen Frans Boon de door Dessain geplande gemeenteraadszitting nog dezelfde dag voor, waaraan ook de socialisten deelnamen. Maar de consternatie rond de gebeurtenissen was te 14
    • groot om tot een beraadslaging te komen. Wel slaagde Boon er de volgende dagen in een drieledige coalitie op de been te brengen, met de socialisten Bouchery en Verbert als waarnemend schepenen. Het hete hangijzer van het burgemeesterschap ontweek hij. Op 14 september trok de gouverneur de schorsing van Neefs in, waarop die onmiddellijk de functie van waarnemend burgemeester opnam (80). De socialistische waarnemende schepenen zegden hun medewerking aan het drieledige college prompt op, en zij verzochten de gouverneur opnieuw om de schorsing van Neefs. De volgende maanden kwam de gemeenteraad enkel voor protocollaire aangelegenheden bijeen (81). Het fundamentele meningsverschil draaide rond de vraag of de schepenen al dan niet in functie hadden mogen blijven nadat VNV-er Baeck in juli 1941 door de bezetter tot burgemeester aangesteld was. Zelfs na zijn dood werd Dessain in de discussie voor de kar gespannen. Volgens de katholieken had hij uitdrukkelijk gewenst dat de verkozen schepenen op post zouden blijven 'om erger te voorkomen', en omdat plaats ruimen het de bezetter alleen maar gemakkelijker zou maken. Volgens de socialisten wees de intentie van Dessain om een streng onderzoek te voeren naar de handelswijze van allen die na juli 1941 in het college waren blijven zetelen, juist op het tegendeel (82). Op 23 mei 1945 werd Neefs op bevel van de Minister van Binnenlandse Zaken geschorst als waarnemend burgemeester en als schepen. Meteen schoven de katholieken hun gemeenteraadslid Jozef De Marré naar voren, in afwachting van de nieuwe definitieve benoeming van een burgemeester. De volgende drie maanden was dan toch een driepartijencoalitie aan de macht. Maar de Mechelse socialisten lobbyden bij hun ministers over de burgemeestersbenoeming en gooiden het op een politiek akkoord met de liberalen, inclusief de 'dissidente' schepen Boon die in 1938 van de liberale partij afgescheurd was. Tot grote ontsteltenis van de katholieken werd op 21 augustus 1945 de 38-jarige socialist Antoon Spinoy door de Prins-Regent op voordracht van de liberale minister Adolphe Van Glabbeke (1904-1959) tot burgemeester benoemd. Deze arbeiderszoon was sinds 1936 provincieraadslid, en was in 1938 pas als vierde socialistische opvolger voor de gemeenteraad uit de stembus gekomen. Hij was in september 1944 bestendig afgevaardigde geworden, tot hij in november 1944 zijn overleden partijgenoot Désiré Bouchery in de Kamer opvolgde. Pas op 28 juni 1945 was Spinoy door enkele sterfgevallen en spontane ontslagen van gemeenteraadsleden in de Mechelse gemeenteraad gekomen, en meteen schepen geworden. Zijn aanstelling tot burgemeester was voor de katholieken de spreekwoordelijke druppel; zij stapten woedend uit de coalitie en voerden een harde oppositie. Spinoy, die later minister werd, zou de burgemeesterssjerp tot zijn overlijden in 1967 dragen (83). In december 1947 werd het gerechtelijk onderzoek tegen Neefs zonder gevolg geklasseerd. Maar de zaak had het politieke klimaat in Mechelen zodanig verziekt, dat de Christelijke Volkspartij pas begin 1959, na het afsluiten van het Schoolpact op nationaal vlak, een einde kon maken aan haar oppositiekuur, en in een coalitie met de socialisten kon stappen (84). Tot slot De grote politieke moeilijkheden na de dood van Karel Dessain illustreren het belang van deze figuur voor Mechelen. Eenenveertig jaar lang was hij er gemeenteraadslid, en gedurende vijfendertig jaar burgemeester. Hij was ruim vijftien jaar senator, al speelde hij daar, in tegenstelling tot de Mechelse gemeenteraad, geen prominente rol. In de Senaat werd hij op 23 december 1944 opgevolgd door de Duffelse burgemeester Emiel Van Hamme (1900-1998) (85). De Tweede Wereldoorlog eiste in de familie Dessain een zware tol; op 16 oktober 1944 overleed de oudste zoon van Karel, jonkheer Eric Dessain, vader van drie kinderen, in een Duits concentratiekamp. Eric Dessain was reserve-kapitein-commandant bij het Belgisch Leger en commandant voor de Provincie Antwerpen bij het Geheim Leger (86). 15
    • Ridder Dessain was een Belgische patriot, die onmiddellijk na de Eerste Wereldoorlog op de kar sprong van de politieke hervormers, en voldoende politiek realisme aan de dag legde om het Vlaams Minimumprogramma te onderschrijven, maar hij wees het federalisme af. In het parlement zag hij hoe een hele reeks taalwetten goedgekeurd werden; hij volgde bij de stemmingen getrouw de partijafspraken. Binnen de katholieke partij was hij tot half de jaren 1930 een algemeen aanvaarde en gerespecteerde verzoeningsfiguur tussen Vlaamsgezinden en Belgicisten, en tevens tussen de gegoede burgerij, de middenstanders, landbouwers en arbeiders. Daarna was zijn greep duidelijk verzwakt in het voordeel van de jongere krachten, die zich vooral op Vlaams gebied veel duidelijker konden profileren. Buiten de partij werd hij omwille van zijn gezag en diplomatie gerespecteerd door liberalen en socialisten. Maar de grootste verdienste van Dessain ligt in zijn steun als burgemeester aan grote projecten in Mechelen. Het overwelven en dempen van de vlietjes en het aanleggen van riolering in het belang van de volksgezondheid was het eerste grote project dat hij van zijn voorganger erfde. De sociale woningbouw die hij als het ware belichaamde, resulteerde in verschillende sociale woonwijken met meer dan zeshonderd huizen in 1940; op 11 september 1944, vlak na zijn dood, werd in de villawijk aan het Vrijbroekpark in Mechelen een laan naar hem genoemd, ter herinnering aan zijn inzet voor de woningbouw (87). Andere grote projecten waren de aanleg van een buurtspoorwegennet en een tramnet (vanaf 1913), de uitbouw van een netwerk van nutsvoorzieningen voor elektriciteit (1909) - met een eigen elektriciteitsfabriek (1910) - en later ook gas, straatverlichting (vanaf 1913), zuiver en drinkbaar water – met in 1927 het eerste waterleidingnet in het arrondissement -, al vanaf 1932 zuivering van de waterlopen en inspectie op de eetwaren, de ontwikkeling van Mechelen als centrale handelsplaats voor de tuinbouwproducten uit de omliggende gemeenten door de bouw van een grote groentehal aan de Zandpoortvest in 1935, de promotie van het toerisme via de stedelijke Vereniging voor Vreemdelingenverkeer vanaf 1937, op sociaal vlak de uitbouw van een stedelijk fonds voor betoelaging aan jonge moeders en 'kroostrijke' gezinnen, werkbeurzen, diensten voor arbeidsbemiddeling, enzovoort (88). Maar door vriend en vijand werd hij vooral geroemd voor zijn correct, zorgvuldig en zuinig financieel beleid in de moeilijk te besturen centrumstad. Onmiskenbaar heeft Ridder Karel Dessain daarmee zijn stempel gedrukt op het leven in Mechelen. Lic. Herwig De Lannoy 16
    • Voetnoten (1) Voor een beknopte biografie, zie H. DE LANNOY, Dessain Charles, in Nationaal Biografisch Woordenboek, dl. 12, Brussel, 1987, kol. 227-235; voor een summier overzicht van de Mechelse politiek (1836-1940), zie mijn artikelen in De geschiedenis van Mechelen. Van Heerlijkheid tot Stadsgewest, Tielt, 1991, p. 231-238 en 269-273. Een omvangrijke verzameling papieren wordt bewaard in: STADSARCHIEF MECHELEN, Vertrouwelijke en persoonlijke correspondentie van burgemeester Dessain, nrs. 468-480 (13 dozen en pakken), voor de periode 1902- 1939. Deze omvangrijke correspondentie is niet geordend en niet geïnventariseerd. Veruit de meeste documenten betreffen schriftelijke vragen om tussenkomst vanwege burgers in het kader van het politieke dienstbetoon. Daarnaast is er briefwisseling rond de samenstelling van de kandidatenlijsten bij de verkiezingen, rond organisatorische aspecten van de katholieke partij, en rond partijpolitieke kwesties. Tenslotte bevat ze verkiezingspamfletten, politieke brochures en folders. Interessant is de briefwisseling die verband houdt met de scheuring in de partij in 1919-1926. De verzameling omvat geen documenten over het stedelijk bestuur of politieke dossiers van Dessain in zijn functie van senator. (2) La Noblesse Belge. Annuaire de 1911, dl. 2, Brussel, 1912, p. 10-11; L. DUERLOO en P. JANSSENS, Wapenboek van de Belgische adel, Brussel, 1992, dl. 1, p. 683: adelbrieven dd. Laken, 20 december 1910. (3) Na de dood van vader nam de derde zoon Gustaaf Dessain (1873-1943) de bedrijfsleiding op zich; die engageerde zich als medestichter (1929) en voorzitter van het Algemeen Christelijk Verbond van Werkgevers - afdeling Mechelen. Na zijn overlijden werd diens zoon doctor in de rechten Patrick Dessain (1916-1985) bedrijfsleider, die bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1946 op de 16de plaats op de CVP-lijst opkwam, maar niet verkozen werd. De drukkerij verruimde na 1945 onder invloed van de vraag haar aanbod tot veel meer dan liturgische werken en investeerde vanaf 1970 in nieuwe technieken. Momenteel is de befaamde drukkerij H. Dessain NV gevestigd aan het Industriepark Mechelen-Zuid. P. RYCKMANS, Dessain Pierre, in Nationaal Biografisch Woordenboek, dl. 4, Brussel, 1970, kol. 227-229; ID., Drukkers en pers te Mechelen (1773-1914), in Bijdragen IUCHG, dl. 70, Leuven, 1972, p. 17-20; http://www.dessain.com. (4) De zonen zijn Eric (1895-1944), over wie meer aan het einde van dit artikel; Marc (1896-1982), Generaal-Majoor en professor aan de Militaire School; James (1903-1977) en Jozef (1911-1984), kanunnik. O. COOMANS DE BRACHENE, Etat présent de la Noblesse Belge. Annuaire de 1987, dl. 2, Brussel, 1987, p. 304- 308. (5) Voorheen het Verbond der Katholieke Pensioenmaatschappijen van het arrondissement, dat sinds 1900 bestond. Zie PAPIEREN CYRIEL NEEFS, Map CVO arrondissement Mechelen: statuten. Over Cyriel Neefs (1899-1976) verder meer; diens vader Gommarus Neefs (1873-1920) was een pionier van de christelijke arbeidersbeweging, waardoor deze documenten in de verzameling belandden. De omvangrijke verzameling papieren geeft een beeld van het politieke en sociale leven in de 20ste eeuw in Mechelen en wordt door de familie bewaard. (6) Doctor in de rechten Edouard De Cocq (1852-1909) was provincieraadslid (1886-1896), katholiek partijvoorzitter vanaf 1894, volksvertegenwoordiger vanaf 1896 en burgemeester vanaf 1900. (7) Jules Nobels (1869-1944) was kapitein bij de Burgerwacht, bestuurslid van het Weldadigheidsbureel (1895-1899), gemeenteraadslid (1900-1921) en schepen (1900-1909). (8) Jules Ortegat (1857-1925) was gemeenteraadslid (1890-1895 en 1899-1909), schepen van financiën (1900-1903), provincieraadslid (1891-1909) en bestendig afgevaardigde (1903-1909). Hij was volksvertegenwoordiger tot 1919. (9) Zoals in De Straal. Dagelijks orgaan der Vereenigde Liberalen van het Arrondissement Mechelen, 7 april 1909, op de voorpagina. (10) B. VANSTEENWEGEN, Het Mechelse stadsbestuur tussen 1912 en 1921. Een woelige legislatuur van bijna één decennium, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, Departement Geschiedenis, 1998, p. 34-35. Jules Nobels zal tot 1921 in de gemeenteraad de Vlaamse belangen verdedigen, al was hij op de zittingen dikwijls afwezig. Bij de hervorming van de katholieke partij in 1919 speelde hij een betekenisvolle rol. In 1925 werd hij net niet verkozen tot volksvertegenwoordiger en kort nadien greep deze 'pechvogel' van de Mechelse politiek net naast het 'beloofde' mandaat van provinciaal senator. (11) Gazet van Mechelen, 15 november 1909. Gazet van Mechelen, uitgegeven door NV De Vlijt die ook de Gazet van Antwerpen uitgaf, was tijdens het Interbellum de spreekbuis van de progressieve Vlaamsgezinde katholieken. 17
    • De kritiek kwam vooral uit liberale hoek in De Straal, 5 en 9 november 1909 en Het Laatste Nieuws, 18 en 19 november 1909, met weerlegging door Gazet van Mechelen, 8, 19, 20 en 29 november 1909, waarin dit dagblad onder andere de positieve commentaren in de katholieke krant Het Handelsblad van Antwerpen onderschrijft. (12) Zie enkele voorbeelden van discussies rond het taalgebruik in Beknopt verslag der zittingen van den gemeenteraad, 11 januari en 25 januari 1912, 26 februari en 16 april 1914; B. VANSTEENWEGEN, o.c., p. 48 en 50. (13) Deze zorg blijkt al uit zijn eerste redevoering als de nieuwe burgemeester. Beknopt verslag der zittingen van den gemeenteraad, 22 november 1909, p. 319. (14) Zoals van partijgenoot Philip Van Isacker in zijn gedenkschriften Tussen staat en volk, Antwerpen, 1953, p. 73. Historicus Philip Van Isacker (1884-1951) bereidde als één van de jonge leiders van de Vlaamse christen-democratie tijdens de Eerste Wereldoorlog de partijhervorming van 1919 voor, werd gemeenteraadslid (1921-1938), volksvertegenwoordiger (1919-1938) en minister (1931-1938). H. DE LANNOY, Philip Van Isacker (1884-1951) en Mechelen, in Handelingen van de Koninklijke Kring voor Oudheidkunde, Letteren en Kunst van Mechelen (= Handelingen), dl. 104, 2000, p. 231-263. (15) Zie het ooggetuigenverslag van het liberaal gemeenteraadslid en volksvertegenwoordiger dokter Paul LAMBORELLE (1871-1943), Herinneringen uit de oorlogsdagen, Mechelen, [ca. 1919], 56 p., en het anekdotische verhaal in: F. VERMOORTEL, Mechelen. Kroniek van een stad 1830-1952, Brugge, 1990, p. 121-124, die echter verkeerdelijk de bezetting op 28 augustus 1914 laat beginnen. (16) Beknopt verslag der zittingen van den gemeenteraad, 19 november en 30 december 1914 (citaat). Francis Dessain (1875-1951) werd privé-secretaris van de kardinalen Mercier (1851-1926) en Van Roey (1874-1961). Hij was de populaire speler-voorzitter (vanaf 1906) van voetbalploeg K.V. Mechelen en ook ondervoorzitter (vanaf 1937) en voorzitter van de Belgische Voetbalbond (1943-1951), waar hij de Mechelaar Oscar Vankesbeeck opvolgde. Zijn talenkennis schaafde hij mettertijd bij, vooral door zijn volgehouden engagement in het plaatselijke katholieke sportleven, ook buiten het voetbal. De Mechelse Week, 29 november 1984, p. 3; 1000 jaar Mechelen, de Mechelaars en hun sport, in Waar is de tijd, dl. 10, Zwolle, 2001, p. 230. (17) Register der processen-verbaal van het College van Burgemeester en Schepenen, 23 februari, 30 maart en 23 april 1915; Verslagen der Vereenigde Afdeelingen, 9, 14 en 15 mei 1915; Beknopt verslag der zittingen van den gemeenteraad, 1 december 1918, p. 165; R. DE SWERT, Mechelen in het eerste jaar van de Grote Oorlog, onuitgegeven licentiaatsverhandeling Katholieke Universiteit Leuven, Departement Geschiedenis, 1990, p. 130-134. (18) Minister van Staat M. LEVIE, L'âme de la Patrie, in Le Cardinal Mercier (1851-1926), Brussel, 1927, p. 114- 117; R. BOUDENS, Kardinaal Mercier en de Vlaamse Beweging, Leuven, 1975, p. 112-124. (19) Nog decennia later pakte de katholieke pers fier uit met het 'drukpersmisdrijf' en de deportatie, zoals in: Gazet van Mechelen, 9 juni 1939 naar aanleiding van de herbenoeming van Dessain tot burgemeester, of Het Handelsblad, 9 november 1939. Zie ook B. VANSTEENWEGEN, o.c., p. 96-98. (20) Er werd zelfs een gedenkpenning geslagen, met bijbehorend een verzorgde aankondigingsfolder: Gedenkpenning voor Burgemeester Karel Dessain bij zijn blijde terugkomst te Mechelen uit Duitsche gevangenschap op 26 november 1918. Zie ook: Beknopt verslag der zittingen van den gemeenteraad, 1 december 1918, p. 157-174; Vaderlandsche toespraak, gehouden bij de sluiting der Mechelsche volksvoordrachten op 3 december 1918 door Dr. Maurits Sabbe, [Mechelen], [1918], p. 5-20. (21) Op de stichtingsvergadering waren ruim 500 aanwezigen. Gazet van Mechelen, 12 februari 1919. (22) De populaire Alfons Verbist (1888-1974) was met Van Isacker één van de leiders van de Vlaamsgezinde christen- democratie. Hij was leraar aan de Katholieke Normaalschool (1912-1932) en doctoreerde in de opvoedkunde (1931). Hij aanvaardde pas in 1926 voor het eerst een politiek mandaat, na zijn verkiezing als lijstduwer met het meeste aantal voorkeurstemmen voor de gemeenteraad, en startte bescheiden als Mechels gemeenteraadslid (1927-1938 en 1946- 1959). Hij werd schepen (1933-1938), senator (1932-1939), volksvertegenwoordiger (1939-1961), nationaal partijvoorzitter (1936-1945) en minister (1947-1948). H. DE LANNOY, Verbist, Alphonsus Petrus, Vlaamsgezind katholiek pedagoog, musicoloog en politicus, in Nationaal Biografisch Woordenboek, dl. 12, Brussel, 1987, kol. 766-773. (23) Zie bv. in Gazet van Mechelen, 16 februari 1929. H. DE LANNOY, Vervlaamsing en democratisering van de katholieke partij: de invoering van de standenvertegenwoordiging in het arrondissement Mechelen (1914-1921), in Wetenschappelijke Tijdingen, jg. 44, 1985, nr. 2, p. 95-110. Zie voor de algemene context E. GERARD, De Katholieke Partij in crisis. Partijpolitiek leven in België (1918-1940), Leuven, 1985, p. 102 en 104. (24) De Mechelse progressieven behielden de naam 'Grondwettelijke Associatie' voor hun partij; zoals elders in Vlaanderen werd de term 'christen-democraten' door hen niet gebruikt. Overigens werd later de beginnende christen- democratie dikwijls gelijkgesteld met de christelijke arbeidersbeweging, ten onrechte. De benaming in de huidige betekenis, als 'volksgezinde' actie naar fabrieksarbeiders, maar ook en vooral naar de kleine burgerij, de ambachtslieden en de boeren, zou pas met het Kerstprogramma van 1944 courant in gebruik raken. Zie E. GERARD, Van katholieke partij naar CVP, in Tussen staat en maatschappij (1945-1995). Christen-Democratie in België, Tielt, 1995, p. 15-22. 18
    • (25) Dessain behaalde bij de bestuursverkiezingen 383 stemmen en liet daarmee zelfs de leidersfiguren van de christelijke arbeidersbeweging zoals Alfons Verbist (362 stemmen) achter zich. De conservatieve leider Ortegat werd met slechts 102 stemmen zwaar afgestraft. De kandidatenlijst, mét het aantal stemmen per kandidaat, is bewaard in: PAPIEREN NEEFS, Map Katholieke Vereniging: algemene vergadering, 18 augustus 1919. (26) Gazet van Mechelen, 15 november 1919. Over de scheuring in de partij zijn documenten te vinden in: STADSARCHIEF MECHELEN, Vertrouwelijke en persoonlijke correspondentie van burgemeester Dessain, nrs. 468-480; vooral Correspondentie 1919-1920-1921. (27) Gazet van Mechelen, 29 september 1919. Indien hij aanvaard had, zou dit tot bijkomende problemen aan de top van de partij en met de andere kantons geleid hebben. Alleszins zou het kanton Lier de ongenaakbare 78-jarige Florent Van Cauwenbergh (1841-1923) gesteund hebben als eerste kandidaat voor de burgerij. Deze Lierse notaris (1886-1911) was lid (1870-1894), ondervoorzitter (1885-1889) en voorzitter (1889-1894) van de provincieraad, burgemeester van Lier (1872-1911), volksvertegenwoordiger (1894-1921), gecoöpteerd senator (1921-1923) en arrondissementeel partijvoorzitter. Het hoge aantal voorkeurstemmen voor de kandidaten Van Isacker van het ACW (2.756) en vooral Jules De Keersmaecker van de Boerenbond (ruim 6.642), tegenover het veel kleinere aantal voor Van Cauwenbergh (464) en Dessain (310 voorkeurstemmen) toonde de getaande electorale machtspositie van de gegoede burgerij. (28) Gazet van Mechelen, 12 en 15 augustus 1920. (29) Désiré Bouchery (1888-1944) was redacteur van de Gentse socialistische krant Vooruit (1909-1911), leraar aan de Centrale voor Arbeidsopvoeding (vanaf 1911), directeur en later beheerder van de Vlaamse afdeling van de Arbeidershogeschool te Ukkel (1925-1941), volksvertegenwoordiger (1919-1944), gemeenteraadslid (1921-1944) en minister (1936-1938). (30) Zie over de vete en de delicate positie van Mercier: ARCHIEF AARTSBISDOM MECHELEN-BRUSSEL, Papieren Mercier, nr. 38, Question Flamande en het uitvoerige dossier in nr. 66, Querelle de groupes à Malines. H. DE LANNOY, Vervlaamsing en democratisering van de katholieke partij, in Wetenschappelijke Tijdingen, jg. 44, 1985, nr. 2, p. 95-110, nr. 3, 168-182, en jg. 45, 1986, nr. 1, p. 16-30; H. CROL en H. DE LANNOY, Verleden en heden van de Mechelse CVP. De christen-democratie in het arrondissement Mechelen (1830-1988), Mechelen 1988, p. 27-32. (31) Kiespamflet van de Nationalen: Le réveil. Numéro de propagande. Election communale du 24 avril 1921, in STADSARCHIEF MECHELEN, Varia, nr. 390(3), Map Pamfletten gemeenteraadsverkiezingen 1921. (32) Kiespamflet van de Fronters: Iets voor alle partijen, in STADSARCHIEF MECHELEN, Varia, nr. 390(3), Map Pamfletten gemeenteraadsverkiezingen 1921. (33) De schepenenverkiezing gebeurde nog voor de regeling voor het burgemeesterschap rond was. Een ingewikkeld akkoord achter de schermen voorzag in een herschikking van de schepenambten voor het (onwaarschijnlijke) geval dat een socialist in plaats van Dessain burgemeester zou worden. H. DE LANNOY, Stad op krukken. De “Schepencrisis” te Mechelen van 1923, in Handelingen, dl. 91, 1987, p. 203- 209. Voor de verkiezingsuitslag, zie: Gazet van Mechelen, 28 april 1921. (34) Beknopt verslag der zittingen van den gemeenteraad, 24 juni 1921; H. DE LANNOY, Philip Van Isacker (1884- 1951) en Mechelen, p. 242-243. (35) In zijn biografische gegevens voor een publicatie over alle parlementsleden in 1930, vermeldt hij slechts het lidmaatschap van twee verenigingen: de landbouwcommissie van Mechelen, waarvan hij stichtend lid was, en het beheerscomité voor arbeiderswoningen (Le parlement Belge. 1930, Brussel, [1931], p. 86). (36) De Streekkrant, 10 oktober 1996, p. 1. (37) Gazet van Mechelen, onder andere 21 november 1921, 28 februari en 7 maart 1922, 26 december 1923, 5 februari 1924, 11 januari 1926; zie over het initiatief van ruim één decennium later: Bestuursblad van het Arrondissements Werkersverbond, december 1933. (38) La Nation Belge, 1 oktober 1921. Dessain reageerde scherp op een artikel in dit Belgicistische dagblad, dat alle Vlaamsgezinden als 'néo-activistes' over dezelfde kam scheerde. Volgens hem bestond het 'neo-activisme' enkel in de geesten van hen die belang hadden bij de verdeeldheid van het land. Dessain liet voorzichtigheidshalve zijn ontwerpbrief lezen door enkele getrouwen, die een opgewonden Dessain enigszins intoomden. STADSARCHIEF MECHELEN, Vertrouwelijke en persoonlijke correspondentie van burgemeester Dessain 1919-1921, katholiek schepen Frans Van den Hende aan Dessain, 18 en 25 september 1921. (39) Gazet van Mechelen, 6 december 1921, op de voorpagina. (40) L. DUERLOO en P. JANSSENS, o.c., dl. 1, p. 683: adelbrieven dd. Brussel, 1 mei 1922. (41) La Noblesse Belge, Brussel, 1922, dl. 2, p. 194-195, tegenover Gazet van Mechelen, 6 januari 1923, als plichtbewust verdediger van Dessain. Ook het satirische blad Pourquoi Pas ?, 15 juni 1928, stak de draak met de eretitel. De katholieke pers ontkende alleszins het lidmaatschap van Dessain van genoemde Fransgezinde verenigingen (Zie onder andere: Gazet van Mechelen, 6 januari 1923). (42) Naast Dessain als secretaris-schatbewaarder traden als bestuursleden de Brusselse bankier Baron François Empain en de Mechelse architect Henri Meyns op. Bijlage bij het Belgisch Staatsblad, 27 augustus 1922, nr. 564, p. 799-800. (43) H. DE LANNOY, Stad op krukken, p. 203-209. 19
    • (44) Gazet van Mechelen, 23 en 28 februari en 1 maart 1925. (45) Gazet van Mechelen, 21 juni, 10, 11 en 14 november 1924, 23 februari 1925. (46) Gazet van Mechelen, 14 februari en 8 april 1925. (47) Ditmaal moest Dessain met 599 voorkeurstemmen het afleggen tegen lijstduwer Verbist (638 stemmen). Gazet van Mechelen, 11 en 20 oktober, 1 en 6 november 1926. (48) De kritiek blijkt uit de verslaggeving van Gazet van Mechelen, 11 februari en 1 juni 1929. Anderzijds dankte Verbist in naam van het ACW Dessain "omdat door uw grote zorgen de christen werklieden van ons arrondissement opnieuw hun vertegenwoordiging hebben in het parlement". Dessain had bij de lijstvorming voor de Kamer het ACW gesteund om hun kandidaat Van Isacker als lijstaanvoerder aan te stellen. Ondanks het veel hoger aantal voorkeurstemmen bij vorige verkiezingen, moesten de land- en tuinbouwers met de tweede plaats genoegen nemen; de strijdplaats ging naar een kandidaat van de burgersbond, die nipt verkozen werd. (49) Gazet van Mechelen, 1 juni 1929. De geruchten over zijn aftreden bleven de volgende maanden in onder andere de katholieke krant De Standaard, bv. 17 september 1929, opduiken, maar Gazet van Mechelen bleef ze tegenspreken op 2, 19 en 27 september 1929. (50) Le parlement Belge. 1930, p. 86. (51) Beknopt verslag der zittingen van den gemeenteraad, 14 april 1927; Gazet van Mechelen, 16 april 1927. (52) Ook de leiding van de nationale standsorganisaties werd schriftelijk uitvoerig van deze politieke ommezwaai op de hoogte gehouden (zie ARCHIEF BELGISCHE BOERENBOND, Hoofdbestuur, nr. 149, Map De Belgische Boerenbond en de Vlaamse Beweging, waarnemer van De Boerenbond H. Missoul aan het Hoofdbestuur, 29 januari 1932). Zie ook Gazet van Mechelen, 26 en 30 november, 1 en 2 december 1931 en maanden later het Vlaamsgezinde blad De Klauwaert, 20, 27 februari en 26 november 1932. (53) De motie kreeg heel wat aandacht in de pers. Zie Gazet van Mechelen, 15 juni 1925. (54) E. GERARD, Documenten over de katholieke partijorganisatie in België (1920-'22; 1931-'33), in Bijdragen IUCHG, nr. 91, Leuven, 1981, p. 180-189; PAPIEREN NEEFS, Map Katholieke Vereeniging Mechelen, verslag vergadering 23 april 1932, over de aansluiting van de Mechelse katholieke partij bij de hervormde Katholieke Unie. (55) Gazet van Mechelen, 20 april en 14 juni 1932. (56) Herwig DE LANNOY, De standenvertegenwoordiging in de katholieke partij: Mechelen van 1914 tot 1932-1936, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, Departement Geschiedenis, 1984, p. 258-262. (57) Gazet van Mechelen, 30 juli 1934. (58) Jozef De Ley (1879-1945) was beheerder van sociale werken te Mechelen en werd in 1925 nipt tot senator verkozen, maar raakte in 1929 niet herkozen. Hij werd gemeenteraadslid in 1932, maar greep later dat jaar net naast het mandaat van provinciaal senator. Hij werd vanaf omstreeks 1934 voorzitter van het arrondissementeel Middenstandsverbond. Vlak na de bevrijding was hij korte tijd schepen (1944-1945). (59) Tegen haar gewoonte gaf Gazet van Mechelen, 16 maart 1935, verslag van deze persoonlijke kritiek. Zie de discussie tussen de standsgroeperingen over de positie van het Middenstandsverbond: PAPIEREN NEEFS, map ACW-afdeling Mechelen-stad: briefwisseling vereenigingen, onder andere een 'dagorde' van het politiek comité van de 'Georganiseerde Kristen Middenstand', 28 januari 1933, een scherpe reactie tegen het ACW. (60) De Standaard, 4 februari 1938; Herwig DE LANNOY, Flirten met extreem-rechts. De Mechelse katholieken tegenover het Vlaams-nationalisme en de Nieuwe Orde (1914-1948), in Handelingen, dl. 100, 1996, afl. 1, p. 232; ID., De standenvertegenwoordiging in de katholieke partij, p. 279-289. (61) Gazet van Mechelen, 20 december 1936 over de zitting van 17 december. (62) De KVV zond vijf gemandateerden: partijvoorzitter advocaat Louis Nobels, ACW-voorzitter Cyriel Neefs, voorzitter van het Verbond der Burgers en Vrije Beroepen notaris Jozef De Marré, voorzitter van de Boerengilde Mechelen-Zuid tuinder Alfons Buts, en KVV-propagandaleider en ACW-secretaris Edward Clottens. Hoewel de standenvertegenwoordiging in theorie afgeschaft was, blijkt elke standsgroepering vertegenwoordigd te zijn (indien men Nobels en De Marré beschouwt als vertegenwoordigers van de burgerij en de middenstand samen). Het VNV vaardigde onder andere de bekende letterkundige Filip de Pillecyn (1891-1962) af. Achter de schermen forceerde Alfons Verbist, ACW-er en op dat moment nationaal KVV-voorzitter, een akkoord. (63) De nationale ACW-top gaf een negatief advies, maar plaatselijke ACW-leiders zoals radicaal flamingant en ACW- secretaris Edward Clottens waren mee de architecten van het akkoord en verdedigden het met vuur en vlam. Herwig DE LANNOY, Flirten met extreem-rechts, p. 232-234. (64) Gazet van Mechelen, 18 en 19 oktober 1938; S. DEBOOSERE, Mechelen in de Tweede Wereldoorlog, Tielt, 1990, p. 16-17. (65) Advocaat Oscar Vankesbeeck (1886-1943) was vanaf 1905 speler en daarna voorzitter van voetbalclub Racing Mechelen, werd delegatieleider van het nationale elftal bij het eerste wereldkampioenschap voetbal in 1930, en bracht het tot nationaal voorzitter van de Belgische Voetbalbond (1937-1943). Hij was liberaal volksvertegenwoordiger van 1932 tot 1936. D. GEUENS, Van vernielde Pallieterstad naar verzuilde Zimmerstad. Het culturele leven in Lier in het interbellum, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, Departement Geschiedenis, 2002, begin van hoofdstuk 4. De verhandeling kan geraadpleegd worden op http://www.ethesis.net, maar zonder paginering. (66) De Blauwe Vlag. Orgaan der Vereenigde Liberalen van het arrondissement Mechelen, 17 december 1939. (67) Gazet van Mechelen, 30 juni, 27 juli en 26 november en 14 december 1938; De Blauwe Vlag, 20 mei, 17 juni, 3 en 17 december 1939; Herwig DE LANNOY, Flirten met extreem-rechts, p. 235-236. 20
    • (68) Gazet van Mechelen, 20 april 1939; Herwig DE LANNOY, Flirten met extreem-rechts, p. 236; S. DEBOOSERE, Mechelen in de Tweede Wereldoorlog, p. 18-21. (69) Herwig DE LANNOY, Flirten met extreem-rechts, p. 236. (70) Gazet van Mechelen, 7 maart 1940 over de Senaatszitting van 5 maart. (71) De 'gestolen' Gazet van Mechelen verscheen vanaf 1 januari 1941 onder dezelfde titel als het vooroorlogse dagblad, maar met een andere door de Duitsers gecontroleerde redactie. S. DEBOOSERE, Mechelen in de Tweede Wereldoorlog, p. 42 en 48; ID., Het Mechelse oorlogsverhaal (1938-1946). Het leven in een stad om en rond de Tweede Wereldoorlog, onuitgegeven licentiaatsverhandeling, Katholieke Universiteit Leuven, Departement Geschiedenis, 1989, p. 103. (72) Het eerste slachtoffer was de socialistische fractieleider en gewezen minister Désiré Bouchery. De georganiseerde VNV-haatcampagne in Vlaanderen en in Mechelen wordt duidelijk in kaart gebracht in de lijvige studie van N. WOUTERS, Oorlogsburgemeesters 40/44. Lokaal bestuur en collaboratie in België, Tielt, 2004, p. 93 en 179. (73) Cyriel Neefs (1899-1976) was vakleraar aan de Technische Scholen Mechelen (vanaf 1919), verantwoordelijke van de Centrale voor Volksverzekeringen, later DVV (vanaf 1930), gemeenteraadslid (74) Beiden kwamen op 8 juli 1941 vrij. STADSARCHIEF MECHELEN, Varia nr. 152, De oorlog 1940-1944 in de stad Mechelen. [Mechelen], [juni 1947], p. 16-17; het betreft een onuitgegeven kroniek van 40 p., opgesteld ingevolge een vragenlijst van het Provinciebestuur. S. DEBOOSERE, Mechelen in de Tweede Wereldoorlog, p. 46. (75) Zo had Baeck zich op 16 juni 1943 voor de Onderlinge Maatschappij als beheerder in de plaats van Dessain door het Collega van Burgemeester en Schepenen laten voordragen. Blijkbaar heeft Dessain ondanks de zware druk geweigerd plaats te ruimen. Baeck (° 1905) vluchtte in 1944 naar Zuid-Amerika en werd in juni 1946 bij verstek ter dood veroordeeld; hij overleed in zijn ballingsoord (jaartal is ons onbekend). Register der processen-verbaal van het Collega van Burgemeester en Schepenen der Stad Mechelen, 16 juni 1943. (76) PAPIEREN NEEFS, Map Nationaal Steunfonds voor Geteisterden, Voorzitter van het Steunfonds voor de Geteisterden Charles De Schepper aan Alfons Verbist, 21 november 1946 (77) Zie STADSARCHIEF MECHELEN, Varia, nr. 390, map Pamfletten gemeenteraadsverkiezingen en parlementsverkiezingen 1946, zoals: 1 voor allen, allen voor 1. Kiesblad van de Socialistische Partij voor de gemeenteverkiezingen van 24 november 1946, nr. 2, november 1946. (78) Spinoy verving de zieke Bouchery. Deze kampte sinds zijn gevangenschap in het Fort van Breendonk met ernstige gezondheidsproblemen. Zie het relaas van het socialistische gemeenteraadslid Jozef Verbert, in Beknopt verslag der vergaderingen van den gemeenteraad, 1 juni 1945, p. 117-123. (79) Op de begrafenis op 9 september 1944 waren onder andere gouverneur Holvoet en gewezen minister Philip Van Isacker aanwezig. De absouten werden door kardinaal Van Roey gezongen. De befaamde Baron Flor Peeters zat aan het orgel en de zang werd verzorgd door het Sint-Romboutskoor onder leiding van Kanunnik Van Nuffel. De bijzetting had plaats in het familiegraf te Hofstade. Beknopt verslag der zittingen van den gemeenteraad, 1 juni 1945, p. 117-124; F.A. BERLEMONT, Mechelse kronieken van het jaar 1 tot 1945, Brussel, 1975, p. 405-406 (met meer bijzonderheden over de omstandigheden van het overlijden), S. DEBOOSERE, Mechelen in de Tweede Wereldoorlog, p. 113. (80) De 69-jarige katholieke schepen tot 1941 en gewezen volksvertegenwoordiger Jan Schaepherders (1876-1946) kwam als eerste schepen in aanmerking voor de functie van waarnemend burgemeester, maar weigerde om gezondheidsredenen; hij overleed twee jaar later. (81) Register der processen-verbaal van het College van Burgemeester en Schepenen der stad Mechelen, 5, 11, 13, 18 en 19 september, 21 december 1944; Beknopt verslag der zittingen van den gemeenteraad, 7 november 1944, p. 2 en 1 juni 1945, p. 120-124. (82) K. CAMPS, De Vlaamse Beweging in Mechelen (1945-1970), Katholieke Universiteit Leuven, Departement Geschiedenis, 2002, p. 11-16; zie ook het artikel over hetzelfde thema in dit jaarboek. (83) Spinoy werd later minister (1954-1958 en 1961-1965), vice-eerste minister (1965-1966) en Minister van Staat (1966). Beknopt verslag der vergaderingen van den gemeenteraad, 2 februari en 31 augustus 1945; S. DEBOOSERE, Mechelen in de Tweede Wereldoorlog, p. 120-123. (84) Herwig DE LANNOY, Flirten met extreem-rechts, p. 237-239. (85) Emiel Van Hamme was gemeenteraadslid (vanaf 1932) en burgemeester (1934-1976) van Duffel. Hij had Philip Van Isacker gedurende enkele maanden als volksvertegenwoordiger opgevolgd na diens ontslag eind 1938, maar werd in 1939 net niet herkozen. Hij volgde Dessain in de Senaat op tot aan zijn verkiezing in 1946 als volksvertegenwoordiger, een mandaat dat hij tot 1968 waarnam. (86) Gazet van Mechelen, 20 mei 1945. Eric Dessain (1895-1944) stond mee aan de leiding van de firma H. Dessain. Zijn weduwe mocht zich bij Koninklijk Besluit dd. 10 december 1959 barones Dessain noemen. (87) Beknopt verslag der vergaderingen van den gemeenteraad, 11 september 1944. (88) Al deze thema's kwamen ook aan bod in de beleidsverklaringen en in de partijprogramma's bij de verkiezingen. Zie onder andere Gazet van Mechelen, respectievelijk 1 januari 1927 en 23 augustus 1932. 21
    • 22