Uploaded on

TWEE ALTAARSCHILDERIJEN VAN DE KERK VAN GIJZEGEM …

TWEE ALTAARSCHILDERIJEN VAN DE KERK VAN GIJZEGEM

De kunstenaar

De twee altaarschilderijen van de kerk van Gijzegem (stad Aalst) die momenteel het voorwerp uitmaken van een restauratiebehandeling stellen respectievelijk “De hemelvaart van Maria” en “Sint-Rochus en de pestlijders” voor.

In een bijdrage over “De Sint-Martinuskerk van Gijzegem” wordt hierbij vermeld dat zij beide werden besteld “bij de Mechelse schilder Daniël Herreyns”, het eerste in 1774 en het tweede in 1783. In de “Gids voor Vlaanderen” (VTB-VAB), uitgave 1985 (blz 10) wordt eveneens Daniël Herreyns als auteur van deze werken aangegeven.

Dat het om 18de eeuwse werken gaat laat geen twijfel: stilistisch zijn beide werken te situeren in de tweede helft van de 18de eeuw. Wat de toeschrijving aan de schilder Daniël Herreyns betreft stellen wij ons de vraag op welke grond dit gebeurde.

De schildersfamilie Herreyns (of Herreijns), waarvan de stamboom teruggaat tot in de eerste helft van de 17de eeuw heeft heel wat kunstenaars in de 17de en 18de eeuw opgeleverd. Toch hebben wij onze twijfel of het hier wel om Daniël Herreyns gaat. Op grond van de stamboom die wij van de familie opmaakten (zie hierna) en het feit dat de schilderijen besteld werden in Mechelen zouden wij eerder opteren voor de schilder Willem-Jacob Herreyns die in de periode waarin de schilderijen tot stand kwamen in Mechelen gevestigd was.

De veronderstelling dat het hier om (één van de vele) Daniël Herreyns zou gaan vloeit waarschijnlijk voort uit de verkeerde lezing van de handtekening onderaan het werk, waarbij de G (van Guillaume = Willem) als D werd geïnterpreteerd. Deze schilder droeg inderdaad de voornaam Guillaume en niet Willem zoals hij nu gemeenlijk wordt genoemd.

De periode waarin de werken in Mechelen werden besteld komt overigens overeen met de periode waarin Willem-Jacob Herreyns in Mechelen woonachtig was.

Deze schilderijen zijn geïnventariseerd in het Koninklijk Instituut van het Kunstpatrimonium (KIK), en worden er vermeld onder de naam van Willem-Jacob Herreyn, zodat alle twijfel omtrent het auteurschap van deze schilderijen kan worden weggenomen.

Zoals alle leden van de Herreyns familie was deze Willem-Jacob (Guillaume) uit Antwerpen afkomstig. Hij werd er geboren op 10 juni 1743 als zoon van de decoratieschilder Jacob III Herreyns (zie stamboom hierna). Hij zal overigens in deze stad ook overlijden op 10 augustus 1827.

Willem-Jacob volgde les aan de Antwerpse Academie waar hij ondermeer leerling was van Balthasar Beschey ((1708-1776), die als historieschilder en schilder van religieuze taferelen de Rubensiaanse traditie voortzette. Deze traditie zal ook een groot deel van het werk van Willem-Jacob Herreyns kenmerken.

De jonge schilder behaalt in 1764 de eerste prijs voor schilderen naar levend model aan de Antwerpse Academie en wordt het jaar daarop reeds professor aan deze Academie als opvolger van Andreas Lens (1739-1822), die eveneens

More in: Education
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
    Be the first to like this
No Downloads

Views

Total Views
186
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0

Actions

Shares
Downloads
1
Comments
0
Likes
0

Embeds 0

No embeds

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1. TWEE ALTAARSCHILDERIJEN VAN DE KERK VAN GIJZEGEMDe kunstenaarDe twee altaarschilderijen van de kerk van Gijzegem (stad Aalst) die momenteel het voorwerpuitmaken van een restauratiebehandeling stellen respectievelijk “De hemelvaart van Maria” en “Sint-Rochus en de pestlijders” voor.In een bijdrage over “De Sint-Martinuskerk van Gijzegem” wordt hierbij vermeld dat zij beide werdenbesteld “bij de Mechelse schilder Daniël Herreyns”, het eerste in 1774 en het tweede in 1783. In de“Gids voor Vlaanderen” (VTB-VAB), uitgave 1985 (blz 10) wordt eveneens Daniël Herreyns als auteurvan deze werken aangegeven.Dat het om 18deeeuwse werken gaat laat geen twijfel: stilistisch zijn beide werken te situeren in detweede helft van de 18deeeuw. Wat de toeschrijving aan de schilder Daniël Herreyns betreft stellenwij ons de vraag op welke grond dit gebeurde.De schildersfamilie Herreyns (of Herreijns), waarvan de stamboom teruggaat tot in de eerste helftvan de 17deeeuw heeft heel wat kunstenaars in de 17deen 18deeeuw opgeleverd. Toch hebben wijonze twijfel of het hier wel om Daniël Herreyns gaat. Op grond van de stamboom die wij van defamilie opmaakten (zie hierna) en het feit dat de schilderijen besteld werden in Mechelen zouden wijeerder opteren voor de schilder Willem-Jacob Herreyns die in de periode waarin de schilderijen totstand kwamen in Mechelen gevestigd was.De veronderstelling dat het hier om (één van de vele) Daniël Herreyns zou gaan vloeit waarschijnlijkvoort uit de verkeerde lezing van de handtekening onderaan het werk, waarbij de G (van Guillaume =Willem) als D werd geïnterpreteerd. Deze schilder droeg inderdaad de voornaam Guillaume en nietWillem zoals hij nu gemeenlijk wordt genoemd.De periode waarin de werken in Mechelen werden besteld komt overigens overeen met de periodewaarin Willem-Jacob Herreyns in Mechelen woonachtig was.Deze schilderijen zijn geïnventariseerd in het Koninklijk Instituut van het Kunstpatrimonium (KIK), enworden er vermeld onder de naam van Willem-Jacob Herreyn, zodat alle twijfel omtrent hetauteurschap van deze schilderijen kan worden weggenomen.Zoals alle leden van de Herreyns familie was deze Willem-Jacob (Guillaume) uit Antwerpenafkomstig. Hij werd er geboren op 10 juni 1743 als zoon van de decoratieschilder Jacob III Herreyns(zie stamboom hierna). Hij zal overigens in deze stad ook overlijden op 10 augustus 1827.Willem-Jacob volgde les aan de Antwerpse Academie waar hij ondermeer leerling was van BalthasarBeschey ((1708-1776), die als historieschilder en schilder van religieuze taferelen de Rubensiaansetraditie voortzette. Deze traditie zal ook een groot deel van het werk van Willem-Jacob Herreynskenmerken.De jonge schilder behaalt in 1764 de eerste prijs voor schilderen naar levend model aan deAntwerpse Academie en wordt het jaar daarop reeds professor aan deze Academie als opvolger vanAndreas Lens (1739-1822), die eveneens leerling bij Balthasar Beschey was geweest (Lens werd in1764 schilder aan het Hof van Karel van Lorreinen in Brussel).Tussen 1767 en 1771 trok hij, naar aloude traditie, op reis om zich als schilder verder te bekwamen.
  • 2. Niet lang daarna vestigde hij zich te Mechelen, huwde er en werd er nadien aangesteld als directeurvan de pas opgerichte tekenschool. Op 13 november 1773 krijgt deze school de titel van “Academievan beeldende kunsten”, onder protectie van Karel van Lorreinen.Als directeur van deze kunstacademie coördineert Herreyns de festiviteiten ter gelegenheid van 1000jaar SintRombouts waarbij hij voor een groot deel zijn inspiratie haalt bij de praalstoeten die doorPieter-Paul Rubens meer dan een eeuw voordien werden ontworpen.Dat Herreyns, naast het directeurschap, ook een actieve schilder was en hiermede zijn naam en faamvestigde moge blijken uit de vele opdrachten die hij kreeg van abdijen en kerken. Zo schilderde hijportretten van de abten van de Sint-Michielsabdij te Antwerpen (abt Marcellus de Vos - 1771), vande abdij van Tongerlo (abt Godfried Hermans - 1793), van de abdij van Averbode, voor de Sint-Bernardusabdij. Voor de hoger vermelde Sint-Michielsabdij schildert hij ook een “Opdracht in detempel” in 1780 (nu in de Sint-Fredeganduskerk te Deurne). Ook kreeg hij voor kerken in hetMechelse ( zo “De Emmaüsgangers voor de Sint-Janskerk in 1793). Eén van de aartsbisschoppenbestelde bij hem zijn portret en daarnaast schilderde hij heel wat portretten (cfr portretten van JozefGhesquière en Jacob de Bue, beide uit 1793).In 1780 ontvangt hij de (ere)titel van Hofschilder van Koning Gustav III van Zweden, nadat deze eenwerk van hem gezien had in de Sint-Michielsabdij (zie hoger). Ondanks deze ronkende titel gingHerreyns echter nooit naar Zweden. Dat deze eretitel meehielp zijn roem te bevestigen moge blijkenaan een paar huldedichten die wij in het stadarchief van Mechelen vonden (zie hierna).Het jaar daarop bezocht de keizer Jozef II hem in zijn atelier waar hij “De eed van Hannibal”bewonderde. Bij die gelegenheid schilderde Herreyns ook een portret van de keizer (Mechelenbewaart nu nog twee portretten van Jozef II die door Herreyns zijn geschilderd).Zijn faam bleef echter niet alleen tot Mechelen en het Antwerpse beperkt. In 1783 krijgt hij eenaanbod van de Brusselse academie. Ondanks de riante wedde die hem werd aangeboden (1.800gulden per jaar) blijft hij toch in Mechelen, doch hij bekomt wel een weddeverhoging met 350 guldenper jaar die bovenop zijn eerder karig jaarloon van 200 à 300 gulden komt. Wellicht zijn de veleplaatselijke -goed opbrengende- opdrachten voor hem een reden om de voorkeur aan Mechelen tegeven boven het voor hem onbekende Brussel, waarbij hij wellicht moet rekening houden met heelwat concurrentie (en intriges) waarvoor hij in Mechelen niet hoeft te vrezen.De twee schilderijen uit de kerk van Gijzegem dateren precies uit de glorieperiode van Willem-JacobHerreyns in Mechelen. Qua stijl en opzet vertonen zij veel verwantschap met het later geschilderde“De Emmaüsgangers” in de Sint-Janskerk in Mechelen.Herreyns zal pas na de Franse bezetting in 1797 naar Antwerpen terugkeren, waar hij benoemdwordt tot directeur van de academie (“Ecole Spéciale). In die functie zetelt hij ook in de commissiedie moet bepalen welke aangeslagen kunstwerken naar Parijs dienen te vertrekken om daar hetLouvre en andere musea op te smukken en welke werken ter plaatse kunnen blijven als“studiemateriaal”. Zo kon hij verhinderen dat 328 schilderijen op transport naar Parijs werden gezet(de Franse musea zijn volgestouwd met geroofd kunstbezit uit de Nederlanden). Bovendien ijvert hijvoor de teruggave van twee schilderijen van P.P. Rubens (“Maria met papagaai” en “Maria omgevendoor Engelen”). In 1810 kreeg hij van Napoleon toelating om in het voormaligeminderbroederklooster een museum in te richten.Tijdens zijn Antwerpse tijd zal hij zich toeleggen op het portret (de religieuze opdrachten vallenonder de revolutionaire bezetting weg). Toch is één van zijn laatste werken religieus: “deEmmaüsgangers” (1808) dat hij schilderde voor de Onze-Lieve-Vrouwkerk van Antwerpen. Als
  • 3. directeur van de academie zal hij onder andere Gustaaf Wappers en Antoine Wierts als leerlinghebben.In Mechelen wordt een straat naar hem genoemd.Van Willem-Jacob Herreyns bestaat een portret uit 1825 geschilderd door Frans-Marcus Smits.De altaarschilderijen in GijzegemDe twee werken in de kerk van Gijzegem dateren uit de periode waarin Willem (Guillaume) Herreynsdirecteur was van de academie van Mechelen. Hij was op dat ogenblik reeds -gezien zijn talrijkeopdrachten waarover hiervoren sprake- een gekend en gevierd schilder.Het eerste werk uit 1774 beeldt “De Hemelvaart van Maria” uit. Het is een thema dat vanaf de 16deeeuw uit Italië is overgewaaid naar onze gewesten en dat vooral in de 17deeeuw veelvuldig aan bodkomt. Reeds in de vroege 16deeeuw schilderde Titiaan een dergelijke “Hemelvaart”. Bij ons moetmen langer wachten. Zo zal Rubens ook een “Hemelvaart van Maria” schilderen.Het thema is ontleend aan een aantal apocriefe evangelies en specifiek aan het “Liber deAssumptione B.M.V.”, waarin beschreven wordt hoe Maria met lichaam en ziel verenigd wordt methaar zoon. In ditzelfde boek wordt ook het overlijden (de “dormitio”: het inslapen) van Mariaverhaald, waarbij de apostelen op wonderbare wijze allen naar Efese worden gebracht om aanwezigte zijn bij het “ontslapen” van de moeder van Jezus (dit thema komt ook bij ons wel aan bod in de15deeeuw; als voorbeeld hiervan kan het werk van Hugo van der Goes in het Groeninge Museum teBrugge worden aangehaald).In het werk van Herreyns wordt Maria door drie engelen ten hemel opgevaren, terwijl beneden detwaalf apostelen hetzij vol verwondering naar de lege sarcofaag kijken hetzij het schouwspel bovenhen onbegrijpend gade slaan.Het geheel is vol zwier en beweging geschilderd in de beste Rubensiaanse traditie. Het plooienspelvan kleding en het overhangend witte doek van het graf laten toe de virtuositeit van de schilder tebewonderen. Dat alles –daar zijn wij zeker van- in schitterend warme kleuren. Deze zullen echtermaar blijken nadat het doek een grondige opfrissing en restauratie gekregen heeft.Wat in dit tafereel echter opvalt zijn de middelste figuren die rond het graf geplaatst zijn: eenzittende vrouw en een jong meisje met een rechtstaande jonge man die naar die twee voorgaandefiguren kijkt. Geen van de drie heeft oog voor de wonderbaarlijke gebeurtenis die zich boven hen aanhet afspelen is. Geen van hen kijkt evenmin naar de lege tombe. Heel het spektakel gaat aan henvoorbij. De vrouw heeft kennelijk alleen oog voor het jonge meisje, dat zelf naar de toeschouwerkijkt, terwijl de jonge man enkel naar deze twee kiekt en een lichte buiging naar hen maakt.De vrouwen zijn gekleed volgens de mode van die tijd (de vrouw zeer modieus, het meisjeeenvoudiger), de jonge man heeft eerder een tijdloze tuniek aan. Wellicht gaat het hier omportretten van verwanten van de schenker (de heer van Gijzegem) die door de schildergeportretteerd zijn. Zijn het de vrouw, de dochter of de zoon van deze schenker?Het is maar een veronderstelling. Enkel documentair materiaal (archivalia, schilderijen of gravuresmet afbeeldingen van familieleden van de heer van Gijzegem) kan een verantwoord antwoord opdeze veronderstelling geven. Een eerste stap kan reeds zijn te weten hoe oud vrouw en of deze heerkinderen had en hoe oud deze kinderen waren op het ogenblik dat het schilderij is tot stand
  • 4. gekomen. Wellicht duiken er ook portretten van deze personages op. Zolang dit niet het geval is,blijft het enkel een voorzichtige veronderstelling die enkel gebaseerd is op de houding van dezepersonen die zich door hun houding niet betrokken voelen bij het echte thema van het schilderij.Het tweede schilderij –uit 1783- stelt “Sint-Rochus en de pestlijders” voor. Het is een thema dat in deschilderkunst niet zoveel voorkomt. Sint-Rochus vinden veel meer terug als beeld.Rochus is één van de veertien pestheiligen. Hij wordt aanroepen tegen pest (gedurende eeuwen eenvreselijke ziekte), puisten, zweren, schurft en voetpijn. Hij werd wellicht omstreeks 1295 inMontpellier (Zuid-Frankrijk) geboren. Hij schonk zijn bezit weg en werd kluizenaar. Hij ondernam eenbedevaart naar Rome waar hij de slachtoffers van de pest verzorgde. Op zijn terugweg werd hijdodelijk ziek, doch hij werd op wonderbaarlijke wijze genezen door een engel. In 1327 kwam hij,beschuldigd van spionage, in de gevangenis van Montpellier terecht.Meestal wordt Rochus afgebeeld als pelgrim met pelgrimsstaf, kalebas en een reistas. Op hoed en/ofmantel staat vaak een Sint-Jacobsschelp. Op zijn ontblote dij is dan gewoonlijk een (bloedende)pestbuil te zien. Soms is hij vergezeld door een hond (die zijn wonde likt), soms is hij ook te zien meteen engel (cfr wonderbaarlijke genezing).Naast zijn aanroepingen tegen pest en huidziekten is hij onder andere patroon van reizigers (cfr zijnaanroeping tegen voetpijn!), pelgrims, apothekers, chirurgen en… grafdelvers. Zijn feestdag valt op16 augustus (de dag na Onze-Lieve-Vrouw Hemelvaart).Het voorkomen van een schilderij met Rochus als thema in de kerk van Gijzegem is niet zoverwonderlijk. De kerk bezit reeds een vroeg 18deeeuws gesneden devotiebeeld van de heiligeRochus wat wijst op een plaatselijke verering van deze heilige.Meer ongewoon is de voorstelling die hier van Rochus gemaakt wordt. Het is niet meer de pelgrimdie voorgesteld wordt maar de heilige die, in gezelschap van twee engelen, vanuit de hemel soelaasbrengt aan de aardse stervelingen die tot hem een smeekbede richten. Vooraan zit een halfontkledeoude bebaarde man, die doet denken aan de man Job uit het Oude Testament, die overdekt metzweren en gezeten op een mesthoop, volledig geneest en terug zijn gezondheid (en welstand)verwerft door zich tot God te keren.De boodschap tot de pelgrims is duidelijk: keer u tot God en, zoals het ook is gebeurd met Rochus dieop wonderbaarlijke wijze door engelen werd genezen, zo ook kan dit met u gebeuren.Voor de uitwerking van dit thema heeft Herreyns zijn inspiratie gehaald bij andere thema’s uit deschilderkunst: er werd reeds gewezen op het thema van de man Job bij de groep pelgrims vooraan.Voor de afbeelding van Rochus heeft hij beroep gedaan op thema’s als de Hemelvaart van Mariawaarbij meestal ook engelen worden afgebeeld (bij de Hemelvaart van Christus komen geen engelenvan pas).Het schilderij zelf valt op door de leegheid van de achtergrond.Hoger werd reeds gewezen op de verwantschap van beide werken met het schilderij van de Sint-Janskerk te Mechelen.
  • 5. Beknopte stamboom van de schildersfamilie Herreyns (Herreijns)HERREYNS Daniël (1)- werkzaam in Antwerpen- vermeld in 1643 bij de doop van zijn zoon- 1678 bij de doop van zijn kleinzoon- van hem zijn vier gravures bekendHERREYNS Jacob (2)- geboren in Antwerpen- zoon van (1)- gedoopt op 23 december 1643- gestorven op 1 januari 1732- 1676-1677: aanvaard als meester in de Antwerpse Sint-Lucasgilde- muntmeester van Brabant- schilderde altaarschilderijen voor Antwerpse kerken- schilderde ook figuren in het werk van Jan Karel van de Cruys- ontwierp ook kartons voor tapijten met historische voorstellingen- gravures met meestal mythische voorstellingen- vader van Daniël (3a) en van Jacob (3b)HERREYNS Daniël (3a)- zoon van (2); kleinzoon van (1)- geboren in 1678- waarschijnlijk doofstom- schilder en graveurHERREYNS Jacob (3b)- zoon van (2); kleinzoon van (1)- geboren te Antwerpen, waarschijnlijk voor 25 augustus 1678- overleden in Antwerpen in 1723HERREYNS Jacob (4a)- zoon van (3b)- geboren in Antwerpen- actief o.a. in 1758/59- schilder-decorateur- schilderde het plafond van de Sint-Jacobskerk in AntwerpenHERREYNS Daniël (4b)- zoon van (3b)- werkzaam in Antwerpen- beeldhouwer- meester in 1751- maakte o.a. beelden voor de nieuwbouw van het Plantin-Moretushuis
  • 6. HERREYNS Willem-Jacob (5)- zoon van decoratieschilder Jacob (4a)- geboren te Antwerpen op 10 juni 1743- gestorven te Antwerpen op 10 augustus 1827- gebruikte zelf de naam Guillaume- was vanaf 1773 directeur van de tekenschol (later academie voor beeldende kunsten) vanMechelen- wordt geroemd als meesterlijk colorist- zijn religieus werk ligt in de traditie van Rubens- schilderde na zijn terugkeer naar Antwerpen (1804) voornamelijk portretten (uitzondering:“de Emmaüsgangers” voor de Onze-Lieve-Vrouwkerk te Antwerpen uit 1808; religieus werkwas weer mogelijk na het concordaat met de Paus).Nota BeneDe cijfers achter de namen hebben wij gegeven om gemakkelijk de verwantschap van deachtereenvolgende generaties te kunnen opvolgen.In de literatuur wordt vanaf de 19deeeuw achter de voornamen van verschillende onder hen eenRomeins cijfer toegevoegd. Soms is dit wel verwarrend. Met betrekking tot de voornaam Daniëlbeginnen sommige bij de stamvader zodat men komt tot Daniël I, Daniël II en Daniël III; andereauteurs beginnen pas te tellen vanaf de kleinzoon, geboren in 1678 (hiervoren aangeduid als 3a),zodat men het enkel heeft over Daniël I en Daniël II. Ook voor de voornaam Jacob komt men zo tot III.Met betrekking tot de altaarstukken van de kerk van Gijzegem werd verondersteld dat het ging omwerk van Daniël III. Deze was evenwel als beeldhouwer werkzaam in Antwerpen (en werd nooit inMechelen vermeld) zodat deze schilderijen moeilijk van zijn hand kunnen zijn. Daniël II (geboren in1678), waarvan men overigens weinig weet, komt vanzelfsprekend niet in aanmerking. Anderzijdshebben wij geen weet van een mogelijke zoon van Willem-Jacob met de naam Daniël (wordt nergensvermeld).Lofdicht op Willem (Guillaume) HerreynsAen den konst-rijken heerMijnheer G: HerreynsHistorie-schilder van sijneMajesteyt Gustavus den IIIKoning van SwedenVolgeestigen Herreyns wie zal zoo stout zich noemenUw meesterlijke konst beopnamelijk te roemenDen aenleg het bewerp, d’uytdrukking des gemoedsDe kleuren, evenmaet, den wonderlijken toets,Het donker met het licht, het sacht gepaert met sterkteEn d’overeenkomst, die den kender daer in merkteZijn heden weerd beloont door koninglyke gaev’Bekragt door eyen hand en zegel van Gustaev’K’ laet dan een stouter Penn’ uw Lofs verkondiging meldenIn t’ treffen der Natuer, en ’t leven van uw BeldenDe vriendschap vult mijn hert, beneemt de geest de wil
  • 7. En daer den Koning spreekt is’t best te swygen stilDoor synen waeren vriendJ:B:RHoewel dit gedicht niet gedateerd is, werd het zonder twijfel geschreven ter gelegenheid van debenoeming van Willem-Jacob Herreyns tot hofschilder van Koning Gustav III van Zweden in 1780. Deauteur J.B. R(eymenand) bezingt in een ander dichtstuk de schilder De Cort die eveneens eenlofdicht op Herreyns had gemaakt.De titel van dit ander gedicht luidt als volgt:Aen Myn Heer De Cort,schilder van syne Alder-Christelykste Majesteyt, envan syne HOOGHEYT den Prince van Condéover syn dicht opgedraegen aen Myn heerG. Herreynsschilder van Gustaev’ den III, koning van Sweden………………………………….door uwen Ootmoedigen Dienaer J.B.R.Het gedicht verwijst ongetwijfeld naar de schilder Hendrik De Cort ( geboren te Antwerpen in 1742en gestorven in Londen in 1810). Deze was dus een tijdgenoot van Willem Herreyns. Hendrik De Cortwerd in 1774 benoemd tot schilder van aartshertog Maximiliaan (daarom de verwijzing naar ‘schildervan zijn aller christelijkste majesteit’ ) en in 1776 tot schilder van de prins van Condé.Noteer dat telkens wordt gesproken van G. (en niet W.) HerreynsLectuurWie wat mee wil weten over Willem-Jacob Herreyns kan ondermeer de hiernavolgende werkenraadplegen.Benezit (algemene biografie van kunstenaars), zie onder HerreynsAlgemeines künstler Lexikon – De Gruiter, zie onder HerreynsBiographie nationale, Académie royale des sciences, des lettres et des beaux-arts, tome 9, Brussel1886-87G.A. De Wilde: “De betekenis van W. Herreyns” in Handelingen van het 4decongres van AlgemeeneKunstgeschiedenis”, Gent, 1938, blz. 53-56Leyssens I: “Herreyns en de Koninklijke Academie voor beeldende kunsten in “Handelingen van deKoninklijke Kring van oudheidkunde, letteren en kunstgeschiedenis van Mechelen”, XXXXVIII, 1943-1944, blz. 31-74P. Andries: “Geschiedenis van de Academie van beeldende kunsten 1771-1925 en van “L’Institut desBeaux-Arts 1838-1892”, Gent, 1973Emmanuel Neefs: “Histoire de la peinture et de la sculpture à Malines”, tome I, Gent, 1878(voornamelijk tussen bladzijde 50 en bladzijde 71)Paul Huvenne: “Willem Jacob Herreyns (1743 – 1827). Een monografische benadering”, een nietuitgegeven licentiaatverhandeling in twee delen, Leuven, 1998Paul Huvenne: “Portret van Godfried Hermans”, artikel betreffende de restauratie van dit schilderijR. Leclercq en Frederik Cnockaert Wervik 2011