Checklist Jeugdwet

  • 733 views
Uploaded on

Wat staat er in de Jeugdwet? Aan welke eisen moeten gemeenten en aanbieders voldoen? Wie is waar verantwoordelijk voor? Ik heb de belangrijkste punten uit de wet verwerkt in een checklist. Dit …

Wat staat er in de Jeugdwet? Aan welke eisen moeten gemeenten en aanbieders voldoen? Wie is waar verantwoordelijk voor? Ik heb de belangrijkste punten uit de wet verwerkt in een checklist. Dit document helpt u het voorgenomen beleid te toetsen aan de wettelijke minimumeisen.

  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
    Be the first to like this
No Downloads

Views

Total Views
733
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0

Actions

Shares
Downloads
17
Comments
0
Likes
0

Embeds 0

No embeds

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 1 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Introductie Over minder dan 513 dagen krijgen gemeenten de bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheid voor alle vormen van jeugdhulp. De decentralisatie van de zorg en ondersteuning voor jeugdigen en ouders moet op 1 januari 2015 een feit zijn en wordt geregeld in de Jeugdwet. Op 1 juli 2013 hebben staatssecretaris Van Rijn (Volksgezondheid, Welzijn en Sport) en staatssecretaris Teeven (Veiligheid en Justitie) het wetsvoorstel Jeugdwet aangeboden aan de Tweede Kamer. Vanaf september 2013 start de parlementaire behandeling. Doel van de checklist? In deze checklist brengen wij per hoofdstuk en artikel uit de Jeugdwet in beeld:  wat moet er georganiseerd worden?  wat zegt de wettekst?  wat zegt de memorie van toelichting?  welke partijen dienen actie te ondernemen?  vindt verdere uitwerking plaats in een algemene maatregel van bestuur (AMVB)? Bovendien hebben wij per artikel een eerste (beperkte) aanzet gedaan voor aandachtspunten bij de verdere uitwerking. In de loop van 2013 zullen wij dit overzicht verder aanvullen. Stuur daarom uw aanvullingen naar fawzi.salih@k2.nl. Voor wie? Deze checklist is bedoeld voor iedereen betrokken bij de transitie van de jeugdzorg:  wethouders;  raadsleden;  afdelingshoofden gemeenten;  ambtenaren sociaal domein;  management en stafmedewerkers jeugdhulpaanbieders / gecertificeerde instellingen;  programmamanagers 3D;  etc. Leeswijzer In de samenvatting vindt u per hoofdstuk een overview van uit te voeren acties. In hoofdstuk 1 benoemen we de belangrijkste definities en gaan we in op de reikwijdte van de nieuwe Jeugdwet. Hierna beschrijven we in hoofdstuk 2 de rol en verantwoordelijkheden van gemeenten in het nieuwe Jeugdstelsel. Vervolgens behandelen we in hoofdstuk 3 de positie van de gecertificeerde instellingen. Hoofdstuk 4 noemt de eisen aan jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. De pleegzorg staat centraal in hoofdstuk 5. In hoofdstuk 6 bespreken we de gesloten jeugdhulp bij ernstige opvoed- en opgroeimogelijkheden. In hoofdstuk 7 vindt u informatie over de Verwijsindex, gegevensverwerking en privacy. Hoofdstuk 8 gaat over financiën en verantwoording. De rol en positie van toezichthoudende instanties passeert in hoofdstuk 9 de revue. Het overgangsrecht is terug te vinden in hoofdstuk 10. Ten slotte vindt u in hoofdstuk 11 en hoofdstuk 12 informatie over wijziging van andere wetten en de slotbepalingen. Aanvullingen Deze checklist is zorgvuldig samengesteld; dit sluit eventuele onvolkomenheden niet uit. Aan de inhoud kunnen daarom géén rechten worden ontleend. Voor opmerkingen en / of aanvullingen kunt u een e-mail sturen naar fawzi.salih@K2.nl. Woord van dank Ten slotte willen we graag onze adviseurs Anne Don en Mark Daggers bedanken voor hun waardevolle feedback. Zonder hun constructieve bijdrage was deze checklist niet tot stand gekomen. K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd, Fawzi Salih
  • 2. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 2 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 INTRODUCTIE.............................................................................................................................................................................................................................................. 1 SAMENVATTING ......................................................................................................................................................................................................................................... 4 1. BEGRIPSBEPALINGEN EN REIKWIJDTE ............................................................................................................................................................................................. 6 1.1 EÉNHEID VAN TAAL AFSPREKEN ..................................................................................................................................................................................................................... 6 1.2 REIKWIJDTE JEUGDWET OPERATIONALISEREN................................................................................................................................................................................................ 10 1.3 BELEID JEUGDHULP AAN VREEMDELINGEN VASTSTELLEN................................................................................................................................................................................ 11 1.4 BEVOEGDHEDEN MEDEWERKERS GEMEENSCHAPPELIJKE REGELING VORMGEVEN .............................................................................................................................................. 11 2. DE GEMEENTE ....................................................................................................................................................................................................................................12 2.1 UITGANGSPUNTEN IN BELEIDSKADER OPNEMEN ............................................................................................................................................................................................ 12 2.2 BELEIDSKADER ONTWIKKELEN (INCLUSIEF AFSTEMMING CONCEPT PLAN MET ONDERWIJS) EN VASTSTELLEN DOOR GEMEENTERAAD...................................................................... 12 2.3 TOEGANG (INCLUSIEF ZORGTOEWIJZING) REGELEN ........................................................................................................................................................................................ 14 2.4 AFSTEMMING MET RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ORGANISEREN........................................................................................................................................................... 15 2.5 GEDWONGEN KADER ORGANISEREN............................................................................................................................................................................................................. 15 2.6 KWALITATIEF EN KWANTITATIEF AANBOD ORGANISEREN ................................................................................................................................................................................ 16 2.7 LAAGDREMPELIGE EN HERKENBARE JEUGDHULP ORGANISEREN....................................................................................................................................................................... 16 2.8 CONSULTATIEFUNCTIE ORGANISEREN........................................................................................................................................................................................................... 16 2.9 KOSTELOOS EN ANONIEM ADVIES ORGANISEREN ........................................................................................................................................................................................... 16 2.10 MAATREGELEN BESTRIJDING KINDERMISHANDELING OPSTELLEN..................................................................................................................................................................... 16 2.11 VERTROUWENSFUNCTIE ORGANISEREN......................................................................................................................................................................................................... 17 2.12 INTERGEMEENTELIJKE SAMENWERKING ORGANISEREN ................................................................................................................................................................................... 17 2.13 VERORDENING OPSTELLEN.......................................................................................................................................................................................................................... 18 2.14 WMO ARTIKELEN VERTALEN NAAR JEUGDHULPBELEID.................................................................................................................................................................................... 18 2.15 PROCEDURE ‘ROL GEMEENTE’ OPSTELLEN BIJ OVERGANG PERSONEEL NAAR NIEUWE JEUGDHULPAANBIEDER....................................................................................................... 19 2.16 MOGELIJKE AMVB DESKUNDIGHEIDSBEVORDERING EN TOEREIKEND AANBOD VERTALEN NAAR JEUGDHULPBELEID ............................................................................................. 19 2.17 PROCEDURE VOOR COLLEGE OPSTELLEN BIJ AANWIJZING RIJK ........................................................................................................................................................................ 19 3. GECERTIFICEERDE INSTELLINGEN ...................................................................................................................................................................................................20 3.1 AFSTEMMING MET RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING ORGANISEREN........................................................................................................................................................... 20 3.2 UITVOERING DOOR GECERTIFICEERDE INSTELLINGEN ORGANISEREN ................................................................................................................................................................ 21 3.3 AFSTEMMING TUSSEN GECERTIFICEERDE INSTELLINGEN EN GEMEENTEN ORGANISEREN ..................................................................................................................................... 22 3.4 PROTOCOL VERSTREKKEN PERSOONSGEGEVENS AAN GECERTIFICEERDE INSTELLINGEN OPSTELLEN.................................................................................................................... 22 4. EISEN AAN JEUGDHULPAANBIEDERS EN GECERTIFICEERDE INSTELLINGEN..............................................................................................................................23 4.1 BESTAAND KWALITEITSBELEID DOORLOPEN EN ZO NODIG AANPASSEN ............................................................................................................................................................ 23 4.2 BESTAANDE KLACHTENREGELING DOORLOPEN EN ZO NODIG AANPASSEN........................................................................................................................................................ 26 4.3 BESTAAND BELEID ‘MEDEZEGGENSCHAP CLIËNTEN’ DOORLOPEN EN ZO NODIG AANPASSEN............................................................................................................................... 28 4.4 VERSLAGLEGGING MAATSCHAPPELIJKE VERANTWOORDING VORMGEVEN......................................................................................................................................................... 33 5. PLEEGZORG........................................................................................................................................................................................................................................34 5.1 BESTAANDE PROCEDURES ‘AFSLUITEN PLEEGZORGCONTRACTEN’ DOORLOPEN EN ZO NODIG AANPASSEN........................................................................................................... 34 5.2 BESTAANDE PROCEDURES ‘MATCHING’ DOORLOPEN EN ZO NODIG AANPASSEN................................................................................................................................................ 34 5.3 BESTAANDE PROCEDURES ‘NETWERKPLEEGOUDERS’ DOORLOPEN EN ZO NODIG AANPASSEN............................................................................................................................. 35 5.4 BESTAANDE PROCEDURES ‘PLEEGZORGVERGOEDING’ DOORLOPEN EN ZO NODIG AANPASSEN ........................................................................................................................... 35 5.5 BESTAANDE PROCEDURES ‘INFORMATIEVERSTREKKING AAN PLEEGOUDERS’ DOORLOPEN EN ZO NODIG AANPASSEN............................................................................................ 35 6. GESLOTEN JEUGDHULP BIJ ERNSTIGE OPGROEI- EN OPVOEDINGSPROBLEMEN.......................................................................................................................36 6.1 BESTAANDE PROCEDURES ‘MACHTIGING’ DOORLOPEN EN ZO NODIG AANPASSEN ............................................................................................................................................. 36 6.2 BESTAANDE PROCEDURES ‘TENUITVOERLEGGING VAN DE MACHTIGING’ DOORLOPEN EN ZO NODIG AANPASSEN .................................................................................................. 42 6.3 BESTAANDE PROCEDURES ‘VRIJHEIDSBEPERKENDE MAATREGELEN’ DOORLOPEN EN ZO NODIG AANPASSEN ........................................................................................................ 43 6.4 BESTAANDE PROCEDURES ‘VERLOF’ DOORLOPEN EN ZO NODIG AANPASSEN..................................................................................................................................................... 46 6.5 BESTAANDE REGELING KLACHTRECHT BIJ VRIJHEIDSBEPERKENDE MAATREGELEN DOORLOPEN EN ZO NODIG AANPASSEN ..................................................................................... 46 7. GEGEVENSVERWERKING, PRIVACY EN TOESTEMMING.................................................................................................................................................................47 7.1 BESTAANDE PROCEDURES VERWIJSINDEX DOORLOPEN EN ZO NODIG AANPASSEN ............................................................................................................................................ 47 7.2 PROCEDURES GEBRUIK BURGERSERVICENUMMER OPSTELLEN......................................................................................................................................................................... 53 7.3 BESTAANDE PROCEDURES TOESTEMMING, DOSSIER EN PRIVACY DOORLOPEN EN AANPASSEN............................................................................................................................ 55 7.4 PROCEDURES GEGEVENSVERWERKING TEN BEHOEVE VAN DE BELEIDSINFORMATIE EN DE TOEGANG DOORLOPEN EN EVENTUEEL BIJSTELLEN.......................................................... 60 8. FINANCIËN EN VERANTWOORDING.................................................................................................................................................................................................62 8.1 REGELING VERSTREKKING BUDGET AAN JEUGDIGEN / OUDERS OPSTELLEN........................................................................................................................................................ 62 8.2 REGELING OUDERBIJDRAGE OPSTELLEN........................................................................................................................................................................................................ 64 8.3 FINANCIËLE VERANTWOORDING VORMGEVEN................................................................................................................................................................................................ 65
  • 3. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 3 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 9. TOEZICHT EN HANDHAVING.............................................................................................................................................................................................................66 9.1 TOEZICHT ORGANISEREN............................................................................................................................................................................................................................. 66 9.2 TOEZICHT UITVOEREN................................................................................................................................................................................................................................. 67 9.3 OPSTELLEN PROCEDURES ‘HOE OM TE GAAN MET AANWIJZING, BEVEL EN TUCHTRECHT’.................................................................................................................................... 68 9.4 TOEZICHT CENTRAAL ORGAAN OPVANG ASIELZOEKERS................................................................................................................................................................................. 68 9.5 OPSTELLEN PROCEDURES ‘HOE OM TE GAAN MET BESTUURSDWANG EN DWANGSOM’ ....................................................................................................................................... 69 9.6 OPSTELLEN PROCEDURES ‘HOE OM TE GAAN MET SANCTIES’........................................................................................................................................................................... 69 10. OVERGANGSRECHT........................................................................................................................................................................................................................70 10.1 GEVOLGEN OVERGANGSRECHT IN KAART BRENGEN EN CONSEQUENTIES VOOR BELEID BEPALEN ........................................................................................................................ 70 11. WIJZIGING VAN ANDERE WETTEN................................................................................................................................................................................................75 11.1 ALGEMENE WET BIJZONDERE ZIEKTEKOSTEN................................................................................................................................................................................................. 75 11.2 WMO: BELEIDSPLAN AANPASSEN + BELEID EN PROCEDURES AMKH DOORLOPEN EN ZO NODIG AANPASSEN....................................................................................................... 75 11.2 ZORGVERZEKERINGSWET ............................................................................................................................................................................................................................ 82 11.3 WET MARKTORDENING GEZONDHEIDZORG ................................................................................................................................................................................................... 82 11.4 BURGERLIJK WETBOEK ................................................................................................................................................................................................................................ 82 11.5 WETBOEK VAN STRAFRECHT........................................................................................................................................................................................................................ 83 11.6 WET OP DE JEUGDZORG .............................................................................................................................................................................................................................. 84 11.7 WET PUBLIEKE GEZONDHEID ....................................................................................................................................................................................................................... 84 12. SLOTBEPALINGEN..........................................................................................................................................................................................................................85 12.1 ALGEMEEN ................................................................................................................................................................................................................................................ 85 12.2 BELEIDSPLAN VASTSTELLEN VOOR 1 NOVEMBER 2014 + RESULTATEN TEVREDENHEID JEUGDIGEN / OUDERS VOOR 1 NOVEMBER 2016 PUBLICEREN ................................................ 86 12.3 REKENING HOUDEN MET IN WERKING TREDING VAN SOMMIGE ARTIKELEN......................................................................................................................................................... 86
  • 4. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 4 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Samenvatting In deze tabel vindt u per hoofdstuk uit de Jeugdwet een overview van uit te voeren te voeren acties door gemeenten, jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en andere partijen. Per actie kunt u doorklikken naar de desbetreffende paragraaf in deze checklist. Gebruik en vul deze tabel aan tijdens uw overleg met betrokkenen over de transitie van de jeugdzorg. Hoofdstuk Acties Sprake van taak / verantwoordelijkheid? Geregeld In voorbereiding Nog regelen Uitvoering door Deadline 1. Begripsbepalingen en reikwijdte 1. Eénheid van taal afspreken Taak 2. Reikwijdte Jeugdwet operationaliseren Verantwoordelijkheid 3. Beleid jeugdhulp aan vreemdelingen vaststellen Verantwoordelijkheid 4. Bevoegdheden medewerkers gemeenschappelijke regeling vormgeven Verantwoordelijkheid 2. De gemeente 5. Uitgangspunten in beleidskader opnemen Verantwoordelijkheid 6. Beleidskader ontwikkelen (inclusief afstemming concept plan met onderwijs) en vaststellen door gemeenteraad Taak Voor 1-11-2014 7. Toegang (inclusief zorgtoewijzing regelen Verantwoordelijkheid 8. Afstemming met raad voor de kinderbescherming organiseren Taak 9. Gedwongen kader organiseren Verantwoordelijkheid 10. Kwalitatief en kwantitatief aanbod organiseren Verantwoordelijkheid 11. Laagdrempelige en herkenbare jeugdhulp organiseren Verantwoordelijkheid 12. Consultatiefunctie organiseren Verantwoordelijkheid 13. Kosteloos en anoniem advies organiseren Verantwoordelijkheid 14. Maatregelen bestrijding kindermishandeling opstellen Verantwoordelijkheid 15. Vertrouwensfunctie organiseren Verantwoordelijkheid 16. Intergemeentelijke samenwerking organiseren Verantwoordelijkheid 17. Verordening opstellen Taak 18. Wmo artikelen vertalen naar jeugdhulpbeleid Taak 19. Procedure ‘rol gemeente’ opstellen bij overgang personeel naar nieuwe jeugdhulpaanbieder Taak 20. Mogelijke AMVB deskundigheidsbevordering en toereikend aanbod vertalen naar jeugdhulpbeleid Verantwoordelijkheid 21. Procedure voor college opstellen bij aanwijzing Rijk Verantwoordelijkheid 3. Gecertificeerde instellingen 22. Afstemming met raad voor de kinderbescherming organiseren Taak 23. Uitvoering door gecertificeerde instellingen organiseren Taak 24. Afstemming tussen gemeenten en gecertificeerde instellingen organiseren Taak 25. Protocol verstrekken persoonsgegevens aan gecertificeerde instellingen opstellen Taak 4. Eisen aan jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen opstellen 26. Bestaand kwaliteitsbeleid doorlopen en zo nodig aanpassen Zowel Verantwoordelijkheid als taak 27. Bestaande klachtenregeling doorlopen en zo nodig aanpassen Zowel verantwoordelijkheid als taak 28. Bestaand beleid ‘medezeggenschap cliënten’ doorlopen en zo nodig aanpassen Zowel verantwoordelijkheid als taak 29. Verslaglegging maatschappelijke verantwoording vormgeven Zowel verantwoordelijkheid als taak 5. Pleegzorg 31. Bestaande procedures ‘afsluiten pleegzorgcontracten’ doorlopen en zo nodig aanpassen Taak 32. Bestaande procedures ‘matching’ doorlopen en zo nodig aanpassen Taak 33. Bestaande procedures ‘netwerkpleegouders’ doorlopen en zo nodig aanpassen Taak 34. Bestaande procedures ‘pleegzorgvergoeding’ doorlopen en zo nodig aanpassen Taak 35. Bestaande procedures ‘informatieverstrekking aan pleegouders’ doorlopen en zo nodig aanpassen Taak
  • 5. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 5 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Hoofdstuk Acties Sprake van taak / verantwoordelijkheid? Geregeld In voorbereiding Nog regelen Uitvoering door Deadline 6. Gesloten jeugdhulp bij ernstig opvoed- en opgroeiproblemen 36. Bestaande procedures ‘machtiging’ doorlopen en aanpassen Zowel verantwoordelijkheid als taak 37. Bestaande procedures ‘tenuitvoerlegging van de machtiging’ doorlopen en zo nodig aanpassen Zowel verantwoordelijkheid als taak 38. Bestaande procedures ‘vrijheidsbeperkende maatregelen’ doorlopen en zo nodig aanpassen Zowel verantwoordelijkheid als taak 39. Bestaande procedures ‘verlof’ doorlopen en zo nodig aanpassen Zowel verantwoordelijkheid als taak 40. Bestaande regeling klachtrecht bij vrijheidsbeperkende maatregelen doorlopen en zo nodig aanpassen Zowel verantwoordelijkheid als taak 7. Gegevensverwerking, privacy en toestemming 41. Bestaande procedures Verwijsindex doorlopen en zo nodig aanpassen Zowel taak als Verantwoordelijkheid 42. Procedure gebruik Burgerservicenummer opstellen Taak 43. Bestaande procedures toestemming, dossier en privacy doorlopen en aanpassen Taak 44. Procedures gegevensverwerking ten behoeve van de beleidsinformatie en toegang doorlopen en eventueel bijstellen Taak 8. Financiën en verantwoording 45. Regeling verstrekking budget aan jeugdigen / ouders opstellen Zowel verantwoordelijkheid als taak 46. Regeling ouderbijdrage opstellen Zowel verantwoordelijkheid als taak 47. Financiële verantwoording vormgeven Taak 9. Toezicht en handhaving 48. Toezicht organiseren Verantwoordelijkheid 49. Toezicht uitvoeren Verantwoordelijkheid 50. Opstellen procedures ‘hoe om te gaan met de aanwijzing, bevel en tuchtrecht’ Verantwoordelijkheid 51. Opstellen procedures ‘hoe om te gaan met bestuursdwang en dwangsom’ Verantwoordelijkheid 52. Opstellen procedures ‘hoe om te gaan met sancties’ Verantwoordelijkheid 53. Overgangsrecht 53. Gevolgen overgangsrecht in kaart brengen en consequenties voor beleid bepalen Verantwoordelijkheid 11. Wijziging van andere wetten 54. Wmo: beleidsplan aanpassen + beleid en procedures AMHK doorlopen en zo nodig aanpassen Taak 12. Slotbepalingen 55. Beleidsplan vaststellen voor 1 november 2014 + resultaten tevredenheid jeugdigen / ouders voor 1 november 2016 publiceren Taak 56. Rekening houden met eerdere in werking treding van sommige artikelen Taak
  • 6. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 6 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 1. Begripsbepalingen en reikwijdte 1.1 Eénheid van taal afspreken Term1 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van Toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise2 Begeleiding 1.1 “Activiteiten waarmee een jeugdige wordt ondersteund bij het uitvoeren van dagelijkse levensverrichtingen en het aanbrengen en behouden van structuur en regie over het persoonlijk leven.” Geen toelichting beschikbaar 1. Gemeenten 2. Jeugdhulpaanbieders 3. Gecertificeerde instellingen Nee Ontwikkel een Woordenlijst Jeugdstelsel. Laat u inspireren door de Thesaurus Zorg en Welzijn. Gecertificeerde instelling 1.1 “Rechtspersoon die in het bezit is van een certificaat of voorlopig certificaat als bedoeld in artikel 3.3 en die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert.” “De uitvoering van de (voorlopige) ondertoezichtstelling en de uitoefening van de (voorlopige) voogdij en jeugdreclassering zijn taken die zijn voorbehouden aan een gecertificeerde instelling. Een gecertificeerde instelling is een rechtspersoon. Ze kan niet bestaan uit één natuurlijke persoon, omdat zo nodig een multidisciplinaire beoordeling van de problemen kan plaatsvinden.” Blz. 98 Gesloten jeugdhulp 1.1 “Opname, verblijf en jeugdhulp in een gesloten accommodatie op basis van een machtiging als bedoeld in artikel 6.1.2”. “De kinderrechter kan een machtiging gesloten jeugdhulp verlenen indien er sprake is van ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren en die noodzaken tot jeugdhulp in de zin van onderhavige wet. Verder moet er om de benodigde jeugdhulp te kunnen bieden gesloten verblijf nodig zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich onttrekt aan die hulp of daaraan door anderen wordt onttrokken. De machtiging gesloten jeugdhulp geeft de jeugdhulpaanbieder vervolgens de mogelijkheid om de jeugdige op te nemen en te doen verblijven in een gesloten accommodatie en zonder instemming van de jeugdige of zijn ouders jeugdhulp te verlenen.” Blz. 99 Jeugdhulp 1.1 “Ondersteuning van en hulp en zorg, niet zijnde preventie, aan jeugdigen en hun ouders bij het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, of opvoedingsproblemen van ouders.” “De werkwoorden in de begripsomschrijving (verminderen, stabiliseren en opheffen van of omgaan met de gevolgen van) duiden op de grote diversiteit van de mogelijke vormen van jeugdhulp die nodig kunnen blijken. De genoemde problematiek ziet enerzijds op problemen of beperkingen aan de zijde van de jeugdige, namelijk psychische problemen of stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking en anderzijds op problemen die te maken hebben met de opvoeding, waarbij jeugdhulp nodig is door problemen waar de ouders mee kampen en waardoor de jeugdige wordt belemmerd in zijn ontwikkeling. Met het begrip ‘psychosociale problemen’ worden psychische problemen bedoeld die samenhangen met het dagelijks functioneren. Met het begrip ‘opvoedingsproblemen’ wordt bedoeld dat een ouder problemen ondervindt bij het onderhouden, verzorgen en grootbrengen van een jeugdige, met name in sociale, emotionele, intellectuele en morele zin, die door die ouder niet binnen een gebruikelijke termijn en met gebruikelijke middelen op te lossen zijn.” Blz. 100 - 102 1 Tabel bevat een selectie van de belangrijkste begrippen uit hoofdstuk 1. 2 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 7. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 7 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Term3 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise4 Jeugdhulp 1.1 “Het bevorderen van de deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt.” “Als personen door een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, of somatische, psychiatrische of psychogeriatrische problemen niet of onvoldoende zelfredzaam zijn, dan wel als ontlasting van de mantelzorger aangewezen is, zullen deze personen vanaf 1 januari 2015 niet langer recht hebben op een voorziening op het gebied van begeleiding, persoonlijke verzorging of kortdurend verblijf op grond van de AWBZ, doch is beoogd dat zij een beroep kunnen doen op de Wmo. Dat deel van deze vormen van ondersteuning, hulp en zorg dat ziet op jeugdigen tot de leeftijd van achttien jaar, wordt vanuit de AWBZ gedecentraliseerd naar de Jeugdwet in plaats van naar de Wmo.” Blz. 102 1. Gemeenten 2. Jeugdhulpaanbieders 3. Gecertificeerde instellingen Nee Ontwikkel een Woordenlijst Jeugdstelsel. Laat u inspireren door de Thesaurus Zorg en Welzijn. “Het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij jeugdigen met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt, met dien verstande dat de leeftijdgrens van achttien jaar niet geldt voor jeugdhulp in het kader van jeugdstrafrecht.” “Gemeenten worden verantwoordelijk voor het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging in verband met een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid. Voor volwassenen zal ook deze vorm van zorg gedecentraliseerd worden vanuit de AWBZ naar de Wmo, en voor jeugdigen tot 18 jaar naar de Jeugdwet.” Blz. 102 - 103 Jeugdhulpaanbieder 1.1 1. “Natuurlijke persoon die, het verband van natuurlijke personen dat of de rechtspersoon die bedrijfsmatig jeugdhulp doet verlenen onder verantwoordelijkheid van het college.” 2. “Solistisch werkende jeugdhulpverlener onder verantwoordelijkheid van het college.” “Degene die voor de gemeente daadwerkelijk de jeugdhulp uitvoert, wordt in dit wetsvoorstel aangeduid als jeugdhulpaanbieder. Daarbij maakt de wet onderscheid tussen het doen verlenen van de jeugdhulp en het zelfstandig, als solist, verlenen van jeugdhulp. Een jeugdhulpaanbieder doet jeugdhulp verlenen, wanneer de daadwerkelijke jeugdhulp wordt uitgevoerd op basis van een overeenkomst tussen hem en een of meer derden die voor hem de jeugdhulp verlenen. Die jeugdhulpaanbieder zelf kan een natuurlijke persoon zijn of een verband van natuurlijke personen, maar het kan ook een rechtspersoon betreffen.” Blz. 103 Jeugdhulpverlener 1.1 “Natuurlijke persoon die beroepsmatig jeugdhulp verleent.” “Naast het begrip jeugdhulpaanbieder, wordt ook het begrip jeugdhulpverlener gedefinieerd. Dit is de professional die feitelijk de jeugdhulp verleent. Hier doet zich een overlap voor met de tweeledige definitie van het begrip jeugdhulpaanbieder. Dat begrip ziet namelijk zowel op de medewerker als op de solistisch werkende jeugdhulpaanbieder. De jeugdhulpverlener die als medewerker actief is, doet dit voor de jeugdhulpaanbieder als bedoeld onder 1°. De jeugdhulpverlener die zelfstandig werkt, is zelf een jeugdhulpaanbieder als bedoeld onder 2°.” Blz. 103 3 Tabel bevat een selectie van de belangrijkste begrippen uit hoofdstuk 1. 4 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 8. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 8 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Term5 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de wettekst? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise6 Jeugdige 1.1 “Persoon die:  de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt,  de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of  de leeftijd van achttien jaar doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, en voor wie de voortzetting van jeugdhulp als bedoeld in onderdeel 1°, die was aangevangen, of voor wie het college vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp noodzakelijk is of voor wie, na beëindiging van jeugdhulp die was aangevangen vóór het bereiken van de leeftijd van achttien jaar, binnen een termijn van een half jaar hervatting van de jeugdhulp noodzakelijk is.” “In dit wetsvoorstel is gekozen voor een leeftijdsgrens van 18 jaar, met de mogelijkheid om bepaalde vormen van jeugdhulp voort te zetten of te hervatten totdat de jeugdige 23 jaar is geworden. Jeugdigen tot 23 jaar vielen in specifieke situaties reeds binnen de reikwijdte van de Wet op de Jeugdzorg. Dit betrof onder andere de noodzakelijke voortzetting of hervatting van jeugdzorg voor een jeugdige die voordat hij meerderjarig werd reeds jeugdzorg ontving en tevens bij het gebruik van de VIR. Het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd betekent in de praktijk niet altijd dat de noodzaak en mogelijkheid tot opvoeding voorbij is. Ouders houden immers ook niet ogenblikkelijk op met opvoeden als hun kind meerderjarig wordt. Ook kan het nodig zijn om na het de leeftijd van 18 jaar jeugdhulp voort te zetten in verband met arbeidstoeleiding. Dit blijft in het nieuwe stelsel gelijk. Voor jeugdhulp die verstrekt wordt in verband met een psychische stoornis of een verstandelijke beperking, en jeugdhulp die voorheen viel onder het begrip begeleiding, persoonlijke verzorging en kortdurend verblijf als bedoeld bij of krachtens de AWBZ geldt echter de leeftijdsgrens van 18 jaar. Deze vormen van zorg zijn na het bereiken van het achttiende levensjaar als voorziening, recht of aanspraak immers verkrijgbaar op grond van de Wmo, AWBZ of Zvw. Deze beperking tot het achttiende levensjaar geldt niet voor jeugdhulp die wordt ingezet in het kader van een strafrechtelijke beslissing, voor deze hulp vloeit het moment waarop deze zorg start en eindigt voort uit het Wetboek van Strafrecht. Deze hulp kan derhalve wel tot na het achttiende levensjaar doorlopen.” Blz. 103 - 104 1. Gemeenten 2. Jeugdhulpaanbieder 3. Gecertificeerde instellingen Nee Ontwikkel een Woordenlijst Jeugdstelsel. Laat u inspireren door de Thesaurus Zorg en Welzijn. Jeugdreclassering 1.1 “Reclasseringswerkzaamheden, genoemd in artikel 77hh, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, begeleiding, genoemd in artikel 77hh, tweede lid, van dat wetboek en het begeleiding van en toezicht houden op jeugdigen die deel nemen aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het geven van de aanwijzingen, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van die wet, of de overige taken die bij of krachtens de wet aan de gecertificeerde instellingen zijn opgedragen.” “De definitie van de jeugdreclassering is ontleend aan artikel 10 Wet op de jeugdzorg. Ze moet worden begrepen in samenhang met de artikelen uit het Wetboek van Strafrecht. Die artikelen regelen de betrokkenheid van een gecertificeerde instelling voor jeugdreclassering bij de voorbereiding en de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen uit het jeugdstrafrecht.” Blz. 104 Kinderbeschermings- maatregel 1.1 “Voogdij en de voorlopige voogdij op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, de ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 254, eerste lid, Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en de voorlopige ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 255 Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.” “Deze definitie is ontleend aan artikel 10, eerste lid, onderdelen a en b, Wjz. Daarbij gaat het om de (voorlopige) voogdij na een ontheffing of een ontzetting uit het ouderlijk gezag, of indien de voogdij uit andere hoofde aan de gecertificeerde instelling is opgedragen, alsmede de (voorlopige) ondertoezichtstelling. De gecertificeerde instelling heeft tot taak deze kinderbeschermingsmaatregelen uit te voeren. De taken en bevoegdheden van de gecertificeerde instelling op dit punt zijn voornamelijk in het BW geregeld.” Blz. 104 5 Tabel bevat een selectie van de belangrijkste begrippen uit hoofdstuk 1. 6 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 9. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 9 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Term7 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise8 Opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen 1.1  “Psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking van de jeugdige, of opvoedingsproblemen van de ouders;  beperkingen in de zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, en  een tekort aan zelfredzaamheid in verband met een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke beperking of een somatische of psychiatrische aandoening of beperking bij een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt.” “Het begrip opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen is net als het begrip jeugdhulp drieledig weergegeven. Ook hier heeft dat te maken met de decentralisatie van de functies begeleiding en persoonlijke verzorging voor jeugdigen vanuit de AWBZ naar de gemeente. Allereerst vallen onder dit begrip daarom de psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen of gedragsproblemen van de jeugdige, of opvoedingsproblemen van de ouders. Ten tweede vallen hieronder die aandoeningen en beperkingen die het nodig maken dat een jeugdige begeleiding ontvangt zodat hij maatschappelijk kan participeren en voldoende zelfredzaam is. Ten derde vallen hieronder aandoeningen en beperkingen die leiden tot een zodanig tekort aan zelfredzaamheid dat hulp nodig is bij activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging.” Blz. 104 1. Gemeenten 2. Jeugdhulpaanbieders 3. Gecertificeerde instellingen Nee Ontwikkel een Woordenlijst Jeugdstelsel. Laat u inspireren door de Thesaurus Zorg en Welzijn. Ouder 1.1 “Ouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder.” “De meeste jeugdigen in Nederland worden opgevoed door hun biologische ouders en wonen ook bij hen. Maar er doen zich ook andere opvoedingssituaties voor. Zo worden sommige jeugdigen niet door hun biologische ouders opgevoegd, maar wonen zij bij een familielid of kennis, zonder dat het wettelijk gezag overgaat. Ook in die situaties is de rol van de feitelijke opvoeder bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering van belang. Bijvoorbeeld als het gaat om het bevorderen van de opvoedvaardigheden en het inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de opvoeders. Het kan nodig blijken te zijn om een opvoeder met opvoedingsproblemen concrete ondersteuning te bieden. Wanneer een jeugdige feitelijk niet door zijn biologische ouders, maar bijvoorbeeld door een familielid wordt opgevoegd, zal de jeugdhulp die dan wordt ingezet zich (mede) richten op die feitelijke opvoeder, eventueel in samenhang met jeugdhulp aan de jeugdige. Hierom wordt onder ouders in deze wet tevens begrepen de stiefouders of anderen die een jeugdige in een gezinssituatie verzorgen en opvoeden.” Blz. 105 Preventie 1.1 “Op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of een verstandelijke beperking of van de ouders bij opvoedingsproblemen.” Op grond van artikel 2.2 is de gemeente gehouden mede beleid te voeren op het gebied van preventie. De verantwoordelijkheid van de gemeente op grond van deze wet begint niet pas als de opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen zodanig zijn dat de inzet van jeugdhulp geboden is. Het is immers juist de bedoeling van de stelselwijziging dat er een omslag plaats vindt naar de voorkant. Jeugdigen en hun ouders moeten eerder ondersteuning krijgen, ernstige problemen moeten zoveel mogelijk voorkomen worden of in een vroeg stadium worden onderkend, om te voorkomen dat in een later stadium zware vormen van jeugdhulp nodig zijn. Blz. 106 Vertrouwenspersoon 1.1 “Persoon die jeugdigen, ouders, pleegouders of netwerkpleegouders op hun verzoek ondersteunt in aangelegenheden die samenhangen met de wettelijke taken en verantwoordelijkheden van het college, de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling en het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling.” “Met de vertrouwenspersoon wordt een functionaris zoals deze thans reeds werkzaam is binnen de jeugdzorg en de zorg. Binnen de jeugdzorg staat deze bij zowel het bureau jeugdzorg als bij de jeugdzorgaanbieders bekend als vertrouwenspersoon. In de zorg staat deze functionaris ook wel bekend als ‘patiëntenvertrouwenspersoon’ of als ‘cliëntenvertrouwenspersoon’. Op grond van artikel 2.5, eerste lid, onder f, is het college gehouden te voorzien in onafhankelijke vertrouwenspersonen.” Blz. 106 7 Tabel bevat een selectie van de belangrijkste begrippen uit hoofdstuk 1. 8 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 10. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 10 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 1.2 Reikwijdte Jeugdwet operationaliseren Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van Toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise9 1.2 1. Het college is niet gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen: a. indien er met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op zorg als bedoeld bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen of een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet, of “De opdracht aan de gemeente is zo geformuleerd dat de gemeente in beginsel een grote vrijheid heeft om lokaal invulling aan deze opdracht te geven. Er zijn echter terreinen waar de overheid ervoor kiest of heeft gekozen om specifieke wettelijke maatregelen te treffen. In die situaties gaan die specifieke wettelijke maatregelen voor. De onderhavige wet geldt niet indien aan die andere wetten rechten kunnen worden ontleend. Denk hierbij aan de AWBZ. Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen en de Zorgverzekeringswet.” Blz. 107 1. Gemeenten Nee b. indien naar het oordeel van het college met betrekking tot de problematiek een aanspraak bestaat op een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling, met uitzondering van een voorziening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning die de jeugdige in staat stelt dagelijkse levensverrichtingen uit te voeren en het persoonlijk leven te structureren en daarover regie te voeren. “Naast de AWBZ, de Beginselenwet Justitiële Jeugdinrichtingen en de Zorgverzekeringswet kunnen er andere wetten zijn op basis waaraan een jeugdige een specifiek recht ontleent. Het is in dat geval aan het college om aan te tonen dat de jeugdige of diens ouders in die specifieke situatie geen aanspraak maakt op jeugdhulp ingevolge deze wet. De bewijslast ligt dus bij het college. De Wmo kent ook een bepaling die regelt dat er geen aanspraak bestaat op maatschappelijke ondersteuning voor zover met betrekking tot de problematiek die in het gegeven geval aanleiding geeft voor de noodzaak tot ondersteuning, een voorziening op grond van een andere wettelijke bepaling bestaat. Dit artikel van de Wmo zou, daar waar de compensatieplicht ziet op het treffen van voorzieningen in het kader van de begeleiding aan jeugdigen, aanleiding kunnen geven tot onduidelijkheid over welke wet nu voorliggend is, indien een jeugdige een voorziening op het gebied van begeleiding nodig heeft. Daarom is in de onderhavige bepaling een uitzondering opgenomen in die zin dat de compensatieplicht op het gebied van begeleiding niet ziet op jeugdigen tot de leeftijd van achttien jaar.” Blz. 107 2. Indien er meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan de betreffende problematiek en daardoor zowel een vorm van zorg, op grond van een aanspraak op zorg als bedoeld bij of krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of een recht op zorg als bedoeld bij of krachtens de Zorgverzekeringswet, als een soortgelijke voorziening op grond van deze wet kan worden verkregen, is het college gehouden deze voorziening op grond van deze wet te treffen. “Het kan in bepaalde gevallen voorkomen dat meerdere oorzaken ten grondslag liggen aan bepaalde problematiek zonder dat precies duidelijk is welke oorzaak nu de hoofdoorzaak is. Te denken valt dan bijvoorbeeld aan een jeugdige met een eetstoornis die in het kader van deze stoornis opgenomen moet worden in het ziekenhuis. Onduidelijk is of de grondslag voor dit verblijf gelegen is in de psychische stoornis of in de somatische aandoening die het gevolg daarvan is. De zorg die nodig is, is in beide gevallen echter hetzelfde. Als de hoofdgrondslag somatisch is, zou de benodigde zorg vallen onder de Zvw. Als de hoofdgrondslag echter psychisch is zou de gemeente verantwoordelijk zijn voor de te treffen voorziening. Om te voorkomen dat de jeugdige in dit geval niet weet waar hij kan aankloppen voor de nodige zorg is bepaald dat in die gevallen de gemeente verantwoordelijk is voor het treffen van de benodigde voorziening.” Blz. 107 3. In afwijking van het eerste lid is het college gehouden een voorziening op grond van deze wet te treffen, indien jeugdhulp voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing. “Dit lid is complementair aan artikel 2.4 van de wet. In samenhang gelezen volgt hieruit dat de gemeente gehouden is een voorziening te treffen voor jeugdreclassering en jeugdhulp die voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing. Jeugdreclassering en jeugdhulp kunnen worden opgelegd aan jeugdigen en jongvolwassenen in de leeftijd tot 23 jaar ten tijde van het plegen van het delict (artt. 77a en 77c Sr). De gemeente is gehouden voor deze jeugdigen en jongvolwassenen een voorziening te treffen, ook nadat zij de leeftijd van 18 inmiddels zijn gepasseerd. Zo wordt voorkomen dat er discontinuïteit ontstaat in de zorg terwijl deze zorg overigens onderdeel is van de tenuitvoerlegging van een rechterlijke beslissing.” Blz. 108 9 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 11. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 11 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 1.3 Beleid jeugdhulp aan vreemdelingen vaststellen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van Toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise10 1.3 1. Deze wet is van toepassing op in Nederland verblijvende jeugdigen. 2. Het college is gehouden een voorziening te treffen als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met derde lid, en uitvoering te geven aan artikel 2.4, tweede lid, ten aanzien van rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen. Onder vreemdeling wordt in dit artikel verstaan hetgeen daaronder wordt verstaan in de Vreemdelingenwet 2000. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het tweede lid, en zo nodig in afwijking van artikel 11 van de Vreemdelingenwet 2000, de verantwoordelijkheid van het college, bedoeld in het tweede lid, bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur aan te geven categorieën rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen worden beperkt, gelet op de aard, de plaats of de verwachte duur van hun verblijf. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, in afwijking van het tweede lid, en zo nodig in afwijking van artikel 10 van de Vreemdelingenwet 2000, de verantwoordelijkheid van het college, bedoeld in het tweede lid, geheel of gedeeltelijk worden uitgebreid tot bij of krachtens die algemene maatregel van bestuur aan te geven categorieën niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen. 5. Een voorziening als bedoeld in artikel 2.3, eerste tot en met derde lid, en de uitvoering van artikel 2.4, tweede lid, geeft een vreemdeling geen aanspraak op rechtmatig verblijf. “Deze bepaling is overgenomen uit de Wet op de jeugdzorg (artikel 1, derde lid, en artikel 3, eerste, achtste en negende lid). Aan niet rechtmatig in Nederland verblijvende vreemdelingen zullen slechts beperkte voorzieningen moeten worden verstrekt, die bij algemene maatregel van bestuur nader zullen worden uitgewerkt.” Blz. 108 1. Gemeenten Ja Informeer bij Bureau Jeugdzorg hoe zij op dit moment omgaan met jeugdhulp aan vreemdelingen. 1.4 Bevoegdheden medewerkers gemeenschappelijke regeling11 vormgeven Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van Toelichting? Actie gevraag door? Verdere uitwerking in AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise 1.4 Indien bij een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in de Wet gemeenschappelijke regelingen het college de uitvoering van zijn taken van het college heeft overgedragen aan het bestuur van een openbaar lichaam als bedoeld in artikel 8 van die wet, treedt dat bestuur voor de toepassing van deze wet, in de plaats van de betrokken colleges. Met dit artikel krijgt het bestuur en de medewerkers van de gemeenschappelijke regeling dezelfde bevoegdheden als het college zou hebben gehad voor de taken die ze overdragen aan de gemeenschappelijke regeling. Dit is essentieel voor het effectief functioneren van de gemeenschappelijke regeling. Blz. 108 1. Gemeenten Nee 10 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl. 11 Gemeenschappelijke regelingen zijn samenwerkingsverbanden tussen openbare lichamen, zoals bijvoorbeeld gemeenten.
  • 12. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 12 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 2. De gemeente 2.1 Uitgangspunten in beleidskader opnemen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van Toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise12 2.1 Het gemeentelijke beleid is gericht op: a. voorkomen en de vroege signalering van en vroege interventie bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; “Ouders moeten tijdig worden bijgestaan om opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, van welke aard dan ook, het hoofd te bieden. Voorkomen moet worden dat jeugdigen in zware zorgtrajecten terecht komen, als dit voorkomen had kunnen worden door eerder een lichte vorm van ondersteuning, hulp of zorg te bieden.” Blz. 109 1. Gemeenten Nee b. versterken van het opvoedkundige klimaat in gezinnen, wijken, buurten, scholen, kinderopvang en peuterspeelzalen; “Met deze bepaling wil de wetgever tot uitdrukking brengen dat een goede aanpak vanaf de start, latere problemen kan voorkomen. Een gunstig opvoedklimaat, een goede opvoeding en versterking van de opvoedingskwaliteiten zijn van essentieel belang voor het gezond en veilig opgroeien van de jeugdigen in onze samenleving.” Blz. 109 c. bevorderen van de opvoedvaardigheden van de ouders, opdat zij in staat zijn hun verantwoordelijkheid te dragen voor de opvoeding en het opgroeien van jeugdigen; “Dit onderdeel brengt de visie van de wetgever tot uitdrukking dat de ouders in eerste instantie zelf verantwoordelijk zijn voor het verzorgen en naar eigen inzicht opvoeden van kun kinderen. Als ouders zelf – al dan niet tijdelijk – onvoldoende opvoedcapaciteiten hebben om om te gaan met opgroeiproblemen van hun kinderen, moet de ondersteuning, hulp en zorg er op gericht zijn om ouders die tools in handen te geven waardoor zij dit wel (weer) kunnen.” Blz. 109 d. inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en de personen die tot hun sociale omgeving behoren, waarbij voor zover mogelijk wordt uitgegaan van hun eigen inbreng; “Dit onderdeel brengt het principe van participatie tot uitdrukking. De gemeentelijke overheid moet er, net als bij de Wmo, voor zorgen dat jeugdigen en ouders uiteindelijk op eigen kracht weer verder kunnen.” Blz. 110 e. bevorderen van de veiligheid van de jeugdige in de opvoedsituatie waarin hij opgroeit, en “Dit onderdeel stelt dat het beleid gericht moet zijn op het bevorderen van de veiligheid van de jeugdige in de opvoedsituatie waarin hij opgroeit.” Blz. 110 f. integrale hulp aan de jeugdige en zijn ouders, indien sprake is van multiproblematiek. “Onderdeel f ziet op de gedachte één gezin, één plan, één regisseur.” Blz. 110 2.2 Beleidskader ontwikkelen (inclusief afstemming concept plan met onderwijs) en vaststellen door gemeenteraad Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraag door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 2.2 1. Gemeenteraad stelt telkens periodiek een plan vast dat richting geeft aan de door de gemeenteraad en het college te nemen beslissingen betreffende preventie en jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering. “De verplichting om een keer per vier jaar een plan vast te leggen bevat geen inhoudelijke aanwijzing voor het te voeren beleid. Niet het ‘hoe’ wordt voorgeschreven, maar alleen ‘dat’.” Blz. 110 - 111 1. Gemeenten 1. Nee  Maak één beleidsplan sociaal domein.  Het beleidsplan moet voor 1 november 2014 zijn vastgesteld door de gemeenteraad. 2. Het plan bevat de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren beleid betreffende preventie, jeugdhulp, de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering en geeft daarbij in ieder geval aan: a. wat de gemeentelijke visie en doelstellingen zijn van dit beleid; “Er dient aandacht te worden besteed aan het totale beleid van de gemeente op deze gebieden en het beleid moet natuurlijk de uitgangspunten ademen die genoemd zijn in artikel 2.1. Verder wordt er een samenhangend beleid gevoerd ten aanzien van preventie en jeugdhulp en de uitvoering van jeugdhulp, kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering met de jeugdgezondheidszorg en maatschappelijke ondersteuning. Een ander onderdeel van goed beleid is dat er wordt afgestemd met de domeinen onderwijs (inclusief de leerplichtambtenaar en de RMC-functie), zorg (curatieve en langdurige zorg), werk en inkomen en politie en justitie, zowel op het beleidsniveau van de organisaties als op het niveau van de werkvloer.” Blz. 111 - 112 12 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 13. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 13 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van Toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise13 2.2 2. Het plan bevat de hoofdzaken van het door de gemeente te voeren beleid betreffende preventie, jeugdhulp, de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering en geeft daarbij in ieder geval aan: 1. hoe dit beleid zal worden uitgevoerd in samenhang met de verantwoordelijkheid van het college inzake het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling en welke acties in de door het plan bestreken periode zullen worden ondernomen; “De organisatie van het AMHK wordt niet in de Jeugdwet is geregeld. Daarom is het belangrijk om in te gaan op de wijze waarop het beleid in het kader van de Jeugdwet wordt uitgevoerd in samenhang met de organisatie van het AMHK. Van de gemeenteraad wordt concreet beleid verwacht en daarom schrijft dit onderdeel voor dat in het plan wordt opgenomen welke acties zullen worden ondernomen.” Blz. 112-113 1. Gemeenten Nee  Maak één beleidsplan sociaal domein.  Het beleidsplan moet voor 1 november 2014 zijn vastgesteld door de gemeenteraad. c. welke resultaten de gemeente in de door het plan bestreken periode wenst te behalen en hoe gemeten zal worden of deze resultaten zijn behaald; “Onderdeel c vraagt van de gemeenteraad niet alleen om beleid te vormen over de te behalen resultaten gedurende de periode die het plan bestrijkt, maar ook om zicht te hebben en te houden op de effecten van het beleid op maatschappelijk en individueel niveau.” Blz. 113 d. hoe wordt gewaarborgd dat de jeugdhulpaanbieder voldoet aan de eisen inzake de verantwoordelijkheidstoedeling, gesteld bij of krachtens artikel 4.1.1, tweede lid, juncto 4.1.4, eerste lid, en “Dit ziet op de professionalisering van de jeugdhulp, waarover in het algemeen deel van de memorie van toelichting nader wordt ingegaan in hoofdstuk 6, paragraaf 6.5 (blz. 39 t/m 42).” Blz. 39 t/m 42 Blz. 113 e. op welke wijze de gemeenteraad en het college zich hebben vergewist van de behoeften van kleine doelgroepen. “Hierbij moet gedacht worden aan kleine groepen jeugdigen die hoog specialistische zorg nodig hebben. Gezien de schaalgrootte zullen zich per gemeente niet veel van dit soort gevallen voordoen. Dit neemt echter niet weg dat de gemeente wel verantwoordelijk is voor de benodigde jeugdhulp ten behoeve van deze jeugdigen. In het beleidsplan moet de gemeente aangeven op welke manier ze dat gaat doen.” Blz. 113 3. Het plan wordt, voor zover het de afstemming van en effectieve samenwerking met het onderwijs betreft, niet vastgesteld dan nadat over een concept van het plan op overeenstemming gericht overleg heeft plaatsgevonden met het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 18a van de Wet op het primair onderwijs en het samenwerkingsverband, bedoeld in artikel 17a van de Wet op het voortgezet onderwijs. Het overleg met deze samenwerkingsverbanden vindt plaats overeenkomstig een procedure, vastgesteld door het samenwerkingsverband en het college van de gemeente of gemeenten. De procedure bevat een voorziening voor het beslechten van geschillen. “In het overleg met betrekking tot het conceptbeleidsplan worden afspraken gemaakt met het onderwijs over de inzet van gemeenten.” Blz. 113 1. Gemeenten 2. Schoolbesturen  Handreiking verbinding passend onderwijs en zorg voor jeugd  www.passendonderwijs.nl 13 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 14. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 14 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 2.3 Toegang (inclusief zorgtoewijzing) regelen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van Toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise14 2.3 1. Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening, waardoor de jeugdige in staat wordt gesteld: a. gezond en veilig op te groeien; b. te groeien naar zelfstandigheid, en c. voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren, rekening houdend met zijn leeftijd en ontwikkelingsniveau. Jeugdhulpplicht “Deze opdracht aan de gemeente, de jeugdhulpplicht, is te vergelijken met de compensatieplicht in de Wmo. Ook daar heeft de gemeente de opdracht om door een te treffen voorziening een beperking van personen te compenseren, zodat deze personen (weer) mee kunnen doen aan de samenleving.” Blz. 114-119 1. Gemeenten Nee  Handreiking functioneel ontwerp zorg voor jeugd  Handreiking sociale wijkteams in ontwikkeling 2. Voorzieningen op het gebied van jeugdhulp omvatten voor zover naar het oordeel van het college noodzakelijk in verband met een medische noodzaak of beperkingen in de zelfredzaamheid, het vervoer van een jeugdige van en naar de locatie waar de jeugdhulp wordt geboden. Vervoer “Als een jeugdige op grond van deze wet jeugdhulp ontvangt en in verband met een medische noodzaak of zijn gebrek aan zelfredzaamheid niet in staat is om zelfstandig van en naar de locatie te komen waar de jeugdhulp wordt gegeven, behoort tot de door het college te treffen voorziening, indien naar het oordeel van het college noodzakelijk, tevens het vervoer naar en van de locatie waar de jeugdhulp gegeven wordt, binnen of buiten de gemeentegrenzen.” Blz. 119 3. Indien een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, aangewezen is op permanent toezicht en die jeugdhulp als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder 2° of 3°, of verpleging als bedoeld bij of krachtens artikel 11 van de Zorgverzekeringswet ontvangt, treft het college indien naar zijn oordeel noodzakelijk, voorzieningen die de ouders in staat stellen hun rol als verzorgers en opvoeders te blijven vervullen. Kortdurend verblijf “Voor jeugdigen de leeftijd van achttien jaar wordt deze vorm van zorg naar de Jeugdwet gedecentraliseerd. Niet de voorziening staat centraal, maar het gewenste resultaat. Zo zou de gemeente er bijvoorbeeld ook voor kunnen kiezen om niet de jeugdige, maar juist de ouders, stiefouders of anderen die een jeugdige als behorend tot hun gezin verzorgen en opvoeden een aantal dagen uit de thuissituatie te halen en deze zo te ontlasten.” Blz. 119-120 4. Het college houdt bij de bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp redelijkerwijs rekening met: a. behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders, en b. de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de jeugdige en zijn ouders. Diversiteit “Er wordt geregeld dat bij het bepalen van de voorzieningen de gemeente rekening moet houden met de behoeften en persoonskenmerken van de aanvrager van de jeugdhulp. Het college dient daarnaast bij de vervulling van haar taken rekening te houden met de godsdienstige gezindheid, de levensovertuiging en de culturele achtergrond van de cliënt.” Blz. 120 5. Voor zover redelijkerwijs mogelijk, wordt de jeugdige en zijn ouders keuzevrijheid geboden met betrekking tot de activiteiten van jeugdhulp. Keuzevrijheid “De jeugdige en zijn ouders moeten een zekere keuzevrijheid hebben met betrekking tot de aan hen aangeboden activiteiten van jeugdhulp.” Blz. 120 2.5 1. Het college is er in ieder geval verantwoordelijk voor dat: g. jeugdhulp ook toegankelijk is na verwijzing door de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts. Verwijzing artsen “De huisartsen krijgen de bevoegdheid om naar alle vormen van jeugdhulp verwijzen. Om de regierol van de gemeenten in het stelsel te borgen is het noodzakelijk dat over de invulling van de verwijzingsmogelijkheid van de huisarts, de medisch specialist en de jeugdarts en de voorwaarden die hieraan kunnen worden gesteld goede afspraken tussen de partijen (onder andere gemeenten, huisartsen, medisch specialisten, zorgverzekeraars) worden gemaakt. De partijen worden hiertoe verplicht op grond van artikel 2.6, derde lid.” Blz. 124-125  Huisarts & gemeente : samen werken in de wijk  Ga om de tafel met de regionale huisartsenvereniging en met de ziekenhuizen in de regio. 14 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 15. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 15 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van Toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise15 2.6 1. Het college treedt bij het treffen van een individuele voorziening zo nodig in overleg met het bevoegd gezag van een school als bedoeld in artikel 1 van de Wet op het primair onderwijs, artikel 1 van de Wet op het voortgezet onderwijs, artikel 1 van de Wet op de expertisecentra of van een instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wet educatie en beroepsonderwijs, waar de jeugdige schoolgaand is. Overleg met Onderwijs “De gemeente krijgt hier de verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat bij de beoordeling of en welke individuele voorziening een jeugdige of zijn ouders nodig heeft, overleg wordt gepleegd met het bevoegd gezag van de betreffende school.” Blz. 125 1. Gemeenten 2. Schoolbesturen Nee  Handreiking verbinding passend onderwijs en zorg voor jeugd  www.passendonderwijs.nl 2. Ten aanzien van personen die onder verantwoordelijkheid van het college werkzaamheden verrichten met betrekking tot de toeleiding naar, advisering over en de bepaling van de aangewezen voorziening zijn de eisen inzake de verantwoordelijkheidstoedeling gesteld bij of krachtens artikel 4.1.1, tweede lid, juncto 4.1.4, eerste lid, van overeenkomstige toepassing. Het college verzekert zich bij het inzetten van de aangewezen voorziening ervan dat de jeugdhulpaanbieder in staat is te voldoen aan de eisen inzake de verantwoordelijkheidstoedeling gesteld bij of krachtens artikel 4.1.1, tweede lid, juncto 4.1.4, eerste lid. Kwaliteitsbewaking “Het tweede lid verklaart op de bij de gemeente werkzame personen die uitvoering geven aan de toeleiding naar jeugdhulp of die zelf jeugdhulp bieden, de eisen inzake de verantwoordelijkheidstoedeling als bedoeld in artikel 4.1.1, tweede lid, waarover bij amvb op grond van artikel 4.1.4, eerste lid, nadere regels kunnen worden gesteld, van overeenkomstige toepassing. Daarnaast dient het college zich ervan te verzekeren dat bij het inzetten van de aangewezen vorm van jeugdhulp, de betreffende jeugdhulpaanbieder in staat is te voldoen aan de eisen inzake de verantwoordelijkheidstoedeling gesteld krachtens artikel 4.1.1, tweede lid, juncto artikel 4.1.4, eerste lid. Dit ziet op de professionalisering van de jeugdhulp, waarover in het algemeen deel van deze memorie van toelichting nader wordt ingegaan in hoofdstuk 6, paragraaf 4.” Blz. 125 1. Gemeenten 2. Jeugdhulpaanbieders Nee 3. Het college maakt afspraken met de huisartsen, de medisch specialisten, de jeugdartsen en de zorgverzekeraars over de voorwaarden waaronder en de wijze waarop de verwijzing, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdeel g, plaatsvindt. Verwijzing artsen “In het derde lid is de verplichting neergelegd dat gemeenten afspraken maken met huisartsen, medisch specialisten, jeugdartsen en zorgverzekeraars over de invulling van het verwijsrecht en de voorwaarden die hieraan kunnen worden gesteld.” Blz. 125- 126 1. Gemeenten 2. Artsen 3. Zorgverzekeraars Nee  Huisarts & gemeente : samen werken in de wijk  Ga om de tafel met de regionale huisartsenvereniging en met de ziekenhuizen in de regio. 2.4 Afstemming met raad voor de kinderbescherming organiseren Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van Toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 2.4 1. Zodra het college tot het oordeel komt dat een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente overwogen moet worden, doet het college een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming. “De professionals werkzaam in de gemeente moeten alert zijn op aanwijzingen die aanleiding geven om een kinderbeschermingsmaatregel te overwegen. Het eerste lid regelt dat zodra de professional tot een dergelijk oordeel komt, de gemeente verplicht is de raad voor de kinderbescherming van deze gevallen in kennis te stellen en een verzoek tot onderzoek te doen. De raad voor de kinderbescherming kan vervolgens een onderzoek naar de noodzaak van een kinderbeschermingsmaatregel starten.” Blz. 121 1. Gemeenten 2. Raad voor de kinderbescherming Nee 2.5 Gedwongen kader organiseren Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van Toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 2.4 2. Het college is ten behoeve van een jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente verantwoordelijk voor de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregelen, van de jeugdreclassering en van de jeugdhulp die voortvloeit uit een strafrechtelijke beslissing, hetgeen in ieder geval inhoudt dat het college: a. voorziet in een toereikend aanbod van gecertificeerde instellingen, en b. de jeugdhulp inzet die de gecertificeerde instelling nodig acht ter uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel, of die de rechter, het openbaar ministerie, de directeur of de selectiefunctionaris van de justitiële jeugdinrichting of de gecertificeerde instelling nodig achten ter uitvoering van jeugdreclassering. “Een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering wordt – onder verantwoordelijkheid van de gemeente - uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. Hier geldt een leveringsplicht voor gemeenten. Het is de plicht van de gemeente om over een toereikend aanbod van gecertificeerde instellingen te beschikken, zodat zeker is gesteld dat de uitspraak van de rechter – of een andere instantie - kan worden uitgevoerd. Bij een kinderbeschermingsmaatregel is de gecertificeerde instelling bevoegd te bepalen dat de jongeren aanvullende hulp nodig heeft. Bij jeugdreclassering is het niet alleen de gecertificeerde instelling die deze bevoegdheid heeft, maar kunnen ook andere instanties besluiten dat jeugdhulp nodig is. Deze andere instanties zijn de rechter, de officier van justitie, de directeur van de JJI, en de selectiefunctionaris van de JJI. In al deze gevallen moet deze jeugdhulp uiteraard beschikbaar zijn. Ook hier geldt een leveringsplicht voor de gemeente.” Blz. 121 1. Gemeenten 2. Gecertificeerde instellingen  Handreiking Jeugdzorgplus 15 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 16. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 16 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 2.6 Kwalitatief en kwantitatief aanbod organiseren Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van Toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise16 2.5 1. Het college is er in ieder geval verantwoordelijk voor dat: a. er een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod is om aan de taken als bedoeld in de artikelen 2.2, 2.3 en 2.4, tweede lid, onderdeel b, te kunnen voldoen; “De gemeente moet ondersteuning, hulp en zorg ingekocht of gecontracteerd hebben die jeugdigen en hun ouders nodig hebben.” Blz. 121 – 122 1. Gemeenten Nee 2.7 Laagdrempelige en herkenbare jeugdhulp organiseren Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 2.5 1. Het college is er in ieder geval verantwoordelijk voor dat: b. jeugdhulp op een laagdrempelige en herkenbare manier wordt aangeboden en te allen tijde bereikbaar en beschikbaar is in situaties waar onmiddellijke uitvoering van taken is geboden; “Het wordt aan de beleidsvrijheid van de gemeenten overgelaten hoe ze er voor zorgen dat voorzien wordt in herkenbare, laagdrempelige en toegankelijke toegang tot de hulpverlening. Hiervoor zou de gemeente bijvoorbeeld een inlooppunt kunnen inrichten, zoals een cjg, maar ook een andere manier is mogelijk. De jeugdhulp moet verder altijd bereikbaar en beschikbaar zijn in acute situaties.” Blz. 122 1. Gemeenten Nee  Benut de opgebouwde expertise van het CJG in uw regio. 2.8 Consultatiefunctie organiseren Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 2.5 1. Het college is er in ieder geval verantwoordelijk voor dat: c. degenen die beroepsmatig met jeugdigen werken deskundig advies kunnen krijgen over vragen en problemen met betrekking tot opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; “De consultatiefunctie houdt in dat de gemeente verantwoordelijk wordt om advies te geven aan degene die beroepsmatig met jeugdigen werkt en die zich zorgen maakt om een minderjarige. Het gaat dan om leerkrachten, crècheleidsters en jeugdhulpverleners. Deze personen moeten weten waar zij met hun vragen heen kunnen en de gemeente is er verantwoordelijk voor dat de vragen op een adequate wijze worden beantwoord.” Blz. 122 1. Gemeenten Nee  Benut opgebouwde expertise over consultatiefunctie uit de Wmo. 2.9 Kosteloos en anoniem advies organiseren Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 2.5 1. Het college is er in ieder geval verantwoordelijk voor dat: d. jeugdigen kosteloos en anoniem advies kunnen krijgen over de door hen voorgelegde vragen met betrekking tot opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen; “Onder de opdracht aan de gemeente wordt ook gevat dat de gemeente aandacht besteedt aan de gratis advisering van jeugdigen over door hen al dan niet anoniem voorgelegde vragen of problemen. Hiermee wordt de voortzetting van de huidige kindertelefoon beoogd.” Blz. 122-123 1. Gemeenten Nee  Benut de opgebouwde expertise van de Kindertelefoon. 2.10 Maatregelen bestrijding kindermishandeling opstellen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 2.5 1. Het college is er in ieder geval verantwoordelijk voor dat: e. wordt voorzien in maatregelen om kindermishandeling te bestrijden; “De gemeenten voeren regie over de brede ketenaanpak van huiselijk geweld en kindermishandeling. Van gemeenten wordt ook verwacht dat zij de krachten op dit vlak op bovenlokaal niveau bundelen en dat het stoppen en behandelen van schadelijke gevolgen van geweld en kindermishandeling op een geïntegreerde wijze wordt aangepakt.” P. 123 1. Gemeenten Nee  Handreiking regiovisie huiselijk geweld en kindermishandeling  Factsheet meldcode  Actieplan aanpak kindermishandeling 2012 - 2016 16 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 17. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 17 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 2.11 Vertrouwensfunctie organiseren Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise17 2.5 2. Het college is er in ieder geval verantwoordelijk voor dat: 6. jeugdigen, ouders, pleegouders of netwerkpleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon, en “De gemeente krijgt, net als nu de provincie, de taak om ervoor zorg te dragen dat jeugdigen, hun ouders en pleegouders een beroep kunnen doen op een vertrouwenspersoon. De gemeente is derhalve verantwoordelijk voor de financiering van deze vertrouwenspersoon. De vertrouwenspersoon dient werkzaam te zijn bij een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid die onafhankelijk van het college en de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling of het AMHK en van personen in dienst van het college of de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling of het advies- en meldpunt opereert.” Blz. 123 1. Gemeenten Nee  Benut de opgebouwde expertise van Bureau Jeugdzorg over de vertrouwensfunctie. 2.12 Intergemeentelijke samenwerking organiseren Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraag door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 2.7 1. De colleges werken met elkaar samen, indien dat voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van deze wet aangewezen is. “Voor de goede uitvoering van een aantal taken zal het noodzakelijk zijn dat gemeenten met elkaar samenwerken. Denk hierbij aan taken op het terrein van de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering, gesloten jeugdhulp, vormen van gespecialiseerde jeugdhulp, de inrichting van een AMHK en de kindertelefoon. Er is in dit wetsvoorstel in eerste instantie niet voor gekozen om de samenwerking voor al deze taken expliciet te regelen, doch om de colleges te verplichten om indien dit aangewezen is voor een doeltreffende en doelmatige uitvoering van deze wet met elkaar samen te werken. Gemeenten krijgen dus de verantwoordelijkheid om zelf deze samenwerking te organiseren op de onderwerpen waarvoor dit nodig is.” Blz. 126 1. Gemeenten Ja 2. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen gebieden worden aangewezen waarbinnen colleges voor de uitvoering van daarbij aan te wijzen taken samenwerken met het oog op een samenhangende uitvoering van aan de colleges bij of krachtens deze wet en andere wetten opgedragen taken. Bij die maatregel kunnen regels worden gesteld over de vorm van samenwerking. “Indien blijkt dat één jaar voor de inwerkingtreding van het wetsvoorstel de samenwerkingsverbanden niet landelijk dekkend zijn of indien blijkt dat de gekozen schaalgrootte niet adequaat is, kunnen bij amvb gebieden worden aangewezen waarbinnen colleges voor bepaalde taken samen dienen te werken. Daarbij kunnen ook regels worden gesteld over de vorm van samenwerking.” Blz. 127 3. De voordracht voor de maatregel wordt gedaan door Onze Ministers in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties. De voordracht voor een amvb waarin samenwerking opgelegd wordt, zal worden gedaan in overeenstemming met de Minister van BZK, vanwege zijn verantwoordelijkheid inzake de decentrale overheden en zijn rol als coördinerend bewindspersoon van de ministeriële commissie decentralisaties. Blz. 127 17 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 18. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 18 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 2.13 Verordening opstellen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise18 2.8 De gemeenteraad stelt bij verordening en met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens deze wet in ieder geval regels: a. over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen, met betrekking tot de voorwaarden voor toekenning en de wijze van beoordeling van, en de afwegingsfactoren bij een individuele voorziening; “De gemeente dient regels te stellen over de door het college te verlenen individuele voorzieningen en overige voorzieningen. Het gaat dan om regels omtrent het aanbod, de voorwaarden voor toekenning van een individuele voorziening, de wijze van beoordeling van en de afwegingsfactoren bij de verlening van een individuele voorziening.” Blz. 127 1. Gemeenten Nee b. over de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening wordt afgestemd met andere voorzieningen op het gebied van zorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen, en “De gemeente dient op grond van onderdeel b in haar verordening de wijze waarop de toegang tot en de toekenning van een individuele voorziening plaatsvindt, af te stemmen met andere voorzieningen op het gebied van zorg (curatieve en langdurige zorg), onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen. Te denken valt hierbij aan een voorziening die een jeugdige ontvangt op grond van de AWBZ of de Zorgverzekeringswet en een voorziening op het gebied van passend onderwijs. Ook hiermee wordt de burger rechtszekerheid geboden.” Blz. 127 c. op welke wijze de hoogte van een budget als bedoeld in artikel 8.1.1 wordt vastgesteld. “De Jeugdwet geeft de jeugdige en zijn ouder echter ook de mogelijkheid te kiezen voor de verstrekking van een budget, waarmee hij in de gelegenheid wordt gesteld de jeugdhulp zelf in te kopen. Onderdeel c draagt de gemeenteraad op in de verordening te bepalen hoe de hoogte van het budget wordt vastgesteld; dat zal, gegeven het maatwerkkarakter van de te verstrekken individuele voorziening, per jeugdhulpvorm kunnen verschillen.Hier is van belang dat de hoogte van het budget, wil een budget voor de jeugdige of zijn ouders een zinvol alternatief zijn, zodanig zal moeten zijn dat deze met het budget de vastgestelde jeugdhulp ook werkelijk kan inkopen, terwijl anderzijds voor de gemeente van belang is dat dit alternatief slechts zinnig zal zijn wanneer het budget lager is dan de kosten van een voorziening die voor een gemeente door een aanbieder wordt geleverd. De gemeenten kunnen in de verordening differentiëren tussen de hoogte van het budget voor professionele jeugdhulp en niet- professionele jeugdhulp.” Blz. 127- 128 2.14 Wmo artikelen vertalen naar jeugdhulpbeleid Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraag door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 2.9 De artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, 11 en 12 van de Wet maatschappelijke ondersteuning zijn van overeenkomstige toepassing. Cliënttevredenheid “Artikel 9, eerste lid onderdeel a, van de Wmo antwoord op de vraag of een gemeente een goed beleid voert, is in belangrijke mate afhankelijk van het oordeel van degenen voor wie de jeugdhulp bedoeld is. Toetsing van de tevredenheid vanuit hun perspectief is derhalve onmisbaar. De methode waarop het tevredenheidsonderzoek gebaseerd is moet de goedkeuring kunnen wegdragen van cliëntenorganisaties. De gemeente is verplicht om deze cliënttevredenheidsgegevens jaarlijks te publiceren. Participatie Artikel 11 van de Wmo is bedoeld om de participatie van ingezetenen bij het beleid inzake jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering te stimuleren. Artikel 12 van de Wmo ziet toe op het betrekken van ingezetenen bij het vormgeven van het beleid ten aanzien van jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. Dit wordt bevorderd door de verplichting advies te vragen aan vertegenwoordigers van representatieve organisaties van de kant van vragers op het gebied van jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering.” Blz. 128 1. Gemeenten Nee  Benut opgebouwde expertise uit de Wmo. 18 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 19. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 19 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 2.15 Procedure ‘rol gemeente’ opstellen bij overgang personeel naar nieuwe jeugdhulpaanbieder Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise19 2.10 Indien het college met een jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling een overeenkomst heeft gesloten, ziet het college er op toe dat de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling met degenen die vóór hem in opdracht van het college jeugdhulp leverden of kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering uitvoerden, in overleg treedt over de overname van het betrokken personeel. “Indien de gemeente na een openbare aanbesteding in zee gaat met een andere jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling, is het mogelijk dat een of meer aanbieders of instellingen die hun diensten voorheen namens de gemeente leverden, niet langer voor het leveren daarvan worden gecontracteerd of een contract krijgen voor een (aanzienlijk) lagere hoeveelheid hulp. De regering hecht eraan dat, ook in het belang van jeugdigen, zoveel mogelijk wordt gewaarborgd dat medewerkers hun werk kunnen houden na beëindiging van een overeenkomst tussen een gemeente en een jeugdhulpaanbieder of een gecertificeerde instelling bij het sluiten van een nieuwe overeenkomst met een andere aanbieder of instelling. Daarom is in de Jeugdwet bepaald dat het college erop heeft toe te zien dat de nieuwe aanbieder of instelling met de ‘voorgangers’ overleggen over de overname van het betrokken personeel. Het lijkt voor de hand te liggen dat de gemeente het voeren van het overleg in aanbestedingsbestekken opneemt, waardoor zij een eigen contractueel recht heeft om naleving te eisen.” Blz. 128 -129 1. Gemeenten 2. Jeugdhulpaanbieders 3. Gecertificeerde instellingen 4. Vakbonden Nee 2.16 Mogelijke AMVB deskundigheidsbevordering en toereikend aanbod vertalen naar jeugdhulpbeleid Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 2.11 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de beschikbare deskundigheid voor de toeleiding, advisering en bepaling van de aangewezen voorziening, bedoeld in artikel 2.3, eerste lid, alsmede voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 2.5, eerste lid, onderdelen b en c. “Het eerste lid bepaalt dat er nadere regels gesteld moeten worden ten aanzien van de deskundigheid waarover de gemeente ten behoeve van de toeleiding, advisering en bepaling van de aangewezen vorm van jeugdhulp moet beschikken.” Blz. 129 1. Gemeenten Ja 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het college voorziet in een toereikend aanbod om aan de taken als bedoeld in artikel 2.3 te voldoen, waarbij onderscheid gemaakt kan worden in categorieën van jeugdhulp. “Het tweede lid bepaalt dat er regels gesteld kunnen worden over de wijze waarop het college voorziet in een toereikend aanbod om aan de taken bedoeld in artikel 2.3 te voldoen. Dit biedt de grondslag om regels te stellen over een inkoopmodel voor bijvoorbeeld specialistische zorg, waarbij het aangewezen kan zijn om daarvoor gebruik te maken van een derde die deze zorg landelijk inkoopt voor de gemeenten.” Blz. 129-130 2.17 Procedure voor college opstellen bij aanwijzing Rijk Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraag door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 2.12 1. Onze Ministers kunnen, indien zij met betrekking tot de rechtmatige uitvoering van deze wet ernstige tekortkomingen vaststellen, aan het college, nadat het college gedurende acht weken in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen, een aanwijzing geven. Zij treden daarbij niet in de besluitvorming inzake individuele gevallen. “Het eerste lid biedt de ministers de mogelijkheid om bij ernstige tekortkomingen ter zake van de rechtmatigheid van de uitvoering van deze wet de gemeente een aanwijzing te geven.” Blz. 130 1. Gemeenten Nee 2. In de aanwijzing wordt een termijn opgenomen waarbinnen het college de uitvoering in overeenstemming heeft gebracht met de aanwijzing. “In deze wet heeft de aanwijzing het karakter van een opdracht aan de gemeente om binnen een door de ministers gestelde termijn tot wetsconforme uitvoering over te gaan. Hiermee krijgt de aanwijzing een beperkter karakter dan in de Awb. Daarentegen blijft onveranderd dat van de bevoegdheid tot het geven van een aanwijzing terughoudend gebruik zal worden gemaakt, dat het college in de gelegenheid wordt gesteld zijn zienswijze te geven, dat de aanwijzing wordt gepubliceerd in de Staatscourant en dat de ministers met de aanwijzing niet treden in individuele gevallen.” Blz. 130 19 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 20. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 20 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 3. Gecertificeerde instellingen 3.1 Afstemming met raad voor de kinderbescherming organiseren Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise20 3.1 1. De raad voor de kinderbescherming onderzoekt de noodzaak tot het treffen van een kinderbeschermingsmaatregel indien het college, een daartoe door het college aangewezen jeugdhulpaanbieder, een gecertificeerde instelling of het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling hiertoe een verzoek heeft gedaan. “Het eerste lid bepaalt dat de raad voor de kinderbescherming in beginsel alleen een melding in behandeling neemt, indien deze melding afkomstig is van het college. De gemeente moet haar verantwoordelijkheid voor het jeugdbeleid kunnen waarmaken en dus op de hoogte zijn van wat er met jongeren en gezinnen gebeurt, niet in de laatste plaats omdat de gemeente ook de financiële verantwoordelijkheid draagt. Het is aan het college om deze taak vorm te geven. Zo kan het college rechtstreeks een jeugdhulpaanbieder aanwijzen, waar deskundigen werkzaam zijn die contacten onderhouden met zowel de raad als met de wijkteams die lokaal diensten verlenen. Deze jeugdhulpaanbieder bekijkt of kan worden volstaan met vrijwillige hulp en levert deze dan direct. Indien deze hulpverlening echter stagneert en er substantiële risico’s zijn ten aanzien van de ontwikkeling van de minderjarige, wendt de jeugdhulpaanbieder zich tot de raad voor de kinderbescherming. De gemeente is ook verantwoordelijk voor het inrichten van een AMHK. Dit AMHK zal bovenlokaal gaan functioneren. Op grond van dit artikel kan het AMHK ook rechtstreeks melden bij de raad voor de kinderbescherming. Deze mogelijkheid heeft het risico in zich dat de gemeente buiten de civiele keten wordt gehouden, omdat professionals met zorgen (leerkrachten, huisartsen en andere vindplaatsen) zich direct tot het AMHK wenden en deze direct weer bij de raad melden. Daarom is het AMHK verplicht om in deze situaties de gemeente op de hoogte te stellen (artikel 12a, eerste lid, onderdeel f, Wmo).” Blz. 131 1. Gemeenten 2. Raad voor de kinderbescherming Nee  Informeer bij Bureau Jeugdzorg hoe op dit moment de afstemming met de raad voor de kinderbescherming is geregeld. 2. Tevens kan de raad voor de kinderbescherming een onderzoek als bedoeld in het eerste lid doen, indien: a. sprake is van een acute en ernstige bedreigende situatie voor de minderjarige, of “Conform de huidige praktijk kan eenieder in uitzonderlijke gevallen direct melden aan de raad voor de kinderbescherming. Het gaat om acute en ernstig bedreigende situaties (onderdeel a). Blz. 131 b. bij de uitvoering van enige andere wettelijke taak van de raad voor de kinderbescherming blijkt dat er sprake is van een geval waarbij een kinderbeschermingsmaatregel overwogen dient te worden. Onderdeel b regelt de mogelijkheid dat de raad een reeds bestaand onderzoek kan uitbreiden naar een kinderbeschermingsonderzoek.” 3. De raad voor de kinderbescherming doet van een onderzoek als bedoeld in het tweede lid onverwijld mededeling aan het college of een daartoe door het college aangewezen jeugdhulpaanbieder. “Als iemand rechtstreeks bij de raad meldt, of de raad zelf een onderzoek in bovengenoemde zin uitbreidt, dan doet de raad daarvan mededeling aan de gemeente, zodat de gemeente geïnformeerd blijft over de ontwikkelingen.” Blz. 131 4. De gecertificeerde instelling die een verzoek tot onderzoek als bedoeld in het eerste lid heeft gedaan, doet daarvan onverwijld mededeling aan het college of aan een daarvoor door het college aangewezen jeugdhulpaanbieder. “Indien de gecertificeerde instelling een verzoek tot onderzoek doet, moet de gecertificeerde instelling hier melding van doen aan het college, opdat de gemeente geïnformeerd blijft.” Blz. 131 5. De raad voor de kinderbescherming en het college leggen de wijze van samenwerken vast in een protocol. “Deze bepalingen zijn deels ontleend aan artikel 60 van het Uitvoeringsbesluit. De raad en de gemeenten maken samenwerkingsafspraken en leggen dit vast in een protocol. Het is de bedoeling dat de raad en de gemeenten op landelijk niveau een kader afspreken, dat in de samenwerkingsverbanden nadere invulling krijgt. In het protocol komen in ieder geval afspraken omtrent de toeleiding naar het gedwongen kader, de samenwerking tijdens het raadsonderzoek, de afronding van het raadsonderzoek en de samenwerking tijdens de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel. Ook voor jeugdreclassering worden dergelijke afspraken gemaakt.” Blz. 132 6. In het protocol wordt in ieder geval vastgelegd de wijze waarop de raad voor de kinderbescherming en het college overleggen over welke gecertificeerde instelling in het verzoekschrift aan de rechter wordt opgenomen. 20 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 21. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 21 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 3.2 Uitvoering door gecertificeerde instellingen organiseren Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraag door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise21 3.2 1. Een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering wordt uitsluitend uitgevoerd door een gecertificeerde instelling. “Kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering kunnen uitsluitend worden uitgevoerd door gecertificeerde instellingen.” Blz. 132 1. Gecertificeerde instellingen Nee  Factsheet Certificering 2. Een gecertificeerde instelling biedt geen jeugdhulp aan. “Op grond van artikel 2.4, tweede lid, onder b, is de gecertificeerde instelling in het kader van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering bevoegd te bepalen dat een jeugdige jeugdhulp nodig heeft en geldt een leveringsplicht voor de gemeente. De (gezins)voogdijwerker en de jeugdreclasseerder, werkzaam bij de gecertificeerde instelling, leveren die niet zelf, maar dienen hiervoor een jeugdhulpaanbieder in te schakelen. De (gezins)voogdijwerker en de jeugdreclasseerder zijn primair casusregisseurs en geen hulpverleners. Het ligt in de rede dat een gecertificeerde instelling niet tevens jeugdhulp kan aanbieden. Dat zou immers kunnen leiden tot belangenverstrengeling, omdat de (gezins)voogdijwerker en de jeugdreclasseerder dan jeugdhulp van de eigen organisatie kunnen inschakelen.” Blz. 132 3.3 1. Onze Minister van Veiligheid en Justitie wijst de certificerende instelling aan. “De Minister van VenJ wijst de instelling aan die de certificaten mag verstrekken: de certificerende instelling. De Minister van VenJ is ook bevoegd om de aanwijzing in te trekken als de certificerende instelling niet naar behoren functioneert.” Blz. 133 1. Ministerie van VenJ 2. Certificerende instelling 3. Gecertificeerde instellingen 2. De certificerende instelling, bedoeld in het eerste lid, beslist op aanvraag over de afgifte van een certificaat en een voorlopig certificaat en is bevoegd een afgegeven certificaat in te trekken of te schorsen. “Het is thans nog niet duidelijk welke instelling aangewezen zal worden; wel is duidelijk dat hiervoor geen nieuwe zbo zal worden opgericht, maar dat de taak belegd zal worden bij een reeds bestaande zbo, tevens keuringsinstantie. De certificerende instelling kan een certificaat schorsen of intrekken wanneer een organisatie niet meer aan de vereisten ter zake voldoet en ook houdt zij controle op de gecertificeerde instellingen via de periodieke verlenging van de certificaten. In een dergelijk geval wordt de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering overgedragen aan een of meer andere gecertificeerde instellingen. De raad voor de kinderbescherming dient daartoe, na overleg met de gemeenten, onverwijld een verzoek in bij de kinderrechter.” 3. Een certificaat of een voorlopig certificaat wordt afgegeven als de aanvrager voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde voorschriften. 4. Onze Minister van Veiligheid en Justitie stelt een normenkader vast, waaraan de aanvrager moet voldoen om een certificaat te verkrijgen. Daarin worden in ieder geval eisen opgenomen omtrent: a. de deskundigheid van de medewerker van de gecertificeerde instelling; b. de gehanteerde methodieken en interventies; c. de organisatie en haar processen, en d. de samenwerking met andere organisaties. “De branche, de VNG en gemeenten en het Rijk overleggen over een normenkader, onder andere op basis van de wettelijke eisen die worden gesteld aan de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en de jeugdreclassering. De Minister van VenJ stelt het normenkader vast en is verantwoordelijk voor de normen die daarin zijn vastgelegd. Een certificaat wordt toegekend als de gecertificeerde instelling voldoet aan de wettelijke kwaliteitseisen en aan het normenkader. In het vierde lid zijn de onderwerpen opgesomd die in ieder geval deel zullen uitmaken van de certificering van de instellingen.” Blz. 133-134 5. Een certificaat wordt afgegeven voor een periode van vijf jaar en een voorlopig certificaat wordt afgegeven voor een periode van twee jaar. “Naar aanleiding van het advies van Actal is gekozen om de geldigheidsduur van het certificaat te verhogen van vier naar vijf jaar. Voor nieuwe toetreders is het voorlopig certificaat bedoeld. Een voorlopig certificaat geldt voor een periode van twee jaar. Na twee jaar wordt bezien of definitief een certificaat kan worden afgegeven. Dit is de minimale termijn waarop de instelling een trackrecord kan opbouwen, gezien de doorlooptijd van de maatregelen.” Blz. 134 6. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over: a. de eisen waaraan de certificerende instelling, bedoeld in het eerste lid, moet voldoen en het toezicht door Onze Minister van Veiligheid op deze instelling; b. de wijze waarop de aanvraag voor een certificaat of een voorlopig certificaat wordt gedaan en de gegevens die de aanvrager daarbij verstrekt; c. de gronden waarop en de gevallen waarin een certificaat wordt geschorst of ingetrokken, en d. de vergoeding van de kosten die zijn verschuldigd in verband met de afgifte van een certificaat of voorlopig certificaat “De amvb zal onder meer bepalingen bevatten over de verhouding tussen de Minister van VenJ en de certificerende instelling. De ministeriële verantwoordelijkheid brengt met zich dat de minister toeziet op de rechtmatigheid en doeltreffendheid van de uitvoering van de taken.” Blz. 134 Ja 21 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 22. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 22 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 3.3 Afstemming tussen gecertificeerde instellingen en gemeenten organiseren Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise22 3.4 1. De gecertificeerde instelling bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp is aangewezen in het kader van de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Zij overlegt hiertoe met het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. “Dit artikel regelt dat de gecertificeerde instelling kan bepalen welke jeugdhulp de jongere nodig heeft. De instelling wordt verplicht om met de gemeente hierover te overleggen. In de praktijk zal de gecertificeerde instelling met een door de gemeente aangewezen deskundige overleggen. Hiermee wordt de samenwerking tussen de gemeente en de gecertificeerde instelling geborgd.” Blz. 134 1. Gemeenten 2. Gecertificeerde instellingen Nee  Informeer bij Bureau Jeugdzorg hoe op dit moment de afstemming is geregeld. 2. De gecertificeerde instelling en het college leggen de wijze van overleggen vast in een protocol. “In het protocol worden in ieder geval afspraken omtrent het proces gemaakt. Dit kan bijvoorbeeld betreffen de wijze van aanleveren, reactietermijn en wijze van bespreken.” Blz. 134 3. Het eerste lid blijft buiten toepassing indien de verplichting tot het bieden van jeugdhulp rechtstreeks voortvloeit uit een strafbeschikking of een rechterlijke beslissing waarbij in jeugdreclassering is voorzien. “Het derde lid ziet op de situatie dat het strafrechtelijk vonnis reeds vormen van jeugdhulp specifiek benoemt. In dat geval is het niet noodzakelijk dat de jeugdhulp nogmaals door de gecertificeerde instelling wordt vastgesteld maar dient uitvoering te worden gegeven aan de rechterlijke uitspraak of de beslissing van de officier van justitie.” Blz. 134 3.4 Protocol verstrekken persoonsgegevens aan gecertificeerde instellingen opstellen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 3.5 1. Het college verstrekt de gecertificeerde instelling op haar verzoek terstond de algemene gegevens, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, onder 1 tot en met 6, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, die noodzakelijk kunnen worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen. “Het eerste lid bepaalt dat het college aan een gecertificeerde instelling gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie verstrekt die voor de gecertificeerde instelling noodzakelijk zijn om kindermishandeling te stoppen. Dit betreft slechts de gegevens bedoeld in artikel 34, eerste lid, onder a, onderdelen 1 tot en met 6, van de Wet GBA. Dit zijn gegevens over:  de burgerlijke staat;  curatele;  het gezag dat over de minderjarige wordt uitgeoefend;  de nationaliteit;  het verblijfsrecht van de vreemdeling;  de gemeente van inschrijving en het adres in die gemeente, alsmede over het verblijf in Nederland en het vertrek uit Nederland.” Blz. 135 1. Gemeenten 2. Gecertificeerde instellingen Nee Bestaande expertise? 2. In afwijking van artikel 103, eerste en tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens doet het college geen mededeling aan de betrokkene of degene die namens deze daarom verzoekt, over de verstrekking van hem betreffende gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie aan de gecertificeerde instelling, voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen. Voor de toepassing van artikel 110 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens heeft het achterwege blijven van een mededeling als hier bedoeld dezelfde gevolgen als het achterwege blijven van een mededeling ingevolge artikel 103, derde lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. “Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid voor het college om afwijzend te beslissen op een verzoek van een betrokkene om aan hem mede te delen of gegevens uit de basisadministratie aan een gecertificeerde instelling zijn verstrekt. Dit is slechts toegestaan voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van kindermishandeling te beëindigen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een (vermoedelijke) dader.” Blz. 135 22 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 23. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 23 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 4. Eisen aan jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen 4.1 Bestaand kwaliteitsbeleid doorlopen en zo nodig aanpassen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraag door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise23 4.1.1 1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling verlenen verantwoorde hulp, waaronder wordt verstaan hulp van goed niveau, die in ieder geval veilig, doeltreffend, doelmatig en cliëntgericht wordt verleend en die is afgestemd op de reële behoefte van de jeugdige of ouder. Verantwoorde hulp “Er is bewust gekozen voor de term ‘hulp’. Hiermee wordt gedoeld op zowel de jeugdhulp die een jeugdhulpaanbieder levert aan jeugdigen of ouders als op de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering door een gecertificeerde instelling. Voor de duidelijkheid zij vermeld dat een aanbieder van gesloten jeugdhulp ook een jeugdhulpaanbieder is in de zin van de Jeugdwet.” Blz. 136 1. Jeugdhulpaanbieders 2. Gertificeerde instellingen Nee 2. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling organiseren zich op zodanige wijze, voorzien zich kwalitatief en kwantitatief zodanig van personeel en materieel en dragen zorg voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, dat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp. De jeugdhulpaanbieder … of ouder. “Analoog aan artikel 3 van de Kwzi, waar ook reeds de artikelen 13, vierde lid, 15, en 25, eerste en derde lid, van de Wjz van waren afgeleid.” Blz. 136 3. De hulpverlener neemt bij zijn werkzaamheden de zorg van een goede hulpverlener in acht en handelt daarbij in overeenstemming met de op hem rustende verantwoordelijkheid, voortvloeiende uit de voor die hulpverlener geldende professionele standaard. “Evenals het begrip ‘verantwoorde hulp’ is het begrip ‘goed hulpverlener’ een globale norm, die mede door het veld verder moet (en kan) worden ingevuld. Gelet op het bepaalde in de eerste twee leden, zullen de jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen de hulpverleners de ruimte moeten bieden om te handelen conform die geldende beroepsnormen.” Blz. 136 4.1.2 1. In dit artikel en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder plan: hulpverleningsplan of plan van aanpak. Hulpverleningsplan “Bij de verlening van jeugdhulp wordt doorgaans de term ‘hulpverleningsplan’ gehanteerd, maar bij de uitvoering van Kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering spreekt men van ‘het plan van aanpak’.” Blz. 136 2. Het uitvoeren van artikel 4.1.1 omvat het werken op basis van een plan waarover is overlegd met de jeugdige en de ouders en dat is afgestemd op de behoeften van de jeugdige. “Een plan is een onderdeel van verantwoorde hulp, zoals opgenomen in artikel 4.1.1. Een goed hulpverlener zal zorgvuldig overleggen met de jeugdige en ouders over de verlening van de jeugdhulp of de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering. Om dat te waarborgen is in het tweede lid bepaald dat voordat het plan wordt vastgesteld, overlegd dient te worden met de jeugdige en de ouders.” Blz. 137 3. Indien sprake is van pleegzorg, vindt over het plan tevens overleg met de betrokken pleegouder plaats. “Wanneer een jeugdige pleegzorg ontvangt, is naast het overleg met de jeugdige en de ouders over het plan ook overleg nodig met de pleegouders. Het is nodig dit hier uitdrukkelijk te bepalen in verband met artikel 1.1, tweede lid, waarin is bepaald dat onder ouders in de zin van deze wet en de daarop berustende bepalingen niet de pleegouders wordt verstaan.” Blz. 137 4. Tenzij het de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering of gesloten jeugdhulp betreft, kan het plan mondeling overeen worden gekomen met de jeugdige en de ouders. Indien de jeugdige, een van de ouders of de gecertificeerde instelling dat wenst, wordt het plan binnen veertien dagen op schrift gesteld. “Niet in alle gevallen is het vereist dat het hulpverleningsplan op schrift wordt gesteld. Vanwege de aard van de hulpverlening geldt echter wel altijd de eis van schriftelijkheid wanneer het de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering of gesloten jeugdhulp betreft en ook als de jeugdige of de ouders daar zelf om vragen.” Blz. 137 5. Het plan wordt vastgesteld uiterlijk binnen zes weken nadat is komen vast te staan welke jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling betrokken wordt. “Het vijfde lid maakt duidelijk dat het plan tijdig vastgesteld dient te worden, namelijk voordat de hulp begint en binnen zes weken nadat duidelijk is wie de jeugdhulp zal verlenen of wie de kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering zal uitvoeren.” Blz. 137 6. Indien het plan betrekking heeft op pleegzorg, behoeft het plan de instemming van de pleegouder, voor zover het betreft de omschrijving daarin van zijn rol in het hulpverleningsproces en van de wijze waarop de begeleiding door de pleegzorgaanbieder plaatsvindt. “In het voorgestelde vierde lid wordt aan pleegouders een instemmingsrecht verleend in het kader van het vaststellen van het hulpverleningsplan, voor zover het betreft de omschrijving daarin van hun rol in het hulpverleningsproces. Deze instemming ziet ook op de wijze waarop de begeleiding van de pleegouders wordt vorm gegeven.” Blz. 137 23 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 24. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 24 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraag door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise24 4.1.3 1. Het uitvoeren van artikel 4.1.1, tweede lid, omvat mede de systematische bewaking, beheersing en verbetering van de kwaliteit van de hulpverlening. Kwaliteitssysteem “Het eerste lid van dit artikel is gelijkluidend aan artikel 4, eerste lid, van de Kwzi en artikel 40, tweede lid, van de Wet BIG.” Blz. 137 1. Jeugdhulpaanbieders 2. Gecertificeerde instellingen Nee 2. Ter uitvoering van het eerste lid draagt de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling, afgestemd op de aard en de omvang van de instelling, zorg voor: a. het op systematische wijze verzamelen en registreren van gegevens betreffende de kwaliteit van de hulp; b. het aan de hand van de gegevens, bedoeld onder a, op systematische wijze toetsen of de wijze van uitvoering van artikel 4.1.1, tweede lid, leidt tot verantwoorde hulp, en c. het op basis van de uitkomst van de toetsing, bedoeld onder b, zo nodig veranderen van de wijze waarop artikel 4.1.1, tweede lid, wordt uitgevoerd. “In het tweede lid is een aantal organisatorische eisen opgesomd, waaraan een jeugdhulpaanbieder en gecertificeerde instelling ter uitvoering van de plicht tot een systematische kwaliteitsbewaking, - beheersing en -verbetering moeten voldoen. De uitwerking van het systeem wordt aan de jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen overgelaten; zij is sterk afhankelijk van de aard en de omvang van de verlening van jeugdhulp.” Blz. 137 3. Onder kwaliteit van de hulpverlening, bedoeld in het eerste lid, wordt mede verstaan de begeleiding door de pleegzorgaanbieder van een pleegouder gedurende de plaatsing van een jeugdige. “Het derde lid regelt dat de begeleiding van pleegouders door een pleegzorgaanbieder tijdens de plaatsing van het pleegkind, onderdeel is van het kwaliteitssysteem als bedoeld in dit artikel. De begeleiding van pleegouders die belast zijn met voogdij als bedoeld in boek 1 van het BW behoeft minder intensief te zijn dan de begeleiding van pleegouders die niet tevens het gezag uitoefenen.” Blz. 137 4.1.4 1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien het niveau van de hulp dit vereist, nadere regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van de artikelen 4.1.1, tweede lid, 4.1.2 en 4.1.3. AMVB “Bij amvb nadere regels worden gesteld over de uitvoering van de bepalingen die zien op achtereenvolgens de wijze waarop de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling zich dienen te organiseren opdat een en ander leidt of redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde hulp, de beschikbaarheid van geestelijke verzorging, het hulpverleningsplan en het kwaliteitssysteem.” Blz. 138 Ja 2. Indien uitvoering van de artikelen 4.1.1, tweede lid, 4.1.2 en 4.1.3 overeenkomstig de op grond van het eerste lid gestelde regels niet blijkt te leiden tot verantwoorde hulp, kunnen bij algemene maatregel van bestuur tevens nadere regels worden gesteld met betrekking tot artikel 4.1.1, eerste lid. “Indien op grond van het eerste lid regels bij amvb zijn gesteld die toch niet leiden tot verantwoorde hulp, bestaat nog de mogelijkheid om op grond van het tweede lid nadere regels te stellen over de norm van verantwoorde hulp, als bedoeld in artikel 4.1.1, eerste lid.” Blz. 138 3. Bij algemene maatregel van bestuur worden eisen omtrent de bestuursstructuur alsmede omtrent waarborgen voor een ordelijke en controleerbare bedrijfsvoering gesteld aan bij die maatregel aan te wijzen categorieën van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. “Jeugdhulpaanbieders kunnen op grond van deze bepaling worden verplicht om gemeenten en andere stakeholders inzicht te bieden in de keuzes die zij hebben gemaakt op het terrein van de bestuursstructuur, goed bestuur en intern toezicht (‘governance’). Samen met de regels voor de jaarverslaglegging zorgen deze eisen voor een optimale transparantie van jeugdhulpaanbieders.” Blz. 138-139 4.1.5 1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling zijn in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van personen die in hun opdracht beroepsmatig of niet incidenteel als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders aan wie de jeugdhulpaanbieder jeugdhulp verleent of aan wie een kinderbeschermingmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd. Verklaring omtrent gedrag “Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen worden op grond van dit artikel verplicht om van personen die hun opdracht beroepsmatig of als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders aan wie zij jeugdhulp verlenen of aan wie een kinderbeschermingmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd, een verklaring omtrent gedrag (VOG) te hebben.” Blz. 139 Nee 2. Een verklaring als bedoeld in het eerste lid is niet eerder afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop betrokkene voor de jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling ging werken. “De VOG dient vóór aanvang van de werkzaamheden in bezit te zijn van de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling en dient actueel te zijn. De VOG mag daarom op het moment dat de betrokkene gaat werken voor de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling niet ouder zijn dan drie maanden.” Blz. 139 3. Indien de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling of een ingevolge artikel 9.2 met het toezicht belaste ambtenaar redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, verlangt deze dat die persoon zo spoedig mogelijk opnieuw een verklaring als bedoeld in het eerste lid overlegt, die niet ouder is dan drie maanden. “Indien een jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling of de inspectie redelijkerwijs mag vermoeden dat een persoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een VOG, zal opnieuw een VOG aangevraagd moeten worden. Wanneer blijkt dat geen nieuwe VOG kan worden afgegeven, zal moeten worden geconcludeerd dat de betreffende persoon niet meer voor de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling kan werken.” Blz. 140 4. De jeugdhulpaanbieder als bedoeld onder 2° in artikel 1, eerste lid, is in het bezit van een verklaring als bedoeld in het eerste lid van zichzelf, die niet ouder is dan drie jaar. “Het vierde lid regelt dat ook een jeugdhulpaanbieder die solistisch jeugdhulp verleent, dient te beschikken over een VOG van zichzelf.” Blz. 140 5. Bij algemene maatregel van bestuur kan, ten behoeve van de waarborging van verantwoorde hulp alsmede ten behoeve van het toezicht op en de handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde regels, een register worden ingesteld van jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en van personen als bedoeld in het eerste lid. Bij of krachtens die maatregel kunnen nadere regels worden gesteld over dat register. “Op grond van deze bepaling kan bij amvb een register worden ingesteld van jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en van personen die in opdracht daarvan beroepsmatig of als vrijwilliger in contact kunnen komen met jeugdigen of ouders aan wie de jeugdhulpaanbieder jeugdhulp verleent of aan wie een kinderbeschermingmaatregel of jeugdreclassering is opgelegd. Bij of krachtens die maatregel kunnen nadere regels worden gesteld over dat register.” Blz. 140 24 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 25. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 25 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraag door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise25 4.1.6 1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling stellen een meldcode vast waarin stapsgewijs wordt aangegeven hoe wordt omgegaan met signalen van huiselijk geweld of kindermishandeling. Verplichte meldcode Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen werken volgens de verplichte meldcode. Blz. 140-141 1. Jeugdhulpaanbieders 2. Gecertificeerde instellingen Nee  Factsheet verplichte meldcode 2. De meldcode is zodanig ingericht dat zij er redelijkerwijs aan bijdraagt dat zo snel en adequaat mogelijk hulp kan worden geboden. 3. De jeugdhulpaanbieder, bedoeld onder 1° in artikel 1, eerste lid, en de gecertificeerde instelling bevorderen de kennis en het gebruik van die meldcode onder degenen die voor hem werkzaam zijn. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur wordt vastgesteld uit welke elementen een meldcode in ieder geval bestaat. Ja 4.1.7 1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling doen aan de ingevolge deze wet met het toezicht belaste ambtenaren onverwijld melding van: a. iedere calamiteit die bij de verlening van jeugdhulp of bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering heeft plaatsgevonden, en b. geweld bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Meldplicht calamiteit “Jeugdigen en ouders staan bij de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering in een afhankelijkheidsrelatie tot de medewerker van de betreffen de aanbieder of instelling. Dit maakt hen extra kwetsbaar en daarom is van belang dat de toezichthouder onverwijld op de hoogte wordt gesteld wanneer in dat kader sprake is van een calamiteit of geweld. Op basis van de verplichte melding aan de toezichthouder kan deze de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling verzoeken vervolgens een feitenonderzoek naar de situatie te doen of zal de toezichthouder zelf onderzoek verrichten en bekijken hoe de handhaving verder moet worden ingericht om doelgericht tot verbetering te komen. Daarbij kunnen, indien nodig, straffe middelen worden ingezet.” Blz. 141 Nee 2. De jeugdhulpaanbieder, de jeugdhulpverlener en de gecertificeerde instelling verstrekken bij en naar aanleiding van een melding als bedoeld in het eerste lid aan de ingevolge deze wet met toezicht belaste ambtenaren de gegevens, daaronder begrepen persoonsgegevens, gegevens betreffende de gezondheid en andere bijzondere persoonsgegevens, die voor het onderzoeken van de melding noodzakelijk zijn. Art. 4.1.8 1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling stellen een vertrouwenspersoon in de gelegenheid zijn taak uit te oefenen. Vertrouwenspersoon “Artikel 4.1.8 bepaalt dat de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling de vertrouwenspersonen in de gelegenheid moeten stellen zijn taak uit te oefenen.” Blz. 141 Nee 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de taken en bevoegdheden van vertrouwenspersonen en de verplichtingen van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. “Bij amvb worden regels gesteld over de taken en bevoegdheden van de vertrouwenspersoon en de daarbij behorende verplichtingen van jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen, die eraan zullen bijdragen dat hij zijn onafhankelijke taak goed kan uitvoeren.” Ja 3. De rechtspersoon bij wie een vertrouwenspersoon werkzaam is, is in het bezit van een verklaring omtrent het gedrag als bedoeld in artikel 28 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens van die vertrouwenspersoon. Overeenkomstig de regeling van artikel 4.1.5, eerste tot en met derde lid, zijn de rechtspersonen die vertrouwenspersonen in dienst hebben, verplicht om van die vertrouwenspersonen een verklaring omtrent het gedrag te hebben. Nee 4. Een verklaring als bedoeld in het eerste lid is niet eerder afgegeven dan drie maanden voor het tijdstip waarop die vertrouwenspersoon voor de betreffende rechtspersoon ging werken. 5. Indien de betreffende rechtspersoon of een ingevolge artikel 9.2 met het toezicht belaste ambtenaar redelijkerwijs mag vermoeden dat een vertrouwenspersoon niet langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een verklaring als bedoeld in het eerste lid, verlangt deze dat die vertrouwenspersoon zo spoedig mogelijk opnieuw een verklaring als bedoeld in het eerste lid overlegt, die niet ouder is dan drie maanden. 25 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 26. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 26 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 4.2 Bestaande klachtenregeling doorlopen en zo nodig aanpassen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraag door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise26 4.2.1 1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling treffen een regeling voor de behandeling van klachten over gedragingen van hen of van voor hen werkzame personen jegens een jeugdige, ouder of pleegouder in het kader van de verlening van jeugdhulp, de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Zij brengen de regeling op passende wijze onder de aandacht van de jeugdigen, ouders en pleegouders. “Deze bepaling verplicht de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling om een klachtenregeling te treffen.” Blz. 142 - 144 1. Jeugdhulpaanbieders 2. Gecertificeerde instellingen Nee 2. De in het eerste lid bedoelde regeling: a. voorziet erin dat de klachten van de jeugdige, ouder of pleegouder worden behandeld door een klachtencommissie die bestaat uit ten minste drie leden, waaronder een voorzitter die niet werkzaam is voor of bij de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling; b. waarborgt dat aan de behandeling van een klacht niet wordt deelgenomen door een persoon op wiens gedraging de klacht rechtstreeks betrekking heeft; c. waarborgt dat de klachtencommissie binnen een in de regeling vastgelegde termijn na indiening van de klacht de klager, degene over wie is geklaagd en, indien dit niet dezelfde persoon is, de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling, schriftelijk en met redenen omkleed in kennis stelt van haar oordeel over de gegrondheid van de klacht, al dan niet vergezeld van aanbevelingen; d. waarborgt dat bij afwijking van de onder c bedoelde termijn de klachtencommissie daarvan met redenen omkleed mededeling doet aan de klager, degene over wie is geklaagd en, indien dit niet dezelfde persoon is, de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling, onder vermelding van de termijn waarbinnen de klachtencommissie haar oordeel over de klacht zal uitbrengen; e. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd door de klachtencommissie in de gelegenheid worden gesteld mondeling of schriftelijk een toelichting te geven op de gedraging waarover is geklaagd, en f. waarborgt dat de klager en degene over wie is geklaagd zich bij de behandeling van de klacht kunnen laten bijstaan. 3. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling zien erop toe dat de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, haar werkzaamheden verricht volgens een door deze commissie op te stellen reglement. 26 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 27. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 27 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat staat het in de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise27 4.2.1 4. Bij de klachtencommissie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel a, kan een klacht tegen een jeugdhulpaanbieder of een gecertificeerde instelling worden ingediend over een gedraging van hen of van voor hen werkzame personen jegens een jeugdige, ouder of pleegouder: a. door of namens de jeugdige, ouder of pleegouder, of b. door een nabestaande, indien de jeugdige, ouder of pleegouder is overleden. “Deze bepaling verplicht de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling om een klachtenregeling te treffen.” Blz. 142-144 1. Jeugdhulpaanbieders 2. Gecertificeerde instellingen Nee 5. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling delen de klager en de klachtencommissie, schriftelijk mee of hij naar aanleiding van dat oordeel maatregelen zal nemen en zo ja welke. Bij afwijking van de in de eerste volzin genoemde termijn, doen de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling daarvan met redenen omkleed mededeling aan de klager en de klachtencommissie, onder vermelding van de termijn waarbinnen de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling zijn standpunt aan hen kenbaar zal maken. 4.2.2 Indien een klacht zich richt op een ernstige situatie met een structureel karakter, stelt de klachtencommissie de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling daarvan in kennis. Indien de klachtencommissie niet is gebleken dat de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling ter zake maatregelen heeft getroffen, meldt de klachtencommissie deze klacht aan de ingevolge deze wet met het toezicht belaste ambtenaren. Onder een klacht over een ernstige situatie wordt verstaan een klacht over een situatie waarbij sprake is van onverantwoorde hulp. “Wanneer de klachtencommissie tot het oordeel komt dat de klacht betrekking heeft op een structureel ernstige situatie die niet langer mag voortduren, dient de klachtencommissie de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling van haar bevindingen op de hoogte te stellen. Als blijkt dat het management niet voornemens is adequaat te reageren en geen maatregelen neemt om de ernstige situatie te beëindigen, moet de klachtencommissie de betreffende situatie melden aan de met het toezicht belaste ambtenaar. Het gaat hierbij om ernstige, risicovolle situaties van structurele aard, en niet om een incident, hoe ernstig het probleem ook kan zijn. Wanneer de toezichthouder meldingen bereiken van klachtencommissies, dan zal de toezichthouder deze meldingen op een uniforme, geprotocolleerde wijze, behandelen en wel op de volgende manier. Nagegaan zal worden of het melden van de ernstige klacht volgens de wettelijk voorgeschreven procedure is verlopen.” Blz. 144 4.2.3 De artikelen 4.2.1 en 4.2.2 zijn niet van toepassing op klachten ten aanzien van jeugdigen die op grond van een andere wet onvrijwillig in een accommodatie zijn opgenomen, voor zover deze overeenkomstig een bijzondere wettelijke regeling door een klachtencommissie kunnen worden behandeld. “Dit artikel beoogt samenloop tussen de onderhavige klachtenbehandelingsregeling en specifieke wettelijke beklagregelingen voor onvrijwillig opgenomen jeugdigen, zoals die in het kader van ter beschikkingstelling en bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen, uit te sluiten.” Blz. 144 27 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 28. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 28 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 4.3 Bestaand beleid ‘medezeggenschap cliënten’ doorlopen en zo nodig aanpassen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise28 4.2.4 1. De artikelen 4.2.5 tot en met 4.2.12 zijn uitsluitend van toepassing op jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen die jeugdhulp doen verlenen onderscheidenlijk hun taken laten uitvoeren door in de regel meer dan tien personen. “Ingevolge dit artikel gelden de bepalingen inzake medezeggenschap voor alle jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen die meer dan tien medewerkers hebben die jeugdhulp verlenen onderscheidenlijk hun taken uitvoeren.” Blz. 145 1. Jeugdhulpaanbieders 2. Gecertificeerde instellingen Nee 2. Indien de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling de jeugdhulp onderscheidenlijk de uitvoering van haar taken zodanig heeft georganiseerd dat daarbij sprake is van meerdere te onderscheiden organisatorische verbanden of locaties, is het eerste lid van toepassing op ieder afzonderlijk verband of iedere afzonderlijke locatie. “Het tweede lid regelt dat als een jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling op meerdere locaties of in meerdere organisatorische verbanden actief is, er voor ieder te onderscheiden verband en iedere locatie een aparte cliëntenraad ingesteld dient te worden voor zover in die locaties of organisatorische verbanden de hulp wordt uitgevoerd door in de regel meer dan tien personen.” Blz. 145 4.2.5 1. Iedere jeugdhulpaanbieder en iedere gecertificeerde instelling stelt een cliëntenraad in, die binnen het kader van hun doelstelling in het bijzonder de gemeenschappelijke belangen van jeugdigen en ouders aan wie jeugdhulp wordt verleend of ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering wordt uitgevoerd, behartigt. “Het eerste lid van artikel 4.2.5 leggen de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling de verplichting op voor iedere door hen in stand gehouden instelling een cliëntenraad in het leven te roepen. De taak van de cliëntenraad behelst het binnen de doelstellingen van de instelling behartigen van de gemeenschappelijke belangen van de cliënten.” Blz. 145 2. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling regelen schriftelijk: a. het aantal leden van de cliëntenraad, de wijze van benoeming, welke personen tot lid kunnen worden benoemd en de zittingsduur van de leden, en b. de materiële middelen waarover de cliëntenraad ten behoeve van zijn werkzaamheden kan beschikken. “Het tweede lid verplicht de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling een regeling terzake vast te stellen, waarin wordt vastgesteld uit hoeveel leden de cliëntenraad bestaat, wie voor het lidmaatschap in aanmerking komen, hoelang de zittingsduur van de leden is en op welke wijze zij worden benoemd.” Blz. 145 3. De in het derde lid bedoelde regeling is zodanig dat de cliëntenraad: a. redelijkerwijze representatief kan worden geacht voor de jeugdigen en ouders aan wie jeugdhulp wordt verleend of ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering wordt uitgevoerd, en b. redelijkerwijze in staat kan worden geacht hun gemeenschappelijke belangen te behartigen. “De cliëntenraad moet representatief zijn te achten voor de cliënten van de instelling; dat impliceert dat de samenstelling van de raad zoveel mogelijk plaatsvindt met betrokkenheid van de jeugdigen en hun ouders of personen die geacht kunnen worden de belangen van de cliënten waar te nemen.” Blz. 146 4. De cliëntenraad regelt schriftelijk zijn werkwijze met inbegrip van zijn vertegenwoordiging in en buiten rechte. “In het vierde lid is bepaald dat de cliëntenraad zijn werkwijze schriftelijk moet regelen.” Blz. 146 5. De kosten van het voeren van rechtsgedingen door de cliëntenraad, bedoeld in artikel 4.2.11, tweede lid, komen slechts ten laste van de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling, indien deze van de te maken kosten vooraf in kennis zijn gesteld. “In het vijfde lid is bepaald dat de kosten van rechtsgedingen die de cliëntenraad voert tegen de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling, voor de rekening van de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling komen, mits deze daarvan tevoren op de hoogte is gesteld.” Blz. 146 6. Na vaststelling van de in het tweede lid bedoelde regeling treffen de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling de voorzieningen die op grond van die regeling noodzakelijk zijn voor de benoeming van de leden van de cliëntenraad. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling treffen de bedoelde voorzieningen opnieuw telkens wanneer de cliëntenraad gedurende twee jaren niet heeft gefunctioneerd wegens het ontbreken van het in de regeling vastgestelde aantal leden. “Het is wenselijk dat, indien het instellen van een cliëntenraad bij een instelling vooreerst feitelijk tot de onmogelijkheden behoort, de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling na verloop van een bepaalde periode opnieuw probeert een cliëntenraad te doen oprichten. Hierin voorziet het zesde lid.” Blz. 146 28 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 29. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 29 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise29 4.2.6 1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling stellen de cliëntenraad in ieder geval in de gelegenheid advies uit te brengen over elk voorgenomen besluit dat de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling of een of meer van de door een jeugdhulpaanbieder of gecertificeerde instelling in stand gehouden organisatorische verbanden of locaties betreft, inzake: a. een wijziging van de doelstelling of grondslag; b. het overdragen van de zeggenschap of fusie of het aangaan of verbreken van de samenwerking met een andere jeugdhulpaanbieder; c. de gehele of gedeeltelijke opheffing, verhuizing of ingrijpende verbouwing van de locatie waarin de jeugdhulp wordt geboden; d. een belangrijke wijziging in de organisatie; e. een belangrijke inkrimping, uitbreiding of andere wijziging van de werkzaamheden; f. het benoemen van personen die rechtstreeks de hoogste zeggenschap zullen uitoefenen bij de leiding van de arbeid; g. de begroting en de jaarrekening; h. het algemeen beleid inzake de aanvang en de beëindiging van de hulpverlening; i. voedingsaangelegenheden van algemene aard en het algemene beleid op het gebied van de veiligheid, de gezondheid of de hygiëne en de geestelijke verzorging van, de maatschappelijke bijstand aan en recreatiemogelijkheden en ontspanningsactiviteiten voor jeugdigen; j. de systematische bewaking, beheersing of verbetering van de kwaliteit van de te verlenen hulp; k. de vaststelling of wijziging van een regeling inzake de behandeling van klachten en de aanwijzing van personen die belast worden met de behandeling van klachten, bedoeld in artikel 4.2.1; l. wijziging van de regeling, bedoeld in artikel 4.2.5, tweede lid, en de vaststelling of wijziging van andere regelingen die gelden voor jeugdigen en ouders aan wie jeugdhulp wordt verleend of ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering wordt uitgevoerd, of m. het belasten van personen met de leiding van dat onderdeel van het jeugdhulpaanbod waarin gedurende het etmaal jeugdhulp wordt verleend aan jeugdigen die in de regel langdurig in de accommodatie verblijven. “In het eerste lid wordt onder a tot en met m een opsomming gegeven van de onderwerpen waarover de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling in ieder geval advies moeten vragen aan de cliëntenraad, wanneer hij het voornemen heeft terzake een besluit te nemen.” Blz. 146 1. Jeugdhulpaanbieders 2. Gecertificeerde instellingen Nee 2. Het advies wordt op een zodanig tijdstip gevraagd dat het wezenlijk van invloed kan zijn op het te nemen besluit. Het tweede lid eist, dat het advies van de cliëntenraad wordt gevraagd op een zodanig tijdstip dat hij nog wezenlijke invloed kan uitoefenen op het te nemen besluit. Blz. 147 3. De cliëntenraad is bevoegd de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling ook ongevraagd te adviseren inzake de in het eerste lid genoemde en andere onderwerpen die van belang zijn voor de jeugdigen en ouders aan wie jeugdhulp wordt verleend of ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering wordt uitgevoerd. De cliëntenraad is ook bevoegd ongevraagd advies te geven. Blz. 147 29 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 30. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 30 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise30 4.2.7 1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling nemen geen van een schriftelijk uitgebracht advies afwijkend besluit dan nadat daarover, voor zover dat redelijkerwijs mogelijk is, ten minste eenmaal met de cliëntenraad overleg is gepleegd. “Als de cliëntenraad gevraagd of ongevraagd een schriftelijk advies heeft uitgebracht, mogen de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling ingevolge het eerste lid daarna geen van het advies afwijkend besluit nemen zonder, behoudens indien dat redelijkerwijs niet mogelijk is, eerst ten minste een keer met de cliëntenraad daarover te hebben overlegd.” Blz. 147 1. Jeugdhulpaanbieders 2. Gecertificeerde instellingen Nee 2. Ten aanzien van de onderwerpen genoemd in artikel 4.2.6, eerste lid, onderdelen i tot en met m, nemen de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling, behoudens voor zover het besluit door de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling moet worden genomen krachtens een wettelijk voorschrift, geen van een door de cliëntenraad schriftelijk uitgebracht advies afwijkend besluit, tenzij de commissie, bedoeld in artikel 4.2.11, eerste lid, heeft vastgesteld dat de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid tot zijn voornemen heeft kunnen komen. “Het tweede lid bepaalt dat het de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling niet vrij staat een besluit te nemen ten aanzien van de in artikel 4.2.6, eerste lid, onder i tot en met m, genoemde onderwerpen, dat afwijkt van een door de cliëntenraad schriftelijk uitgebracht advies.” Blz. 147 3. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling doen van een besluit inzake een onderwerp waarover de cliëntenraad schriftelijk advies heeft uitgebracht, schriftelijk, en voor zover hij van het advies afwijkt onder opgave van redenen, mededeling aan de cliëntenraad. De cliëntenraad ontvangt een schriftelijk afschrift van besluiten door de jeugdhulpaanbieder / gecertificeerde instellingen, waarover zij in een eerder stadium advies over heeft gegeven. Als afgeweken wordt van het advies geven de jeugdhulpaanbieder / gecertificeerde instelling dit aan. Blz. 147 4. Een besluit van de jeugdhulpaanbieder of een gecertificeerde instelling, genomen in strijd met het tweede lid, is nietig, indien de cliëntenraad tegenover de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling schriftelijk een beroep op de nietigheid heeft gedaan. De cliëntenraad kan slechts een beroep op de nietigheid doen binnen een maand nadat de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling hem zijn besluit heeft medegedeeld dan wel bij gebreke van deze mededeling, de cliëntenraad is gebleken dat de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling uitvoering of toepassing geeft aan zijn besluit. “Ingevolge het vierde lid zijn bepaalde besluiten die niet de vereiste instemming van de cliëntenraad dan wel de vervangende toestemming van de vertrouwenscommissie hebben verkregen, nietig, mits de cliëntenraad tijdig op deze nietigheid schriftelijk een beroep doet. Dit dient te geschieden binnen een maand nadat de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling het nemen van het besluit aan de cliëntenraad heeft medegedeeld, dan wel, wanneer geen mededeling van het besluit heeft plaatsgevonden, binnen een maand nadat de cliëntenraad is gebleken dat de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling uitvoering of toepassing geeft aan het besluit.” Blz. 148 4.2.8 1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling verstrekken de cliëntenraad tijdig, en desgevraagd, alle inlichtingen en gegevens die deze voor de vervulling van zijn taak redelijkerwijs nodig heeft. “De cliëntenraad kan slechts verantwoord adviseren indien hem bij de adviesaanvraag, maar ook los daarvan meer in het algemeen, alle informatie wordt verstrekt die hij voor zijn werkzaamheden nodig heeft. Daarom is in dit artikel expliciet bepaald dat de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling de cliëntenraad, al dan niet op diens verzoek, de nodige informatie moeten geven.” Blz. 148 2. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling verstrekken de cliëntenraad voorts ten minste eenmaal per jaar mondeling of schriftelijk algemene gegevens omtrent het beleid dat in het verstreken tijdvak is gevoerd en in het komende jaar zal worden gevoerd. “Om de cliëntenraad in de gelegenheid te stellen ook los van gevraagde adviezen standpunten kenbaar te maken over de gang van zaken in de instelling en om die gang van zaken van tijd tot tijd eens aan een meer algemene beschouwing te kunnen onderwerpen, is in het tweede lid aan de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling de verplichting opgelegd ten minste eenmaal per jaar in algemene zin informatie te verstrekken over het gevoerde en te voeren beleid.” Blz. 148 4.2.9 1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling kunnen aan de cliëntenraad schriftelijk verdergaande bevoegdheden dan de in deze paragraaf genoemde bevoegdheden toekennen. Een zodanig besluit wordt schriftelijk aan de cliëntenraad medegedeeld. “Uiteraard kunnen een jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling de cliëntenraad altijd meer bevoegdheden toekennen dan die welke de raad op grond van de wet toekomen. Om iedere mogelijke twijfel hieromtrent uit te sluiten, is deze mogelijkheid expliciet in het wetsvoorstel opgenomen.” Blz. 148 2. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling stellen de cliëntenraad in de gelegenheid advies uit te brengen over een voornemen een besluit te nemen als bedoeld in het eerste lid en over het voornemen een zodanig besluit te wijzigen. Artikel 4.2.7 is van overeenkomstige toepassing. 30 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 31. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 31 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraag door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise31 4.2.10 1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling waarborgen, indien zij een rechtspersoon zijn als bedoeld in artikel 3 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek, in de statuten dat de jeugdigen en ouders aan wie jeugdhulp wordt verleend of ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering wordt uitgevoerd, invloed kunnen uitoefenen op de samenstelling van het bestuur. De regeling houdt ten minste in dat één bestuurslid wordt benoemd op bindende voordracht van de cliëntenraad of cliëntenraden, tenzij deze van de mogelijkheid een voordracht te doen geen gebruik heeft onderscheidenlijk hebben gemaakt. “Dit artikel heeft uitsluitend betrekking op jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen die een rechtspersoon zijn als bedoeld in artikel 3 van boek 2 van het BW. Het betreft hier privaatrechtelijke rechtspersonen. Jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen die rechtstreeks worden bestuurd door een publiekrechtelijke rechtspersoon, dan wel door een kerkgenootschap of een zelfstandig onderdeel daarvan, vallen dientengevolge niet onder de regeling met betrekking tot de bestuurssamenstelling. De statuten van privaatrechtelijke rechtspersonen die een jeugdhulpaanbieder of een gecertificeerde instelling in stand houden, dienen volgens artikel 4.2.10 een regeling te bevatten die de cliënten de mogelijkheid verschaft, invloed uit te oefenen op de samenstelling van het bestuur. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling zijn vrij in de keuze van de wijze waarop aan deze verplichting wordt voldaan, met dien verstande dat hij ten minste voor één bestuurszetel een bindend voordrachtsrecht voor de cliëntenraad moet creëren.” Blz. 148-149 1. Jeugdhulpaanbieders 2. Gecertificeerde instellingen Nee 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het bestuur van de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling bestaat uit één of meer personen die deze functie uitoefent onderscheidenlijk uitoefenen op grond van een arbeidsrelatie waaraan een geldelijke beloning is verbonden. In dat geval is het eerste lid van overeenkomstige toepassing op de samenstelling van het orgaan dat belast is met het toezicht op of de goedkeuring van besluiten van het bestuur. 4.2.11 1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling stellen in overeenstemming met de cliëntenraad of cliëntenraden een uit drie leden bestaande commissie van vertrouwenslieden in, waarvan één lid door hen wordt aangewezen, één lid door de cliëntenraad of cliëntenraden kan worden aangewezen en één lid door beide andere leden wordt aangewezen, of wijst een door één of meer cliëntenorganisaties en één of meer organisaties van jeugdhulpaanbieders of gecertificeerde instellingen ingestelde commissie van vertrouwenslieden aan die tot taak heeft te bemiddelen en zo nodig een bindende uitspraak te doen: a. op verzoek van de cliëntenraad, in geschillen met de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling over de uitvoering van de artikelen 4.2.6, 4.2.7, eerste en derde lid, 4.2.8, eerste lid, en 4.3.2, of b. op verzoek van de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling, indien deze ten aanzien van een onderwerp, genoemd in artikel 4.2.6, eerste lid, onderdelen i tot en met m, waarover door de cliëntenraad een schriftelijk advies is uitgebracht, een van dat advies afwijkend besluit wenst te nemen.. “Het sluitstuk op de in het wetsvoorstel neergelegde bepalingen wordt gevormd door de mogelijkheid voor de cliëntenraad en cliënten van de instelling, om de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling zonodig te dwingen zijn verplichtingen na te leven.” Blz. 149 2. De cliëntenraad en iedere jeugdige of ouder aan wie de jeugdhulpaanbieder jeugdhulp verleent of ten aanzien van wie de gecertificeerde instelling een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitvoert, kunnen de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de vestigingsplaats van de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling is gelegen, schriftelijk verzoeken de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling te bevelen de artikelen 4.2.5, 4.2.8, tweede lid, 4.2.10 en 4.3.2 en het eerste lid van dit artikel na te leven. Een verzoeker die niet vooraf schriftelijk aan de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling heeft verzocht te handelen overeenkomstig hetgeen in het verzoekschrift wordt verzocht en deze daarbij niet een redelijke termijn heeft gegeven om aan dat verzoek te voldoen, wordt niet-ontvankelijk verklaard. “Het sluitstuk op de in het wetsvoorstel neergelegde bepalingen wordt gevormd door de mogelijkheid voor de cliëntenraad en cliënten van de instelling, om de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling zonodig te dwingen zijn verplichtingen na te leven.” 31 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 32. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 32 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraag door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise32 4.2.11 3. De kantonrechter kan in zijn beschikking aan de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling de verplichting opleggen bepaalde handelingen te verrichten of na te laten. Geen specifieke toelichting 1. Jeugdhulpaanbieders 2. Gecertificeerde instellingen Nee 4. De bepalingen van de derde afdeling van de vijfde titel van het tweede boek van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering zijn van overeenkomstige toepassing. 4.2.12 1. De pleegzorgaanbieder stelt een pleegouderraad in, die binnen het kader van zijn doelstelling de gemeenschappelijke belangen van de pleegouders behartigt. Een pleegzorgaanbieder kan deze verplichting ook nakomen door instelling van een pleegouderraad die voor meer dan één door hem in stand gehouden zorgeenheid werkzaam is. Dit artikel ziet op het instellen van pleegouderraden bij de jeugdhulpaanbieders die pleegzorg bieden. De pleegouderraad behartigt uitsluitend de collectieve belangen van de pleegouders en begeeft zich niet op het terrein van individuele kwesties. De artikelen 4.2.5 tot en met 4.2.11 worden van overeenkomstige toepassing verklaard. Blz. 149 2. De artikelen 4.2.5 tot en met 4.2.11 zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat voor “cliëntenraad” respectievelijk “jeugdhulpaanbieder” wordt gelezen “pleegouderraad” respectievelijk “pleegzorgaanbieder”. 32 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 33. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 33 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 4.4 Verslaglegging maatschappelijke verantwoording vormgeven Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise33 4.3.1 1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling stellen jaarlijks een verslag op over de naleving van deze wet over het voorafgaande jaar met betrekking tot regels omtrent de kwaliteit van de jeugdhulp onderscheidenlijk de kwaliteit van de uitvoering van de taken, het klachtrecht en de medezeggenschap. “De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling stellen jaarlijks een openbaar verslag op over de uitvoering die is gegeven aan de regels omtrent de kwaliteit van de jeugdhulp onderscheidenlijk de kwaliteit van de uitvoering van de taken, het klachtrecht en de medezeggenschap. Het verslag zal onder andere moeten behandelen de uitvoering die is gegeven aan de bepalingen omtrent verantwoorde hulp en de systematische kwaliteitsbewaking, de bepalingen omtrent de klachtenafhandeling en de bepalingen omtrent de medezeggenschap.” Blz. 150 1. Jeugdhulpaanbieders 2. Gecertificeerde instellingen Nee 2. In het in het eerste lid bedoelde verslag geven de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling in ieder geval aan: a. of en op welke wijze zij jeugdigen en hun ouders bij hun kwaliteitsbeleid hebben betrokken; b. de frequentie waarmee en de wijze waarop binnen de instelling kwaliteitsbeoordeling plaatsvond en het resultaat daarvan; c. welk gevolg zij hebben gegeven aan klachten en meldingen over de kwaliteit van de verleende hulp; d. een beknopte beschrijving van de klachtenregeling, bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid; e. de wijze waarop zij de klachtenregeling onder de aandacht hebben gebracht van betrokken jeugdigen, ouders en pleegouders; f. de samenstelling van de klachtencommissie, bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid, onderdeel a; g. in welke mate de klachtencommissie haar werkzaamheden heeft kunnen verrichten met inachtneming van de waarborgen, bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid; h. het aantal en de aard van de door de klachtencommissie behandelde klachten; i. de strekking van de oordelen en aanbevelingen van de klachtencommissie; j. de aard van de maatregelen, bedoeld in artikel 4.2.1, vijfde lid, en k. op welke wijze de artikelen 4.2.7 tot en met 4.2.11 zijn toegepast. 3. Bij regeling van Onze Ministers kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot het verslag. “Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het verslag.” Ja 4.3.2 1. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling maken binnen tien dagen na vaststelling van het verslag bedoeld in artikel 4.3.1, eerste lid, doch uiterlijk voor 1 juni, de volgende zaken openbaar: a. het verslag; b. de op schrift gestelde uitgangspunten voor het beleid, waaronder begrepen de algemene criteria, welke bij de verlening van jeugdhulp onderscheidenlijk de uitvoering van de taken worden gehanteerd; c. de notulen dan wel de besluitenlijst van de vergaderingen van het bestuur, voor zover deze algemene beleidszaken betreffen, en d. de klachtenregeling, bedoeld in artikel 4.2.1, eerste lid, en van andere voor jeugdigen en ouders geldende regelingen, alsmede een regeling als bedoeld in artikel 4.2.5, tweede lid. Ingevolge dit artikel dient het verslag bedoeld in artikel 4.3.1 alsmede een aantal andere documenten die relevant is voor de beleidsvoering van de jeugdhulpaanbieder en een algemeen karakter dragen, openbaar te worden gemaakt. Ingevolge het onderhavige artikel moeten jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen het verslag binnen 10 dagen na vaststelling openbaar maken. Openbaarmaking vindt plaats door deze stukken voor cliënten ter inzage te leggen en op verzoek daarvan afschriften te verstrekken. Dat biedt de aanbieders die onder beide wetten vallen de mogelijkheid beide verslagen te integreren.” Blz. 150 Nee 2. De openbaarmaking geschiedt op een door de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling te bepalen wijze. Zij verstrekken de jeugdigen en ouders op hun verzoek een afschrift. 3. Van de openbaarmaking wordt mededeling gedaan op de bij de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling voor het doen van mededelingen aan jeugdigen en hun ouders gebruikelijke wijze. 4. Voor het op verzoek verstrekken van afschriften kan een tarief in rekening worden gebracht, ten hoogste gelijk aan de kostprijs, tenzij ten aanzien van de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling de Wet openbaarheid van bestuur van toepassing is. 5. De jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling zenden het verslag voor 1 juni van het jaar van vaststelling aan Onze Ministers en aan de ingevolge artikel 9.2 met het toezicht belaste ambtenaar, alsmede aan organisaties die in de regio de belangen van de jeugdigen, ouders of pleegouders in algemene zin behartigen. 33 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 34. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 34 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 5. Pleegzorg 5.1 Bestaande procedures ‘afsluiten pleegzorgcontracten’ doorlopen en zo nodig aanpassen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise34 5.1 1. De pleegzorgaanbieder sluit een pleegcontract met een pleegouder indien deze voldoet aan de volgende voorwaarden: a. de pleegouder heeft ten minste de leeftijd van eenentwintig jaar bereikt; b. de pleegouder is niet tevens door de pleegzorgaanbieder belast met de begeleiding van een pleegouder; c. de pleegouder heeft met goed gevolg een door de pleegzorgaanbieder aangeboden voorbereidings- en selectietraject afgerond, en d. de pleegouder beschikt over een verklaring van geen bezwaar die is afgegeven door de raad voor de kinderbescherming, waaruit blijkt dat er geen bezwarende feiten en omstandigheden zijn voor het verzorgen en opvoeden van een pleegkind. Deze voorwaarde geldt tevens voor alle personen van twaalf jaar en ouder die als inwonenden op het adres van de pleegouder staan ingeschreven. De verklaring is vereist voor de aanvang van de opvoeding en verzorging van een jeugdige, voorafgaand aan de plaatsing van een eerste jeugdige, bij een wisseling van pleegzorgaanbieder, bij de komst van nieuwe inwonenden en indien de pleegouder gedurende twee jaren geen pleegouder is geweest. “Het eerste lid vereist dat de pleegzorgaanbieder, met de pleegouder een pleegcontract afsluit. Het sluiten van een contract is mogelijk indien de pleegouder voldoet aan de voorwaarden genoemd in het eerste lid. Onder andere aan de hand van deze voorwaarden wordt de geschiktheid van pleegouders beoordeeld. Deze voorwaarden zijn overeenkomstig de thans geldende voorwaarden.” Blz. 151 1. Pleegzorgaanbieders Nee 5.2 1. Het pleegcontract bevat in ieder geval afspraken omtrent de wijze waarop de verzorging en opvoeding van een jeugdige door de pleegouder worden uitgevoerd en de begeleiding die zij daarbij ontvangen van de pleegzorgaanbieder. Eerste en derde lid “Het pleegcontract dat ingevolge artikel 5.1, eerste en tweede lid, dient te worden gesloten, bevatten in ieder geval afspraken over de verzorging en opvoeding van de jeugdige en de begeleiding die de pleegouders daarbij van de pleegzorgaanbieder ontvangen.” Tweede lid Deze bepaling ziet alleen op de pleegoudervoogd. Wanneer een jeugdige gedurende langere tijd bij dezelfde pleegouder verblijft, kan het in het belang van het kind zijn dat ook het gezag (de voogdij) over de jeugdige bij de pleegouder komt te liggen. Blz. 152 2. De afspraken over de begeleiding van een pleegoudervoogd beperken zich tot een begeleiding van ten hoogste één gesprek per jaar, tenzij de pleegoudervoogd verzoekt om meer begeleiding. 3. Bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van het pleegcontract. Ja 5.2 Bestaande procedures ‘matching’ doorlopen en zo nodig aanpassen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 5.1 2. De pleegzorgaanbieder beoordeelt voorts of de jeugdige in het gezin van de pleegouder kan worden geplaatst, gelet op de leeftijd en de problemen van de jeugdige, de samenstelling van het gezin van de pleegouder en de verwachte duur van de plaatsing. Deze vaststelling en beoordeling vinden plaats voorafgaand aan de plaatsing van de jeugdige in het gezin van de pleegouder. “In het tweede lid is de zogenaamde ‘matching’ geregeld. De ‘matching’ is een belangrijk onderdeel in de pleegzorg voor het succes van een plaatsing.” Blz. 151 - 152 1. Pleegzorgaanbieders Nee 34 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 35. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 35 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 5.3 Bestaande procedures ‘netwerkpleegouders’ doorlopen en zo nodig aanpassen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise35 5.1 3. Indien de betrokkene de jeugdige reeds verzorgt en opvoedt voorafgaand aan het sluiten van een pleegcontract, kan in afwijking van het eerste lid, onder c en d, en het tweede lid, aan de in die artikelonderdelen bedoelde voorwaarden worden voldaan binnen dertien weken nadat een pleegcontract is gesloten, mits de betrokken pleegzorgaanbieder daarbij oordeelt dat de verzorging en opvoeding van de jeugdige door betrokkene niet schadelijk is voor de ontwikkeling van de jeugdige. De betrokkene heeft er recht op dat de pleegzorgaanbieder binnen dertien weken na het sluiten van het pleegcontract vaststelt of aan de in de eerste volzinbedoelde voorwaarden is voldaan. Zodra tijdens die periode blijkt dat niet aan de voorwaarden zal worden voldaan, kan het pleegcontract onverwijld beëindigd worden. “Het derde lid van deze bepaling heeft betrekking op zogenoemde netwerkpleegouders. Dit zijn familieleden of bekenden die de betrokken jeugdige voorafgaand aan het sluiten van een pleegcontract al enige tijd in hun gezin opvoeden en verzorgen omdat de natuurlijke ouders dit (tijdelijk) niet meer kunnen.” Blz. 152 Pleegzorgaanbieders 5.4 Bestaande procedures ‘pleegzorgvergoeding’ doorlopen en zo nodig aanpassen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 5.3 1. Een pleegzorgaanbieder verstrekt aan een pleegouder met wie hij een pleegcontract heeft gesloten een vergoeding voor de verzorging en opvoeding van de in het gezin van de pleegouder geplaatste jeugdige, bestaande uit een basisbedrag, welk bedrag kan worden vermeerderd met een toeslag, of verminderd met een korting. Daarnaast verstrekt een pleegzorgaanbieder een vergoeding van bijzondere kosten aan pleegouders. “Een pleegouder, waaronder begrepen een netwerkpleegouder en een pleegoudervoogd, ontvangt van de pleegzorgaanbieder een vergoeding voor de verzorging en opvoeding van het pleegkind.” Blz. 153 1. Pleegzorgaanbieders Nee 2. Bij regeling van Onze Ministers worden regels gesteld over: a. de hoogte van het basisbedrag en het maximale bedrag van de toeslagen, welke bedragen voor de onderscheiden leeftijdscategorieën van pleegkinderen kunnen verschillen; b. de omstandigheden waaronder een toeslag of een korting wordt verleend of toegepast; c. de dagen waarover het basisbedrag en de toeslagen worden verleend en de kortingen worden toegepast, en d. de vergoeding van bijzondere kosten die de pleegouder maakt ten behoeve van de jeugdige, waaronder de gevallen waarin bijzondere kosten worden vergoed. Ja 5.5 Bestaande procedures ‘informatieverstrekking aan pleegouders’ doorlopen en zo nodig aanpassen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 5.4 1. De pleegzorgaanbieder verstrekt aan de pleegouder in het belang van de verzorging en de opvoeding van de jeugdige, zo nodig zonder toestemming en zo mogelijk voorafgaand aan de plaatsing, inlichtingen inzake feiten en omstandigheden die de persoon van een jeugdige of diens verzorging of opvoeding betreffen en die noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de taak van de pleegouder. Deze inlichtingen kunnen mede omvatten persoonsgegevens betreffende de gezondheid, bedoeld in artikel 21 van de Wet bescherming persoonsgegevens. “Pleegouders dienen van relevante informatie te worden voorzien om een goede invulling te kunnen geven aan de verzorging en opvoeding van een jeugdige.” Blz. 153-154 1. Pleegzorgaanbieders Nee 2. Bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de uitvoering van het eerste lid. Ja 35 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 36. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 36 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 6. Gesloten jeugdhulp bij ernstige opgroei- en opvoedingsproblemen 6.1 Bestaande procedures ‘machtiging’ doorlopen en zo nodig aanpassen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise36 6.1.1 1. Dit hoofdstuk is van toepassing op minderjarigen, alsmede op jeugdigen die achttien jaar zijn en ten aanzien van wie op het tijdstip waarop zij achttien werden, een machtiging op grond van dit hoofdstuk gold. Laatstbedoelde jeugdigen worden voor de toepassing van dit hoofdstuk, onverminderd artikel 233 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, als minderjarigen beschouwd. “Ook voor een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar heeft bereikt is het mogelijk een machtiging voor gesloten jeugdhulp af te geven, doch slechts indien er op het tijdstip waarop zij meerderjarig werden reeds een machtiging gold (artikel 6.1.1, eerste lid) en er sprake is van een reeds aangevangen behandeling en er concreet uitzicht is op de afronding van die behandeling binnen korte en afzienbare tijd na het bereiken van de achttienjarige leeftijd (artikel 6.1.2, derde lid).” Blz. 155-156 1. Kinderrechter 2. (Gesloten) jeugdhulpaanbieders Nee  Handreiking Jeugdzorgplus 2. In zaken betrekking hebbende op de toepassing van dit hoofdstuk is een minderjarige die de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, bekwaam in en buiten rechte op te treden. Hetzelfde geldt indien de minderjarige de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, maar in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. “Het voorgestelde tweede lid bepaalt dat een jeugdige van twaalf jaar en ouder of een jeugdige die jonger is maar in staat tot een redelijke waardering van zijn belangen terzake, bekwaam is in rechte op te treden.” Blz. 156 6.1.2 1. De kinderrechter kan op verzoek een machtiging verlenen om een jeugdige in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. “Dit artikel regelt de rechterlijke machtiging, die nodig is om een jeugdige ongeacht of hij dit wil op te nemen en te doen verblijven in een intramurale voorziening (gesloten accommodatie) van een aanbieder van gesloten jeugdhulp. Het gaat om een gesloten accommodatie waarin de jeugdhulp geboden kan worden die naar de mening van het college noodzakelijk wordt geacht.” 156 – 158 2. Een machtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter: a. jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van de jeugdige naar volwassenheid ernstig belemmeren, en b. de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. 3. Een machtiging voor een jeugdige die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, kan bovendien slechts worden verleend indien: a. de jeugdige onder toezicht is gesteld; b. de voogdij over de jeugdige berust bij een gecertificeerde instelling, of c. degene die, anders dan bedoeld onder b, de wettelijke vertegenwoordiger is, met de opneming en het verblijf instemt. 4. Een machtiging voor een jeugdige die achttien jaar is, kan bovendien slechts worden verleend indien: a. sprake is van een behandeling die reeds aangevangen is voordat de leeftijd van achttien jaar is bereikt; b. voor het bereiken van de leeftijd van achttien jaar een hulpverleningplan is vastgesteld; c. toegewerkt wordt naar een andere vorm van jeugdhulp dan gesloten jeugdhulp en dit ook blijkt uit het hulpverleningsplan, en d. de gesloten jeugdhulp niet langer duurt dan zes maanden na het bereiken van de leeftijd van achttien jaar. 36 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 37. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 37 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise37 6.1.2 5. Een machtiging kan voorts slechts worden verleend indien het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening op het gebied van jeugdhulp en verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder nodig is. “Dit artikel regelt de rechterlijke machtiging, die nodig is om een jeugdige ongeacht of hij dit wil op te nemen en te doen verblijven in een intramurale voorziening (gesloten accommodatie) van een aanbieder van gesloten jeugdhulp. Het gaat om een gesloten accommodatie waarin de jeugdhulp geboden kan worden die naar de mening van het college noodzakelijk wordt geacht.” Blz. 156 - 158 1. Kinderrechter 2. Gemeenten 3. Gecertificeerde instellingen 4. (Gesloten) jeugdhulpaanbieders Nee  Handreiking Jeugdzorgplus 6. Het verzoek behoeft de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. 7. In afwijking van het vijfde lid kan de kinderrechter, ten aanzien van een jeugdige die onder toezicht is gesteld of ten aanzien van wie tevens een ondertoezichtstelling wordt verzocht, dan wel ten aanzien van wie door een gecertificeerde instelling voogdij wordt uitgeoefend, ook een machtiging verlenen indien de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent of het college, heeft bepaald dat naar zijn mening de jeugdige geen voorziening nodig heeft inhoudende gesloten jeugdhulp, doch slechts indien de raad heeft verklaard dat een geval als bedoeld in het tweede lid, zich voordoet. Het zesde lid is van overeenkomstige toepassing. 8. Indien de machtiging betrekking heeft op een minderjarige die onder toezicht is gesteld, geldt de machtiging als een machtiging als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. 9. Indien de wettelijke vertegenwoordiger zijn instemming intrekt, kan de jeugdige gedurende ten hoogste veertien dagen in de gesloten accommodatie verblijven, en zijn de paragrafen 6.3, 6.4 en 6.5 op de jeugdige van toepassing. 6.1.3 1. De kinderrechter kan, indien een machtiging niet kan worden afgewacht, op verzoek een spoedmachtiging verlenen om een jeugdige, met inachtneming van artikel 6.1.2, derde lid, in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. “In spoedeisende situaties waarbij snel handelen geboden is, kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid die het voorgestelde artikel 6.1.3 biedt voor het verlenen van een spoedmachtiging (voorheen voorlopige machtiging).” Blz. 159 2. Een spoedmachtiging kan slechts worden verleend indien naar het oordeel van de kinderrechter: a. onmiddellijke verlening van jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen van de jeugdige die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, of een ernstig vermoeden daarvan, en b. de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan deze jeugdhulp onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. 3. Het verzoek behoeft de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht, tenzij onderzoek feitelijk onmogelijk is. 4. Artikel 6.1.2, zevende en achtste lid, is van overeenkomstige toepassing. 5. Indien de wettelijke vertegenwoordiger zijn instemming intrekt, kan de jeugdige gedurende ten hoogste de geldigheidsduur van de spoedmachtiging in de gesloten accommodatie verblijven, en zijn de paragrafen 6.3, 6.4 en 6.5 op de jeugdige van toepassing. 37 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 38. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 38 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise38 6.1.4 1. De kinderrechter kan op verzoek een voorwaardelijke machtiging verlenen om een jeugdige, met inachtneming van artikel 6.1.2, derde lid, in een gesloten accommodatie te doen opnemen en te doen verblijven. “Dit artikel stelt in het eerste lid de mogelijkheid tot het verlenen van een voorwaardelijke machtiging open.” Blz. 159 1. Kinderrechter 2. Gemeenten 3. Gecertificeerde instellingen 4. (Gesloten) jeugdhulpaanbieders Nee  Handreiking Jeugdzorgplus 2. Een voorwaardelijke machtiging kan slechts worden verleend, indien naar het oordeel van de kinderrechter: a. de verlening van jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren, en b. de ernstige belemmering buiten de gesloten accommodatie slechts door het stellen en naleven van voorwaarden kan worden afgewend. “Het tweede tot en met vierde lid bevatten de criteria voor het verlenen van een dergelijke machtiging.” Blz. 159 - 160 3. Een voorwaardelijke machtiging kan voorts slechts worden verleend indien het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat de jeugdige een voorziening op het gebied van jeugdhulp nodig heeft. 4. Het verzoek behoeft de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper die de jeugdige met het oog daarop kort tevoren heeft onderzocht. 5. De kinderrechter verleent een voorwaardelijke machtiging slechts indien een hulpverleningplan wordt overgelegd. “Het vijfde en zesde lid bepalen dat, naast de stukken die bij een verzoek gericht op het verkrijgen van een voorwaardelijke machtiging moeten worden overgelegd, een hulpverleningsplan moet worden overgelegd, dat door de jeugdhulpaanbieder die de jeugdhulp opgenomen in de voorwaarden, buiten het gesloten kader zal leveren en de beoogde gesloten jeugdhulpaanbieder is vastgesteld.” Blz. 160 6. Het hulpverleningplan bevat een omschrijving van de voorwaarden en het toezicht daarop en van de jeugdhulp die zal worden ingezet teneinde de opgroei- en opvoedproblemen te verminderen, te stabiliseren, op te heffen of om te gaan met de opgroei- en opvoedproblemen. Het plan wordt opgesteld door de jeugdhulpaanbieder die de jeugdhulp opgenomen in de voorwaarden zal bieden en de jeugdhulpaanbieder die bereid is de jeugdige op te nemen in een gesloten accommodatie als bedoeld in het eerste lid, als de jeugdige de voorwaarden niet naleeft of als de opneming en het verblijf noodzakelijk zijn om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de jeugdhulp die hij nodig heeft, onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. 7. Het verlenen van een voorwaardelijke machtiging geschiedt onder de voorwaarde dat de jeugdige de jeugdhulp aanvaardt, overeenkomstig het overgelegde hulpverleningplan. Artikel 7.3.4, tweede en derde lid, is van overeenkomstige toepassing. “In het zevende lid is aangegeven dat als voorwaarde bij het verlenen van een voorwaardelijke machtiging in ieder geval geldt dat de jeugdige zich onder behandeling stelt van de jeugdhulpaanbieder, overeenkomstig hetgeen hieromtrent in het hulpverleningsplan is opgenomen.” Blz. 160 8. Naast de in het zevende lid bedoelde voorwaarde kan de kinderrechter bij de voorwaardelijke machtiging voorwaarden stellen betreffende het gedrag van de jeugdige voor zover dit gedrag de ernstige opgroei- en opvoedproblemen beïnvloedt. “In het achtste lid is aangegeven dat het de rechter vrijstaat naast in de in het zesde lid genoemde algemene voorwaarde andere voorwaarden te stellen, mits deze betrekking hebben op het gedrag van de jeugdige en voor zover dit gedrag de ernstige opgroei- en opvoedproblemen beïnvloedt.” Blz. 160 9. De rechter geeft slechts toepassing aan het eerste lid, indien de jeugdige of zijn ouders zich bereid hebben verklaard tot naleving van de voorwaarden of redelijkerwijs is aan te nemen dat de jeugdige de voorwaarden zal naleven. “Het negende lid bevat de voorwaarde dat een voorwaardelijke machtiging alleen kan worden verleend als de jeugdige instemt met de voorwaarden of als redelijkerwijs aan te nemen is dan de jeugdige de voorwaarden zal naleven.” Blz. 160 10. De jeugdhulpaanbieder die bereid is de jeugdige op te nemen in een gesloten accommodatie draagt er zorg voor dat de jeugdige zo spoedig mogelijk in het bezit wordt gesteld van een schriftelijk overzicht van de op grond van deze wet aan hem toekomende rechten. De jeugdhulpaanbieder draagt er tevens zorg voor dat de jeugdige een mondelinge toelichting ter zake ontvangt.. Geen toelichting in memorie van toelichting! Blz. 160 11. Op een verzoek tot verlenging van een voorwaardelijke machtiging zijn het tweede tot en met tiende lid van overeenkomstige toepassing. “Het elfde lid regelt de procedure voor de verlenging van de voorwaardelijk machtiging. De procedure is gelijk aan die voor de verlening van de eerste voorwaardelijke machtiging” Blz. 160 38 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 39. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 39 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise39 6.1.5 Het hulpverleningplan, bedoeld in artikel 6.1.4, zesde lid, kan, nadat de voorwaardelijke machtiging is verleend, slechts met instemming van de jeugdige door de jeugdhulpaanbieder worden gewijzigd. “Dit artikel legt de mogelijkheid tot wijziging van het hulpverleningsplan bij de jeugdhulpaanbieder en jeugdige tezamen. Voor wijziging van de overige voorwaarden is rechterlijke tussenkomst vereist. Daarbij gelden dezelfde eisen als voor het opleggen van voorwaarden.” Blz. 160 1. Gesloten (jeugdhulpaanbieder) Nee  Handreiking Jeugdzorgplus 6.1.6 1. De jeugdhulpaanbieder die bereid is de jeugdige op te nemen in een gesloten accommodatie als bedoeld in artikel 6.1.4, zesde lid, ziet toe op de naleving van de voorwaarden. “Dit artikel regelt de gedwongen opneming ingeval de jeugdige de voorwaarden niet nakomt of, ondanks de naleving van de voorwaarden, buiten de gesloten accommodatie de ernstige belemmering van de ontwikkeling naar volwassenheid als gevolg van de ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen, niet langer kan worden afgewend.” Blz. 161 2. De jeugdhulpaanbieder, bedoeld in het eerste lid, doet de jeugdige opnemen in een gesloten accommodatie, indien door de naleving van de voorwaarden buiten de gesloten accommodatie de ernstige belemmering van de ontwikkeling naar volwassenheid als gevolg van de ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen, niet langer kan worden afgewend.. 3. De jeugdhulpaanbieder, bedoeld in het eerste lid, kan de jeugdige doen opnemen, wanneer deze de gestelde voorwaarden niet naleeft. 4. Voorafgaand aan de opneming stelt de jeugdhulpaanbieder, bedoeld in het eerste lid, zich op de hoogte van de actuele toestand van de ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de jeugdige heeft die zijn ontwikkeling naar volwassenheid ernstig belemmeren.. 5. De opneming en het verblijf vinden plaats voor ten hoogste de resterende geldigheidsduur van de voorwaardelijke machtiging, doch niet langer dan zes maanden. De voorwaardelijke machtiging geldt vanaf het moment van de beslissing van de jeugdhulpaanbieder, bedoeld in het eerste lid, als machtiging als bedoeld in artikel 6.1.2. 6. De jeugdhulpaanbieder, bedoeld in het eerste lid, stelt de jeugdige uiterlijk vier dagen na zijn beslissing de jeugdige op te nemen, daarvan schriftelijk in kennis onder mededeling van de redenen van de beslissing. Een afschrift van de mededeling wordt zo spoedig mogelijk gezonden aan de verzoeker van de machtiging en aan de griffier van de rechtbank die de voorwaardelijke machtiging heeft verleend. 7. Indien een beslissing als bedoeld in het tweede lid betrekking heeft op een minderjarige die onder toezicht is gesteld, geldt die beslissing als machtiging als bedoeld in artikel 261 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. 6.1.7 1. Op verzoek van de wettelijk vertegenwoordiger of de jeugdige kan de kinderrechter de wijziging van het hulpverleningsplan, bedoeld in artikel 6.1.5, en de opneming, bedoeld in artikel 6.1.6, tweede of derde lid, geheel of gedeeltelijk vervallen verklaren. Bij het verzoek wordt een afschrift van de beslissing van de jeugdhulpaanbieder gevoegd.. “Dit artikel waarborgt de toegang tot de rechter ingeval een wijziging van het hulpverleningsplan na het verlenen van de voorwaardelijke machtiging en ingeval de jeugdhulpaanbieder de jeugdige heeft doen opnemen.” Blz. 161 2. De inspectie geeft desgevraagd of uit eigen beweging aan het college zijn oordeel over de beslissing van de jeugdhulpaanbieder. 3. Indien het verzoek betrekking heeft op een jeugdige die reeds in een gesloten accommodatie verblijft, beslist de kinderrechter in elk geval binnen drie weken na het indienen van het verzoekschrift. Aan de jeugdige wordt schriftelijk medegedeeld dat het verzoekschrift is ingediend. 39 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 40. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 40 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise40 6.1.8 1. Een verzoek gericht op het verkrijgen van een machtiging, een spoedmachtiging of een voorwaardelijke machtiging, wordt ingediend door het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft. Indien het verzoek betrekking heeft op een jeugdige die onder toezicht is gesteld, ten aanzien van wie tevens een ondertoezichtstelling wordt verzocht, of ten aanzien van wie een gecertificeerde instelling de gezinsvoogdij of voogdij uitoefent, wordt het verzoek ingediend door het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, door de raad voor de kinderbescherming of door de officier van justitie. Ingeval van een jeugdige ten aanzien van wie een gecertificeerde instelling de gezinsvoogdij of de voogdij uitoefent kan ook deze instelling het verzoek doen. “Dit artikel bevat een regeling van degenen die de rechter kunnen verzoeken een machtiging te verlenen. Het gaat in de eerste plaats om het college. In de tweede plaats wordt de raad voor de kinderbescherming genoemd. Ouders zijn niet opgenomen bij de personen die om een machtiging kunnen verzoeken, aangezien ouders het college kunnen vragen om een voorziening te treffen inhoudende gesloten jeugdhulp.” Blz. 161 - 162 1. Kinderrechter 2. Gemeenten 3. Gecertificeerde instellingen 4. (Gesloten) jeugdhulpaanbieders Nee  Handreiking Jeugdzorgplus 2. Op verzoeken als bedoeld in het eerste lid, zijn artikel 265, eerste, derde en vierde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, alsmede de eerste afdeling van de zesde titel van Boek 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, van overeenkomstige toepassing. 3. Indien het verzoek tot het verlenen van een machtiging betrekking heeft op een jeugdige die reeds in een gesloten accommodatie verblijft, beslist de kinderrechter in elk geval binnen drie weken na het indienen van het verzoekschrift. 6.1.9 1. Het college dan wel de raad voor de kinderbescherming legt bij een verzoek als bedoeld in artikel 6.1.8, eerste lid, een afschrift van het besluit, bedoeld in artikel 6.1.2, vijfde lid, alsmede van de verklaring, bedoeld in artikel 6.1.2, zesde lid, over. “Aan de basis van een machtiging moet een besluit liggen van het college dat strekt tot jeugdhulp met gesloten verblijf in een gesloten accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Hierbij zal het college gemotiveerd moeten aangeven dat de jeugdige ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen heeft die noodzaken tot jeugdhulp met gesloten verblijf en verder dat aan de andere criteria voor het verlenen van een machtiging is voldaan. Daarnaast is de instemming nodig van een gedragswetenschapper die de jeugdige kort tevoren heeft onderzocht. Zonder dat een dergelijk besluit of instemmende verklaring is overgelegd kan de rechter geen machtiging verlenen. In crisissituaties kan geen besluit worden overgelegd, dan volstaat het overleggen van een verklaring van de gedragswetenschapper. Wordt het verzoek gedaan door de raad voor de kinderbescherming, dan dient de raad een verklaring te overleggen waaruit blijkt dat een machtiging is vereist.” Blz. 162 2. In een geval als bedoeld in artikel 6.1.2, zevende lid, legt de raad voor de kinderbescherming bij een verzoek als bedoeld in artikel 6.1.8, eerste lid, de verklaring, bedoeld in artikel 6.1.2, zesde lid, over. 3. In de gevallen, bedoeld in artikel 6.1.3, wordt in afwijking van het eerste en tweede lid, slechts een verklaring van een gekwalificeerde gedragswetenschapper als bedoeld in artikel 6.1.3, derde lid, overgelegd 6.1.10 1. De kinderrechter hoort, alvorens een machtiging, een spoedmachtiging of een voorwaardelijke machtiging te verlenen en alvorens een vervallenverklaring als bedoeld in artikel 6.1.7 te doen: a. de jeugdige, degene die het gezag over de minderjarige uitoefent en degene die de jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, tenzij de kinderrechter vaststelt dat een persoon niet bereid is zich te doen horen; b. de verzoeker, en c. in gevallen al bedoeld in artikel 6.1.7, de jeugdhulpaanbieder. “De procedure tot het verkrijgen van een machtiging is, als gevolg van het opnemen van de woorden ‘op verzoek’ in de artikelen 6.1.2 en 6.1.3, de verzoekschriftprocedure van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) van toepassing, waaronder de speciale procedure van de eerste afdeling van de zesde titel van Boek 3 Rv. Het onderhavige artikel bevat aanvullingen op die regeling, die recht doen aan de ingrijpendheid van de maatregel.” Blz. 162 2. Bij een spoedmachtiging, bedoeld in artikel 6.1.3, is artikel 800, derde lid, van Boek 3 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering van overeenkomstige toepassing. 3. De rechter geeft het bestuur van de raad voor rechtsbijstand ambtshalve last tot toevoeging van een raadsman aan de jeugdige. 40 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 41. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 41 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise41 6.1.11 De griffier zendt, onverminderd artikel 805 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, een afschrift van de beschikking inzake de machtiging en de mededeling, bedoeld in artikel 6.1.6, zesde lid en de beschikking als bedoeld in artikel 6.1.7, eerste lid, aan: a. de jeugdige indien deze de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt; b. degene die het gezag over de jeugdige heeft; c. degene die de jeugdige als behorende tot zijn gezin verzorgt en opvoedt; d. de verzoeker; e. de raadsman van de jeugdige, en f. de inspectie. “Dit artikel regelt de informatieverstrekking over de machtiging aan alle betrokkenen.” Blz. 163 1. Kinderrechter 2. Gemeenten 3. Gecertificeerde instellingen 4. (Gesloten) jeugdhulpaanbieders Nee  Handreiking Jeugdzorgplus 6.1.12 1. De beschikking van de kinderrechter is bij voorraad uitvoerbaar. “Het is aan de rechter de geldigheidsduur van de machtiging te bepalen, zij het dat deze voor de ‘gewone’ machtiging gebonden is aan de maximale duur van ten hoogste één jaar. De rechter zal van geval tot geval moeten bezien voor welke periode de aard van de problemen van de jeugdige en de noodzaak deze in een gesloten accommodatie aan te pakken, een machtiging rechtvaardigen. Het ligt voor de hand dat de termijn gedurende welke een machtiging zal gelden korter wordt indien de behandeling in een afrondende fase verkeert. Als de machtiging is verlopen omdat de termijn van het besluit van het college is verstreken, dan dient een nieuwe machtiging gevraagd te worden.” “De spoedmachtiging heeft een maximale periode van twee weken. In overeenstemming met het advies van de Raad voor de rechtspraak is deze termijn afgestemd op die van de voorlopige ondertoezichtstelling. Zij vervalt in elk geval als er een beslissing op een machtigingsverzoek is genomen. Is die beslissing het verlenen van een machtiging dan is de spoedmachtiging overbodig. Wordt de machtiging niet verleend dan is er geen rechtsgrond meer voor gesloten jeugdhulp.” “De eerste voorwaardelijke machtiging heeft een maximale duur van zes maanden en de daaropvolgende voorwaardelijke machtigingen hebben een maximale duur van een jaar. Met het opnemen van termijnen geeft de voorgestelde regeling invulling aan het EVRM dat regelmatige toetsing van de rechtmatigheid van de vrijheidsontneming voorschrijft. Verlenging van het verblijf in de gesloten accommodatie na de duur van een jaar is mogelijk. Hiertoe dient een nieuwe machtiging te worden aangevraagd.” Derde lid “Om oneigenlijk gebruik van de ‘gewone’ machtiging te voorkomen, namelijk dat de machtiging wordt gebruikt als stok achter de deur om medewerking van de ouders af te dwingen, bepaalt het derde lid dat de machtiging vervalt als deze niet binnen drie maanden na verlening ten uitvoer wordt gelegd.” Vijfde lid “Het vijfde lid is nieuw ten opzichte van de Wjz en geeft invulling aan de trajectaanpak zoals in het algemeen deel van deze toelichting werd beschreven.” Zesde lid “Het zesde lid regelt de onderlinge informatie-uitwisseling.” Zevende lid “Het zevende lid regelt dat tegen een beschikking van de rechterlijke machtiging en tegen een beschikking inzake een verzoek tot vervallen verklaren van een wijziging van het hulpverleningsplan of tot opneming bij een voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdhulp hoger beroep open staat bij het Hof.. Blz. 164- 164 2. De kinderrechter bepaalt de geldigheidsduur van de machtiging op ten hoogste één jaar, de eerste voorwaardelijke machtiging op ten hoogste zes maanden en verlengingen van voorwaardelijke machtigingen op ten hoogste een jaar. De spoedmachtiging geldt tot het tijdstip waarop een beslissing op een verzoek om een machtiging is genomen, doch ten hoogste twee weken. 3. De machtiging vervalt indien deze gedurende drie maanden niet ten uitvoer is gelegd. 4. De machtiging of spoedmachtiging vervalt indien het college van de gemeente waar de jeugdige zijn woonplaats heeft, of de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling uitvoert of de voogdij uitoefent, heeft bepaald dat een voorziening, inhoudende verblijf niet zijnde verblijf bij een pleegouder niet langer nodig is. 5. De tenuitvoerlegging van de machtiging, bedoeld in artikel 6.1.2, kan door de jeugdhulpaanbieder worden geschorst, indien het naar zijn oordeel niet langer nodig is te voorkomen dat de jeugdige zich aan de jeugdhulp die hij nodig heeft onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. De schorsing kan worden ingetrokken indien blijkt dat de tenuitvoerlegging nodig is om te voorkomen dat de jeugdige zich aan de jeugdhulp die hij nodig heeft onttrekt of daaraan door anderen wordt onttrokken. De schorsing en de intrekking van de schorsing behoeven de instemming van het college, bedoeld in artikel 6.1.2, vijfde lid. Met betrekking tot de intrekking van de schorsing is artikel 6.1.7 van overeenkomstige toepassing. 6. Het college doet aan de raad voor de kinderbescherming mededeling van het vervallen van de machtiging op grond van het vierde lid, alsmede van het besluit geen nieuwe machtiging aan te vragen na afloop van de geldigheidsduur van een machtiging. De jeugdhulpaanbieder doet aan de raad voor de kinderbescherming mededeling van een besluit tot schorsing en intrekking als bedoeld in het vijfde lid. 7. Tegen de beschikking van de kinderrechter op een verzoek om een machtiging, een spoedmachtiging of een voorwaardelijke machtiging te verlenen en een beschikking als bedoeld in artikel 6.1.7, eerste lid, staat hoger beroep bij het gerechtshof open. 41 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 42. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 42 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise42 6.1.13 1. De jeugdhulpaanbieder voegt een afschrift van de beslissing, bedoeld in de artikelen 6.1.2, eerste lid, 6.1.3, eerste lid, 6.1.4, eerste lid of 6.1.7, eerste lid, en een wijziging van het hulpverleningsplan als bedoeld in artikel 6.1.5 toe aan het dossier. “Het eerste lid schrijft voor dat een afschrift van een beslissing in het kader van de gesloten jeugdhulp wordt opgenomen in het dossier. Deze beslissingen vormen de grondslagen voor gedwongen opneming en verblijf van de jeugdige. Het vasthouden zonder machtiging levert wederrechtelijke vrijheidsberoving op in de zin van de artikelen 282 en 283 van het Wetboek van Strafrecht. Vandaar dat de jeugdhulpaanbieder – en ook de betrokken hulpverlener - er zeker van moet zijn en moet kunnen aantonen dat een machtiging is verleend.” Blz. 164 1. (Gesloten) jeugdhulpaanbieders Nee  Handreiking Jeugdzorgplus 2. De jeugdhulpaanbieder in wiens gesloten accommodatie de machtiging ten uitvoer wordt gelegd, doet van de opneming in de gesloten accommodatie zo spoedig mogelijk mededeling aan degene die het gezag over de jeugdige uitoefent, aan het college en, indien het college niet de verzoeker was, tevens de verzoeker. 6.1.14 Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld met betrekking tot het verzoekschrift, bedoeld in artikel 6.1.8, en de verklaring, bedoeld in de artikelen 6.1.2, zesde lid, of 6.1.3, derde lid. “Dit artikel opent de mogelijkheid om regels te stellen met betrekking tot het verzoekschrift en de verschillende verklaringen. Hiermee kan uniformiteit worden bereikt. “ Blz. 164 Ja 6.2 Bestaande procedures ‘tenuitvoerlegging van de machtiging’ doorlopen en zo nodig aanpassen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 6.2.1 1. De jeugdhulpaanbieder die in een gesloten accommodatie opname en verblijf biedt aan jeugdigen voor wie een machtiging als bedoeld in artikel 6.1.2, 6.1.3 of 6.1.4 is afgegeven, verstrekt Onze Ministers, ter opneming in een openbaar register van zodanige accommodatie, een opgave van: a. de naam en het adres van de accommodatie, en b. de naam en de rechtsvorm van de jeugdhulpaanbieder. Om toezicht te kunnen houden op de gesloten jeugdhulp aan jeugdigen, moet vooraf duidelijk zijn waar jeugdigen in een dergelijk geval kunnen worden opgenomen en verblijven. De inspectie moet, met andere woorden, weten waar de jeugdigen zitten die met dwang geconfronteerd worden. Daarom is voorzien in de verplichting tot registratie in een openbaar register van de gesloten accommodaties waarin daarvan sprake kan zijn. Deze Blz. 164 1. (Gesloten) jeugdhulpaanbieders Nee  Handreiking Jeugdzorgplus 2. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld ten aanzien van de veiligheid binnen de gesloten accommodatie en bouwkundige eisen ten aanzien van de gesloten accommodatie waar de machtiging ten uitvoer kan worden gelegd. verplichting ziet op locatieniveau, niet op de rechtspersoon. Van de registratie wordt mededeling gedaan in de Staatscourant. Ja 3. Een registratie wordt in de Staatscourant bekend gemaakt. 6.2.2 1. Een machtiging kan slechts worden ten uitvoer gelegd in een geregistreerde gesloten accommodatie of een specifiek daartoe aangewezen deel van een geregistreerde gesloten accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. “In artikel 6.2.2, eerste lid, is bepaald dat jeugdigen alleen gesloten jeugdhulp kunnen ontvangen in een geregistreerde gesloten accommodatie van een gecertificeerde jeugdhulpaanbieder. Het tweede lid bevat de uitzondering op de regel dat een machtiging alleen ten uitvoer kan worden gelegd in een geregistreerde gesloten accommodatie. Bij jeugdigen van 12 jaar of ouder kan de machtiging op verzoek van het college of de raad voor de kinderbescherming ten uitvoer worden gelegd in een justitiële jeugdinrichting.” Blz. 164 - 165 1. (Gesloten) jeugdhulpaanbieders 2. Kinderrechter 3. Gemeenten 4. Gecertificeerde instellingen Nee 2. De rechter kan, indien het een jeugdige betreft van twaalf jaar of ouder, op verzoek van het college of de raad voor de kinderbescherming, in zijn beschikking inzake de machtiging bepalen dat deze in afwijking van het eerste lid, ten uitvoer wordt gelegd in een inrichting als bedoeld in artikel 1 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. De eerste volzin wordt slechts toegepast met betrekking tot een jeugdige die op het tijdstip waarop een machtiging wordt verleend op basis van een veroordeling is opgenomen in een inrichting. Toepassing geschiedt slechts met instemming van de jeugdige of indien deze de leeftijd van zestien jaar nog niet heeft bereikt, met instemming van de jeugdige en degene die het gezag over hem heeft. De tenuitvoerlegging in een inrichting geschiedt slechts voor de termijn die nodig is om een behandeling of opleiding af te ronden. Op de tenuitvoerlegging is de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van toepassing. Een besluit als bedoeld in artikel 6.1.2, vijfde lid, geeft aanspraak op verblijf als bedoeld in artikel 14 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen. 6.2.3 Een jeugdhulpaanbieder die aan een leerplichtige jeugdige verblijf biedt in een gesloten accommodatie is gedurende de looptijd van de machtiging een persoon die zich met de feitelijke verzorging van de jeugdige heeft belast als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de Leerplichtwet 1969. “Deze bepaling stelt buiten twijfel dat een leerplichtige jeugdige ook gedurende de tenuitvoerlegging van de machtiging aan zijn leerplicht moet voldoen.” Blz. 165 1. (Gesloten) jeugdhulpaanbieders Nee 42 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 43. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 43 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise43 6.2.4 1. Een jeugdhulpaanbieder stelt met het oog op een zorgvuldige toepassing van maatregelen als bedoeld in paragraaf 6.3 een regeling vast omtrent de personen die tot het treffen daarvan bevoegd zijn en met betrekking tot de wijze waarop tot toepassing wordt besloten. “Artikel 6.2.4 regelt de huisregels en regels omtrent de bevoegdheden voor het nemen van beperkende beslissingen binnen de gesloten accommodatie hierin.” Blz. 165 1. (Gesloten) jeugdhulpaanbieders Nee  Handreiking Jeugdzorgplus 2. Een jeugdhulpaanbieder stelt huisregels vast die betrekking hebben op een ordelijke gang van zaken, de veiligheid binnen de gesloten accommodatie en het waarborgen van een pedagogisch klimaat. 3. De huisregels bevatten in ieder geval een regeling van de bezoektijden, van de controle van de bezoekers en van voorwerpen die jeugdigen in verband met de veiligheid binnen de gesloten accommodatie niet in hun bezit mogen hebben. 6.3 Bestaande procedures ‘vrijheidsbeperkende maatregelen’ doorlopen en zo nodig aanpassen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 6.3.1 1. Ten aanzien van een met een machtiging als bedoeld in de artikelen 6.1.2 tot en met 6.1.4 opgenomen jeugdige kunnen, voor zover noodzakelijk om de met de jeugdhulp beoogde doelen te bereiken of voor zover noodzakelijk voor de veiligheid van de jeugdige of anderen, door de jeugdhulpaanbieder maatregelen worden toegepast waarmee hij tegen zijn wil of die van degene die het gezag over hem uitoefent, binnen de gesloten accommodatie in zijn vrijheden wordt beperkt. “In de onderhavige artikelen zijn maatregelen opgenomen die een beperking van de vrijheid inhouden van jeugdigen die opgenomen zijn in een gesloten accommodatie.” Blz. 165 - 169 1. (Gesloten) jeugdhulpaanbieders Nee  Handreiking Jeugdzorgplus 2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen inhouden: a. het verbod zich op te houden op in het hulpverleningsplan aangegeven plaatsen en zo nodig de tijdstippen waarop dat verbod geldt; b. tijdelijke plaatsing in afzondering; c. tijdelijke overplaatsing binnen de gesloten accommodatie of naar een andere gesloten accommodatie, en d. het vastpakken en vasthouden. 3. De jeugdhulpaanbieder meldt de toepassing van maatregelen als bedoeld in het tweede lid, onderdelen b en c, aan de gecertificeerde instelling die de gezinsvoogdij uitoefent alsmede aan de ouders indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld. 6.3.2 1. Ten aanzien van een met een machtiging als bedoeld in de artikelen 6.1.2 tot en met 6.1.4 opgenomen jeugdige kunnen door de jeugdhulpaanbieder tegen de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent: a. jeugdhulpverleningsprogramma’s worden toegepast, voor zover noodzakelijk om de met de jeugdhulp beoogde doelen te bereiken, en b. geneeskundige behandelingsmethoden, waaronder het toedienen van medicijnen, worden toegepast, voor zover noodzakelijk ter afwending van gevaar voor de gezondheid of de veiligheid van de jeugdige of anderen en de met de jeugdhulp beoogde doelen te bereiken. “In de onderhavige artikelen zijn maatregelen opgenomen die een beperking van de vrijheid inhouden van jeugdigen die opgenomen zijn in een gesloten accommodatie.” Blz. 165-169 2. De jeugdhulpaanbieder meldt de toepassing van het eerste lid aan de gecertificeerde instelling die de gezinsvoogdij uitoefent alsmede aan de ouders indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld. Indien de geneeskundige behandelingsmethode wordt toegepast ter behandeling van een stoornis van de geestvermogens, wordt tevens melding gedaan aan het Staatstoezicht op de volksgezondheid. 43 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 44. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 44 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise44 6.3.3 1. Ten aanzien van een met een machtiging als bedoeld in de artikelen 6.1.2 tot en met 6.1.4 opgenomen jeugdige kunnen, voor zover noodzakelijk om de met de jeugdhulp beoogde doelen te bereiken, door de jeugdhulpaanbieder tegen de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent en onverminderd de huisregels, bedoeld in artikel 6.2.4, tweede lid: a. beperkingen van het brief- en telefoonverkeer of het gebruik van andere communicatiemiddelen plaatsvinden, en b. beperkingen van bezoek plaatsvinden of bepalen dat bezoek slechts onder toezicht kan plaatsvinden. Artikel biedt ruimte om het contact met de buitenwereld te beperken. Blz. 167 1. (Gesloten) jeugdhulpaanbieders Nee  Handreiking Jeugdzorgplus 2. Op de beperkingen, bedoeld in het eerste en tweede lid, zijn de artikelen 42, eerste en tweede lid, en 43, zevende lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van overeenkomstige toepassing. 6.3.4 1. Ten aanzien van een met een machtiging als bedoeld in de artikelen 6.1.2 tot en met 6.1.4 opgenomen jeugdige kunnen, voor zover noodzakelijk om de met de jeugdhulp beoogde doelen te bereiken of voor zover noodzakelijk om te voorkomen dat de jeugdhulp aan andere jeugdigen wordt tegengewerkt, door de jeugdhulpaanbieder tegen de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent controlemaatregelen worden toegepast. “Artikel 6.3.4 geeft de mogelijkheid controlemaatregelen uit te oefenen die een vrijheidsbeperkende werking hebben.” Blz. 168 2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, kunnen inhouden: a. onderzoek aan lichaam en kleding; b. onderzoek van urine op aanwezigheid van gedragsbeïnvloedende middelen; c. onderzoek van de kamer van de jeugdige op de aanwezigheid van voorwerpen die hij niet in zijn bezit mag hebben, en d. onderzoek van poststukken afkomstig van of bestemd voor de jeugdigen op de aanwezigheid van voorwerpen, doch slechts in aanwezigheid van de jeugdige. 3. Voorwerpen die niet in het bezit van de jeugdige mogen zijn worden in beslag genomen en voor de jeugdige bewaard of met zijn toestemming vernietigd, dan wel aan een opsporingsambtenaar ter hand gesteld. 6.3.5 1. Indien een jeugdhulpaanbieder met het oog op de veiligheid van de jeugdige of anderen dan wel om te voorkomen dat de jeugdige zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van de machtiging, bedoeld in de artikelen 6.1.2 en 6.1.3, bepaalt dat het vervoer van en naar een gesloten accommodatie plaatsvindt door een vervoerder als bedoeld in het derde lid, kunnen door de vervoerder, voor zover noodzakelijk met het oog op voren omschreven doeleinden ten aanzien van die jeugdige tijdens dat vervoer tegen zijn wil of van degene die het gezag over hem uitoefent, voor de duur van het vervoer de volgende maatregelen worden genomen: a. vastpakken en vasthouden; b. onderzoek aan kleding; c. tijdelijke plaatsing in een afzonderlijke en af te sluiten ruimte in het vervoermiddel. “In de onderhavige artikelen zijn maatregelen opgenomen die een beperking van de vrijheid inhouden van jeugdigen die opgenomen zijn in een gesloten accommodatie.” Blz. 168-169 2. Zodra de maatregelen bedoeld in het eerste lid in het hulpverleningsplan zijn opgenomen, worden zij dienovereenkomstig ten uitvoer gelegd. 3. Een vervoerder als bedoeld in het eerste lid is een door Onze Ministers daartoe aangewezen vervoerder die voldoet aan de bij ministeriële regeling van Onze Ministers gestelde eisen, waaronder eisen omtrent het door de vervoerder te gebruiken vervoermiddel.. 4. In geval van vervoer als bedoeld in het eerste lid meldt de vervoerder de toepassing van een of meer van de in dat lid genoemde maatregelen aan de jeugdhulpaanbieder en de gecertificeerde instelling. Indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld, licht de zorgaanbieder tevens de ouders in. 44 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 45. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 45 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijke AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise45 6.3.6 1. De maatregelen, methoden en beperkingen als bedoeld in de artikelen 6.3.1 tot en met 6.3.5 worden slechts toegepast, voor zover zij zijn opgenomen in het hulpverleningsplan. “De maatregelen, behandelmethoden en controlemiddelen als bedoeld in de artikelen 6.3.1 tot en met 6.3.5 kunnen alleen worden toegepast als zij zijn opgenomen in het hulpverleningsplan.” Blz. 169 1. (Gesloten) jeugdhulpaanbieders Nee  Handreiking Jeugdzorgplus 2. Voorafgaand aan de vaststelling of wijziging van deze onderdelen van het hulpverleningsplan wordt overleg gevoerd met degene die het gezag over de jeugdige heeft. Zij behoeven niet de instemming van de jeugdige of degene die het gezag over hem heeft. Zij behoeven wel de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper. 3. Indien het plan maatregelen, methoden of beperkingen als bedoeld in het eerste lid bevat omschrijft het tevens de gevallen waarin en de termijn gedurende welke de maatregelen kunnen worden toegepast. 4. Een hulpverleningsplan ten aanzien van een jeugdige die met een machtiging in een gesloten accommodatie verblijft, wordt zo vaak geëvalueerd als in het belang van de jeugdige noodzakelijk is. 6.3.7 In afwijking van artikel 6.3.6, eerste lid, kunnen met betrekking tot een jeugdige, slechts maatregelen, methoden of beperkingen als genoemd in de artikelen 6.3.1 tot en met 6.3.4 die niet opgenomen zijn in het hulpverleningsplan worden toegepast, voor zover noodzakelijk ter overbrugging van tijdelijke noodsituaties. De toepassing behoeft binnen vierentwintig uur nadat deze is aangevangen de instemming van een gekwalificeerde gedragswetenschapper. De maatregelen, methoden of beperkingen worden ten hoogste gedurende zeven opeenvolgende dagen toegepast. “Deze bepaling biedt een regeling voor het toepassen van de in de artikelen 6.3.1 tot en met 6.3.4 genoemde maatregelen, behandelmethoden of beperkingen, die niet zijn opgenomen in het hulpverleningsplan, indien dit noodzakelijk is ter overbrugging van tijdelijke noodsituaties.” Blz. 170 6.3.8 1. Ten aanzien van een jeugdige voor wie een machtiging is afgegeven en die in verband met deze machtiging aanwezig is in het gerechtsgebouw, kunnen, om te voorkomen dat de jeugdige zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van de machtiging, tegen de wil van de jeugdige of van degene die het gezag over hem uitoefent, voor de duur van zijn aanwezigheid aldaar de volgende maatregelen worden genomen: a. vastpakken en vasthouden; b. onderzoek aan kleding, en c. ijdelijke plaatsing in een geschikte, afzonderlijke en af te sluiten ruimte. “Het artikel 6.3.8 is gelijk aan artikel 29fa van de Wjz en voorziet in een expliciete basis op grond waarvan ten aanzien van jeugdigen voor wie een rechterlijke machtiging is afgegeven en die in het kader van die rechterlijke machtiging aanwezig zijn in het gerechtsgebouw, een drietal beperkende maatregelen kan worden genomen, met het oog op de veiligheid van de jeugdige of om te voorkomen dat hij zich aan de tenuitvoerlegging van zijn machtiging onttrekt.” Blz. 170 2. De maatregelen, bedoeld in het eerste lid, worden uitsluitend ten uitvoer gelegd door ambtenaren aangewezen voor de uitvoering van de politietaak, bedoeld in artikel 3 van de Politiewet 2012. 6.3.9 1. Degene die de beslissing heeft genomen tot toepassing van de artikelen 6.3.1 tot en met 6.3.4 of van artikel 6.3.7, draagt er zorg voor dat de toepassing zo spoedig mogelijk in het dossier betreffende de jeugdige wordt vastgelegd, onder vermelding van de omstandigheden die daartoe aanleiding gaven. Het onderhavige artikel regelt de administratieve afhandeling van de toepassing van de artikelen 6.3.1 tot en met 6.3.5, 6.3.7 en 6.3.8. Blz. 170 - 171 2. De jeugdhulpaanbieder draagt er zorg voor dat de toepassing van een of meer van de in de artikelen 6.3.5, eerste lid, of 6.3.8, eerste lid, genoemde maatregelen zo spoedig mogelijk in het dossier betreffende de jeugdige wordt vastgelegd, onder vermelding van de omstandigheden die daartoe aanleiding gaven. 3. De jeugdhulpaanbieder die de machtiging gesloten jeugdhulp uitvoert, verstrekt aan de gecertificeerde instelling die de gezinsvoogdij uitoefent alsmede aan de ouders indien de jeugdige niet onder toezicht is gesteld, elk half jaar een rapportage over de toepassingen, bedoeld in het eerste en tweede lid. 45 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 46. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 46 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 6.4 Bestaande procedures ‘verlof’ doorlopen en zo nodig aanpassen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise46 6.4.1 1. Aan een jeugdige kan, naast de mogelijkheden die het hulpverleningsplan biedt om de gesloten accommodatie te verlaten, verlof om de gesloten accommodatie te verlaten worden verleend indien zulks, gelet op de reden waarom de jeugdige in de gesloten accommodatie moet verblijven, verantwoord is. “In deze bepaling is het verlof voor jeugdigen die in een gesloten accommodatie verblijven geregeld.” Blz. 171 1. (Gesloten) jeugdhulpaanbieders Nee  Handreiking Jeugdzorgplus 2. Aan het verlof kunnen voorwaarden worden verbonden betreffende de jeugdhulp en het gedrag van de jeugdige. 3. Verlof wordt slechts verleend indien redelijkerwijs kan worden aangenomen dat de jeugdige de voorwaarden zal naleven. 4. Verlof wordt niet verleend dan nadat een gekwalificeerde gedragswetenschapper daarmee heeft ingestemd. 5. Het verlof wordt ingetrokken indien voortzetting van het verlof, gezien de problemen van de jeugdige, niet langer verantwoord is. Het verlof kan worden ingetrokken indien de jeugdige zich niet aan de voorwaarden houdt. De aan het verlof verbonden voorwaarden kunnen worden gewijzigd. 6.5 Bestaande regeling klachtrecht bij vrijheidsbeperkende maatregelen doorlopen en zo nodig aanpassen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraag door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 6.5.1 1. Onverminderd artikel 4.2.3 kan een jeugdige of degene die het gezag over hem heeft binnen een redelijke termijn tegen een beslissing als bedoeld in de artikelen 6.3.1, eerste lid, 6.3.2, eerste lid, 6.3.3, eerste lid, en 6.3.4, eerste en derde lid, de toepassing van artikel 6.3.5, eerste lid, 6.3.7 of een beslissing aangaande verlof als bedoeld in artikel 6.4.1 een schriftelijke klacht indienen bij de klachtencommissie, bedoeld in artikel 4.2.1, tweede lid. “Het voorstel van wet bevat naast de gewonde klachtenregeling een aanvullende regeling op grond waarvan betrokkenen kunnen opkomen tegen (onterechte) toepassing van maatregelen. De regeling moet in verband met de Grondwet en het EVRM in elk geval uitmonden in een mogelijk beroep op de rechter. De voorgestelde regeling houdt in dat de jeugdige kan klagen bij een klachtencommissie als bedoeld in artikel 4.2.1.” Blz. 171 - 173 1. (Gesloten) jeugdhulpaa nbieders Ja (bij lid 3) Nee  Handreiking Jeugdzorgplus 2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de samenstelling van de klachtencommissie bij de behandeling van klachten als bedoeld in het eerste lid en de wijze waarop deze klachten worden behandeld. 3. De klachtencommissie neemt zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken, te rekenen vanaf de datum waarop de klacht is ontvangen, een beslissing op de klacht. 4. De beslissing van de commissie strekt tot: a. onbevoegdverklaring van de commissie, b. niet-ontvankelijkverklaring van de klacht, c. ongegrondverklaring van de klacht, of d. gegrondverklaring van de klacht. 5. Indien de commissie de klacht gegrond verklaart, vernietigt zij de bestreden beslissing geheel of gedeeltelijk. Gehele of gedeeltelijke vernietiging brengt vernietiging van de rechtsgevolgen van de beslissing of het vernietigde gedeelte van de beslissing mee. 6. Indien de commissie de klacht gegrond verklaart, kan zij degene die de beslissing heeft genomen opdragen een nieuwe beslissing te nemen en voor het nemen daarvan een termijn stellen. 7. Indien de commissie de klacht gegrond verklaart, kan zij bepalen dat enige tegemoetkoming, die geldelijk van aard kan zijn, aan de klager geboden is en stelt deze tegemoetkoming vast. 6.5.2 1. Hangende de beslissing op de klacht kan de voorzitter van een beroepscommissie als bedoeld in artikel 74 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen op verzoek van de jeugdige, gehoord degene die de beslissing heeft genomen, de beslissing waartegen de klacht is gericht, schorsen. “Analoog aan de regeling in de Bjj voorziet de klachtregeling ingevolge dit hoofdstuk in de mogelijkheid van schorsing van een beslissing. De voorzitter van de beroepscommissie van de RSJ is hiertoe bevoegd.” Blz. 173 2. De voorzitter doet hiervan onverwijld mededeling aan degene die de beslissing heeft genomen en aan de klager. 6.5.3 Ten aanzien van een beslissing als bedoeld in artikel 6.5.1, derde lid, zijn de artikelen 74 tot en met 76 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat voor “directeur” respectievelijk “beroepscommissie” gelezen wordt “jeugdhulpaanbieder” respectievelijk “klachtencommissie”. “Tegen de beslissing van de klachtencommissie staat ingevolge deze bepaling beroep open bij de beroepscommissie van de RSJ.” Blz. 173 46 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 47. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 47 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 7. Gegevensverwerking, privacy en toestemming 7.1 Bestaande procedures Verwijsindex doorlopen en zo nodig aanpassen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise47 7.1.1.1 In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:  hulp, zorg of bijsturing: werkzaamheden die een meldingsbevoegde op grond van de voor hem geldende regelgeving ten behoeve van een jeugdige verricht;  jeugdige: persoon die de leeftijd van drieëntwintig jaar nog niet heeft bereikt. Algemene bepalingen Zie toelichting artikel 2a in memorie van toelichting op Wet op de Jeugdzorg. Blz. 53 1. Gemeenten Nee 2. Benut de opgebouwde expertise in het kader van het signaleringssysteem Zorg voor Jeugd 3. Lees advies College Bescherming Persoonsgegevens over dit hoofdstuk.7.1.1.2 1. Meldingsbevoegde is een functionaris die werkzaam is voor een instantie die: a. behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van instanties die werkzaam is in een of meer van de domeinen jeugdhulp, jeugdgezondheidszorg, gezondheidszorg, onderwijs, maatschappelijke ondersteuning, werk en inkomen, of politie en justitie, b. afspraken als bedoeld in artikel 7.1.3.1 heeft gemaakt met het college, en c. de functionaris als zodanig heeft aangewezen. Zie toelichting artikel 2b in memorie van toelichting op Wet op de Jeugdzorg. Blz. 53 - 56 2. Meldingsbevoegde is voorts een functionaris die niet werkzaam is voor een instantie en die: a. behoort tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie van functionarissen die werkzaam is in een of meer van de in het eerste lid, onderdeel a, genoemde domeinen, en b. afspraken als bedoeld in artikel 7.1.3.1 heeft gemaakt met het college. 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de functionaris, bedoeld in het eerste en tweede lid, en de instanties, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a. Deze regels kunnen verschillen per categorie van instanties of functionarissen. Ja 7.1.2.1 1. Er is een verwijsindex risicojongeren, zijnde een landelijk elektronisch systeem, waarin persoonsgegevens alsmede andere gegevens worden verwerkt. Inrichting, beheer en verantwoordelijkheid Zie toelichting artikel 2d in memorie van toelichting op Wet op de Jeugdzorg. Blz. 56 Nee 2. De verwijsindex heeft tot doel vroegtijdige en onderlinge afstemming tussen meldingsbevoegden te bewerkstelligen, opdat zij jeugdigen tijdig passende hulp, zorg of bijsturing kunnen verlenen om daadwerkelijke bedreigingen van de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid te voorkomen, te beperken of weg te nemen. 3. De verwijsindex wordt uitsluitend gebruikt voor het in het tweede lid aangegeven doel. 7.1.2.2 1. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport draagt zorg voor de inrichting en het beheer van de verwijsindex. Zie toelichting artikel 2e in memorie van toelichting op Wet op de Jeugdzorg. Blz. 57 2. Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport is de verantwoordelijke voor de verwijsindex. 3. In afwijking van het tweede lid, is voor de toepassing van de artikelen 34 tot en met 40 en 43 van de Wet bescherming persoonsgegevens de verantwoordelijke het college van de gemeente die afspraken als bedoeld in artikel 7.1.3.1 heeft gemaakt met de instantie waarvoor de meldingsbevoegde die de jeugdige heeft gemeld werkzaam is of, indien die niet werkzaam is voor een instantie, de meldingsbevoegde. 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de inrichting en het beheer van de verwijsindex. Daartoe behoren in elk geval regels omtrent de beveiliging van persoonsgegevens en de beschikbaarheid van voorzieningen die deel uitmaken van de verwijsindex. Ja 47 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 48. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 48 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise48 7.1.2.3 1. Van de verwijsindex maken deel uit: a. voorzieningen waarmee de verwijsindex met het oog op het verwerken van een melding het burgerservicenummer van de betrokken jeugdige kan opvragen of verifiëren; b. voorzieningen waarmee een jeugdige aan de verwijsindex kan worden gemeld of eruit kan worden verwijderd; c. voorzieningen waarmee bij twee of meer meldingen van dezelfde jeugdige een signaal wordt gezonden naar de meldingsbevoegden die de betrokken jeugdige hebben gemeld en naar degene die belast is met de taken, bedoeld in artikel 7.1.3.2; d. voorzieningen waarmee bij twee of meer meldingen van jeugdigen met hetzelfde woonadres, bedoeld in de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, niet zijnde het adres van een instelling die is aangewezen op grond van artikel 67, derde of vierde lid, van die wet, een signaal wordt gezonden naar de meldingsbevoegden die de betrokken jeugdige hebben gemeld en naar degene die belast is met de taken, bedoeld in artikel 7.1.3.2 ; e. voorzieningen waarmee bij twee of meer meldingen van jeugdigen met eenzelfde in een basisadministratie van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 2 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, opgenomen ouder, een signaal wordt gezonden naar de meldingsbevoegden die de betrokken jeugdige hebben gemeld en naar degene die belast is met de taken, bedoeld in artikel 7.1.3.2 ; f. een logboek dat registreert welke meldingsbevoegde wanneer een jeugdige aan de verwijsindex heeft gemeld, hem daaruit heeft verwijderd of een signaal heeft ontvangen; g. voorzieningen waarmee verhuisbewegingen van aan de verwijsindex gemelde jeugdigen worden geregistreerd en doorgegeven aan de meldingsbevoegde die de jeugdige heeft gemeld en, indien de jeugdige naar een andere gemeente is verhuisd, aan de regievoerder van de gemeente waarnaar de jeugdige is verhuisd; h. voorzieningen waarmee ten behoeve van: 1°. het toezicht op de naleving inzage kan worden gegeven in de verwijsindex; 2°. beleidsinformatie en het toezicht op de naleving rapportages over het gebruik van de verwijsindex kunnen worden samengesteld en opgevraagd, bestaande uit niet tot specifieke jeugdigen of specifieke meldingsbevoegden herleidbare gegevens, en 1. voorzieningen waarmee aan de jeugdige bij de toepassing van de artikelen 35 tot en met 40 van de Wet bescherming persoonsgegevens inzage kan worden verleend in een hem betreffende melding in de verwijsindex. Onderdeel d “Onderdeel d van het eerste lid ziet op het genereren van een signaal naar aanleiding van twee of meer meldingen van jeugdigen die volgens de GBA op hetzelfde adres wonen. Hier wordt een uitzondering op gemaakt voor het adres van instellingen die zijn aangewezen op grond van artikel 67, derde of vierde lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Dit betreft instellingen voor gezondheidszorg, kinderbescherming, penitentiaire instellingen en instellingen op het terrein van maatschappelijke opvang. Van gemelde jeugdigen die in dergelijke instellingen bij elkaar wonen, wordt op deze wijze geen match gegenereerd in de VIR; zij worden in dit verband dus niet gezien als elkaars gezinsleden. Onderdeel e Onderdeel e van het eerste lid ziet op het genereren van een signaal naar aanleiding van twee of meer meldingen van jeugdigen die volgens de GBA eenzelfde ouder hebben.” Blz. 174 1. Gemeenten Nee 4. Benut de opgebouwde expertise in het kader van het signaleringssyst eem Zorg voor Jeugd. 5. Lees advies College Bescherming Persoonsgegeve ns over dit hoofdstuk. 2. Bij de verwijsindex is een historisch meldingenarchief gevoegd waarin uit de verwijsindex verwijderde meldingen worden opgenomen. Het historisch meldingenarchief heeft tot doel de verdere verlening van hulp, zorg of bijsturing ten behoeve van een jeugdige te ondersteunen. Zie toelichting artikel 2f in memorie van toelichting op Wet op de Jeugdzorg. Blz. 57 - 58 3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op een effectief gebruik van de verwijsindex noodzakelijke andere voorzieningen worden aangewezen die aan de verwijsindex worden toegevoegd. Ja 48 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 49. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 49 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise49 7.1.3.1 1. Het college bevordert het gebruik van de verwijsindex. Daartoe maakt het college afspraken met de binnen zijn gemeente werkzame instanties en functionarissen, voor zover zij behoren tot een categorie die is aangewezen bij de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in artikel 7.1.1.2. Het college organiseert voorts de aansluiting van die instanties en functionarissen op de verwijsindex. Gebruik van de verwijsindex Zie toelichting artikel 2g in memorie van toelichting op Wet op de Jeugdzorg. Blz. 58 - 60 1. Gemeenten Nee 6. Benut de opgebouwde expertise in het kader van het signaleringssyst eem Zorg voor Jeugd 7. Lees advies College Bescherming Persoonsgegeve ns over dit hoofdstuk. 2. De afspraken betreffen in elk geval de wijze waarop het college samenwerkt met die instanties en functionarissen, en die instanties en functionarissen onderling samenwerken bij het verlenen van hulp, zorg of bijsturing ten behoeve van jeugdigen, alsmede het beheer en de nakoming van die afspraken. De afspraken worden schriftelijk vastgelegd. “In dit artikel is bepaald dat de afspraken die het college met de meldingsbevoegde instanties en functionarissen maakt schriftelijk worden vastgelegd, terwijl onder de Wjz in dit verband expliciet werd gesproken van een convenant, oftewel een overeenkomst. De rol van de gemeente in het nieuwe stelsel is echter dusdanig anders, dat het zeer goed denkbaar is dat de gemeente als uitvoerder van jeugdhulp zelf ook gebruik zal gaan maken van de VIR en dat zou betekenen dat het college een convenant zou moeten sluiten met een onderdeel van de gemeente. Daarom is het niet passend om voor te schrijven dat de bedoelde afspraken in een convenant moeten worden vastgelegd. Met het oog op de kenbaarheid van de afspraken is echter wel bepaald dat de gemaakte afspraken schriftelijk moeten worden vastgelegd.” Blz. 174 3. Bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen regels worden gesteld omtrent het beheer en de nakoming van de afspraken en kunnen voorts regels worden gesteld omtrent andere in de afspraken op te nemen onderwerpen. Voor zover dat uit hoofde van hun functie of taak noodzakelijk is, kan in de afspraken onderscheid worden gemaakt tussen daarbij aangewezen categorieën van meldingsbevoegden. Zie toelichting artikel 2g in memorie van toelichting op Wet op de Jeugdzorg. Blz. 58 - 60 Ja 4. Bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen nadere regels worden gesteld omtrent het gebruik van, de aansluiting en de organisatie van de aansluiting op de verwijsindex. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen daarbij aangewezen categorieën van gemeenten en van meldingsbevoegden.. 49 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 50. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 50 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise50 7.1.3.2 1. Het college draagt er zorg voor dat wordt nagegaan of de meldingsbevoegden die een jeugdige aan de verwijsindex hebben gemeld en vervolgens daaruit een signaal hebben ontvangen, met elkaar contact hebben opgenomen. Zie toelichting artikel 2g in memorie van toelichting op Wet op de Jeugdzorg. Blz. 60 1. Gemeenten Nee 8. Benut de opgebouwde expertise in het kader van het signaleringssysteem Zorg voor Jeugd 9. Lees advies College Bescherming Persoonsgegevens over dit hoofdstuk. 2. Degene die belast is met de taken, bedoeld in het eerste lid, heeft uitsluitend ten behoeve daarvan toegang tot de verwijsindex. 7.1.3.3 1. Instanties als bedoeld in artikel 7.1.1.2, eerste lid, onderdeel a, kunnen met het oog op een effectief gebruik van de verwijsindex een binnen hun instantie werkzame coördinator aanwijzen. De coördinator heeft als taak de contactgegevens van de meldingsbevoegden te beheren en zo nodig, aan te passen en de signalen uit de verwijsindex te beheren. Zie toelichting artikel 2i in memorie van toelichting op Wet op de Jeugdzorg. Blz. 60 2. Een coördinator heeft uitsluitend ten behoeve van de taak, bedoeld in het eerste lid, toegang tot de verwijsindex. 7.1.4.1 Een meldingsbevoegde kan zonder toestemming van de jeugdige of zijn wettelijk vertegenwoordiger en zo nodig met doorbreking van de op grond van zijn ambt of beroep geldende plicht tot geheimhouding, een jeugdige melden aan de verwijsindex indien hij een redelijk vermoeden heeft dat de jeugdige door een of meer van de hierna genoemde risico’s in de noodzakelijke condities voor een gezonde en veilige ontwikkeling naar volwassenheid daadwerkelijk wordt bedreigd: a. de jeugdige staat bloot aan geestelijk, lichamelijk of seksueel geweld, enige andere vernederende behandeling, of verwaarlozing; b. de jeugdige heeft meer of andere dan bij zijn leeftijd normaliter voorkomende psychische problemen, waaronder verslaving aan alcohol, drugs of kansspelen; c. de jeugdige heeft meer dan bij zijn leeftijd normaliter voorkomende ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen; d. de jeugdige is minderjarig en moeder of zwanger; e. de jeugdige verzuimt veelvuldig van school of andere onderwijsinstelling, dan wel verlaat die voortijdig of dreigt die voortijdig te verlaten; f. de jeugdige is niet gemotiveerd om door legale arbeid in zijn levensonderhoud te voorzien; g. de jeugdige heeft meer of andere dan bij zijn leeftijd normaliter voorkomende financiële problemen; h. de jeugdige heeft geen vaste woon- of verblijfplaats; i. de jeugdige is een gevaar voor anderen door lichamelijk of geestelijk geweld of ander intimiderend gedrag; j. de jeugdige laat zich in met activiteiten die strafbaar zijn gesteld; k. de ouders of andere verzorgers van de jeugdige schieten ernstig tekort in de verzorging of opvoeding van de jeugdige, of l. de jeugdige staat bloot aan risico’s die in bepaalde etnische groepen onevenredig vaak voorkomen. Melding aan de verwijsindex Zie toelichting artikel 2j in memorie van toelichting op Wet op de Jeugdzorg. Blz. 69 50 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 51. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 51 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise51 7.1.4.2 1. Een melding wordt in de verwijsindex gekoppeld aan het burgerservicenummer van de jeugdige, met als doel te waarborgen dat de melding betrekking heeft op die jeugdige. Zie toelichting artikel 2k in memorie van toelichting op Wet op de Jeugdzorg. Blz. 69-70 1. Gemeenten Nee 10. Benut de opgebouwde expertise in het kader van het signaleringssysteem Zorg voor Jeugd. 11. Lees advies College Bescherming Persoonsgegevens over dit hoofdstuk. 2. Indien de melding afkomstig is van een meldingsbevoegde die op grond van een wettelijke bepaling reeds bevoegd is het burgerservicenummer van de jeugdige te gebruiken, biedt hij de melding met dat nummer aan de verwijsindex aan. 3. In andere gevallen biedt de meldingsbevoegde de melding aan de verwijsindex aan zonder dat hij kennis kan nemen van het burgerservicenummer van de betrokken jeugdige. 4. Bij algemene maatregel van bestuur worden een persoonsidentificerend nummer en andere identificerende gegevens aangewezen die gebruikt worden om jeugdigen die niet beschikken over een burgerservicenummer te melden aan de verwijsindex. Bij of krachtens de maatregel worden voorts regels gesteld over de wijze waarop deze gegevens worden aangeboden aan de verwijsindex. Ja 7.1.4.3 1. Naast het burgerservicenummer van de jeugdige worden in de verwijsindex bij een melding uitsluitend de volgende gegevens opgeslagen: a. de identificatiegegevens en contactgegevens van de meldingsbevoegde die de melding doet, en, in voorkomend geval, van de coördinator, bedoeld in artikel 7.1.3.3; b. de datum en het tijdstip van de melding, en c. de datum waarop de melding op grond van artikel 7.1.4.5, tweede lid, onderdeel a, uit de verwijsindex zal worden verwijderd. Zie toelichting artikel 2l in memorie van toelichting op Wet op de Jeugdzorg. Blz, 70 - 71 Nee 2. Een signaal uit de verwijsindex bevat uitsluitend de gegevens, genoemd in het eerste lid, onderdeel a, en, indien het signaal voortvloeit uit twee of meer meldingen die niet dezelfde jeugdige betreffen, dit gegeven. “In het tweede lid van artikel 7.1.4.3 is geregeld welke gegevens een signaal uit de VIR bevat. Hier wordt nu een zinsnede toegevoegd, waarmee de grondslag wordt gecreëerd om het gegeven dat sprake is van een gezinsmatch op te nemen in het signaal dat afgegeven wordt op in geval van een match.” Blz. 174 7.1.4.4 Ten behoeve van de doeleinden, bedoeld in artikel 7.1.2.1, worden persoonsgegevens betreffende de gezondheid, alsmede strafrechtelijke persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens verwerkt. De verwerking van deze gegevens vindt uitsluitend plaats teneinde meldingsbevoegden uit de domeinen jeugdgezondheidszorg, gezondheidszorg en politie en justitie in staat te stellen een jeugdige aan de verwijsindex te melden alsmede andere meldingsbevoegden in staat te stellen van deze melding kennis te nemen. Zie toelichting artikel 2m in memorie van toelichting op Wet op de Jeugdzorg. Blz. 71 7.1.4.5 1. Een meldingsbevoegde verwijdert een door hem gedane melding uit de verwijsindex indien naar zijn oordeel: a. die melding niet terecht is gedaan; b. het eerder gesignaleerde risico niet meer aanwezig is. Zie toelichting artikel 2n in memorie van toelichting op Wet op de Jeugdzorg. Blz. 71 2. Een melding wordt voorts in elk geval uit de verwijsindex verwijderd: 1. ten hoogste twee jaar nadat zij is gedaan; 2. met ingang van de dag dat de jeugdige de leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt, of 3. zo spoedig mogelijk na het overlijden van de jeugdige. 51 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 52. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 52 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise52 7.1.4.6 1. Een overeenkomstig artikel 7.1.4.5, eerste lid, onderdeel b, en tweede lid, onderdeel a, uit de verwijsindex verwijderde melding wordt gedurende vijf jaren opgenomen in een historisch meldingenarchief, met dien verstande dat die opname wordt vernietigd met ingang van de dag dat de jeugdige de leeftijd van drieëntwintig jaar bereikt of zo spoedig mogelijk na het overlijden van de jeugdige. Meldingen die uit de verwijsindex zijn verwijderd met toepassing van artikel 7.1.4.5, eerste lid, onderdeel a, of het tweede lid, onderdelen b of c, of de artikelen 36 of 40 van de Wet bescherming persoonsgegevens, worden niet in het historisch meldingenarchief opgenomen. Zie toelichting artikel 2o in memorie van toelichting op Wet op de Jeugdzorg. Blz. 71 - 72 1. Gemeenten Nee 12. Benut de opgebouwde expertise in het kader van het signaleringssysteem Zorg voor Jeugd. 13. Lees advies College Bescherming Persoonsgegevens over dit hoofdstuk. 2. Van een in het historisch meldingenarchief opgenomen melding wordt uitsluitend en eenmalig een signaal aangeboden aan een meldingsbevoegde op het moment dat hij een jeugdige aan de verwijsindex meldt. 3. artikelen 7.1.2.2 en 7.1.2.3, eerste lid, aanhef, juncto onderdelen h en i, zijn van overeenkomstige toepassing op het historisch meldingenarchief. Van het historisch meldingenarchief maakt een voorziening deel uit waarmee een jeugdige uit het historisch meldingenarchief kan worden verwijderd. 7.1.5.1 1. Indien een melding betrekking heeft op een jeugdige die jonger is dan twaalf jaar wordt de mededeling, bedoeld in artikel 34 van de Wet bescherming persoonsgegevens gedaan aan zijn wettelijk vertegenwoordiger. Indien de jeugdige de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaar heeft bereikt, wordt de mededeling zowel aan de jeugdige als zijn wettelijk vertegenwoordiger gedaan. Het college kan nadere regels stellen omtrent de mededeling. Informatieverstrekking aan en rechten van de betrokkene Zie toelichting artikel 2p in memorie van toelichting op Wet op de Jeugdzorg. Blz. 72 2. Indien de jeugdige jonger is dan twaalf jaar wordt een verzoek als bedoeld in de artikelen 35 en 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens of een aantekening van verzet als bedoeld in artikel 40 van die wet gedaan door zijn wettelijk vertegenwoordiger. Indien de jeugdige de leeftijd van twaalf, maar nog niet die van zestien jaar heeft bereikt, wordt het verzoek of de aantekening van verzet gedaan door de jeugdige en zijn wettelijk vertegenwoordiger gezamenlijk. 7.1.5.2 1. Een meldingsbevoegde die een jeugdige aan de verwijsindex heeft gemeld, brengt aan het college een advies uit over een door die jeugdige aan hen gedaan verzoek als bedoeld in de artikelen 35 of 36 van de Wet bescherming persoonsgegevens, of over een bij hen aangetekend verzet als bedoeld in artikel 40 van die wet. Zie toelichting artikel 2q in memorie van toelichting op Wet op de Jeugdzorg. Blz. 72 2. De meldingsbevoegde verstrekt het college overigens alle inlichtingen die nodig zijn met het oog op de uitvoering door het college van de in het eerste lid genoemde artikelen en van artikel 43 van de Wet bescherming persoonsgegevens. 52 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 53. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 53 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 7.2 Procedures gebruik Burgerservicenummer opstellen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise53 7.2.1 1. De gecertificeerde instelling, de jeugdhulpaanbieder, de raad voor de kinderbescherming en het college gebruiken het burgerservicenummer van een jeugdige met het doel te waarborgen dat de in het kader van de uitvoering van deze wet en de daarop berustende bepalingen te verwerken persoonsgegevens op die jeugdige betrekking hebben. “In dit artikel is de verplichting opgenomen voor de gecertificeerde instellingen, de jeugdhulpaanbieders, de raad voor de kinderbescherming en het college om het bsn van een jeugdige te gebruiken met het doel te waarborgen dat de in het kader van de uitvoering van deze wet te verwerken persoonsgegevens op die jeugdige betrekking hebben.” Blz. 175 1. Gemeenten 2. Gecertificeerde instellingen 3. Jeugdhulpaanbieders 4. Raad voor de kinderbescherming Nee 14. Lees advies College Bescherming Persoonsgegevens over dit hoofdstuk. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op een gecertificeerde instelling, voor zover deze ter uitvoering van de taken in het kader van jeugdreclassering, persoonsgegevens uitwisselt van verdachten en veroordeelden ten behoeve van de toepassing van het strafrecht. “In het tweede lid van dit artikel is een uitzondering op het verplichte gebruik van het bsn door de gecertificeerde instelling gemaakt, voor de uitvoering van de taken die deze instelling heeft in het kader van de uitvoering van de jeugdreclassering.” Blz. 175 7.2.2 De gecertificeerde instelling, de jeugdhulpaanbieder, de raad voor de kinderbescherming en het college stellen het burgerservicenummer van een jeugdige vast wanneer zij voor de eerste maal contact met de jeugdige hebben in het kader van de uitvoering van deze wet en de daarop berustende bepalingen. “In artikel 7.2.2 wordt een verificatieplicht van het bsn aan de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instelling, de raad voor de kinderbescherming en het college opgelegd voor het eerste contact met de jeugdige. Het bsn dient te worden vastgesteld wanneer de jeugdige voor de eerste maal contact met hen heeft.” 7.2.3 1. Teneinde het burgerservicenummer van de jeugdige vast te stellen wordt het nummerregister en de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen b en d, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer geraadpleegd. “Ingevolge artikel 7.2.3 vindt de vaststelling van het bsn plaats door controle bij het nummerregister en de voorzieningen, bedoeld in artikel 3 van de Wabb. Ingevolge artikel 7.2.3, tweede lid, hoeven de gecertificeerde instelling, de jeugdhulpaanbieder, de raad voor de kinderbescherming en het college het bsn niet zelf te controleren, indien het uit betrouwbare bron is verkregen.” Blz. 176 2. De raadpleging, bedoeld in het eerste lid, kan achterwege gelaten worden, indien: a. het burgerservicenummer is verstrekt door een andere gebruiker als bedoeld in artikel 1 van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer die bij of krachtens wet gehouden is het burgerservicenummer van de jeugdige vast te stellen aan de hand van het nummerregister en de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen b en d, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer, b. zij het burgerservicenummer hebben verkregen uit een basisadministratie van persoonsgegevens als bedoeld in artikel 2 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. 7.2.4 Indien aan een jeugdige geen burgerservicenummer is toegekend: a. nemen gecertificeerde instellingen, jeugdhulpaanbieders, de raad voor de kinderbescherming en het college in ieder geval de volgende gegevens van de jeugdige in hun administratie op: 1°. achternaam; 2°. voornamen; 3°. Geboortedatum, en 4°. postcode en huisnummer van het woonadres, en b. vermelden gecertificeerde instellingen, jeugdhulpaanbieders, de raad voor de kinderbescherming en het college de gegevens, bedoeld in onderdeel a, bij het verstrekken van persoonsgegevens met betrekking tot de uitvoering van hun taken en de verlening van jeugdhulp. “In de praktijk kunnen zich situaties voordoen waarin aan een jeugdige geen bsn is toegekend. Te denken valt aan een pasgeboren baby. Het onderhavige artikel bevat een vrijstelling van de verplichting het bsn te verwerken als aan een jeugdige geen bsn is toegekend.” Blz. 176 53 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 54. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 54 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise54 7.2.5 Bij ministeriële regeling wordt bepaald aan welke beveiligingseisen de gegevensverwerking, bedoeld in de artikelen 7.2.1 en 7.2.4 voldoet. “Om een sluitend systeem voor het waarborgen van de privacy ten aanzien van het verwerken van gegevens in de jeugdhulp met een bsn te garanderen, is in artikel 7.2.5 een grondslag opgenomen voor het stellen van beveiligingseisen aan het verwerken van persoonsgegevens bij ministeriële regeling. Gekozen is voor delegatie naar ministeriële regeling in plaats van amvb, omdat de ontwikkelingen op elektronisch gebied elkaar in een hoog tempo opvolgen.” Blz. 176 1. Gemeenten 2. Gecertificeerde instellingen 3. Jeugdhulpaanbieders 4. Raad voor de kinderbescherming Ja 15. Lees advies College Bescherming Persoonsgege vens over dit hoofdstuk. 7.2.6 1. Gecertificeerde instellingen, jeugdhulpaanbieders, de raad voor de kinderbescherming en het college kunnen van de bij de artikelen 7.2.1 tot en met 7.2.4 gestelde verplichtingen afwijken voor zolang dit noodzakelijk is met betrekking tot spoedeisende gevallen. “Het onderhavige artikel ziet op die gevallen waarin de verlening van jeugdhulp acuut nodig is en er geen tijd is om eerst het bsn op te vragen of te verifiëren. In dat geval gelden de verplichtingen in dit wetsvoorstel omtrent het gebruik van het bsn en het vaststellen ervan tijdelijk niet. De genoemde uitzonderingen gelden slechts zo lang dit voor de verlening van verantwoorde jeugdhulp noodzakelijk is.” Blz. 176 Nee 2. Indien op grond van het eerste lid wordt afgeweken van bij de artikelen 7.2.1 tot en met 7.2.4 gestelde verplichtingen is het bepaalde krachtens artikel 7.2.5 niet van toepassing. 7.2.7 Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport of een door hem aangewezen instelling beheert een autorisatielijst van jeugdhulpaanbieders, waarin zij op verzoek worden opgenomen teneinde gebruik te kunnen maken van het nummerregister en de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen b en d, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer. De voorzieningen van de BV-BSN moeten uiteraard alleen gebruikt worden door organisaties die daartoe bevoegd zijn. In de praktijk betekent dit dat elke keer dat de voorzieningen van de BV-BSN worden gebruikt identificatie, authentificatie en autorisatie van de organisatie die toegang zoekt tot die voorzieningen plaats dient te vinden. Jeugdhulpaanbieders krijgen echter, anders dan gecertificeerde instellingen, de raad voor de kinderbescherming, het college en AMHK’s niet rechtstreeks toegang tot de BV-BSN, doch via de sectorale beheersvoorziening voor de zorg (SBV-Z). Om geïdentificeerd, geauthentificeerd en geautoriseerd te worden tot het gebruik van de SBV-Z worden Jeugdhulpaanbieders opgenomen in een autorisatielijst. De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dan wel een door deze aan te wijzen instelling zal het beheer van deze autorisatielijst op zich nemen. Dat beheer wordt gevoerd met inachtneming van de regels die bij of krachtens algemene maatregel van bestuur zullen worden gesteld. Alleen jeugdhulpaanbieders die op de autorisatielijst opgenomen zijn, zijn gerechtigd de faciliteiten van de in artikel 3 van de Wabb bedoelde beheervoorziening (BV-BSN) via de SBV- Z te benutten. Omdat alle jeugdhulpaanbieders in de praktijk geconfronteerd zullen worden of kunnen worden met situaties waarin zij op grond van artikel 7.2.2 verplicht zijn een bsn te controleren, zullen zij allen om inschrijving op de autorisatielijst dienen te verzoeken. De procedure voor inschrijving op en uitschrijving van de autorisatielijst zal bij of krachtens amvb worden geregeld. Blz. 176 - 177 Nee 7.2.8 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over: a. het opnemen, wijzigen, en verwijderen van gegevens in, onderscheidenlijk uit, de in artikel 7.2.7 bedoelde autorisatielijst van jeugdhulpaanbieders; b. het beheer van de autorisatielijst, in ieder geval wat betreft de beveiliging van persoonsgegevens, en c. het toezicht op het functioneren van de autorisatielijst. Ja 2. Bij de maatregel, bedoeld in het eerste lid, kunnen bijdragen van jeugdhulpaanbieders worden verlangd in de kosten van de autorisatielijst. Nee 3. De beheerder van de autorisatielijst, bedoeld in artikel 7.2.7, verschaft aan een in de autorisatielijst ingeschreven jeugdhulpaanbieder op diens verzoek een middel waarmee deze ten behoeve van de raadpleging, bedoeld in artikel 7.2.3, toegang kan krijgen tot het nummerregister en de voorzieningen, bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdelen b en d, van de Wet algemene bepalingen burgerservicenummer. 4. De beheerder kan voor het middel een vergoeding verlangen. 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld over de kenmerken, de aanvraag, de procedure, de verstrekking, het beheer, de beveiliging, het gebruik en de intrekking van het middel bedoeld in het derde lid. Ja 54 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 55. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 55 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 7.3 Bestaande procedures toestemming, dossier en privacy doorlopen en aanpassen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise55 7.3.1 1. Hetgeen in de artikelen 7.3.8 tot en met 7.3.14 is bepaald ten aanzien van de jeugdhulpverlener is van overeenkomstige toepassing op de medewerker van de gecertificeerde instelling, met dien verstande dat voor “jeugdhulp” of “verlening van jeugdhulp” wordt gelezen “uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering”. “De artikelen over het dossier en de privacy gelden zowel voor de jeugdhulpverlener als voor de medewerker van een gecertificeerde instelling. Omwille van de leesbaarheid van de wettekst zijn deze personen niet steeds allebei vermeld, maar alleen de jeugdhulpverlener; in dit artikel worden de bepalingen van overeenkomstige toepassing verklaard voor de medewerker van een gecertificeerde instelling.” Blz. 178 1. Jeugdhulpaanbieders 2. Gecertificeerde instellingen Nee 16. Lees advies College Bescherming Persoonsgegevens over dit hoofdstuk. 2. In deze paragraaf wordt verstaan onder betrokkene: persoon aan wie jeugdhulp wordt verleend, ten aanzien van wie de verlening van jeugdhulp wordt voorgesteld of ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering uitgevoerd wordt of de uitvoering daarvan wordt voorgesteld. “Voor deze paragraaf is bepaald dat met betrokkene wordt gedoeld op degene aan wie jeugdhulp wordt verleend of ten aanzien van wie een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering wordt uitgevoerd. Afhankelijk van de methode die in het specifieke geval wordt toegepast, zal dit of de jeugdige of de ouder zijn. Omdat dit van geval tot geval kan verschillen, is gekozen voor de term betrokkene.” 7.3.2 1. De jeugdhulpverlener licht de jeugdige en de ouder op duidelijke wijze, en desgevraagd schriftelijk in over het voorgenomen onderzoek, de voorgestelde jeugdhulp, de ontwikkelingen omtrent de jeugdhulp en over de geconstateerde opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen. De jeugdhulpverlener licht een jeugdige die de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, op zodanige wijze in als past bij zijn bevattingsvermogen. Geen specifieke toelichting in memorie van toelichting. 2. Bij het uitvoeren van de in het eerste lid neergelegde verplichting laat de jeugdhulpverlener zich leiden door hetgeen de jeugdige en de ouders redelijkerwijze dienen te weten ten aanzien van: a. de aard en het doel van de jeugdhulp die hij noodzakelijk acht en van de uit te voeren verrichtingen; b. de te verwachten gevolgen en risico’s daarvan voor de jeugdige of ouder; c. andere methoden van jeugdhulp die in aanmerking komen, en d. de staat van en de vooruitzichten met betrekking tot de geconstateerde opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen in relatie tot de te verlenen jeugdhulp. 3. De hulpverlener mag de jeugdige en de ouder bedoelde inlichtingen slechts onthouden voor zover het verstrekken ervan kennelijk ernstig nadeel voor de jeugdige of ouder zou opleveren. Indien het belang van de jeugdige of ouder dit vereist, dient de jeugdhulpverlener de desbetreffende inlichtingen aan een ander te verstrekken. De inlichtingen worden de jeugdige of ouder alsnog gegeven, zodra bedoeld nadeel niet meer te duchten is. De jeugdhulpverlener maakt geen gebruik van zijn in de eerste volzin bedoelde bevoegdheid dan nadat hij daarover een andere jeugdhulpverlener heeft geraadpleegd.. 7.3.3 Indien de jeugdige of ouder te kennen heeft gegeven geen inlichtingen te willen ontvangen, blijft het verstrekken daarvan achterwege, behoudens voor zover het belang dat de jeugdige of ouder daarbij heeft niet opweegt tegen het nadeel dat daaruit voor hemzelf of anderen kan voortvloeien. Geen specifieke toelichting in memorie van toelichting. 55 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 56. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 56 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise56 7.3.4 1. Voor het verlenen van jeugdhulp is de toestemming van de betrokkene vereist, tenzij het jeugdhulp betreft in het kader van een machtiging gesloten jeugdhulp of een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp. “In dit artikel is het uitgangspunt opgenomen dat alleen jeugdhulp wordt verleend voor zover de betrokkene daarmee instemt. Wanneer jeugdhulp noodzakelijk is en er geen toestemming wordt gegeven, kan de jeugdhulp alleen met tussenkomst van de rechter worden verleend. In het eerste lid is bepaald dat in een dergelijke situatie het toestemmingsvereiste niet geldt. Inzake hulp aan kinderen van gescheiden ouders, die allebei gezag hebben over het kind, zij voor de volledigheid nog verwezen naar de antwoorden op kamervragen daarover.” Blz. 179 1. Jeugdhulpaanbieders 2. Gecertificeerde instellingen Nee 17. Lees advies College Bescherming Persoonsgegevens over dit hoofdstuk. 2. Indien de betrokkene minderjarig is en de leeftijd van twaalf maar nog niet die van zestien jaar heeft bereikt, is tevens de toestemming van de ouders die het gezag over hem uitoefenen of van zijn voogd vereist. De jeugdhulp kan evenwel zonder de toestemming van die ouders of de voogd worden verleend, indien zij kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de betrokkene te voorkomen, alsmede indien de betrokkene ook na de weigering van de toestemming, de verrichting weloverwogen blijft wensen. 3. In het geval waarin een betrokkene van zestien jaar of ouder niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, worden door de jeugdhulpverlener en een persoon als bedoeld in artikel 7.3.14, tweede of derde lid, de kennelijke opvattingen van de betrokkene, geuit in schriftelijke vorm toen deze tot bedoelde redelijke waardering nog in staat was en inhoudende een weigering van toestemming als bedoeld in het eerste lid, opgevolgd. De jeugdhulpverlener kan hiervan afwijken indien hij daartoe gegronde redenen aanwezig acht. 7.3.5 1. Een minderjarige die de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt, is bekwaam tot het verlenen van toestemming voor de verlening van jeugdhulp ten behoeve van zichzelf, alsmede tot het verrichten van rechtshandelingen die daarmee onmiddellijk verband houden. Geen specifieke toelichting in memorie van toelichting. 2. De minderjarige is aansprakelijk voor de daaruit voortvloeiende verbintenissen, onverminderd de verplichting van zijn ouders tot voorziening in de kosten van verzorging en opvoeding. 3. In op die verlening van jeugdhulp betrekking hebbende aangelegenheden is de minderjarige bekwaam in en buiten rechte op te treden. 7.3.6 Op verzoek van de betrokkene legt de jeugdhulpverlener in ieder geval schriftelijk vast voor welke verrichtingen van ingrijpende aard deze toestemming heeft gegeven. Geen specifieke toelichting in memorie van toelichting. 7.3.7 De betrokkene geeft de jeugdhulpverlener naar beste weten de inlichtingen en de medewerking die deze redelijkerwijs voor het verlenen van jeugdhulp behoeft. Geen specifieke toelichting in memorie van toelichting. 7.3.8 1. De jeugdhulpverlener richt een dossier in met betrekking tot de verlening van jeugdhulp. Hij houdt in het dossier aantekening van de gegevens omtrent de geconstateerde opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en de te diens aanzien uitgevoerde verrichtingen en neemt andere stukken, bevattende zodanige gegevens, daarin op, een en ander voor zover dit voor een goede hulpverlening aan de jeugdige of ouder noodzakelijk is. “Op grond van dit artikel zijn de jeugdhulpverlener en de medewerker van de gecertificeerde instelling verplicht om een dossier in te richten met betrekking tot de hulpverlening.” Blz. 179 2. De jeugdhulpverlener voegt desgevraagd een door de betrokkene afgegeven verklaring met betrekking tot de in het dossier opgenomen stukken aan het dossier toe. 3. Onverminderd artikel 7.3.9, bewaart de jeugdhulpverlener het dossier gedurende vijftien jaar, te rekenen vanaf het tijdstip van ontvangst of waarop zij door de jeugdhulpverlener is vervaardigd, of zoveel langer als redelijkerwijs uit de zorg van een goed jeugdhulpverlener voortvloeit. 56 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 57. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 57 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise57 7.3.9 1. De jeugdhulpverlener vernietigt het dossier binnen drie maanden na een daartoe strekkend verzoek van de betrokkene. Geen specifieke toelichting in memorie van toelichting. 1. Jeugdhulpaanbieders 2. Gecertificeerde instellingen Nee 18. Lees advies College Bescherming Persoonsgegevens over dit hoofdstuk. 2. Het eerste lid geldt niet voor zover het verzoek gegevens betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de betrokkene, alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet. 7.3.10 De jeugdhulpverlener verstrekt aan de betrokkene desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van het dossier. De verstrekking blijft achterwege voor zover dit noodzakelijk is in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer van een ander. De jeugdhulpverlener kan voor de verstrekking van het afschrift een vergoeding verlangen overeenkomstig artikel 39 van de Wet bescherming persoonsgegevens. Geen specifieke toelichting in memorie van toelichting. 7.3.11 1. Onverminderd artikel 7.3.2, derde lid, tweede volzin, draagt de jeugdhulpverlener zorg, dat aan anderen dan de betrokkene geen inlichtingen over de betrokkene dan wel inzage in of afschrift van het dossier worden verstrekt dan met toestemming van de betrokkene. Indien verstrekking plaatsvindt, geschiedt deze slechts voor zover daardoor de persoonlijke levenssfeer van een ander niet wordt geschaad. De verstrekking geschiedt zonder inachtneming van beperkingen, indien het bij of krachtens de wet bepaalde daartoe verplicht.. Geen specifieke toelichting in memorie van toelichting. Blz. 179 - 180 2. Onder anderen dan de betrokkene is niet begrepen: a. degene die rechtstreeks betrokken is bij de verlening van jeugdhulp en degene die optreedt als vervanger van de jeugdhulpverlener, voor zover de verstrekking noodzakelijk is voor de door hen in dat kader te verrichten werkzaamheden, en b. degene wiens toestemming ter zake van de verlening van jeugdhulp op grond van de artikelen 7.3.4 en 7.3.14 is vereist. 3. Indien de jeugdhulpverlener door inlichtingen over de betrokkene dan wel inzage in of afschrift van het dossier te verstrekken niet geacht kan worden de zorg van een goed jeugdhulpverlener in acht te nemen, laat hij zulks achterwege. 4. Bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, voor zover nodig in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie, kunnen regels worden gesteld omtrent de inhoud van het dossier en de wijze waarop de verwerking van gegevens door en de uitwisseling van gegevens tussen het college, de jeugdhulpaanbieders, de gecertificeerde instellingen en de raad voor de kinderbescherming plaatsvindt. Daarbij kan worden bepaald welke maatregelen moeten worden getroffen om te waarborgen dat de uitwisseling van gegevens veilig en zorgvuldig plaatsvindt. “Deze bepaling biedt een basis voor het bij ministeriële regeling vastleggen van standaarden voor de verwerking en uitwisseling van gegevens door jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen, de raad voor de kinderbescherming en gemeenten.” Ja 57 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 58. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 58 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise58 7.3.12 1. In afwijking van artikel 7.3.11, eerste lid, kunnen zonder toestemming van de betrokkene ten behoeve van statistiek of wetenschappelijk onderzoek op het gebied van de volksgezondheid, opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen, kinderbescherming of jeugdreclassering aan een ander desgevraagd inlichtingen over de betrokkene of inzage in het dossier worden verstrekt indien: a. het vragen van toestemming in redelijkheid niet mogelijk is en met betrekking tot de uitvoering van het onderzoek is voorzien in zodanige waarborgen, dat de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene niet onevenredig wordt geschaad, of b. het vragen van toestemming, gelet op de aard en het doel van het onderzoek, in redelijkheid niet kan worden verlangd en de gegevens in zodanige vorm worden verstrekt dat herleiding tot individuele natuurlijke personen redelijkerwijs wordt voorkomen. Geen specifieke toelichting in memorie van toelichting. 1. Jeugdhulpaanbieders 2. Gecertificeerde instellingen Nee 19. Lees advies College Bescherming Persoonsgegevens over dit hoofdstuk. 2. Verstrekking overeenkomstig het eerste lid is slechts mogelijk indien: a. het onderzoek een algemeen belang dient, b. het onderzoek niet zonder de desbetreffende gegevens kan worden uitgevoerd, en c. voor zover de betrokkene tegen een verstrekking niet uitdrukkelijk bezwaar heeft gemaakt. 3. Bij een verstrekking overeenkomstig het eerste lid wordt daarvan aantekening gehouden in het dossier. 7.3.13 1. De jeugdhulpverlener voert de verlening van jeugdhulp uit buiten de waarneming van anderen dan de betrokkene, tenzij de betrokkene ermee heeft ingestemd dat de verrichtingen kunnen worden waargenomen door anderen. “Bij de hulpverlening dient rekening gehouden te worden met de privacy van de betrokkene. Daarom bepaalt dit artikel dat de concrete verrichtingen in principe buiten de waarneming van anderen worden uitgevoerd. In artikel 7:459 BW wordt daarop een uitzondering gemaakt voor de visuele waarneming door derden bij de diensten die een apotheker verleent. Dat speelt op grond van de Jeugdwet geen rol en is daarom niet overgenomen.” Blz. 180 2. Onder anderen dan de betrokkene is niet begrepen: a. degene van wie beroepshalve de medewerking bij de verlening van jeugdhulp noodzakelijk is, en b. degene wiens toestemming terzake van de verlening van jeugdhulp op grond van de artikelen 7.3.4 en 7.3.14 is vereist. 3. Indien de jeugdhulpverlener door verrichtingen te doen waarnemen niet geacht kan worden de zorg van een goed jeugdhulpverlener in acht te nemen, laat hij zulks niet toe. 7.3.14 1. De verplichtingen op grond van deze paragraaf voor de jeugdhulpverlener jegens de betrokkene, gelden, indien de betrokkene de leeftijd van twaalf jaar nog niet heeft bereikt, voor de jeugdhulpverlener jegens de ouders die het gezag over de betrokkene uitoefenen onderscheidenlijk jegens zijn voogd. “De geneeskundige behandelingsovereenkom st is een privaatrechtelijke overeenkomst van opdracht. De verlening van jeugdhulp vindt plaats binnen een bestuursrechtelijk kader. Vandaar dat waar in de Wgbo wordt gesproken van het nakomen van een verplichting, in deze bepalingen wordt gesproken van het gelden van een verplichting.” Blz. 180 2. Hetzelfde geldt indien de betrokkene de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, maar niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, tenzij zodanige betrokkene meerderjarig is en onder curatele staat of ten behoeve van hem het mentorschap is ingesteld, in welke gevallen de verplichtingen gelden jegens de curator of de mentor. 3. Indien een meerderjarige betrokkene die niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, niet onder curatele staat of ten behoeve van hem niet het mentorschap is ingesteld, gelden de verplichtingen die voor de jeugdhulpverlener uit deze afdeling jegens de betrokkene gelden, voor de jeugdhulpverlener jegens de persoon die daartoe door de betrokkene schriftelijk is gemachtigd in zijn plaats op te treden. Ontbreekt zodanige persoon, of treedt deze niet op, dan gelden de verplichtingen jegens de echtgenoot, de geregistreerde partner of andere levensgezel van de betrokkene, tenzij deze persoon dat niet wenst, dan wel, indien ook zodanige persoon ontbreekt, jegens een ouder, kind, broer of zus van de betrokkene, tenzij deze persoon dat niet wenst. 58 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 59. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 59 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise59 7.3.14 4. De verplichtingen voor de jeugdhulpverlener jegens de in het eerste en tweede lid bedoelde wettelijke vertegenwoordigers van de betrokkene of de in het derde lid bedoelde personen zijn niet van toepassing indien deze niet verenigbaar zijn met de zorg van een goed jeugdhulpverlener. “De geneeskundige behandelingsovereenkomst is een privaatrechtelijke overeenkomst van opdracht. De verlening van jeugdhulp vindt plaats binnen een bestuursrechtelijk kader. Vandaar dat waar in de Wgbo wordt gesproken van het nakomen van een verplichting, in deze bepalingen wordt gesproken van het gelden van een verplichting Blz. 180 1. Jeugdhulpaanbieders 2. Gecertificeerde instellingen Nee 20. Lees advies College Bescherming Persoonsgegevens over dit hoofdstuk. 5. De persoon jegens wie de verplichtingen op grond van deze paragraaf voor de jeugdhulpverlener gelden krachtens het tweede en derde lid, betracht de zorg van een goed vertegenwoordiger. Deze persoon is gehouden de betrokkene zoveel mogelijk bij de vervulling van zijn taak te betrekken. 6. Verzet de betrokkene zich tegen een verrichting van ingrijpende aard waarvoor een persoon als bedoeld in het tweede of derde lid toestemming heeft gegeven, dan kan de verrichting slechts worden uitgevoerd indien zij kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de betrokkene te voorkomen. 7.3.15 1. Indien op grond van artikel 7.3.14 voor het uitvoeren van een verrichting uitsluitend de toestemming van een daar bedoelde persoon in plaats van die van de betrokkene vereist is, dan kan tot de verrichting zonder die toestemming worden overgegaan indien de tijd voor het vragen van die toestemming ontbreekt aangezien onverwijlde uitvoering van de verrichting kennelijk nodig is teneinde ernstig nadeel voor de betrokkene te voorkomen. Geen specifieke toelichting in memorie van toelichting. 2. Een volgens de artikelen 7.3.4 en 7.3.14 vereiste toestemming mag worden verondersteld te zijn gegeven, indien de desbetreffende verrichting niet van ingrijpende aard is. 59 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 60. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 60 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 7.4 Procedures gegevensverwerking ten behoeve van de beleidsinformatie en de toegang doorlopen en eventueel bijstellen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise60 7.4.1 1. Onze Ministers verwerken gegevens die betrekking hebben op de toegang tot de jeugdhulp, preventie, jeugdhulp, het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering teneinde een zorgvuldig en samenhangend jeugdbeleid te kunnen voeren en hun stelselverantwoordelijkheid te kunnen waarborgen.. “Ingevolge deze wet is het Rijk verantwoordelijk voor het jeugdbeleid in algemene termen en de gemeente voor het concrete jeugdbeleid. Om deze stelselverantwoordelijkheid waar te kunnen maken, moeten de verantwoordelijke ministers gegevens verwerken op basis waarvan de doelmatigheid (output) en doeltreffendheid (outcome) van het stelsel en het algemene jeugdbeleid kan worden beoordeeld. Dit wordt geregeld in het eerste lid van dit artikel. Het zal daarbij gaan om geanonimiseerde en versleutelde gegevens. Het gaat om de gegevens over de toegang tot de jeugdhulp, preventie, alle soorten jeugdhulp (inclusief de gesloten jeugdhulp. Daarnaast gaat het om gegevens inzake het AMHK en de uitvoering van de kinderbeschermingsmaatregel en jeugdreclassering.” Blz. 181 1. Rijk Nee 2. Het college verwerkt gegevens ten behoeve van de totstandbrenging van een doelmatig, doeltreffend en samenhangend gemeentelijk beleid ten aanzien van preventie, jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering en het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling, ten behoeve van de verwerking, bedoeld in het eerste lid, en ten behoeve van de toegang van jeugdigen en hun ouders tot de jeugdhulp. “In het tweede lid wordt geregeld dat ook de gemeenten voor de beoordeling van de doelmatigheid en doeltreffendheid van hun beleid en de eventuele benodigde aanpassingen van dat beleid, deze gegevens moeten verwerken. Daarnaast moeten zij natuurlijk de gegevens verwerken die het Rijk vervolgens nodig heeft om haar stelselverantwoordelijkheid waar te kunnen maken. Deze doelen van de verwerking door de gemeenten zijn in het tweede lid gegeven. De gemeente zal verder gegevens moeten verwerken over de toegang tot de jeugdhulp van jeugdigen en hun ouders. De gemeente is immers verantwoordelijk voor het treffen van voorzieningen op het gebied van jeugdhulp voor jeugdigen en ouders die dat nodig hebben. Blz. 181 1. Gemeenten 7.4.2 Het college verstrekt kosteloos gegevens aan Onze Ministers ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel 7.4.1, eerste lid. Deze verstrekking kan zowel een structureel als incidenteel karakter hebben.. “Dit artikel verplicht het college informatie te verstrekken aan het Rijk. Het kan daarbij gaan om de structurele uitvraag door het Rijk van de gegevens die zij nodig heeft in verband met haar stelselverantwoordelijkheid, maar ook om incidentele uitvraag. Op deze wijze zullen alle bij het beleid inzake de toegang tot jeugdhulp, preventie en jeugdhulp betrokken partijen over de informatie beschikken die nodig is om een goed functionerend stelsel voor in stand te houden. Welke gegevens zullen moeten worden geleverd, zal worden geregeld bij ministeriële regeling. Gemeenten zijn gehouden deze gegevens kosteloos ter beschikking te stellen.” Blz. 181 7.4.3 Jeugdhulpaanbieders, aanbieders van preventie, gecertificeerde instellingen en de raad voor de kinderbescherming verstrekken kosteloos gegevens aan het college en Onze Ministers, ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel 7.4.1, eerste en tweede lid. Deze verstrekking kan zowel een structureel als incidenteel karakter hebben. “De gegevens die de gemeente nodig heeft ten behoeve van de beleidsvorming en de toegang tot jeugdhulp en die het Rijk nodig heeft in verband met haar stelselverantwoordelijkheid worden in eerste instantie op het niveau van de jeugdhulpaanbieder, de gecertificeerde instellingen, waaronder het Nidos, en,de raad voor de kinderbescherming verwerkt. Dit artikel legt daarom de verplichting op aan deze instellingen om deze gegevens te leveren aan de gemeente en het Rijk en biedt daarmee tevens de basis voor de gemeente en het Rijk om deze met dat doel op te mogen vragen. Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen zijn gehouden deze gegevens kosteloos ter beschikking te stellen.” Blz. 181 1. Gemeenten 2. Jeugdhulpaanbieders 3. Gecertificeerde instellingen 4. Aanbieders van preventie 60 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 61. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 61 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise61 7.4.4 1. De gegevens, bedoeld in de artikelen 7.4.1 tot en met 7.4.3 kunnen persoonsgegevens zijn, voor zover deze gegevens noodzakelijk zijn voor: a. het doelmatig en doeltreffend functioneren van de toegang tot de jeugdhulp; b. het doelmatig en doeltreffend functioneren van de jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen en van de raad voor de kinderbescherming c. de doelmatigheid en doeltreffendheid van het aanbod van preventie, jeugdhulp en gecertificeerde instellingen, en d. het waarborgen van de stelselverantwoordelijkheid. “Dit artikel heeft betrekking op de verwerking van persoonsgegevens en geeft de wettelijke grondslag voor het verwerken van persoonsgegevens ten behoeve van beleidsinformatie.” Blz. 182 - 183 1. Gemeenten 2. Jeugdhulpaanbieders 3. Gecertificeerde instellingen 4. Aanbieders van preventie Nee 2. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, kunnen het burgerservicenummer en bijzondere persoonsgegevens zijn als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens 3. De gegevens, bedoeld in het eerste lid, worden niet verwerkt voor andere doeleinden dan bedoeld in dat lid of daarmee verenigbare doeleinden en worden daar waar mogelijk verwerkt op een wijze die waarborgt dat zij niet tot een persoon herleidbaar zijn. 7.4.5 1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de inhoud van de in de artikelen 7.4.1 tot en met 7.4.3 bedoelde gegevens, de wijze waarop de verwerking en de verstrekking plaatsvindt, de tijdvakken waarop de gegevens die worden verwerkt betrekking hebben en de termijnen waarbinnen of de tijdstippen waarop de gegevens verstrekt dienen te worden en kunnen de categorieën van verstrekkers, bedoeld in artikel 7.4.3, nader worden bepaald. “Op grond het eerste lid wordt bij of krachtens amvb aangeven welke beleidsgegevens het rijk en het college moeten verwerken en welke gegevens jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen, de raad voor de kinderbescherming en de AMHK’s concreet moeten aanleveren. Daarnaast worden bij of krachtens amvb regels gesteld over de wijze waarop de verwerking en de verstrekking dient plaats te vinden, binnen welke termijn de verstrekking dient plaats te vinden en de tijdvakken waarop de gegevens betrekking moeten hebben. Ook kunnen de categorieën van verstrekkers nader worden bepaald. Deze laatste toevoeging ziet vooral op de aanbieders van preventie.” Blz. 183 Ja 2. Bij of krachtens de in het eerste lid bedoelde maatregel kan worden bepaald dat jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen, de raad voor de kinderbescherming en het college, de gegevens, bedoeld in de artikelen 7.4.2 en 7.4.3 op een bij of krachtens die maatregel aangewezen wijze bij Onze Ministers of een door hen aan te wijzen instantie indienen. “Op grond van het tweede lid bestaat de mogelijkheid om te regelen dat de gegevens moeten worden aangeleverd bij een door de Ministers aan te wijzen instantie, die voor de gemeenten en het Rijk de nodige bewerkingen uitvoert. Zo kan worden voorkomen dat jeugdhulpaanbieders, gecertificeerde instellingen (waaronder het Nidos), de raad voor de kinderbescherming en de AMHK’s telkens met meerdere, per gemeente verschillende uitvragen te maken krijgen. Gemeenten kunnen de bewerkte informatie voor onder andere hun inkoop- en kwaliteitsbeleid benutten.” Blz. 183 61 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 62. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 62 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 8. Financiën en verantwoording 8.1 Regeling verstrekking budget aan jeugdigen / ouders opstellen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise62 8.1.1 1. Indien de jeugdige en zijn ouder dit wensen, verstrekt het college hen een budget, waaruit het college betalingen doet voor de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort, die van derden betrokken wordt. “De formulering van het eerste lid geeft aan dat het uitgangspunt is dat de jeugdige en zijn ouder een voorziening ‘in natura’ krijgen. De mogelijkheid van het toekennen van een budget bestaat echter wel indien de jeugdige en zijn ouder dit wensen. In dat geval wordt een budget toegekend waarmee de jeugdige en zijn ouder de mogelijkheid hebben zelf te bepalen bij wie ze de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort willen inkopen. Er wordt geen bedrag aan de jeugdige en de ouders uitgekeerd waaruit ze zelf betalingen kunnen doen; er wordt een bedrag ter besteding beschikbaar gesteld. Het college verricht betalingen indien de door de jeugdige en zijn ouders zelf ingekochte jeugdhulp voldoet aan de gestelde voorwaarden.“ Blz. 185 1. Gemeenten Nee 21. Benut bestaande expertise uit de Wmo en AWBZ benutten 2. Het eerste lid geldt niet voor: a. een minderjarige die een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering heeft opgelegd gekregen, en b. een jeugdige die is opgenomen in een gesloten accommodatie met een machtiging op grond van hoofdstuk 6 van deze wet. “Er kunnen zich situaties voordoen dat het verstrekken van een budget op zwaarwegende bezwaren stuit. Dit geldt in ieder geval voor het gedwongen kader. In het tweede lid is daarom bepaald dat bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering geen budget kan worden verstrekt.” Blz. 185 3. Bij verordening kan om redenen van doelmatigheid worden bepaald: a. dat, onverminderd het tweede lid, voor daarbij aan te wijzen vormen van jeugdhulp die tot een individuele voorziening behoren, in afwijking van het eerste lid, geen budget wordt verstrekt, en b. in welke gevallen en onder welke voorwaarden de persoon aan wie een budget wordt verstrekt, de mogelijkheid heeft om de jeugdhulp te betrekken van een persoon die deze anders dan in de uitoefening van een bedrijf of beroep levert. “Het derde lid geeft de gemeente de mogelijkheid om bij verordening regels te stellen omtrent het budget. Ingevolge onderdeel a kan de gemeente bepalen in welke gevallen het om redenen van doelmatigheid niet wenselijk is een budget te verstrekken. Zie hierover ook hetgeen hiervoor vermeld bij het tweede lid. In onderdeel b, is geregeld dat de gemeente in de verordening bepaalt in welke gevallen en onder welke voorwaarden een budget mag worden besteed voor het inkopen van informele jeugdhulp. Als de gemeente dit regelt als voorwaarde voor verstrekking, wordt de vraag of ook daaraan voldaan is vooraf getoetst. Indien dit niet het geval is doet de betrokkene er verstandig aan om van te voren bij het college na te gaan of in te kopen informele ondersteuning aan de eisen van de gemeente voor betaling voldoet. Wellicht ten overvloede zij hier nog opgemerkt dat het niet wenselijk is dat een verwijzing door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts naar de jeugdhulp een aanspraak kan vestigen op een budget. Het moet in alle gevallen de gemeente zijn die bepaalt of er de mogelijkheid is om te kiezen voor een budget in plaats van een voorziening in natura. Hiertoe kan het college afspraken maken met de huisartsen, de medisch specialisten en de jeugdartsen als bedoeld in artikel 2.6, derde lid. Daarnaast kan de gemeente, zoals hierboven reeds vermeld, bij verordening bepalen in welke gevallen het om redenen van doelmatigheid sowieso niet wenselijk is een budget te verstrekken.” Blz. 185-186 4. Een budget wordt slechts verstrekt, indien: a. de jeugdige en zijn ouder naar het oordeel van het college in staat zijn de aan een budget verbonden taken op verantwoorde wijze uit te voeren; b. de jeugdige en zijn ouder zich gemotiveerd op het standpunt stellen dat zij de individuele voorziening niet wensen geleverd te krijgen door een door het college voorgestelde jeugdhulpaanbieder, en c. naar het oordeel van het college is gewaarborgd dat de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoort en die de jeugdige en zijn ouder van het budget willen betrekken, van goede kwaliteit is. “Het wetsvoorstel bevat derhalve de mogelijkheid om een budget toegekend te krijgen, maar wel onder strenge voorwaarden. In het gesprek dat de gemeente voert met de jeugdige en zijn ouders om te achterhalen wat de aangewezen voorziening is, komt aan de orde in hoeverre de jeugdige en zijn ouders in aanmerking kunnen komen voor een budget. Het vierde lid stelt het krijgen van een budget afhankelijk van drie voorwaarden. Zo moeten de jeugdige en zijn ouder er ingevolge onderdeel a blijk van geven dat zij over voldoende vaardigheden beschikken om de jeugdhulp die tot de individuele voorziening behoren zelf bij derden in te kunnen kopen. Onderdeel b van het derde lid stelt vervolgens als voorwaarde dat de jeugdige en zijn ouder de stelling dat zij de individuele voorziening in plaats van ‘in natura’ door middel van een budget geleverd wensen te krijgen, moeten onderbouwen. Om dit te doen zullen zij moeten aantonen dat zij zich voldoende hebben georiënteerd op de voorziening ‘in natura’. Ten slotte wordt in onderdeel c gesteld dat de jeugdhulp die de jeugdige en zijn ouders met het budget wensen in te kopen voldoet aan de kwaliteitseisen.” Blz. 186 62 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 63. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 63 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise63 8.1.2 1. Een individuele voorziening in natura wordt aan een jeugdige of een ouder door of namens het college verstrekt. Indien een derde de voorziening in natura levert, komen op de persoon die deze voorziening ontvangt, geen werkgevers- of opdrachtgeversverplichtingen te rusten. “Indien een jeugdige of ouder aanspraak heeft op een voorziening in natura, dan dient de gemeente er zorg voor te dragen dat deze voorziening ook aan de jeugdige of ouder wordt verstrekt. Daartoe kan de gemeente zelf de voorziening leveren of een rechtsbetrekking aangaan met degene die de voorziening aan de jeugdige of ouder biedt. Degene die de jeugdhulp biedt, verstrekt deze voor of namens de gemeente aan de jeugdige of ouder, zonder dat tussen de jeugdige of ouder en de aanbieder een rechtsbetrekking tot stand komt. De gemeente dient een jeugdige of ouder de individuele voorziening te geven, zonder dat zij met enige werkgevers- of opdrachtgeverslast worden opgezadeld. Het tweede lid regelt dat de gemeente ook zorg draagt voor de verstrekking van de geldbedragen aan de verleners van de jeugdhulp indien de persoon die aanspraak heeft op een individuele voorziening gekozen heeft voor een budget.” Blz. 186 - 187 1. Gemeenten Nee Benut bestaande expertise uit de Wmo en AWBZ 2. Indien een jeugdige of een ouder een budget ontvangt, worden de betalingen voor de jeugdhulp die de jeugdige of de ouder ontvangen door of namens het college verstrekt. 8.1.3 Het college licht de jeugdige en zijn ouder vooraf volledig, objectief en in voor hem begrijpelijke bewoordingen in over de gevolgen van de keuze voor een budget in plaats van een individuele voorziening in natura. “De keuze voor een budget in plaats van een door de gemeente aangeboden individuele voorziening kan uiteenlopende consequenties met zich brengen. Met name op het gebied van de verantwoordelijkheid van de jeugdige of ouder, de gemeente en de hulpverlener. Het is daarom van groot belang dat de jeugdige of ouder bij het maken van zijn keuze voor een budget in plaats van de individuele voorziening beschikt over relevante informatie dienaangaande. Alleen dan kan hij een verantwoorde keuze maken en instemmen met het op zich nemen van de daaruit eventueel voortvloeiende verplichtingen. Om duidelijkheid te verschaffen over de verantwoordelijkheden is in het onderhavig artikel uitdrukkelijk opgenomen dat de gemeente de burger bij de keuze voor een bepaalde vorm begrijpelijk over al aan de keuze verbonden gevolgen dient te informeren, zodat de burger een bewuste keuze kan maken.” Blz. 187 8.1.4 Op het budget is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing. “Titel 4.2 van de Awb is de subsidietitel en bevat bepalingen over onder andere subsidieplafond, subsidieverlening, verplichtingen van de subsidie- ontvanger, subsidievaststelling, intrekking, wijziging, betaling en terugvordering van subsidies. In artikel 4:21 van de Awb wordt bepaald wat onder subsidie wordt verstaan. Een budget zou kunnen vallen onder deze definitie van subsidie. De trekken van een (aanvullende) inkomensvoorziening zijn echter overheersend, zodat toepassing van titel 4.2 niet in de rede ligt. Met artikel 8.1.4 wordt geregeld dat de bovenstaande subsidiebepalingen opgenomen in titel 4.2 van de Awb niet van toepassing zijn bij de verstrekking van een budget (vgl. artikel 7 van de Wmo, artikel 11.2 Wet studiefinanciering 2000, artikel 11.2 Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten).” Blz. 187 8.1.5 De Sociale verzekeringsbank, genoemd in artikel 3 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen, voert namens de colleges de betalingen ten laste van verstrekte budgetten uit. “Om redenen van uniformiteit en doelmatigheid en ter voorkoming van fraude is ervoor gekozen de uitvoering van de door de gemeenten verstrekte budgetten centraal te doen plaatsvinden door de Sociale Verzekeringsbank. Dit brengt met zich dat gemeenten de SVB informatie zullen moeten verstrekken omtrent de verstrekte budgetten en dat de SVB aan de gemeente rekenschap zal moeten afleggen over de uitvoering.” Blz. 187 8.1.6 Ten behoeve van uniformiteit en transparantie kunnen Onze Ministers regels stellen over de wijze van bekostiging van jeugdhulpaanbieders door gemeenten. “Op dit moment is onvoldoende duidelijk op welke wijze gemeenten hun opdrachtgeverschap gaan invullen. Hiermee is ook nog niet duidelijk met welke bekostigingssystemen de instellingen te maken gaan krijgen. Bij zorgvormen met een hoge mate van specialisatie of kleine cliëntgroepen verspreid over meerdere regio’s kunnen grote verschillen gaan optreden tussen gemeenten. De gemeenten kunnen en zullen daar waar nodig samenwerken en de bekostiging voor deze zorgvormen ook gezamenlijk oppakken. Wanneer blijkt dat de samenwerking niet geleid heeft tot de noodzakelijke uniformiteit en transparantie voor instellingen dan kunnen in een ministeriële regeling bepalingen worden opgenomen die wel tot uniformiteit en transparantie leiden. Daarbij moet dan wel aannemelijk zijn dat de inperking van de gemeentelijke beleidsvrijheid opweegt tegen het voorkomen van een toename aan administratieve lasten bij de instellingen.” Blz. 187 63 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 64. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 64 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 8.2 Regeling ouderbijdrage opstellen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise64 8.1.2 1. De volgende personen zijn een ouderbijdrage verschuldigd in de kosten van de aan een jeugdige geboden jeugdhulp, voor zover deze jeugdhulp verblijf buiten het gezin inhoudt, of in de kosten van verblijf in een justitiële jeugdinrichting van een jeugdige die met toepassing van artikel 261, vijfde lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek aldaar is geplaatst: a. de onderhoudsplichtige ouders, daaronder begrepen degene tegen wie een op artikel 394 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek gegrond verzoek is toegewezen, en b. degene die anders dan als ouder samen met de ouder het gezag uitoefent over een jeugdige. “Het eerste lid regelt het heffen van een bijdrage van de onderhoudsplichtige ouder voor deze specifieke aan de jeugdige geboden jeugdhulp. Dit ziet op de ouders, waaronder in deze wet ook worden verstaan de stiefouders en anderen die de jeugdige als behorend tot hun gezien verzorgen en opvoeden. Voor de duidelijkheid zijn de verwekker van een kind tegen wie een vaderschapsactie is toegewezen (artikel 394 Boek 1 van het BW) en degene die samen met de ouder het gezag uitoefent over een jeugdige in het onderhavige artikel expliciet vermeld. Het wordt redelijk geacht dat onderhoudsplichtigen bijdragen in de kosten van jeugdhulp, wanneer door de overheid een deel van het onderhoud en de verzorging bij verblijf buiten het gezin wordt overgenomen.” Blz. 188 1. Gemeenten Nee 2. In afwijking van het eerste lid is in ieder geval geen ouderbijdrage verschuldigd indien: a. de jeugdige met het oog op adoptie niet meer door zijn ouders wordt verzorgd en opgevoed; b. de ouders van het gezag over de jeugdige zijn ontheven of ontzet, of c. het verblijf en de verzorging worden aangeboden in een acute noodsituatie, voor de duur van ten hoogste zes weken. “Het tweede lid is ontleend aan artikel 71, eerste lid, Wjz en bepaalt de situaties waarin in ieder geval geen ouderbijdrage verschuldigd is. Er geldt geen bijdrageplicht bij adoptieplaatsing, bij ontneming van het gezag of bij een nooduithuisplaatsing. Bij jeugdhulp in het gedwongen kader kan alleen bij uithuisplaatsing een ouderbijdrage worden opgelegd. De gemeente heeft in deze gevallen derhalve geen beleidsvrijheid.” Blz. 188 3. Indien ten aanzien van een jeugdige meer dan één van de in het eerste lid, onderdelen a tot en met c, genoemde personen de ouderbijdrage is verschuldigd, is ieder der bijdrageplichtigen de ouderbijdrage verschuldigd, met dien verstande dat indien de een heeft betaald, de ander is bevrijd. Geen toelichting beschikbaar 4. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld met betrekking tot de ouderbijdrage, waaronder regels ten aanzien van: a. de hoogte van de ouderbijdrage, b. de termijn waarbinnen de verschuldigde ouderbijdrage moet zijn voldaan, c. de wijze van invordering van de ouderbijdrage, en d. de overige uitzonderingsgronden voor het verschuldigd zijn van een ouderbijdrage. Geen toelichting beschikbaar 8.2.2 Indien bijdrageplichtige ouders of stiefouders gescheiden wonen en er geen bedrag is bepaald op de voet van de artikelen 406 of 407 van het Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek of van artikel 822, eerste lid, onderdeel c, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, is de ouder of stiefouder die ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet onmiddellijk voorafgaande aan de aanvang van de jeugdhulp recht op kinderbijslag heeft, de ouderbijdrage verschuldigd. “Als ouders gescheiden wonen en er geen alimentatie is bepaald is alleen die ouder bijdrageplichtig die onmiddellijk voorafgaand aan de aanvang van de jeugdhulp recht op kinderbijslag heeft.” Blz. 188 8.2.3 1. De ouderbijdrage wordt vastgesteld en ten behoeve van de gemeente geïnd door het CAK. 2. Het CAK kan artikel 8.2.1, eerste lid, buiten toepassing laten of daarvan afwijken voor zover toepassing gelet op het belang dat dit artikel beoogt te beschermen zal leiden tot een onbillijkheid van overwegende aard. “De regering acht het tevens wenselijk om de eigenbijdrageregelingen voor de extramurale AWBZ, de Wmo en onderhavige wet goed op elkaar te laten aansluiten. Gelijk aan artikel 16 in de Wmo, wordt daarom geregeld dat de vaststelling en inning van de ouderbijdrage voor jeugdhulp zal worden verzorgd door het CAK. Het hebben van één organisatie die de ouderbijdragen int maakt dat er zicht is op het aantal ouderbijdragen dat een gezin moet betalen en maakt het mogelijk om die waar nodig te beperken.” Blz. 188 8.2.4 1. De bijdrageplichtige, bedoeld in artikel 8.2.1, eerste lid, is verplicht aan het CAK desgevraagd alle inlichtingen te geven die nodig zijn voor de vaststelling en inning van de ouderbijdrage. “Deze bepaling is een zogenoemd taakverwaarlozingsartikel en is identiek aan artikel 17 van de Wmo.” Blz. 188 2. De inlichtingen worden op verzoek schriftelijk verstrekt binnen een door het CAK, schriftelijk te stellen, redelijke termijn. 64 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 65. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 65 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise65 8.2.5 Indien naar het oordeel van Onze Ministers het CAK, zijn wettelijke taak niet naar behoren verricht, kunnen Onze Ministers bepalen dat de bevoegdheden die met die taak verband houden overgaan op Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport. “Het onderhavige artikel maakt het voor het CAK mogelijk om het bsn te gebruiken in het verkeer met de persoon op wie het nummer betrekking heeft en in zijn contacten met personen en instanties voor zover deze zelf gemachtigd zijn tot het gebruik van het nummer. Het gebruik van het bsn is van belang voor een goede gegevensstroom en ter verificatie.” Blz. 188 1. Gemeenten Nee 8.2.6 Het CAK kan het burgerservicenummer van een persoon die een ouderbijdrage verschuldigd is, gebruiken: a. in het verkeer met de persoon op wie het nummer betrekking heeft, en b. in zijn contacten met personen en instanties voor zover deze zelf gemachtigd zijn tot het gebruik van het nummer. “Dit artikel biedt de mogelijkheid om ten behoeve van de berekening van de ouderbijdrage gebruik te maken van gegevens van de belastingdienst. Daardoor is het mogelijk de administratieve lasten van burgers te beperken.” Blz. 189 8.2.7 De rijksbelastingdienst verstrekt het CAK de persoonsgegevens die voor die rechtspersoon noodzakelijk zijn voor de uitvoering van artikel 8.2.3. Geen toelichting beschikbaar 8.3 Financiële verantwoording vormgeven Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 8.3.1 Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen stellen overeenkomstig door Onze Ministers te stellen regelen de begroting, de balans en de resultatenrekening alsmede de daarbij behorende toelichting vast en maken deze op door Onze Ministers te bepalen wijze openbaar. “Onderhavige artikelen betreffen de indiening van financiële jaarstukken, zoals het jaarverslag en de jaarrekening. Op grond van de artikelen 4.4.1, derde lid, en 8.3.2 zal bij ministeriële regeling een modeljaardocument vastgesteld worden. Met het indienen van een volledig ingevuld jaardocument voldoen de betrokken jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen aan al hun verplichtingen inzake de jaarstukken over de in deze artikelen genoemde onderwerpen. Dit vermindert de administratieve lasten voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen en maakt een vergelijking tussen de jaardocumenten van de verschillende jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen mogelijk. Bij of krachtens amvb kan bepaald worden dat de gegevens moeten worden aangeleverd bij een aan te wijzen instantie, die voor de gemeenten en de ministers de nodige bewerkingen uitvoert.” Blz. 189 1. Jeugdhulpaanbieders 2. Gecertificeerde instellingen Ja 8.3.2 Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen behorende tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie, verstrekken aan Onze Ministers of aan een bij of krachtens die maatregel aangewezen bestuursorgaan de bij of krachtens die maatregel omschreven gegevens betreffende de exploitatie. 65 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 66. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 66 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 9. Toezicht en handhaving 9.1 Toezicht organiseren Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise66 9.1 1. Er is een inspectie jeugdzorg die ressorteert onder Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en die tot taak heeft het onderzoeken van de kwaliteit in algemene zin van: a. de jeugdhulpaanbieders; b. de certificerende instelling, bedoeld in artikel 3.3, eerste lid; c. de gecertificeerde instellingen; d. het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling; e. de raad voor de kinderbescherming, en f. de inrichtingen, bedoeld in artikel 1, onderdeel b, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, alsmede waar nodig, het aangeven en bevorderen van middelen tot verbetering daarvan. “De inspectie jeugdzorg (IJZ) heeft als eerste taak het onderzoeken van de kwaliteit in algemene zin. Het gaat daarbij niet om toezicht op de naleving van in de wet neergelegde normen, maar om bijvoorbeeld de algehele effectiviteit van het jeugdstelsel (kwaliteitstoezicht). Vergelijkbaar hiermee heeft de IGZ op grond van artikel 36 van de Gezondheidswet onder meer als taak het verrichten van onderzoek naar de staat van de volksgezondheid. Het feit dat jeugd-ggz en jeugd-vb nu niet meer onder de Zvw en AWBZ vallen, maar vallen onder het begrip jeugdhulp, laat onverlet dat deze vormen van zorg deel uitmaken van de volksgezondheid waarvan de IGZ de staat in algemene zin onderzoekt.” Blz. 190 1. Inspectie Jeugdzorg 2. Inspectie Veiligheid en Justitie 3. Inspectie Gezondheidszorg 4. Gemeenten Nee 2. In afwijking van het eerste lid, wordt het onderzoek, voor zover het de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen betreft, uitgevoerd door de inspectie bedoeld in artikel 57 van de Wet op de veiligheidsregio’s. “Met het tweede lid wordt verduidelijkt dat de Inspectie voor Veiligheid en Justitie (IVenJ) toeziet op de kwaliteit waar het de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen betreft. De Minister van Veiligheid en Justitie is voor deze tenuitvoerlegging verantwoordelijk, ook waar het sancties betreft die aan jeugdigen zijn opgelegd. De verduidelijking in het tweede lid is noodzakelijk in verband met een juiste taakafbakening tussen de inspecties van wie de betrokkenheid hier het meest voor de hand ligt. Artikel 9.2, vijfde lid, gaat op de samenwerking door de inspecties afzonderlijk in.” 3. De artikelen 5:12, 5:13, 5:15, 5:16, 5:17 en 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht zijn van overeenkomstige toepassing ten aanzien van de ambtenaren van de inspectie bij de uitvoering van de taak, bedoeld in het eerste lid. “Voor zover een ambtenaar werkzaam is in het kader van de onderzoekstaak, bedoeld in het eerste lid, is hij geen toezichthouder in de zin van de Awb. In het derde lid wordt een aantal bepalingen inzake toezichthouders echter van overeenkomstige toepassing verklaard op deze ambtenaren. Hierdoor is een dergelijke ambtenaar in het kader van het kwaliteitsonderzoek onder meer onderworpen aan een legitimatieplicht en is hij bevoegd plaatsen te betreden en inlichtingen te vorderen.” 4. De inspecties nemen bij de vervulling van hun taken, bedoeld in het eerste en tweede lid, de instructies van Onze Ministers in acht. “Op grond van het eerste lid is het de taak van de IJZ om onderzoek te doen naar de kwaliteit in algemene zin van het jeugdstelsel. Daarin zal zij allerlei keuzes maken, bijvoorbeeld over de frequentie van het onderzoek en over de thema’s waarnaar onderzoek wordt gedaan. Het vierde lid bepaalt dat de IJZ en de IVenJ daarbij de instructies van de ministers van VWS en van VenJ in acht moeten nemen. Dit betekent bijvoorbeeld dat de Minister van VenJ de mogelijkheid heeft om specifieke opdrachten te geven onderzoeken in te stellen naar de kwaliteit van de raad voor de kinderbescherming of een justitiële jeugdinrichting.” 5. De inspectie jeugdzorg houdt bij de vervulling van haar taak rekening met de behoeften van gemeenten. “Het onderzoek van de IJZ naar de kwaliteit in algemene zin van het jeugdstelsel is niet alleen van belang voor de Ministers van VWS en VenJ, maar evenzeer voor de gemeenten. Zij worden immers bestuurlijk en financieel verantwoordelijk voor de jeugdhulp in brede zin: preventie, ondersteuning, hulp en zorg bij opgroeien en opvoeden, psychische problemen en stoornissen. Uit dien hoofde is het van belang dat zij door de inspectie worden betrokken bij haar onderzoek, zodat de inspectie rekening kan houden met de behoeften van de gemeenten. De wijze waarop de inspectie dit gaat doen, wordt in samenspraak met gemeenten uitgewerkt.” 6. De inspecties brengen van hun bevindingen verslag uit aan degene bij wie het onderzoek is uitgevoerd en kunnen daarbij voorstellen doen tot verbetering van de kwaliteit. Onze Ministers worden schriftelijk op de hoogte gebracht van de bevindingen. “Naast de in dit lid geregelde wijze van rapporteren geldt dat de inspecties in beginsel hun bevindingen openbaar maken.” 7. De inspectie jeugdzorg publiceert jaarlijks een verslag van haar werkzaamheden. In het verslag doet zij de voorstellen die zij in het belang van de jeugdhulp nodig acht. “Op grond van de Wjz zond de IJZ het jaarverslag aan de provinciebesturen, de beide ministers en de Tweede Kamer. In plaats van aan de provincies zouden nu aan alle gemeenten deze stukken moeten worden verzonden. Om praktische redenen wordt daarom nu volstaan met de eis dat de IJZ het verslag jaarlijks publiceert.” 66 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 67. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 67 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 9.2 Toezicht uitvoeren Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise67 9.2 1. Met het toezicht op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet zijn belast de door Onze Ministers aangewezen ambtenaren. “Het toezicht op de naleving van deze wet zal geschieden door zowel de IJZ, de IGZ als de IVenJ. De onderhavige bepaling biedt de grondslag om door Onze Ministers de daarmee belaste ambtenaren aan te wijzen. Deze ambtenaren kunnen uit eigen beweging hun toezichthoudende taak uitoefenen, maar ook naar aanleiding van opdrachten daartoe van de Ministers van VWS of VenJ of op verzoek van een of meerdere betrokken gemeenten.” Blz. 191 1. Inspectie Jeugdzorg 2. Inspectie Veiligheid en Justitie 3. Inspectie Gezondheidszorg 4. Gemeenten 5. Jeugdhulpaanbieders 6. Gecertificeerde instellingen Nee 2. De met het toezicht belaste ambtenaren zijn voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is en in afwijking van artikel 5:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd, met medeneming van de benodigde apparatuur, een woning binnen te treden zonder toestemming van de bewoner, voor zover die woning wordt gebruikt ten behoeve van de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. “Het tweede lid bepaalt in afwijking van artikel 5:15 Awb dat de toezichthouder bevoegd is ook zonder toestemming van de bewoners een woning te betreden indien dat nodig is voor het uitoefenen van toezicht op de verlening van jeugdhulp, de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering.” Blz. 191 3. De met het toezicht belaste ambtenaren zijn, voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is en in afwijking van artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot inzage van de dossiers. Voor zover de betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding van het dossier verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de betrokken ambtenaar. “Voor haar toezichthoudende taak dient de inspectie toegang te hebben tot de dossiers wanneer dat noodzakelijk is. Om inzage ten behoeve van de toezichthoudende taak toch mogelijk te maken, bepaalt het derde lid van het onderhavige artikel daarom dat in afwijking van artikel 5:20, tweede lid, Awb de toezichthoudende ambtenaren toch bevoegd zijn tot inzage in de dossiers. Ter bescherming van de betrokken jeugdige of ouder, geldt voor die ambtenaren dezelfde geheimhoudingsplicht als op de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling rust. In de gevallen dat besloten wordt een dossier in te zien, moet wel aantoonbaar zijn dat het doel van deze handeling (goed toezicht) niet op een minder ingrijpende manier bereikt kan worden en dat de maatregel niet disproportioneel is.” Blz. 191 - 192 4. De met het toezicht belaste ambtenaren zijn bevoegd het niet naleven door een jeugdhulpaanbieder of een gecertificeerde instelling van een verplichting die voor hem uit het bepaalde bij of krachtens deze wet voortvloeit, buiten behandeling te laten, tenzij sprake is van een situatie die een ernstige bedreiging kan betekenen die voor de veiligheid van jeugdigen of ouders, de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of van jeugdreclassering, of het belang van verantwoorde hulp anderszins daaraan redelijkerwijs in de weg staat. “De inspectie is niet gehouden bij iedere overtreding van een wettelijke bepaling handhavend op te treden. Het toezicht strekt vooral tot het bewaken van de belangen van een verantwoorde hulpverlening en die van de jeugdigen, voor zover die belangen uitstijgen boven het belang van individuele gevallen. Het vierde lid geeft de toezichthoudende ambtenaren daarom de bevoegdheid overtredingen buiten behandeling te laten, tenzij sprake is van een situatie die een ernstige bedreiging kan betekenen voor de veiligheid van jeugdigen of ouders, de verlening van jeugdhulp of de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of van jeugdreclassering, of het belang van verantwoorde hulp anderszins daaraan redelijkerwijs in de weg staat. “ Blz. 192-193 5. Bij ministeriële regeling kunnen Onze Ministers regels stellen met betrekking tot de taakverdeling tussen de inspecties en de onderlinge samenwerking van de inspecties. Dit artikellid ziet op de samenwerking van de inspecties bij het uitoefenen van toezicht op de in artikel 9.1 genoemde organisaties en organisatieonderdelen. Over deze samenwerking kunnen bij ministeriële regeling nadere regels worden gesteld. Het bedoelde toezicht wordt uitgeoefend door onder meer de IJZ, de IGZ en de IVenJ (de Inspectie bedoeld in artikel 57 van de Wet op de veiligheidsregio’s). Bij de samenwerking geldt dat het primaat bij de IJZ ligt, tenzij het de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen betreft. De taakverdeling laat elke vorm van samenwerking tussen deze en andere inspecties, vanuit de eigen expertise toe. Blz. 193 Ja 6. Artikel 9.1, vijfde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. De leden vijf tot en met zeven van artikel 9.1 worden voor het toezicht op de naleving van overeenkomstige toepassing verklaard. Hetgeen in artikel 9.1 is bepaald omtrent het rekening houden met de behoeften van gemeenten, het rapporteren van bevindingen en het publiceren van een jaarlijks verslag geldt op deze wijze ook voor het toezicht op de naleving. Voor het toezicht op de naleving door de daarmee door de Ministers van VWS en VenJ belaste ambtenaren, geldt reeds dat de instructies van de Ministers van VWS en VenJ in acht genomen moeten worden. Daarom is het niet nodig om het derde lid van artikel 9.1 van overeenkomstige toepassing te verklaren. Blz. 193 Nee 67 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 68. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 68 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 9.3 Opstellen procedures ‘hoe om te gaan met aanwijzing, bevel en tuchtrecht’ Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise68 9.3 1. Indien een van Onze Ministers van oordeel is dat een jeugdhulpaanbieder of een gecertificeerde instelling deze wet of de daarop berustende bepalingen niet of onvoldoende naleeft, kan hij de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling die het betreft een schriftelijke aanwijzing geven. “Dit artikel biedt een instrumentarium om de wet te handhaven. Indien de wet niet of niet juist wordt nageleefd, hebben beide ministers elk in de eerste plaats de mogelijkheid de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling met een schriftelijke aanwijzing te dwingen tot naleving van de wet. In spoedeisende gevallen kan op grond van het vierde lid de toezichthouder voor de duur van zeven dagen daartoe ook een bevel geven, dat vervolgens eventueel door de Minister van VWS of de Minister van VenJ kan worden verlengd. Beide ministers zijn afzonderlijk bevoegd tot handhaving door middel van een aanwijzing of een bevel. Hierdoor hoeven de ministers niet bij elke aanwijzing of bij elk bevel formeel steeds gezamenlijk tot besluitvorming te komen, maar kan door eenvoudige afstemming het beoogde resultaat worden bereikt. Vanzelfsprekend zullen beide ministers hun optreden onderling afstemmen, waarbij de Minister van VenJ zich voornamelijk bezig zal houden met de gecertificeerde instellingen en de Minister van VWS met de jeugdhulpaanbieders. Dit geldt ook voor de bevoegdheden die in de artikelen 9.4 (bestuursdwang en dwangsom) en 9.5 (bestuurlijke boete) zijn geregeld. Jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen zijn verplicht aan een aanwijzing of bevel te voldoen. Aanwijzingen en bevelen hebben daardoor het karakter van een beschikking. Bij niet naleving van de aanwijzing of het bevel, hebben de ministers de bevoegdheid een last onder bestuursdwang op te leggen. Artikel 5:32, eerste lid van de Algemene Wet Bestuursrecht, bepaalt dat de bevoegdheid een last onder bestuursdwang op te leggen de bevoegdheid impliceert een last onder dwangsom op te leggen. De naleving van een aanwijzing of een bevelen kan dus ook door oplegging van een last onder dwangsom worden afgedwongen.” Blz. 193 1. Jeugdhulpaanbieder 2. Gecertificeerde instellingen Ja 2. In de aanwijzing geeft Onze Minister die het aangaat met redenen omkleed aan welke maatregelen de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling moet nemen met het oog op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet. 3. De aanwijzing bevat de termijn waarbinnen de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling daaraan moeten voldoen. 4. Indien het nemen van maatregelen in verband met gevaar voor de veiligheid of de gezondheid redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de ingevolge artikel 9.2, eerste lid, met het toezicht belaste ambtenaar een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door een van Onze Ministers kan worden verlengd. 5. De jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling is verplicht binnen de daarbij gestelde termijn aan de aanwijzing onderscheidenlijk onmiddellijk aan het bevel te voldoen. 6. Mandaat tot het verlengen van de geldigheidsduur van een bevel wordt niet verleend aan een met het toezicht belaste ambtenaar. 7. Indien een organisatie van beoefenaren van een beroep in de jeugdhulp of de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen of jeugdreclassering een systeem van tuchtrecht heeft georganiseerd, zijn de ingevolge artikel 9.2 met het toezicht belaste ambtenaren bevoegd in het kader van dat systeem een tuchtklacht in te dienen. Bij algemene maatregel van bestuur worden daarover nadere regels gesteld. 9.4 Toezicht Centraal Orgaan opvang asielzoekers Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 9.4 1. Met het toezicht op de naleving van artikel 9 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers, voor zover het betreft minderjarigen die onder toezicht of voogdij staan van een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1, zijn belast de door Onze Ministers aangewezen ambtenaren. “Met het intrekken van de Wjz vervalt de grondslag voor het toezicht van de IJZ op de naleving van artikel 9 van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers ten aanzien van minderjarigen die onder toezicht of voogdij staan. Dit wordt nu hersteld met het onderhavige artikel. Op grond van hiervan zijn de door de Ministers van VWS en VenJ aangewezen ambtenaren belast met het toezicht. Hiervoor kunnen, net als op grond van artikel 9.2 van deze wet, ambtenaren van de IJZ, de IGZ en de IVenJ ingezet worden. Dit toezicht zal in beginsel komen te liggen bij de IVenJ. De Kaderwet ZBO’s is van toepassing op het COA. Dit betekent dat er geen specifieke handhavende bevoegdheden in dit wetsvoorstel zullen worden opgenomen.” Blz. 194 1. Inspectie Jeugdzorg 2. Inspectie Veiligheid en Justitie 3. Inspectie Gezondheidszorg Nee 2. Artikel 9.1, vijfde tot en met zevende lid, is van overeenkomstige toepassing. De artikelen 9.3, 9.5 en 9.6 zijn niet van toepassing. 68 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 69. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 69 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 9.5 Opstellen procedures ‘hoe om te gaan met bestuursdwang en dwangsom’ Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise69 9.5 1. Onze Ministers zijn beiden bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de artikelen 8.3.1 en 8.3.2 en van een krachtens artikel 9.3 gegeven aanwijzing of bevel. “Evenals in artikel 37 van de Wtzi kan op grond van deze bepaling (een last onder) bestuursdwang worden toegepast indien de bepalingen inzake de financiële verantwoording niet of onvoldoende worden nageleefd. Indien een krachtens artikel 9.3 gegeven schriftelijke aanwijzing of een bevel niet of onvoldoende wordt opgevolgd, bestaat de mogelijkheid om (een last onder) bestuursdwang op te leggen.” Blz. 194 1. Jeugdhulpaanbi eders 2. Gecertificeerde instellingen Ja 2. Onze Ministers zijn beiden bevoegd tot oplegging van een last onder dwangsom ter handhaving van het bepaalde bij of krachtens artikel, 4.2.1, eerste, tweede, derde en vijfde lid. “Voor wat betreft het naleven van de bepalingen over het klachtrecht kan ook zonder dat reeds een aanwijzing of bevel is gegeven, een (last onder) dwangsom worden opgelegd. Hiermee wordt aangesloten bij de vergelijkbare regeling van het klachtrecht in de Wkzc.” Blz. 194 3. Onze Ministers zijn beiden bevoegd een last onder dwangsom op te leggen aan de betrokken beroepsbeoefenaar die geen medewerking verleent aan de inzage van dossiers, bedoeld in artikel 9.2, derde lid. “Het niet verlenen van inzage in het dossiers waar de inspectie dat wel noodzakelijk acht, kan ingevolge artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht worden bestraft met gevangenisstraf of een geldboete. Daarnaast kan ingevolge het onderhavige lid een dwangsom worden opgelegd; het sanctionerend optreden is niet zozeer bedoeld als bestraffing, maar juist als een dwang tot medewerking aan het toezicht. Een dwangsom is in dat geval een geëigend middel.” Blz. 194 9.6 Opstellen procedures ‘hoe om te gaan met sancties’ Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise 9.6 1. Onze Ministers zijn beiden bevoegd een bestuurlijke boete van ten hoogste € 6 700,– op te leggen ter zake van een gedraging die in strijd is met een krachtens artikel 9.3 gegeven aanwijzing, voor zover deze betreft het niet of onvoldoende naleven van artikel 4.3.1, tweede lid, onderdelen d tot en met j. “Naar analogie aan de Wkzc kan op grond van deze bepaling een bestuurlijke boete van ten hoogste € 6 700 opgelegd worden als een aanwijzing inzake de naleving van de bepalingen over het klachtrecht niet of onvoldoende wordt nageleefd.” Blz. 194 1. Jeugdhulpaanbieder s 2. Gecertificeerde instellingen Nee 2. Onze Ministers zijn beiden bevoegd een bestuurlijke boete van ten hoogste € 33 500,– op te leggen ter zake van een gedraging van een jeugdhulpaanbieder of een gecertificeerde instelling die in strijd is met het bepaalde bij of krachtens de artikelen 4.1.5, 4.1.7, of 4.3.2. “Ten aanzien van de bepalingen inzake de VOG, de melding van calamiteiten en geweld en de openbaar kwaliteitsverslag geldt dat een bestuurlijke boete van ten hoogste € 33 500,- opgelegd kan worden wanneer de jeugdhulpaanbieder of de gecertificeerde instelling de wet niet naleeft. Voor wat betreft de hoogte hiervan is aangesloten bij de artikelen 4a (melding calamiteiten en geweld) en 5 (openbaar kwaliteitsverslag) Kwzi. In het wetsvoorstel Wcz was bij nota van wijziging reeds voorgesteld hier ten aanzien van de VOG ook bij aan te sluiten.” Blz. 194 3. Een gedraging in strijd met artikel 4.1.7 is een strafbaar feit. “Een gedraging in strijd met artikel 4.1.7 wordt aangemerkt als een strafbaar feit (overtreding).” De memorie van toelichting bevat een juridische toelichting op de leden 3 t/m 4. Blz. 194- 195 4. Met hechtenis van ten hoogste zes maanden of geldboete van de vierde categorie wordt gestraft degene die een strafbaar feit pleegt als bedoeld in het derde lid. 5. Een strafbaar feit als bedoeld in het derde lid is een overtreding. 69 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 70. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 70 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 10. Overgangsrecht 10.1 Gevolgen overgangsrecht in kaart brengen en consequenties voor beleid bepalen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise70 10.1 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. begeleiding: het ondersteunen bij of oefenen met vaardigheden of handelingen en het aanbrengen van structuur of het voeren van regie, of het overnemen van toezicht, gericht op bevordering, behoud of compensatie van de zelfredzaamheid en strekkende tot voorkoming van opname in een instelling of verwaarlozing van een persoon met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap die matige of zware beperkingen heeft op het terrein van de sociale redzaamheid, het bewegen en verplaatsen, het psychisch functioneren, het geheugen en de oriëntatie, of die matig of zwaar probleemgedrag vertoont; b. jeugdige: persoon die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt; c. kortdurend verblijf: verblijf in een instelling gedurende maximaal drie etmalen per week, gepaard gaande met persoonlijke verzorging, verpleging of begeleiding voor een persoon met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, die aangewezen is op permanent toezicht, indien dat noodzakelijk is ter ontlasting van de persoon die hem gebruikelijke zorg of mantelzorg levert; d. persoonlijke verzorging: het ondersteunen bij of het overnemen van activiteiten op het gebied van de persoonlijke verzorging in verband met een somatische, psychogeriatrische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuiglijke handicap, gericht op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid; e. psychiatrische stoornis of beperking: psychiatrische stoornis of beperking als bedoeld bij of krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten; f. verstandelijke handicap: verstandelijke handicap als bedoeld bij of krachtens artikel 6 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. “Met het oog op het schrappen van de aanspraak op zorg in verband met een verstandelijke beperking, een psychische stoornis en de zorg inhoudende begeleiding, persoonlijke verzorging en kortdurend verblijf in het tweede lid van artikel 10.1 en de te treffen overgangsregeling is in het eerste lid van artikel 10.1 een definitie gegeven van de begrippen verstandelijke beperking, psychiatrische stoornis of beperking, begeleiding, persoonlijke verzorging en kortdurend verblijf. Voor al deze begrippen wordt verwezen naar hetgeen hier bij of krachtens de AWBZ onder wordt verstaan.” Blz. 196 1. Gemeenten 2. Jeugdhulpaanbieders 3. Gecertificeerde instellingen Nee 2. De aanspraken op zorg, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten omvatten niet zorg aan jeugdigen in verband met hun verstandelijke handicap of hun psychiatrische stoornis of beperking, alsmede niet zorg inhoudende begeleiding, persoonlijke verzorging en kortdurend verblijf van jeugdigen. “Het derde lid van artikel 10.1 regelt voor jeugdigen die al een indicatiebesluit hebben dat, in afwijking van het tweede lid, hun bestaande aanspraken nog enige tijd op de oude condities blijven voortbestaan, maar dan jegens de gemeente in plaats van jegens de zorgverzekeraar. Het gaat daarbij zowel om jeugdige AWBZ-verzekerden die in Nederland en in het buitenland wonen. Deze jeugdigen krijgen aldus een overgangsperiode waarin er voor hen niets verandert en zij zich kunnen instellen op de nieuwe situatie. De overgangsperiode verschilt naar gelang de resterende looptijd van de indicatie, maar eindigt in elk geval met ingang van een jaar na inwerkingtreding van deze wet. Een jeugdige die na het aflopen van zijn aanspraken op zorg op basis van het indicatiebesluit AWBZ, deze zorg ten laste van de gemeente nodig denkt te hebben, doet er goed aan tijdig daarvoor een aanvraag in te dienen. In de voorlichting zal daaraan door gemeenten aandacht worden besteed. De bepalingen leggen vast dat vanaf de inwerkingtreding van deze wet voor de personen met een AWBZ-indicatie voor zorg in verband met een verstandelijke beperking of een psychische stoornis of voor begeleiding, persoonlijke verzorging of kortdurend verblijf, de rechten en verplichtingen gelden jegens de gemeente die daaraan verbonden zouden zijn geweest voor de zorgverzekeraar. Dat betekent dat zij jegens de gemeente in plaats van jegens de zorgverzekeraar aanspraak houden op die zorg. Voor zover de looptijd van de indicatie verder reikt dan een jaar na de datum van inwerkingtreding van deze wet, komt het recht op die zorg een jaar na de datum van inwerkingtreding te vervallen. Betrokkene moet zich dan wenden tot de gemeente alwaar hij opnieuw een aanvraag kan indienen voor deze vormen van zorg. Blz. 196 3. De rechten en verplichtingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet gelden met betrekking tot zorg waarop een jeugdige is aangewezen in verband met zijn verstandelijke handicap of psychiatrische stoornis of beperking en met betrekking tot zorg, inhoudende begeleiding, persoonlijke verzorging of kortdurend verblijf, waarvoor op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten een indicatiebesluit is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven gelden gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste tot een jaar na de inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat het college van de gemeente waarbinnen de jeugdige zijn woonplaats heeft, in de plaats treedt van de zorgverzekeraar van de jeugdige, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. Blz. 197 70 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 71. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 71 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise71 10.1 4. De rechten en verplichtingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet gelden met betrekking tot zorg waarop een jeugdige is aangewezen in verband met zijn psychiatrische stoornis of beperking, waarvoor een verwijzing als bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten is verstrekt voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven gelden gedurende de periode waarvoor de verwijzing geldt, doch ten hoogste een jaar na de inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat het college van de gemeente waarbinnen de jeugdige zijn woonplaats heeft, in de plaats treedt van de zorgverzekeraar van de jeugdige, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten. “In het vierde lid is een overgangsregeling neergelegd voor jeugdigen die geestelijke gezondheidszorg ten laste van de AWBZ ontvangen op basis van een verwijzing als bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de AWBZ in plaats van op basis van een indicatiebesluit. Deze verwijzing kan ingevolge artikel 9b, vijfde lid, van de AWBZ jo. artikel 10 van het Uitvoeringsbesluit Wet op de jeugdzorg, gegeven zijn door de huisarts van de jeugdige, de arts naar wie de huisarts de jeugdige heeft verwezen, een andere behandelaar van de jeugdige die deze reeds behandeld in verband met een psychische stoornis of de arts, bedoeld in artikel 47, eerste lid, van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, voor zover het een jeugdige betreft die anders dan in verband met een uithuisplaatsing in een inrichting is geplaatst. Het vierde lid legt vast dat voor de jeugdige die een verwijzing heeft voor zorg in verband met een psychische stoornis, de rechten en verplichtingen gelden jegens de gemeente die daaraan zijn verbonden gedurende de periode waarvoor de verwijzing geldig is, doch uiterlijk tot een jaar na inwerkingtreding van deze wet. Dat betekent dat zij jegens de gemeente in plaats van jegens het zorgkantoor aanspraak houden op die zorg. Voor zover de looptijd van de verwijzing verder reikt dan een jaar na inwerkingtreding van deze wet of geen einddatum vermeldt, komt het recht op die zorg uiterlijk een jaar na inwerkingtreding van deze wet te vervallen. Ook in die gevallen dient betrokkene zich te wenden tot de gemeente alwaar hij opnieuw een aanvraag kan indienen voor deze vormen van zorg.” Blz. 197 1. Gemeenten 2. Jeugdhulpaanbieders 3. Gecertificeerde instellingen Nee 5. Het college is er verantwoordelijk voor dat de jeugdige in situaties als bedoeld in het derde en vierde lid, de jeugdhulp die reeds is ingezet voor inwerkingtreding van deze wet, na inwerkingtreding van deze wet kan voortzetten bij dezelfde aanbieder, indien dit redelijkerwijs mogelijk is. Het vijfde lid regelt dat, indien redelijkerwijs mogelijk, de gemeente de jeugdige in de gelegenheid moet stellen op reeds ingezette behandelingen af te maken bij dezelfde aanbieder. Blz. 198 6. Indien een in het buitenland wonende jeugdige op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet op grond van artikel 3.1.2 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet aanspraak heeft op een vergoeding dan wel op grond van artikel 1.22 van het Aanpassingsbesluit Zorgverzekeringswet aanspraak heeft op een uitkering te zake van de kosten van persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, behandeling, verblijf, kortdurend verblijf, vervoer of voortgezet verblijf, behoudt die jeugdige die aanspraak jegens de gemeente waarbinnen de betreffende jeugdige zijn woonplaats heeft, gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch uiterlijk tot een jaar na inwerkingtreding van dit artikel. Het zesde lid regelt dat ook deze personen gedurende de resterende looptijd van de indicatie, maar uiterlijk tot een jaar na inwerkingtreding recht houden op vergoeding van de kosten van deze zorg. Het gaat om ex- vrijwillig AWBZ-verzekerden en personen die op basis van hun ziekenfondsverzekering AWBZ-verzekerd waren, maar die status door de inwerkingtreding van de Zvw hebben verloren. Voor hen is bij de invoering van de Zvw een overgangsregeling (artikelen 3.1.2 tot en met 3.1.6 van de Invoerings- en aanpassingswet Zorgverzekeringswet onderscheidenlijk artikel 1.22 van het Aanpassingsbesluit Zorgverzekeringswet) getroffen. Die houdt in dat zij recht hielden op vergoeding voor kosten van AWBZ-zorg waarvoor voor dat tijdstip een indicatiebesluit was afgegeven en die zij op dat tijdstip genoten en voor AWBZ-zorg waarop zij in redelijkheid zijn aangewezen aansluitend aan of in plaats van de zorg die zij al genoten. Blz. 198 10.2 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. geestelijke gezondheidszorg: 1°. geneeskundige zorg, verblijf, verzorging en verpleging als bedoeld bij of krachtens artikel 11, derde lid, van de Zorgverzekeringswet, die een persoon nodig heeft in verband met een psychiatrische stoornis of beperking; 2°. dyslexiezorg als bedoeld bij of krachtens artikel 11, derde lid, van de Zorgverzekeringswet; b. jeugdige: persoon die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt. Met het oog op het schrappen van het recht op geestelijke gezondheidszorg voor jeugdigen onder de achttien jaar in het tweede lid van artikel 10.2 en de te treffen overgangsregeling is in het eerste lid van artikel 10.2 een definitie gegeven van het begrip geestelijke gezondheidszorg. Blz. 198 2. De prestaties, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet waarop een verzekerde jegens zijn zorgverzekeraar recht op heeft omvatten niet geestelijke gezondheidszorg aan jeugdigen. Geen specifieke toelichting 71 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 72. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 72 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise72 10.2 3. De rechten en verplichtingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet gelden met betrekking tot geestelijke gezondheidszorg, al dan niet met verblijf, waarvoor een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 9b, vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten of artikel 14, derde lid, van de Zorgverzekeringswet is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven gelden gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste tot een jaar na de inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat het college van de gemeente waarbinnen de jeugdige zijn woonplaats heeft, in de plaats treedt van de zorgverzekeraar van de jeugdige, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Zorgverzekeringswet. “Het derde en vierde lid van artikel 10.2 regelen voor jeugdigen die al een indicatiebesluit of een verwijzing voor jeugd-ggz of dyslexiezorg hebben dat, in afwijking van het tweede lid, hun recht op deze zorg jegens gemeente in plaats van jegens de zorgverzekeraar nog enige tijd op de oude condities blijft voortbestaan. Ook deze jeugdigen krijgen aldus, net als de jeugdigen die ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet een indicatiebesluit voor zorg ten laste van de AWBZ hadden, een overgangsperiode waarin er voor hen niets verandert en zij zich kunnen instellen op de nieuwe situatie. De overgangsperiode verschilt naar gelang de resterende looptijd van de indicatie of de verwijzing, maar eindigt in elk geval een jaar na inwerkingtreding van deze wet. Een jeugdige die na het aflopen van deze termijn deze zorg ten laste van de gemeente nodig denkt te hebben, moet daarvoor een aanvraag indienen bij de gemeente.” Blz. 198 1. Gemeenten 2. Jeugdhulpaanbieders 3. Gecertificeerde instellingen Nee 4. De rechten en verplichtingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet gelden met betrekking tot geestelijke gezondheidszorg, al dan niet met verblijf, waarvoor een verwijzing als bedoeld in artikel 14, derde lid, van de Zorgverzekeringswet of artikel 9b, vijfde lid van de Zorgverzekeringswet is verstrekt voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven gelden gedurende de periode waarvoor de verwijzing geldt, doch ten hoogste tot een jaar na de inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat het college van de gemeente waarbinnen de jeugdige zijn woonplaats heeft, in de plaats treedt van de zorgverzekeraar van de jeugdige, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Zorgverzekeringswet. 5. Het college is er verantwoordelijk voor dat de jeugdige in situaties als bedoeld in het derde en vierde lid, de jeugdhulp die reeds is ingezet voor inwerkingtreding van deze wet, na inwerkingtreding van deze wet kan voortzetten bij dezelfde aanbieder, indien dit redelijkerwijs mogelijk is. Geen specifieke toelichting 10.3 1. In dit artikel wordt verstaan onder: a. cliënt: jeugdige of zijn ouders of pleegouders; b. jeugdige: persoon die: 1°. de meerderjarigheidsleeftijd nog niet heeft bereikt, 2°. de meerderjarigheidsleeftijd heeft bereikt en ten aanzien van wie op grond van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht recht is gedaan overeenkomstig de artikelen 77g tot en met 77gg van het Wetboek van Strafrecht, of 3° de meerderjarigheidsleeftijd doch niet de leeftijd van drieëntwintig jaar heeft bereikt, en voor wie voorzetting van jeugdzorg, die was aangevangen of waarvan de aanvraag was ingediend vóór het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd, noodzakelijk is of voor wie, na beëindiging van de jeugdzorg die was aangevangen vóór het bereiken van de meerderjarigheidsleeftijd, binnen een termijn van een half jaar hervatting van jeugdzorg noodzakelijk is, en c. jeugdzorg: ondersteuning van en hulp aan jeugdigen, hun ouders, stiefouders of anderen, die een jeugdige als behorende tot hun gezin verzorgen en opvoeden, bij opgroei- of opvoedingsproblemen of dreigende zodanige problemen; “Net als voor jeugdigen die ten tijde van de inwerkingtreding van de onderhavige wet een indicatiebesluit of verwijzing voor zorg in het kader van de AWBZ en Zvw hebben, wordt ook een overgangsregeling getroffen voor cliënten die een indicatiebesluit hebben voor jeugdzorg, waarop aanspraak bestond ingevolge de Wjz. Het recht op jeugdzorg zoals dit bestond op grond van de Wjz blijft hiermee voor de cliënt nog enige tijd op de oude condities voortbestaan, maar dan jegens de gemeente in plaats van jegens de provincie. Ook deze jeugdigen krijgen aldus, net als de jeugdigen die ten tijde van de inwerkingtreding van deze wet een indicatiebesluit of verwijzing voor zorg ten laste van de AWBZ of de Zvw hadden, een overgangsperiode waarin er voor hen niets verandert en zij zich kunnen instellen op de nieuwe situatie. Ook hier verschilt de overgangsperiode naar gelang de resterende looptijd van het indicatiebesluit, maar eindigt in elk geval een jaar na inwerkingtreding van deze wet.” Blz. 198 2. De rechten en verplichtingen die op het tijdstip van de inwerkingtreding van deze wet gelden met betrekking tot jeugdzorg waarvoor een indicatiebesluit als bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Wet op de jeugdzorg is afgegeven voor de inwerkingtreding van deze wet, blijven gelden gedurende de looptijd van het indicatiebesluit, doch ten hoogste een jaar na de inwerkingtreding van deze wet, met dien verstande dat het college van de gemeente waarbinnen de jeugdige zijn woonplaats heeft, in de plaats treedt van de gedeputeerde staten van de provincie, bedoeld in artikel 3, tweede lid, van de Wet op de jeugdzorg. 3. Het college is er verantwoordelijk voor dat de jeugdige in een situatie als bedoeld in het tweede lid, de jeugdhulp die reeds is ingezet voor inwerkingtreding van deze wet, na inwerkingtreding van deze wet kan voortzetten bij dezelfde aanbieder, indien dit redelijkerwijs mogelijk is. 72 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 73. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 73 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise73 10.3 4. In afwijking van het tweede lid geldt ingeval sprake is van een indicatiebesluit waarin is vastgesteld dat de jeugdige aangewezen is op pleegzorg, geen einddatum voor de rechten en verplichtingen die verbonden zijn aan dit besluit jegens het college. Vierde en vijfde lid “Voor pleegzorg is een uitzondering gemaakt en geldt allereerst op grond van het vierde lid geen einddatum indien vóór de inwerkingtreding van deze wet een indicatiebesluit is afgegeven waarin is vastgesteld dat de jeugdige is aangewezen op pleegzorg. In de tweede plaats geldt op grond van het vijfde lid dat de jeugdige niet zonder inhoudelijke redenen geconfronteerd mag worden met een verandering van pleegouders. Hiermee wordt de continuïteit van pleegzorg voor het individuele pleegkind geborgd, waarmee ook uitvoering wordt gegeven aan de motie Voordewind hierover.” Blz. 198 1. Gemeenten 2. Jeugdhulpaanbieders 3. Gecertificeerde instellingen Nee 5. Het college is er verantwoordelijk voor dat bij de jeugdige in een situatie als bedoeld in het tweede lid, die voor inwerkingtreding van deze wet reeds is geplaatst bij een pleegouder, de pleegzorg wordt voorgezet bij dezelfde pleegouders. Hiervan kan slechts worden afgeweken indien dat voor de verlening van verantwoorde hulp noodzakelijk is. 10.4 1. Met betrekking tot een jeugdige die tevens verzekerde is in de zin van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, die ten gevolge van de inwerkingtreding van deze wet vanaf enig tijdstip niet langer aanspraak zal hebben op persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, behandeling, verblijf, kortdurend verblijf, vervoer en voortgezet verblijf op grond van die wet, zendt het bevoegde indicatieorgaan, dan wel de stichting, bedoeld in artikel 9b, eerste respectievelijk vierde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, aan het college van de gemeente waar de betreffende jeugdige zijn woonplaats heeft, zo spoedig mogelijk het besluit, met inbegrip van het daarin opgenomen burgerservicenummer dan wel het sociaal-fiscaalnummer, waarin ten aanzien van die verzekerde is vastgesteld dat deze is aangewezen op persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, behandeling, verblijf, kortdurend verblijf, vervoer of voortgezet verblijf. Het in de eerste volzin bedoelde besluit gaat vergezeld van een document waarin is weergegeven op welke grondslag het besluit berust. “Artikel 10.4 voorziet er in dat het CIZ voor alle verzekerden met een indicatie voor persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, behandeling, verblijf, kortdurend verblijf, vervoer en voortgezet verblijf die daarop als gevolg van de inwerkingtreding van onderhavige wet op enig moment daarop niet langer aanspraak zullen hebben in het kader van de AWBZ, aan de gemeente waar deze verzekerden wonen, eenmalig per cliënt het indicatiebesluit verstrekt waarin in vastgesteld dat de verzekerde is aangewezen op die vormen van zorg. Die verplichting wordt ook opgelegd aan de bureaus jeugdzorg die ingevolge artikel 9b van de AWBZ voor jeugdigen de indicaties voor deze vormen van zorg afgeven, voor zover ze verband houden met een psychiatrische aandoening. Het derde en laatste criterium voor gegevensoverdracht is dat deze een geoorloofd, expliciet genoemd doel dient. Uit jurisprudentie van het EHRM blijkt dat hieronder nadrukkelijk ook de gezondheid en het welzijn van jeugdigen geschaard dienen te worden. Omdat zonder de gegevensoverdracht de continuïteit van de zorg voor de betrokken jeugdigen en hun ouders in het geding zou zijn, en daarmee hun gezondheid en zeker hun welzijn, is ook aan deze laatste voorwaarde voldaan.” Blz. 199-201 2. Met betrekking tot een jeugdige die tevens verzekerde is in de zin van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, die ten gevolge van de inwerkingtreding van deze wet vanaf enig tijdstip niet langer aanspraak zal hebben op persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, behandeling, verblijf, kortdurend verblijf, vervoer en voortgezet verblijf op grond van die wet, verstrekt een door Onze Minister aangewezen persoon als bedoeld in artikel 53 van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, aan het college van de gemeente waar de betreffende jeugdige zijn woonplaats heeft, zo spoedig mogelijk de persoonsgegevens van de verzekerde, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet, dan wel stellen deze gegevens voor dit doel voor inzage of het nemen van afschrift ter beschikking. 3. Het college is bevoegd tot het verwerken van de persoonsgegevens die het indicatieorgaan, de stichting, bedoeld in het eerste lid en de door de minister aangewezen persoon, bedoeld in het tweede lid, hem heeft verstrekt, voor zover dat noodzakelijk is om voor betrokkenen tijdig de voorzieningen op het gebied van jeugdhulp te treffen die voor de betrokkene aangewezen zijn te achten. 10.5 1. Met betrekking tot een jeugdige die tevens cliënt is in de zin van de Wet op de jeugdzorg, die ten gevolge van de intrekking van de Wet op de jeugdzorg, vanaf enig tijdstip niet langer aanspraak zal hebben op jeugdzorg op grond van die wet, zendt de stichting, bedoeld in artikel 1, van de Wet op de jeugdzorg, aan het college van de gemeente waar de betreffende jeugdige zijn woonplaats heeft, zo spoedig mogelijk, het indicatiebesluit, met inbegrip van het daarin opgenomen burgerservicenummer dan wel het sociaal-fiscaalnummer. Het in de eerste volzin bedoelde indicatiebesluit gaat zo nodig vergezeld van documenten waarin is weergegeven om welke vorm of vormen van jeugdzorg het gaat en de gronden waarop het besluit berust. Artikel 10.5 voorziet erin dat de bureaus jeugdzorg voor alle cliënten met een indicatiebesluit in de zin van de Wjz die bij de inwerkingtreding van de Jeugdwet niet langer aanspraak hebben op jeugdzorg in het kader van de Wjz, aan de gemeente waar deze verzekerden wonen, eenmalig per cliënt het indicatiebesluit aan de gemeente moeten. Blz. 200- 201 2. Het college is bevoegd tot het verwerken van de persoonsgegevens die de stichting, bedoeld in het eerste lid, hem heeft verstrekt, voor zover dat noodzakelijk is om voor betrokkenen tijdig de voorzieningen op het gebied van jeugdhulp te treffen die voor de betrokkene aangewezen zijn te achten. 73 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 74. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 74 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise74 10.6 1. Met betrekking tot een jeugdige die tevens verzekerde is in de zin van Zorgverzekeringswet en die ten gevolge van de inwerkingtreding van deze wet vanaf enig tijdstip niet langer aanspraak zal hebben op geestelijke gezondheidszorg, al dan niet in combinatie met verblijf, op grond van die wet, zendt de stichting, bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg, aan het college van de gemeente waar de betreffende jeugdige zijn woonplaats heeft, zo spoedig mogelijk, het indicatiebesluit, met inbegrip van het daarin opgenomen burgerservicenummer dan wel het sociaal- fiscaalnummer, waarin ten aanzien van die verzekerde is vastgesteld dat deze is aangewezen op geestelijke gezondheidszorg, al dan niet met verblijf, waarop ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, van de Zorgverzekeringswet aanspraak bestaat. Het indicatiebesluit gaat zo nodig vergezeld van documenten waarin is weergegeven om welke vorm van zorg het gaat en de gronden waarop het besluit berust. “Artikel 10.6 voorziet erin dat de Bureaus Jeugdzorg voor jeugdigen met een indicatiebesluit waarin ten aanzien van die verzekerde is vastgesteld dat deze is aangewezen op geestelijke gezondheidszorg, al dan niet met verblijf, waarop ingevolge een zorgverzekering als bedoeld in artikel 1, onderdeel d, Zvw aanspraak bestaat en die bij de inwerkingtreding van de Jeugdwet niet langer aanspraak hebben op deze zorg in het kader van de Zvw, eenmalig dit indicatiebesluit moeten verstrekken. Nu voor deze zorg ingevolge artikel 14, derde lid, van de Zvw in samenhang met de artikelen 9b, vijfde lid van de AWBZ, artikel 5, tweede lid, onderdeel b, van de Wjz en artikel 10 van het Uitvoeringsbesluit Wjz ook de huisarts en een aantal andere in het Uitvoeringsbesluit Wjz aangewezen artsen een verwijzing kunnen verstrekken die recht geeft op geestelijke gezondheidszorg in de zin van de Zvw, wordt in dit artikel ook voor die beroepsbeoefenaren geregeld dat zij deze verwijzing moeten verstrekken eenmalig dienen te verstrekken aan de gemeente.” Blz. 200-201 1. Gemeenten 2. Jeugdhulpaanbieders 3. Gecertificeerde instellingen Nee 2. Met betrekking tot een jeugdige die tevens verzekerde is in de zin van Zorgverzekeringswet en die ten gevolge van de inwerkingtreding van deze wet vanaf enig tijdstip niet langer aanspraak zal hebben op geestelijke gezondheidszorg, al dan niet in combinatie met verblijf, op grond van die wet, zendt de beroepsbeoefenaar, bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten, aan het college van de gemeente waar de betreffende jeugdige zijn woonplaats heeft, zo spoedig mogelijk de verwijzing waaruit blijkt dat de jeugdige is aangewezen op deze geestelijke gezondheidszorg. De verwijzing gaat vergezeld van een document waarin gemotiveerd is weergegeven welke psychische stoornis vermoedt wordt aanwezig te zijn en op welk psychisch niveau de jeugdige functioneert. 3. Met betrekking tot een jeugdige die tevens verzekerde is in de zin van de Zorgverzekeringswet, die ten gevolge van de inwerkingtreding van deze wet vanaf enig tijdstip niet langer aanspraak zal hebben op persoonlijke verzorging, verpleging, begeleiding, behandeling, verblijf, kortdurend verblijf, vervoer en voortgezet verblijf op grond van die wet, verstrekt de zorgverzekeraar, aan het college van de gemeente waar de betreffende jeugdige zijn woonplaats heeft, zo spoedig mogelijk de persoonsgegevens van de verzekerde, waaronder persoonsgegevens betreffende de gezondheid als bedoeld in de Wet bescherming persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet, dan wel stellen deze gegevens voor dit doel voor inzage of het nemen van afschrift ter beschikking. 4. Het college is bevoegd tot het verwerken van de persoonsgegevens die de stichting, bedoeld in het eerste lid, de beroepsbeoefenaar, bedoeld in het tweede lid, en de zorgverzekeraar, bedoeld in het derde lid, hem heeft verstrekt, voor zover dat noodzakelijk is om voor betrokkenen tijdig de voorzieningen op het gebied van jeugdhulp te treffen die voor de betrokkene aangewezen zijn te achten. 10.7 1. Een verzoek om een machtiging of een voorlopige machtiging als bedoeld in de artikelen 29b respectievelijk 29c van de Wet op de jeugdzorg ingediend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, gelden met ingang van dat tijdstip als een verzoek om een machtiging als bedoeld in de artikelen 6.1.2 respectievelijk 6.1.3 van deze wet. “Het eerste lid regelt dat aanhangige verzoeken voor een machtiging of een voorlopige gesloten jeugdzorg worden behandeld als verzoeken om een machtiging of een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp als bedoeld in de artikelen 6.1.2 en 6.1.3 van deze wet.” Blz. 201 2. Een machtiging en een voorlopige machtiging als bedoeld in de artikelen 29b respectievelijk 29c van de Wet op de jeugdzorg verleend voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, gelden met ingang van dat tijdstip als een machtiging als bedoeld in de artikelen 6.1.2 respectievelijk 6.1.3 van deze wet. “Het tweede lid bepaalt dat bestaande machtigingen en voorlopige machtigingen gesloten jeugdzorg als machtiging en spoedmachtiging op grond van de artikelen 6.1.2 en 6.1.3 gelden.” Blz. 201 74 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 75. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 75 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 11. Wijziging van andere wetten 11.1 Algemene wet bijzondere ziektekosten Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 11.1 Artikel 9b van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten wordt als volgt gewijzigd: 1. Het vierde en het vijfde lid komen te vervallen. “De gemeente wordt met dit wetsvoorstel verantwoordelijk voor een groot deel van de opvoed- en opgroeiondersteuning. Hieronder valt ook de zorg voor verstandelijk beperkte jeugdigen en jeugdigen met psychische problemen en stoornissen. Deze zorg valt nu nog onder de AWBZ en de Zvw. In het systeem van de AWBZ worden de aard, de inhoud en de omvang van de zorg waarop aanspraak bestaat echter pas geregeld in het Besluit zorgaanspraken AWBZ. Dit besluit zal aangepast worden bij de amvb die onder de onderhavige wet komt te hangen. In dit besluit zal dan ook geregeld worden dat een deel van de ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen met een verstandelijke beperking, te weten een aantal vormen van langdurige, multidisciplinaire en specialistische verblijfszorg waarbij permanent toezicht nodig is in verband met gebrek aan regie, voor jeugdigen onder de 18 jaar beschikbaar blijven op grond van de kern-AWBZ.” Blz. 202 / Nee 2. Het zesde lid komt te luiden: 6. Op het indicatieorgaan, bedoeld in het eerste lid, is, met uitzondering van de bewaartermijn als omschreven in artikel 52, eerste lid, het bepaalde bij of krachtens de artikelen 9bis, tweede tot en met vijfde lid, en 52 van overeenkomstige toepassing met betrekking tot het nemen van het besluit, bedoeld in het eerste lid. 11.2 Wmo: beleidsplan aanpassen + beleid en procedures AMKH doorlopen en zo nodig aanpassen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise75 11.2 - A Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd: 1. Onderdeel g, onder 2, komt te vervallen. “Met dit artikel wordt de Wmo gewijzigd. In onderdeel A wordt allereerst prestatieveld 2 uit de definitie van het begrip maatschappelijke ondersteuning geschrapt. Prestatieveld 2 omvat de op preventie gerichte ondersteuning van jeugdigen met problemen met opgroeien en van ouders met problemen met opvoeden. Ingevolge artikel 2.2 valt ook dit deel van de ondersteuning aan jeugdigen en hun ouders onder het onderhavige wetsvoorstel en wordt het overbodig in de Wmo. Omdat de genummerde prestatievelden zowel in de praktijk als in toelichtingen op wetteksten als zodanig bekend staan, worden de onderdelen in deze bepaling niet vernummerd.” Blz. 202 1. Gemeenten Nee 22. Benut bestaande expertise over Wmo beleidsplan en het AMHK 2. In onderdeel g, onder 7°, wordt “geweld dat door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer is gepleegd” vervangen door: huiselijk geweld. 3. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel j door een puntkomma, worden vijf onderdelen toegevoegd, luidende: k. huiselijk geweld: lichamelijk, geestelijk of seksueel geweld of bedreiging daarmee door iemand uit de huiselijke kring; l. kindermishandeling: kindermishandeling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet; m. advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling: advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling als bedoeld in artikel 12a; n. persoonsgegevens, bijzondere persoonsgegevens, verwerking van persoonsgegevens, verantwoordelijke, onderscheidenlijk betrokkene: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet bescherming persoonsgegevens; o. dossier: geheel van schriftelijk of elektronisch vastgelegde gegevens met betrekking tot een melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan. 11.2- B In artikel 3, vierde lid, onderdeel e, wordt de zinsnede “maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder 2°, 5° en 6°” vervangen door: maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel g, onder 5° en 6°. “In onderdeel B wordt geregeld dat in het beleidsplan dat ingevolge de Wmo door de gemeenteraad vastgesteld dient te worden, niet langer aandacht hoeft te worden besteed aan de keuzevrijheid van de burger met betrekking tot de activiteiten op het gebied van prestatieveld 2. Nu deze vorm van ondersteuning onder het onderhavige wetsvoorstel komt te vallen, kan deze bepaling geschrapt worden uit de Wmo.” Blz. 202 75 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 76. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 76 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise76 11.2 - C Artikel 12a 1. Het college van burgemeester en wethouders draagt zorg voor de organisatie van een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling. De artikelen 2.7 van de Jeugdwet en de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, 11 en 12 van deze wet zijn daarop van overeenkomstige toepassing. Dit artikel formuleert de opdracht aan de gemeente voor de organisatie van een AMHK en vermeldt de taken van het AMHK. Blz. 203 1. Gemeenten Nee 23. Benut bestaande expertise over Wmo beleidsplan en het AMHK 2. Het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling verstrekt aan degene die een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling heeft, desgevraagd advies over de stappen die in verband daarmee kunnen worden ondernomen en verleent daarbij zo nodig ondersteuning. “Op grond van het tweede lid heeft een AMHK een adviserende taak. Naar aanleiding van diverse reacties uit de consultatie van het wetsvoorstel is besloten de adviserende taak in dit artikel op te nemen vóór de taken rond de meldingen.” Blz. 203 3. Het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling oefent de volgende taken uit: a. het fungeren als meldpunt voor gevallen of vermoedens van huiselijk geweld of kindermishandeling; b. het naar aanleiding van een melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan, onderzoeken of daarvan daadwerkelijk sprake is; c. het beoordelen van de vraag of en zo ja tot welke stappen de melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan aanleiding geeft; d. het in kennis stellen van een instantie die passende professionele hulp kan verlenen bij huiselijk geweld of kindermishandeling, van een melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan, indien het belang van de betrokkene dan wel de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft daartoe aanleiding geeft; e. het in kennis stellen van de politie of de raad voor de kinderbescherming van een melding van huiselijk geweld of kindermishandeling of een vermoeden daarvan, indien het belang van de betrokkene dan wel de ernst van de situatie waarop de melding betrekking heeft daartoe aanleiding geeft; f. indien het advies- en meldpunt een verzoek tot onderzoek bij de raad voor de kinderbescherming doet, het in kennis stellen daarvan van het college van burgemeester en wethouders, en g. het op de hoogte stellen van degene die een melding heeft gedaan, van de stappen die naar aanleiding van de melding zijn ondernomen. Het derde lid beschrijft de taken van het AMHK. Blz. 203 - 204 4. Het college van burgemeester en wethouders bevordert een goede samenwerking tussen het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling, de hulpverlenende instanties, de raad voor de kinderbescherming en de politie. “Geen enkele instantie kan zelfstandig problemen met huiselijk geweld effectief bestrijden. Slachtoffers en daders zijn gebaat bij een sluitende aanpak en daarvoor is samenwerking noodzakelijk tussen het AMHK, hulpverlenende instanties en politie. Indien het organisaties betreft waarvoor de gemeente niet de (volledige) verantwoordelijkheid draagt, is het aan de gemeente om een goede samenwerking actief te bevorderen. Wanneer het gaat om hulpverlenende instanties die bijvoorbeeld jeugdhulp of vrouwenopvang uitvoeren in opdracht van de gemeente, heeft de gemeente via de inkoop- of subsidierelatie de instrumenten in handen om de samenwerking daadwerkelijk vorm te geven.” Blz. 204 – 205 5. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld over de werkwijze van het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling bij de uitoefening van de taken, bedoeld in het tweede en derde lid, over de deskundigheid waarover een advies- en meldpunt moet beschikken om een verantwoorde uitvoering van zijn taken te kunnen realiseren en over de samenwerking, bedoeld in het vierde lid. “De taken van een AMHK hebben betrekking op kwetsbare personen en situaties en brengen soms een ongevraagde inbreuk op de persoonlijke levenssfeer met zich mee. Daarom is van belang dat de werkwijze van de AMHK’s zorgvuldig, verantwoord, kenbaar en uniform is. Om dat te kunnen waarborgen, maakt het vijfde lid mogelijk om bij of krachtens amvb nadere regels te stellen over de werkwijze van een AMHK bij de uitoefening van de taken, bedoeld in het tweede lid en derde lid, en ook omtrent de deskundigheid waarover een AMHK moet beschikken om die taken goed te kunnen uitvoeren. Ook kunnen over de samenwerkingsopdracht in het vierde lid nadere regels gesteld worden. Het is overigens niet de bedoeling om via een amvb tot een blauwdruk te komen voor een AMHK, aangezien het uitgangspunt juist is dat dit op gemeentelijk niveau wordt vormgegeven.” Blz. 205 Ja 76 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 77. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 77 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise77 11.2 - C Artikel 12b Het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling verwerkt persoonsgegevens ten behoeve van de goede vervulling van de taken, bedoeld in artikel 12a, tweede en derde lid. Het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling is de verantwoordelijke voor deze verwerking. In dit artikel wordt het doel van de verwerking van persoonsgegevens door een AMHK weergegeven. Blz. 205 1. Gemeenten Nee 24. Benut bestaande expertise over Wmo beleidsplan en het AMHK Artikel 12c 1. Een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling kan zonder toestemming van degene die het betreft persoonsgegevens uitsluitend verwerken indien dit noodzakelijk is te achten voor de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 12a, derde lid. “Verwerking van persoonsgegevens door het AMHK kan plaatsvinden met uitdrukkelijke toestemming van de betrokkene. Bij het AMHK zal voor het verwerken van persoonsgegevens echter niet altijd toestemming gevraagd of verkregen worden. Soms zal het vragen ervan uit een oogpunt van veiligheid of onderzoek niet aangewezen zijn. Daarom is in deze bepaling het uitgangspunt geformuleerd dat het AMHK alleen wanneer dit noodzakelijk is te achten voor een goede uitoefening van de in artikel 12a, derde lid, bedoelde taken, zonder toestemming van de betrokkene persoonsgegevens kan verwerken.” Blz. 205 2. Een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling kan zonder toestemming van degene die het betreft bijzondere persoonsgegevens als bedoeld in artikel 16 van de Wet bescherming persoonsgegevens uitsluitend verwerken indien uit een melding redelijkerwijs een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling kan worden afgeleid en dit noodzakelijk is te achten voor de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 12a, derde lid. “Deze bepaling is een aanvulling van het eerste lid en ziet op de verwerking van bijzondere persoonsgegevens zonder toestemming van de betrokkene. Hieraan is expliciet de voorwaarde verbonden dat uit een melding redelijkerwijs een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling kan worden afgeleid. Wanneer daarvan geen sprake is, kan het AMHK de melding nog wel registreren, maar is het niet toegestaan om daarbij bijzondere persoonsgegevens te verwerken.” Blz. 205 3. Derden die op grond van een wettelijk voorschrift of op grond van hun ambt of beroep tot geheimhouding zijn verplicht kunnen, zonder toestemming van degene die het betreft, aan een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling desgevraagd of uit eigen beweging inlichtingen verstrekken waarover zij beroepshalve beschikken, indien dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken. “Op grond van deze bepaling hebben professionals met een geheimhoudingsplicht het recht om een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling bij het AMHK te melden, oftewel een meldrecht. Ook wanneer een professional een redelijk vermoeden heeft van een dergelijke situatie, heeft hij op grond van deze bepaling een meldrecht. Voor deze melding hebben zij derhalve geen toestemming nodig van de betrokkene.” Blz. 206 Artikel 12d 1. Het college van burgemeester en wethouders verstrekt een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling op zijn verzoek terstond de algemene gegevens, bedoeld in artikel 34, eerste lid, onderdeel a, onder 1 tot en met 6 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 12a, derde lid. “Artikel 12d, eerste lid, bepaalt dat het college van burgemeester en wethouders – de verantwoordelijke voor de verwerking van gegevens in de gemeentelijke basisadministratie – aan een AMHK, op diens verzoek terstond de gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie verstrekt die voor het meldpunt noodzakelijk zijn om zijn taken te vervullen. Dit betreft slechts de gegevens bedoeld in artikel 34, eerste lid, onder a, onderdelen 1 tot en met 6, van de Wet GBA.” Blz. 206 - 207 77 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 78. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 78 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise78 11.2 - C 2. In afwijking van artikel 103, eerste en tweede lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens doet het college van burgemeester en wethouders geen mededeling aan de betrokkene of degene die namens deze daarom verzoekt, over de verstrekking van hem betreffende gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie aan het meldpunt, voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling of een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken. Voor de toepassing van artikel 110 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens heeft het achterwege blijven van een mededeling als hier bedoeld dezelfde gevolgen als het achterwege blijven van een mededeling ingevolge artikel 103, derde lid, van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. “Het tweede lid voorziet in de mogelijkheid voor het college om afwijzend te beslissen op een verzoek van een betrokkene om aan hem mede te delen of gegevens uit de basisadministratie aan het AMHK zijn verstrekt. Dit is slechts toegestaan voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling of een redelijk vermoeden daarvan te beëindigen. Het kan bijvoorbeeld gaan om een (vermoedelijke) dader. Het verstrekken van dergelijke informatie aan een dader zou dan het slachtoffer in gevaar kunnen brengen.” Blz. 207 1. Gemeenten Nee 25. Benut bestaande expertise over Wmo beleidsplan en het AMHK Artikel 12e 1. Indien aan een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling bij de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 12a, derde lid, persoonsgegevens worden verstrekt door een ander dan de betrokkene, brengt hij, in afwijking van artikel 34, eerste lid, van de Wet bescherming persoonsgegevens, de betrokkene hiervan zo spoedig mogelijk, doch in ieder geval binnen vier weken na het moment van vastlegging van de hem betreffende gegevens, op de hoogte. “Met het eerste en tweede lid van dit artikel wordt afgeweken van artikel 34, eerste lid, van de Wbp. Op grond van artikel 43 van de Wbp kan onder voorwaarden de gevraagde informatie geweigerd worden. Gronden die in dat artikel genoemd worden zijn onder andere de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten en ook de bescherming van de betrokkene of van de rechten en vrijheden van anderen. In aanvulling daarop wordt voorgesteld dat ook de beëindiging van een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling of het onderzoeken van een redelijk vermoeden daarvan een belang kan zijn op grond waarvan de gevraagde informatie geweigerd kan worden.” Blz. 207 2. De in het eerste lid genoemde termijn kan door het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling telkens met ten hoogste twee weken worden verlengd, voor zover dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 12a, derde lid, en dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken. 3. In afwijking van artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens kan een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling de mededeling, bedoeld in dat artikel, aan de betrokkene achterwege laten voor zover dit noodzakelijk kan worden geacht om een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken. “Wanneer een betrokkene op eigen initiatief het AMHK vraagt of gegevens die hem betreffen worden verwerkt, dient het AMHK op grond van artikel 35 van de Wbp deze vraag binnen vier weken te beantwoorden. In dat antwoord moeten onder meer een volledig overzicht van de verwerkte gegevens worden opgenomen alsmede de herkomst van de gegevens. In artikel 12e, derde lid, wordt geregeld dat mededeling over de verwerkte gegevens achterwege kan blijven voor zover dat noodzakelijk is om een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling te beëindigen of een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken.” Blz. 207 4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de gevallen waarin het bekendmaken van de identiteit van de persoon die het huiselijk geweld of kindermishandeling of het vermoeden daarvan heeft gemeld of van de persoon van wie informatie in het kader van het onderzoek is verkregen, achterwege kan blijven. “Het is van belang dat degenen die een vermoeden van huiselijk geweld of kindermishandeling melden, vooralsnog aanspraak moeten kunnen maken op anonimiteit jegens de betrokkenen. Ontbreekt deze mogelijkheid, dan bestaat de kans dat het AMHK vanwege mogelijke repercussies niet zal worden benaderd, met alle risico’s op voortduring en escalatie van het huiselijk geweld of de kindermishandeling van dien.” Blz. 208 Ja 78 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 79. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 79 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise79 11.2 - C Artikel 12f 1. Het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling verstrekt aan een betrokkene desgevraagd zo spoedig mogelijk inzage in en afschrift van het dossier waarover deze met betrekking tot die betrokkene beschikt. ‘Degene ten aanzien van wie een AMHK beschikt over gegevens, in welke vorm dan ook, heeft in beginsel het recht om deze op verzoek zo spoedig mogelijk in te zien of daarvan een afschrift te ontvangen. In het tweede lid is voorzien in een regeling die overeenkomt met de bepalingen van de Wjz terzake.” Blz. 208 1. Gemeenten Nee 26. Benut bestaande expertise over Wmo beleidspla n en het AMHK2. Inzage in of afschrift van het dossier wordt aan de betrokkene geweigerd, indien deze: a. jonger dan twaalf jaar is, of b. de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. 3. Indien de betrokkene jonger is dan zestien jaar, of de leeftijd van zestien jaar heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake, worden desgevraagd aan de wettelijke vertegenwoordiger inlichtingen dan wel inzage in of afschrift van het dossier verstrekt, tenzij het belang van de betrokkene zich daartegen verzet. 4. Inlichtingen over, inzage in of afschrift van het dossier kan worden geweigerd, voor zover de persoonlijke levenssfeer van een ander dan de betrokkene daardoor zou worden geschaad dan wel dit noodzakelijk is voor de uitoefening van de taken, bedoeld in artikel 12a, derde lid, of om een situatie van huiselijk geweld of kindermishandeling te beëindigen dan wel een redelijk vermoeden daarvan te onderzoeken. 5. Voor de verstrekking van een afschrift kan een vergoeding worden gevraagd overeenkomstig de krachtens artikel 39 van de Wet bescherming persoonsgegevens gestelde regels. Artikel 12g 1. Onverminderd het bij of krachtens de wet bepaalde, verstrekt een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling aan anderen dan de betrokkene geen inlichtingen over de betrokkene, dan wel inzage in of afschrift van het dossier dan met toestemming van de betrokkene. “Ingevolge het eerste lid mag een AMHK aan anderen dan de betrokkene geen inlichtingen over, inzage in of afschrift van bescheiden met betrekking tot de betrokkene verstrekken, dan met toestemming van die betrokkene. In beginsel geldt hier de algemene norm van artikel 5 van de Wbp, die bepaalt dat indien de betrokkene de leeftijd van 16 jaren nog niet heeft bereikt, in plaats van de toestemming van deze jeugdige de toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger is vereist.” Blz. 208 2. Indien de betrokkene minderjarig is, is in plaats van diens toestemming de toestemming van zijn wettelijke vertegenwoordiger vereist, indien hij: a. jonger is dan twaalf jaar, of b. de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. “Ook met betrekking tot het toestemmingsvereiste achten wij voor het AMHK een onderscheid naar leeftijden, overeenkomstig de in artikel 12f, tweede lid, onderscheiden categorieën, gewenst. Hiermee wordt tevens aangesloten bij de regeling van artikel 7:465 (j° artikel 7:457) BW inzake de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Daarom wordt voorgesteld dat in plaats van de toestemming van de jeugdige die van zijn wettelijke vertegenwoordiger is vereist, indien de jeugdige: a. jonger is dan twaalf jaren, of b. minderjarig is en de leeftijd van twaalf jaren heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake.” 3. Onder anderen dan de betrokkene zijn niet begrepen degenen van wie beroepshalve de medewerking vereist is bij de uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 12a, derde lid, door het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling. “Het derde lid beoogt te voorkomen dat de bescherming van de privacy van de betrokkene de uitvoering van de taken van het AMHK frustreert. Voor de volledigheid zij vermeld dat in artikel 7.3.11, derde lid, van de Jeugdwet een vergelijkbare regeling is getroffen voor jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. Daarbij is ook geregeld dat inlichtingen over de betrokkene en inzage of afschrift van het dossier verstrekt kan worden aan onder andere degenen die rechtstreeks betrokken zijn bij de uitvoering van de taken van het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling, voor zover de verstrekking noodzakelijk is voor de door hen in dat kader te verrichten werkzaamheden.” Blz. 209 4. Bij regeling van Onze Minister, voor zover nodig in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie, kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling gegevens verwerkt en over de uitwisseling van gegevens tussen advies- en meldpunten huiselijk geweld en kindermishandeling onderling en met de raad voor de kinderbescherming, jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen als bedoeld in artikel 1 van de Jeugdwet. “Wanneer sprake is van kindermishandeling kan jeugdhulp geboden zijn. De verlening van jeugdhulp kan een complex samenspel zijn waarbij meerdere jeugdhulpverleners betrokken zijn. Wanneer de jeugdhulpverleners op dezelfde manier met elkaar communiceren, door zowel inhoudelijk als vormtechnisch dezelfde taal spreken, bevordert dat het goede onderlinge begrip. Hier vierde lid biedt daarom een grondslag om bij ministeriële regeling regels te stellen over de wijze waarop het AMHK gegevens verwerkt en uitwisselt met andere AMHK’s, jeugdhulpaanbieders en gecertificeerde instellingen. Ten aanzien van die laatste twee categorieën is een vergelijkbare bepaling opgenomen in artikel 7.3.11, vierde lid, van de Jeugdwet.” Blz. 209 Ja 79 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 80. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 80 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise80 11.2 - C Artikel 12h Artikel 7.3.12 van de Jeugdwet is van overeenkomstige toepassing op het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling, met dien verstande dat in het eerste lid voor “artikel 7.3.11, eerste lid,” wordt gelezen “artikel 12g, eerste lid,”. “Door artikel 7.3.12 van de Jeugdwet van overeenkomstige toepassing te verklaren, wordt het mogelijk om ten behoeve van statistiek of wetenschappelijk onderzoek jeugdsectorbreed, met inbegrip van het AMHK, gegevens te verzamelen. Dit betekent dat voor het verstrekken van inlichtingen of dossiergegevens over de betrokkene voor dergelijke onderzoeksdoeleinden diens toestemming niet nodig is indien sprake is van een van de beide in het artikel omschreven gevallen; overigens kan een uitdrukkelijk bezwaar van de betrokkene tegen de verstrekking die verstrekken alsnog blokkeren.” Blz. 209 1. Gemeenten Nee 27. Benut bestaande expertise over Wmo beleidspla n en het AMHK Artikel 12i 1. Onverminderd artikel 12j bewaart het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling het dossier die deze met betrekking tot een betrokkene onder zich heeft gedurende vijftien jaar, te rekenen van het tijdstip van ontvangst of waarop zij door het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling is vervaardigd, of zoveel langer als redelijkerwijs in verband met een zorgvuldige uitvoering van de taken, bedoeld in artikel 12a, derde lid, noodzakelijk is. “Dit artikel is ontleend aan artikel 7:454, derde lid, BW en de artikelen 55, eerste lid, en 56 Wjz en regelt hoelang een dossier bewaard moet blijven. De bewaartermijn is gesteld op vijftien jaar.” Blz. 209 - 210 2. Het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling bewaart het dossier tot het jongste kind van het gezin waartoe de betrokkene behoort en met welk gezin het advies- en meldpunt bemoeienis heeft gehad, meerderjarig is geworden, een en ander voor zover aannemelijk gemaakt kan worden dat het bewaren een bijdrage kan leveren aan het beëindigen van een mogelijke situatie van kindermishandeling, of van belang kan zijn voor een situatie waarin een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te worden. “Voor het AMHK geldt dat zij het dossier bewaart tot het jongste kind van het gezin waartoe de betrokkene behoort en met welk gezin het AMHK bemoeienis heeft gehad, meerderjarig is geworden; een en ander voor zover aannemelijk gemaakt kan worden dat het bewaren een bijdrage kan leveren aan het beëindigen van een mogelijke situatie van kindermishandeling, of van belang kan zijn voor een situatie waarin een maatregel met betrekking tot het gezag over een minderjarige overwogen dient te worden.” Blz. 210 Artikel 12j 1. Het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling vernietigt het door hem bewaarde dossier binnen drie maanden na een daartoe strekkend schriftelijk verzoek van degene op wie het dossier betrekking heeft. Op grond van deze bepaling heeft de betrokkene zeggenschap over een verkorting of verlenging van de bewaartermijn inzake zijn dossier. Hij kan de bewaartermijn verkorten door de het AMHK te verzoeken (een deel van) het dossier te vernietigen. Mede gezien de bewijsrechtelijke consequenties, ligt het voor de hand dat het AMHK een verzoek omtrent vernietiging schriftelijk vastlegt; hiermee kan hij voorkomen dat hij in een later stadium aansprakelijk wordt gesteld wegens het niet voldoen aan zijn dossierplicht. Blz. 210 2. Het eerste lid geldt niet voor zover het verzoek bescheiden betreft waarvan redelijkerwijs aannemelijk is dat de bewaring van aanmerkelijk belang is voor een ander dan de verzoeker alsmede voor zover het bepaalde bij of krachtens de wet zich tegen vernietiging verzet. 3. Het verzoek wordt niet ingewilligd indien het gedaan is door iemand die: a. jonger is dan twaalf jaar, of b. minderjarig is en de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en niet in staat kan worden geacht tot een redelijke waardering van zijn belangen ter zake. 4. In de gevallen, bedoeld in het derde lid, kan het verzoek door een wettelijke vertegenwoordiger worden gedaan. Artikel 12k Hetgeen in de artikelen 4.1.1, 4.1.3, 4.1.4, 4.1.5, 4.1.7 tot en met 4.2.3, 4.3.1 en 4.3.2 van de Jeugdwet is bepaald ten aanzien van de jeugdhulpaanbieder, bedoeld in artikel 1.1 van die wet, en de verlening van hulp is van overeenkomstige toepassing op het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling en de uitvoering van de taken als bedoeld in artikel 12a, tweede en derde lid. “Dit artikel verklaart een reeks artikelen uit de Jeugdwet van overeenkomstige toepassing op het AMHK. De van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen zien achtereenvolgens op: - 4.1.1: verantwoorde hulp, - 4.1.3: kwaliteitssysteem, - 4.1.4: delegatiegrondslag voor nadere regels over verantwoorde hulp (de inschakeling van geregistreerde professionals en goed bestuur), - 4.1.5: verklaring omtrent het gedrag, - 4.1.7: meldplicht calamiteiten en geweld, - 4.1.8: vertrouwenspersoon, - 4.2.1 tot en met 4.2.3: klachtrecht, - 4.3.1 en 4.3.2: maatschappelijke verantwoording." Blz. 210-211 Artikel 12l De artikelen 7.2.1 tot en met 7.2.6 van de Jeugdwet zijn van overeenkomstige toepassing op het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling, met dien verstande dat voor “jeugdige” respectievelijk “jeugdhulpaanbieder” of “gecertificeerde instelling” steeds wordt gelezen “betrokkene” respectievelijk “advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling”. “Dit artikel verklaart de artikelen 7.2.1 tot en met 7.2.8 van de Jeugdwet, over het verplichte gebruik van het bsn van overeenkomstige toepassing op het AMHK. Door het bsn te gebruiken wordt gewaarborgd dat de persoonsgegevens die in het kader van de uitvoering van de wet worden verwerkt, betrekking hebben op de juiste persoon.” Blz. 211 80 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 81. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 81 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 11.2 – C Artikel 12m 1. Het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling verstrekt kosteloos gegevens aan het college van burgemeester en wethouders, Onze Minister en aan Onze Minister van Veiligheid en Justitie, ten behoeve van de verwerking, bedoeld in artikel 7.4.1, eerste en tweede lid, van de Jeugdwet. Deze verstrekking kan zowel een structureel als incidenteel karakter hebben. “In hoofdstuk 7, paragraaf 4, van de Jeugdwet is geregeld dat gegevens over jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen, jeugdreclassering en advies- en meldpunten huiselijk geweld en kindermishandeling door betrokken partijen verstrekt dienen te worden aan Onze Ministers en aan het college van de betrokken gemeente. Op basis hiervan verkrijgt het Rijk vanwege de stelselverantwoordelijkheid inzicht in het functioneren van het jeugdstelsel. Daarnaast heeft het college zodoende inzicht in de doelmatigheid en doeltreffendheid van het gevoerde beleid. Omdat het AMHK een belangrijke onderdeel uitmaakt van het jeugdstelsel, regelt artikel 12m, eerste en tweede lid, dat ook het AMHK kosteloos de benodigde gegevens dient te verstrekken aan het college en aan beide ministers. Analoog aan de delegatiegrondslag in artikel 7.4.5 van de Jeugdwet wordt in het derde en vierde een grondslag gegeven om bij amvb regels te stellen over de inhoud van de te verstrekken gegevens en de wijze van aanlevering.” Blz. 211 1. Gemeenten Nee 28. Benut bestaande expertise over Wmo beleidsplan en AMHK 2. Op de in het eerste lid bedoelde gegevens is artikel 7.4.4 van de Jeugdwet van overeenkomstige toepassing. 3. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de inhoud van de in het eerste lid bedoelde gegevens, de wijze waarop de verstrekking plaatsvindt en de tijdvakken waarop de gegevens betrekking hebben. In die maatregel worden tevens geregeld de termijnen waarbinnen of de tijdstippen waarop de gegevens verstrekt dienen te worden. 4. Bij of krachtens de in het derde lid bedoelde maatregel kan worden bepaald dat het advies- en meldpunt de in het eerste lid bedoelde gegevens op een bij of krachtens die maatregel aangewezen wijze bij Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie of een door hen aan te wijzen instantie indient. Artikel 12n Hetgeen in de artikelen 8.3.1 en 8.3.2 van de Jeugdwet is bepaald ten aanzien van de jeugdhulpaanbieder, bedoeld in artikel 1 van die wet, is van overeenkomstige toepassing op het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling. “De bepalingen uit de Jeugdwet over het vaststellen van de begroting, de balans en de resultatenrekening, zijn van overeenkomstige toepassing op het AMHK.” Blz. 211 Artikel 12o 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde omtrent het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling zijn belast de door Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie aangewezen ambtenaren. “In verband met de adviestaak en de verwerking van meldingen over vermoedens en gevallen van kindermishandeling vormt het AMHK een belangrijk onderdeel van het door de Jeugdwet geregelde jeugdstelsel. Daarom zal de in de Jeugdwet ingestelde IJZ ook de kwaliteit in algemene zin van het AMHK onderzoeken, zie artikel 9.1 van de Jeugdwet. Daarnaast zal het toezicht op de naleving van deze wet zal, net als bij de Jeugdwet, geschieden door zowel de IJZ als de IGZ. De onderhavige bepaling biedt de grondslag om door Onze Ministers van VWS en VenJ de daarmee belaste ambtenaren aan te wijzen.” Blz. 211 2. De met het toezicht belaste ambtenaren zijn, voor zover dat voor de vervulling van hun taak noodzakelijk is en in afwijking van artikel 5:20, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, bevoegd tot inzage van de dossiers. Voor zover de betrokken beroepsbeoefenaar uit hoofde van zijn beroep tot geheimhouding van het dossier verplicht is, geldt gelijke verplichting voor de betrokken ambtenaar. Voor haar toezichthoudende taak dient de inspectie toegang te hebben tot de dossiers wanneer dat noodzakelijk is. Blz. 211 Artikel 12p 1. Indien Onze Minister of Onze Minister van Veiligheid en Justitie van oordeel is dat een advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling deze wet of de daarop berustende bepalingen niet of in onvoldoende mate of op onjuiste wijze naleeft, kan hij het advies- en meldpunt een schriftelijke aanwijzing geven. “Wanneer uit onderzoek door de inspectie, of anderszins, blijkt dat een AMHK de wet niet of niet goed naleeft, kunnen Onze Ministers van VWS en VenJ het AMHK een schriftelijke aanwijzing geven. Daarin wordt gemotiveerd aangegeven welke maatregelen het AMHK dient te nemen en binnen welke termijn. Wanneer met het oog op de veiligheid of de gezondheid haast is geboden, kan de met het toezicht belaste ambtenaar een schriftelijk bevel geven. Dit bevel geldt voor zeven dagen. Indien nodig kan deze termijn door Onze Ministers van VWS en VenJ worden verlengd; deze bevoegdheid kan overigens niet gemandateerd worden aan een met het toezicht belaste ambtenaar.” Blz. 212 2. In de aanwijzing geeft Onze Minister die het aangaat met redenen omkleed aan welke maatregelen het advies- en meldpunt moet nemen met het oog op de naleving van het bepaalde bij of krachtens deze wet. 3. De aanwijzing bevat de termijn waarbinnen het advies- en meldpunt eraan moeten voldoen. 4. Indien het nemen van maatregelen in verband met gevaar voor de veiligheid of de gezondheid redelijkerwijs geen uitstel kan lijden, kan de ingevolge artikel 12o, eerste lid, met het toezicht belaste ambtenaar een schriftelijk bevel geven. Het bevel heeft een geldigheidsduur van zeven dagen, welke door Onze Minister of Onze Minister van Veiligheid en Justitie kan worden verlengd. 5. Het advies- en meldpunt is verplicht binnen de daarbij gestelde termijn aan de aanwijzing onderscheidenlijk onmiddellijk aan het bevel te voldoen. 6. Mandaat tot het verlengen van de geldigheidsduur van een bevel wordt niet verleend aan een met het toezicht belaste ambtenaar. 7. Indien een organisatie van beoefenaren van een beroep in het jeugddomein een systeem van tuchtrecht heeft georganiseerd, zijn de ingevolge artikel 12o met het toezicht belaste ambtenaren bevoegd in het kader van dat systeem een tuchtklacht in te dienen. Bij algemene maatregel van bestuur worden daarover nadere regels worden gesteld. Artikel 12q Hetgeen in de artikelen 9.4 en 9.5 van de Jeugdwet is bepaald ten aanzien van de bevoegdheden van Onze Minister en Onze Minister van Veiligheid en Justitie jegens de jeugdhulpaanbieder, bedoeld in artikel 1 van die wet, is van overeenkomstige toepassing jegens het advies- en meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling. “De bevoegdheden voor Onze Ministers van VWS en VenJ om jegens jeugdhulpaanbieders handhavend op te treden op grond van de Jeugdwet, zijn van overeenkomstige toepassing jegens het AMHK”.
  • 82. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 82 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 11.2 Zorgverzekeringswet Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise 11.3 - A Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het derde lid komt te luiden: 3. De zorgverzekeraar draagt er zorg voor dat zijn modelovereenkomst aansluit bij de afspraken, bedoeld in artikel 2.6, derde lid, van de Jeugdwet. “De ondersteuning en hulp aan jeugdigen met een psychische stoornis zullen niet langer onder de Zvw vallen, maar de gemeente wordt hiervoor ingevolge het onderhavige wetsvoorstel verantwoordelijk. Ook draagt zij zorg voor de beoordeling of en welke ondersteuning en hulp de jeugdige nodig heeft. Om deze reden, is deze bepaling in de Zvw niet langer van toepassing en vervalt derhalve.” Blz. 212 / Nee 2. Het vierde en vijfde lid komen te vervallen. 11.3 - B Artikel 86 wordt als volgt gewijzigd: 1. Het vierde lid komt te luiden: 4. Bij gegevensuitwisseling tussen de zorgverzekeraars en de in de artikelen 88 en 89 genoemde personen en instanties wordt, voor zover die personen en instanties tot gebruik van dat nummer bevoegd zijn, het burgerservicenummer of, bij het ontbreken daarvan, het sociaal-fiscaalnummer gebruikt. “In artikel 86 wordt bureau jeugdzorg genoemd als één van de partijen die bij de uitwisseling van gegevens het bsn moeten gebruiken. Nu bureau jeugdzorg niet langer een wettelijke basis heeft in het onderhavige wetsvoorstel, is ook deze bepaling gewijzigd. De gemeente wordt met dit wetsvoorstel ook verantwoordelijk voor de zorg voor jeugdigen met psychische problemen en stoornissen. In het systeem van de Zvw worden de inhoud en de omvang van de te verzekeren prestaties niet op wetsniveau maar in het Besluit zorgverzekering geregeld. Dit besluit zal aangepast worden bij de amvb ingevolge de Jeugdwet.” Blz. 213 2. In het negende lid komt de zinsnede “, van stichtingen als bedoeld in artikel 14, derde lid,” te vervallen. 11.3 Wet marktordening gezondheidzorg Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 11.4 Aan artikel 2 wordt een lid toegevoegd, luidende: 4. Op jeugdhulpaanbieders als bedoeld in artikel 1 van de Jeugdwet is deze wet niet van toepassing. “De Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) kent een vrij brede definitie van ‘zorg’. Voor bepaalde vormen van zorg in de zin van de Wmg geldt dit vormen van jeugdhulp zijn in de zin van het onderhavige wetsvoorstel. Met deze wijziging wordt aan artikel 2 van de Wmg een lid toegevoegd, waardoor de Wmg niet van toepassing is op jeugdhulpaanbieders. Overigens wordt hiermee niet uitgesloten dat een jeugdhulpaanbieder daarnaast ook zorgaanbieder is in de zin van de Wmg; voor zover het geen jeugdhulp betreft, maar wel zorg in de zin van de Wmg, is die laatste wet vanzelfsprekend wel van toepassing.” Blz. 213 / Nee 11.4 Burgerlijk wetboek Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 11.5 1. In de artikelen 241, tweede lid, 241a, 254, eerste lid, 271, vierde lid, 272, eerste lid, 302, eerste lid, 305, tweede lid, 306, eerste lid, wordt "een stichting als bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg" telkens vervangen door: een gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet. Dit betreffen technische aanpassingen van het BW als gevolg van het verdwijnen van de stichting die een bureau jeugdzorg in stand houdt. Blz. 2013 / Nee 2. In de artikelen 253, vijfde en zesde lid, 256, tweede, derde en vierde lid, 258, derde lid, 259, tweede lid, 260, eerste en vierde lid, 261, eerste lid, 262, eerste en tweede lid, 263, eerste en tweede lid, 263a, eerste en tweede lid, 263b, eerste en tweede lid, 264, 265, vierde lid, 269, eerste lid, onderdeel d, 283, 304, eerste lid, wordt "de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg" telkens vervangen door: de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet. 3. In de artikelen 257, eerste en vierde lid, 258, eerste lid, 260, tweede lid, 263, eerste en derde lid, 265, tweede lid, 305 eerste lid, wordt “De stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg” telkens vervangen door: De gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet. In artikel 238, vijfde lid, wordt ‘voor zover het de samenwerking met de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, betreft’ vervangen door: voor zover het de samenwerking met de gecertificeerde instellingen, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, betreft. Artikel 254 wordt als volgt gewijzigd. 1. Het vijfde lid, eerste volzin, komt te luiden: Op verzoek van de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet, dan wel op verzoek een ouder of de minderjarige van twaalf jaar of ouder, kan de kinderrechter de gecertificeerde instelling die het toezicht heeft, vervangen door een andere gecertificeerde instelling. 2. Het zesde lid, laatste volzin, komt te luiden: In geval van vervanging op de voet van het vijfde lid van de in het tweede lid bedoelde rechtspersoon, wordt de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1, van de Jeugdwet benoemd.
  • 83. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 83 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 11.5 Wetboek van strafrecht Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise 11.6 - A In artikel 77f, eerste lid, wordt “stichting als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de jeugdzorg” vervangen door: gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. “De artikelen uit het Wetboek van Strafrecht die wijziging ondergaan maken alle deel uit van de bijzondere bepalingen voor jeugdige personen. Deze bepalingen markeren telkens de betrokkenheid van een gecertificeerde reclasseringsinstelling bij de tenuitvoerlegging van straffen en maatregelen die aan jeugdigen en jongvolwassenen worden opgelegd. Ook is voorzien in het toezicht door de raad voor de kinderbescherming op de werkzaamheden van de jeugdreclassering en worden de bestaande bevoegdheden tot het geven van aanwijzigen gehandhaafd. Blz. 213 / Nee 11.6 - B In artikel 77o, eerste lid, wordt “De raad voor de kinderbescherming is bevoegd aanwijzingen te geven aan de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg, wanneer het de tenuitvoerlegging van een taakstraf door de stichting, bedoeld in artikel 1, onder f, van de Wet op de jeugdzorg betreft.” vervangen door: De raad voor de kinderbescherming is bevoegd aanwijzingen te geven wanneer het de tenuitvoerlegging van een taakstraf door die instelling betreft. “Onderdeel B hangt samen met de uitvoering van taakstraffen door de raad voor de kinderbescherming.” Blz. 213 11.6 - C Artikel 77w wordt als volgt gewijzigd. 1. In het tiende lid, eerste volzin, wordt “De stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg” vervangen door: De gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. De onderdelen C en D ten slotte zien op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (GBM; artikel 77w tot en met 77wd Sr). De wijzigingen in onderdeel C zijn daarbij redactioneel van aard. De wijzigingen in onderdeel D verduidelijken dat ook in het nieuwe stelsel vormen van jeugdhulp onderdeel van het programma van de GBM kunnen deel uitmaken. Blz. 214 2. In het tiende lid, tweede en derde volzin, wordt “stichting” telkens vervangen door: gecertificeerde instelling. 11 6 - D Artikel 77wa komt te luiden: 1. De rechter kan bepalen dat het in artikel 77w, derde lid, bedoelde programma geheel of ten dele komt te bestaan uit een vorm van jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. 2. Indien de rechter toepassing heeft gegeven aan het bepaalde in het eerste lid, doet de raad daarvan onverwijld mededeling aan de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. 11.6 Artikel 77ta wordt als volgt gewijzigd: 1. In het eerste lid wordt de zinsnede “het toezicht door de stichting, bedoeld in artikel 1, van de Wet op de jeugdzorg” vervangen door: het toezicht door de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Geen toelichting beschikbaar 2. In het tweede lid wordt “de stichting” vervangen door: de gecertificeerde instelling. Artikel 77z, vierde lid, komt te luiden: 4. De voorwaarden in het tweede lid, onderdelen 10°, 11° of 15° en de gedragsinterventie, bedoeld in het tweede lid, onderdeel 13°, kunnen geheel of ten dele bestaan uit van jeugdhulp als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. Artikel 77aa wordt als volgt gewijzigd: 1. In het tweede lid, eerste volzin en in het derde lid wordt “stichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg” telkens vervangen door: gecertificeerde instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. 2. In het tweede lid, tweede volzin, wordt “stichting” vervangen door: gecertificeerde instelling. Artikel 77hh 1. In het eerste lid wordt “de stichting, bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet op de jeugdzorg” vervangen door: de gecertificeerde instelling, bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. 2. In het tweede lid wordt “de stichting”, vervangen door: de gecertificeerde instelling.
  • 84. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 84 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 11.6 Wet op de jeugdzorg Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise 11.7 1. De Wet op de jeugdzorg wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de financiële verantwoording, vaststelling en uitbetaling van op grond van die wet verleende subsidies en uitkeringen. Met het onderhavige artikel wordt de Wjz ingetrokken. Voor de afrekening van subsidies van de voorgaande jaren zal die wet van toepassing moeten blijven. Dat is geregeld in het eerste lid. Het voorgestelde tweede lid strekt er toe dat procedures en rechtsgedingen tegen besluiten die op grond van de Wjz zijn genomen of nog te starten procedures tegen besluiten op grond van die wet, ook na intrekking van die wet worden behandeld conform de Wjz. Blz. 214 / Nee 2. In wettelijke procedures en rechtsgedingen tegen besluiten die op grond van de Wet op de jeugdzorg zijn genomen, dan wel op tegen deze besluiten in te stellen of ingestelde beroepen, blijven, zowel in eerste aanleg als in verdere instantie, de regels van toepassing, die golden voor de intrekking van die wet. 11.7 Wet publieke gezondheid Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise 11.8 Artikel 1, onderdeel d, van de Wet publieke gezondheid komt te luiden: 1. jeugdgezondheidszorg: de publieke gezondheidszorg, waarbij een landelijk preventief gezondheidszorgpakket actief wordt aangeboden aan alle jeugdigen tot 18 jaar; Geen toelichting beschikbaar / Nee
  • 85. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 85 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 12. Slotbepalingen 12.1 Algemeen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise 12.1 1. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen met het oog op een doelmatigere en doeltreffendere uitvoering van deze wet, waarbij een optimale samenhangende uitvoering van het vrijwillige en het gedwongen kader voorop staat, regels worden gesteld voor een periode van ten hoogste drie jaar ten behoeve van experimenten, waarbij afgeweken kan worden van artikel 3.2, tweede lid. “Een soepele verbinding tussen het vrijwillig en gedwongen kader moet er voor zorgen dat gezinnen sneller en effectiever (integraal) geholpen kunnen worden, waardoor een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering effectief kan worden ingezet, korter kan duren en beter kan aansluiten op het vrijwillige kader en de structuren die er (al) rond een kind en het gezin zijn. Dit is ook de reden dat de gemeenten in de onderhavige wet ook verantwoordelijk worden voor de uitvoering van het gedwongen kader. In artikel 3.2, tweede lid, is opgenomen dat de gecertificeerde instelling die jeugdbescherming of jeugdreclassering uitvoert zelf geen jeugdhulp mag bieden. In het stelsel onder de Wjz bood bureau jeugdzorg (buiten licht ambulante trajecten) zelf ook geen jeugdzorg aan, maar werden cliënten doorgeleid naar passende hulp. Wel waren er landelijk werkende instellingen (zoals de William Schrikker Groep en het Leger des Heils) die zowel kinderbeschermingsmaatregelen uitvoeren als jeugdzorg aanboden. In het onderhavige wetsvoorstel is deze mogelijkheid uitgesloten. De achterliggende gedachte hierachter is dat dit zou kunnen leiden tot belangenverstrengeling, omdat de (gezins)voogdijwerker en de jeugdreclasseerder dan jeugdhulp van de eigen organisatie kunnen inschakelen. Om de ontwikkeling van vernieuwende organisatie- en werkvormen, waarbij de gecertificeerde instelling zelf ook jeugdhulp verleent, niet te frustreren, kan het nodig zijn om van dit verbod af te wijken. In het onderhavige artikel is daarom de mogelijkheid opgenomen om bij amvb in het kader van een experiment af te wijken van artikel 3.2, tweede lid. Bij deze amvb moeten de voorwaarden waaronder van artikel 3.2, tweede lid, kan worden afgeweken worden aangegeven en het doel dat met het experiment wordt beoogd. Deze voorwaarden kunnen voorkomen dat de hierboven genoemde belangenverstrengeling plaatsvindt.” Blz. 215 / Ja 2. In een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid worden in ieder geval de voorwaarden voor het experiment bepaald en tevens welk resultaat met het experiment wordt beoogd. 3. Onze Ministers zenden drie maanden voor het einde van de werkingsduur van een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het eerste lid aan de beide kamers der Staten-Generaal een verslag over de doelmatigheid en doeltreffendheid van het experiment, alsmede een standpunt inzake de voortzetting van die maatregel, anders dan als experiment. 4. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen experimenten als bedoeld in het eerste lid na afloop van de looptijd worden voortgezet tot een structurele voorziening is getroffen, doch niet langer dan met een tijdsduur van ten hoogste twee jaar. 12.2 Onze Ministers zenden binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de wet aan de Staten- Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk. “Binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van deze wet zenden de Ministers van VWS en VenJ aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en doelmatigheid van deze wet in de praktijk.” Blz. 215 / Nee 12.3 Voor de plaatsing van deze wet in het Staatsblad stelt Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met Onze Minister van Veiligheid en Justitie, de nummering van de hoofdstukken, paragrafen en artikelen van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de hoofdstukken, paragrafen en artikelen met de nieuwe nummering in overeenstemming. Geen toelichting beschikbaar /
  • 86. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 86 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013 12.2 Beleidsplan vaststellen voor 1 november 2014 + resultaten tevredenheid jeugdigen / ouders voor 1 november 2016 publiceren Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB Denk hierbij aan / bestaande expertise81 12.4 1. Het college en de gemeenteraad bereiden zich tijdig en adequaat voor op hetgeen waarvoor zij verantwoordelijk zijn vanaf het moment dat de bepalingen van deze wet in werking treden, en waarborgen daarbij in het bijzonder: a. de continuïteit van de verlening van jeugdhulp, de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering; b. de infrastructuur die noodzakelijk is om jeugdigen en ouders de continuïteit, bedoeld in onderdeel a, te kunnen bieden; c. een beperking van de frictiekosten, en d. het functioneren van advies- en meldpunten voor huiselijk geweld en kindermishandeling. Het bepaalde in artikel 12.4 ziet op de verantwoordelijkheid van de gemeente om zich tijdig en adequaat voor te bereiden op hun nieuwe verantwoordelijkheden op grond van deze wet teneinde een verantwoorde decentralisatie van de jeugdhulp mogelijk te maken. Blz. 215 1. Gemeenten Nee 2. De gemeenteraad stelt het beleidsplan, bedoeld in artikel 2.2, en de verordening, bedoeld in artikel 2.8, vast voor 1 november van het kalenderjaar waarin dit artikel in werking treedt. 12.5 Het college publiceert voor het eerst voor 1 juli van het tweede kalenderjaar na het kalenderjaar waarin deze wet in werking is getreden, de uitkomsten van het in artikel 2.9 juncto artikel 9, eerste lid, onder a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning bedoelde onderzoek en verstrekt gelijktijdig de in artikel 7.4.2 juncto 7.4.1, eerste lid, bedoelde gegevens aan Onze Ministers. Om misverstanden te voorkomen, legt dit artikel vast dat de uitkomsten van het eerste door de gemeente uit te voeren onderzoek naar de tevredenheid van jeugdigen en ouders over de uitvoering van de wet, voor 1 juli 2016 zullen moeten worden gepubliceerd. En dit geldt ook voor de aan de Ministers van VWS en VenJ te verstrekken beleidsinformatie als bedoeld in artikel 7.4.1, eerste lid, in verband met hun stelselverantwoordelijkheid. Blz. 216 12.3 Rekening houden met in werking treding van sommige artikelen Wat zegt de wettekst? Wat zegt de memorie van toelichting? Actie gevraagd door? Mogelijk AMVB? Denk hierbij aan / bestaande expertise 12.6 De artikelen 2.2, 2.8, 2.12, 3.3, 10.4, 10.5, 10.6 en 12.4 treden in werking op de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. De overige artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld. “Dit artikel regelt dat een aantal artikelen in de wet eerder in werking treden dan de rest van de wet. Het gaat daarbij allereerst om de artikelen 2.2 en 2.8, die bepalen dat de gemeente een beleidsplan en een verordening dienen te maken. Nu artikel 12.4, tweede lid, regelt dat dit plan en de verordening voor 1 november voorafgaand aan de inwerkingtreding van het nieuwe jeugdstelsel moeten zijn vastgesteld, moeten ook de betreffende artikelen die zien op dit plan en deze verordening eerder in werking treden. Verder treden de artikelen 2.12 en 12.4 direct na publicatie in werking. De combinatie van deze beide artikelen, maakt het mogelijk dat onze ministers een aanwijzing kunnen geven indien er sprake zou zijn van een ernstige tekortkoming in de voorbereiding van de decentralisatie van de jeugdhulp. Verder betreft het artikel 3.3, waarin is bepaald dat de certificerende instelling certificaten kan verstrekken voor de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering kunnen uitsluitend worden uitgevoerd door een door de gemeente gecontracteerde of gesubsidieerde gecertificeerde instelling. Dit bekent dat er al (ruim) voor inwerkingtreding van de wet gecertificeerde instellingen moeten zijn waarmee de gemeente een contract kan afsluiten of een subsidierelatie kan aangaan. Er moet dus in worden voorzien dat certificaten al ruim voor inwerkingtreding van de rest van de wet kunnen worden aangevraagd. Deze bepaling treedt daarom direct in werking op de dag na publicatie van de onderhavige wet. Ook is het noodzakelijk dat de gemeente reeds in een vroeg stadium beschikt over de gegevens van alle jeugdigen en hun ouders die voor inwerkingtreding van de onderhavige wet al een vorm van jeugdhulp ontvangen op een andere grondslag. De eenmalige overdracht van een aantal essentiële gegevens aan de gemeente vanuit de bureaus jeugdzorg, het indicatieorgaan van de AWBZ (het CIZ) en de beroepsbeoefenaar, bedoeld in artikel 9b, vijfde lid, van de AWBZ, zal daarom ook al eerder mogelijk moeten zijn. De gemeente kan zich hierdoor gedegen voorbereiden op haar taak door middel van de inkoop van de juiste vormen van ondersteuning, hulp en zorg en kan de jeugdigen en hun ouders waarvan de aanspraak ingevolge de ‘oude’ wetgeving afloopt na inwerkingtreding van deze wet, actief benaderen met de vraag of voortzetting van de ondersteuning, hulp of zorg gewenst of noodzakelijk is. Ook de artikelen 10.4 tot en met 10.6 zullen daarom de dag na plaatsing in het Staatsblad in werking treden.” Blz. 217 1. Gemeenten 2. Jeugdhulpaanbieders 3. Gecertificeerde instellingen Nee 12.7 Deze wet wordt aangehaald als: Jeugdwet. Geen toelichting beschikbaar 81 Wat zijn uw tips bij de verdere uitwerking van de wetsartikelen? Stuur uw aanvullingen naar fawzi.salih@K2.nl.
  • 87. Checklist Jeugdwet K2 Brabants Kenniscentrum Jeugd 87 Bijgewerkt tot 15 augustus 2013