Lees mijn artikel: Basisvereisten crisismanagement in het juiste perspectief (vanaf pagina 34)
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×
 

Lees mijn artikel: Basisvereisten crisismanagement in het juiste perspectief (vanaf pagina 34)

on

  • 481 views

Dit artikel in het Magazine Nationale Veiligheid en Crisisbeheersing van maart 2008 is een reactie op de kanttekeningen die Ira Helsloot en Bart Boon plaatsen bij de basisvereisten crisismanagement in ...

Dit artikel in het Magazine Nationale Veiligheid en Crisisbeheersing van maart 2008 is een reactie op de kanttekeningen die Ira Helsloot en Bart Boon plaatsen bij de basisvereisten crisismanagement in het Magazine Nationale Veiligheid en Crisisbeheersing van februari 2008.

Statistics

Views

Total Views
481
Views on SlideShare
481
Embed Views
0

Actions

Likes
0
Downloads
1
Comments
0

0 Embeds 0

No embeds

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

Lees mijn artikel: Basisvereisten crisismanagement in het juiste perspectief (vanaf pagina 34) Lees mijn artikel: Basisvereisten crisismanagement in het juiste perspectief (vanaf pagina 34) Document Transcript

  • jaargang 1nummer 3maart 2008Internationale conferentienationale veiligheidMinister Van Middelkoop overstrategische verkenningen DefensieReacties op kanttekeningenbasisvereisten crisismanagementOpslag landbouwzaden Spitsbergengarantie voedselvoorziening
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 20082InhoudThema: Conferentie National Safety & Security 28-29 januari 2008• Voorwoord door Bruce Mann (Cabinet Office) en Dick Schoof (DG Veiligheid) 3• Van need to know naar need to share (openingstoespraak minister Ter Horst) 4• DG Bertolaso (Protezione Civile): Nationale veiligheid: een uitdaging voor internationale samenwerking? 6• Peter de Wit (president Shell Nederland): Veiligheid en het belang van proportionaliteit en samenwerking 10• Nieuwe uitdagingen voor het Verenigd Koninkrijk op veiligheidsgebied (Ian Kearns/Katie Paintin) 14• Crises in de 21eeeuw: schreeuwende behoefte aan een nieuwe kosmologie (Patrick Lagadec) 17• Risicomanagement in het bedrijfsleven 20• Workshop risicoanalyse 22• Nationale Risicobeoordeling: de Nederlandse aanpak 24• Bescherming vitale infrastructuur: de Europese aanpak 28• Workshop: Hoe kunnen we bedreigingen het hoofd bieden? 30• Workshop: Met welke bedreigingen moeten we rekening houden? (foresight) 31• Samenvatting en slotconclusies 33Reacties op kanttekeningen basisvereisten crisismanagement vanuitprogrammabureau Veiligheidsregio, Inspectie OOV en naschrift Boon/Helsloot 34Besluit veiligheidsregio’s in consultatie 37Resultaten Denk Vooruit campagne leiden tot nieuwe strategie 38Internationale opslag landbouwzaden op Spitsbergen 40Waar beveiliging het hardst nodig is, verdient beleid aanscherping 42Overheidsinzet digitale criminaliteit niet onderschatten 44Oefening Civil Rhino: civiel-militaire samenwerking bij grootschalige evacuatie 46Mijn Mening: Burgerparticipatie en zelfzedzaamheid – what’s in it for burgers? 50Vier vragen aan minister Van Middelkoop over strategische verkenningen Defensie 52En verder:De Staat van het Klimaat 2007 48VS en Nederland samen in crisisbeheersing 48Voorbereiding op rampen verbetert, maar tempo moet omhoog 49Dreigingsniveau in Nederland verhoogd naar substantieel 49Conferentie “Risk meets Crisis” 51Het Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing is een maandelijkse uitgave van de directieCrisisbeheersing van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en verschijntelf maal per jaar. Het blad informeert, signaleert en biedt een platform aan bestuurders en professionalsover beleidsontwikkeling, innovatie, uitvoering en evaluatie ten aanzien van nationale veiligheid encrisisbeheersing. De verantwoordelijkheid voor de inhoud van de artikelen berust bij de auteurs.
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 20083De conferentie verkende het thema vanuit drieperspectieven: het institutionele (hoe organiseren wenationale veiligheid), het analytische (welke methoden eninstrumenten gebruiken we) en het sociaal-maatschappe-lijke (hoe verhogen we het risico-bewustzijn). Dit magazineis een weerslag van de discussies die tijdens de conferentiein de context van deze thema’s plaatsvonden.De conferentie is een belangrijke eerste stap in de richtingvan het samenbrengen van verschillende terreinen vanveiligheid. We moeten er nu voor zorgen dat dit niet eeneenmalig evenement was, maar dat deze bijeenkomst hetbegin vormt van een reis naar een intensievere samen-werking en echte vooruitgang met het oog op de dreigingenwaar wij allen mee te maken hebben. Om dit te realiserenhebben de deelnemers afgesproken expertbijeenkomstente organiseren op specifieke aspecten van nationale veilig-heid en internationale instituten onderzoek uit te latenvoeren. Zij spraken ook af om de waarde van hetontwikkelen van een informeel netwerk, waarvan de basistijdens deze conferentie werd gelegd, te verkennen.In zijn samenvatting stelde de dagvoorzitter, ProfessorMichael Clarke van het Royal United Services Institute forDefence and Security Studies, dat “de uitdaging van eencrisis een combinatie van tijd, dreiging en verrassing is”en dat we daarom de plicht hebben om van elkaar te leren,onszelf voor te bereiden voor alle mogelijke gebeurtenissenen te erkennen dat we niet altijd alles kunnen voorkomen.Het Verenigd Koninkrijk en Nederland zijn toegewijd aanhet realiseren van vooruitgang van een netwerk, maartoekomstige initiatieven zullen moeten worden ingebrachten geleid door de bredere gemeenschap, zodat we werkelijkalles kunnen halen uit het internationale karakter van eendergelijk netwerk.We hopen dat u met plezier deze speciale uitgave van hetMagazine nationale veiligheid en crisisbeheersing zult lezenen erdoor geïnspireerd zult raken.BBrruuccee MMaannnn,,Director Civil Contingencies Secretariat, UK Cabinet OfficeDDiicckk SScchhooooff,,Directeur-generaal Veiligheid, ministerie van BinnenlandseZaken en KoninkrijksrelatiesNationale veiligheidOp 28 en 29 januari vond in Den Haag de conferentie National Safety and Security:Responding to risks to citizens, communities and the nation plaats. Meer dan honderdafgevaardigden van hoog niveau vanuit de hele wereld namen deel aan deze uniekebijeenkomst. Topambtenaren, managers van bedrijven en wetenschappersconcludeerden dat de grootste uitdaging in de toekomst het ontwikkelen van eennauwere internationale samenwerking tussen alle spelers die deel uitmaken van deinternationale veiligheidsgemeenschap - overheidsinstellingen, bedrijven en maatschappelijke organisaties– zal zijn. Dit is niet alleen het geval omdat we intern allemaal met dezelfde onderwerpen te maken hebben –dreigingsanalyses en het identificeren van de grootste risico’s – maar ook omdat de dreigingen onderlingsamenhangen en niet stoppen bij grenzen. Bovendien zullen we in geval van een veiligheidsincident betermet elkaar moeten communiceren om kennis, expertise en hulpmiddelen te delen.
  • Laat ik eerst duidelijk maken wat we in Nederland ondernationale veiligheid verstaan. We spreken van nationaleveiligheid wanneer onze vitale belangen in het gedingzijn. We onderscheiden hierbij vijf categorieën: territoriale,economische, ecologische, fysieke en sociaal-politiekebelangen. Aantasting van deze belangen kan leiden totmaatschappelijke ontwrichting. Twee zaken zijn daarbijduidelijk die ook voor u interessant zijn.1 Nationale veiligheid is niet alleen een zaak van deoverheid. Ook het bedrijfsleven en de burgers dragenverantwoordelijkheid. Er moet meer duidelijkheid opdit gebied komen. Ik kom daar zo op terug.2 We zijn internationaal zó met elkaar verweven dat weelkaar nodig hebben. We kunnen nog veel beterprofiteren van elkaars kennis en ervaring.Ik weet zeker dat u al ervaringen aan het uitwisselen bent.Bijvoorbeeld over de overstromingen in Engeland,afgelopen zomer. Of de omvangrijke bosbranden inGriekenland. Sommige landen hebben het flink voor dekiezen gehad. We zijn geneigd vooral na te denken overwat geweest is en minder over wat zou kunnen gebeuren.Dat is ook lastig want de actualiteit haalt je vaak snel in.Sommige dreigingen lijken uit het niets op te duiken,zoals de SARS-uitbraak. Andere dreigingen zijn meersluipend. We dachten bescherming te vinden in hetgebruik van antibiotica, maar het dreigt onze vijand teworden. De toename van resistentie tegen antibioticamaakt ons helaas ook kwetsbaarder voor nieuwe ziektes.Nieuwe ziektes die door klimaatverandering of migratie-stromen dichterbij komen. Knokkelkoorts bijvoorbeeld, isineens weer een onderwerp waarover we in Nederland namoeten denken. Pandemieën zijn actuele nationaleveiligheidsvraagstukken. Net zoals: digitale uitval, over-stromingen, dierziekten en terrorisme. De rode draad isdat hierbij vitale belangen in het spel zijn.De Nederlandse regering heeft april vorig jaar eennationale veiligheidsstrategie vastgesteld. In die strategiestaan twee vragen centraal:1 Wat komt er op ons af aan dreigingen en hoe erg is dat?2 Wat is nodig om die dreigingen te voorkomen en wat isnodig als het toch gebeurt?Er hoeft niet altijd een nationale ramp te gebeuren om hetbelang van zo’n strategie aan te tonen. Ik wil dan ook evenstilstaan bij een gebeurtenis in Nederland op regionaalniveau.Het gebeurde vlak voor Kerstmis. Een helikopter vloogtegen een hoogspanningsmast waarna die mast vervolgensin een grote rivier terechtkwam. Niet alleen werd descheepvaart gestremd maar vanaf dat moment bleven100.000 mensen gedurende 50 uur zonder stroom-4 Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 2008Van need to know naar need to shareLaat ik maar met de deur in huis vallen: het feit dat we hier zijn is niet zonder risico. We zitten hier weliswaarin het prachtige Kurhaus. Droog en ogenschijnlijk veilig. Maar u moet weten dat we ons hier ook bevinden opeen plek die buiten de bescherming ligt tegen de zee. Ik wil geen onnodige onrust aanwakkeren. Ik wil alleenaangeven dat er reële dreigingen zijn, die vragen om onze aandacht. De Nederlandse regering is zich hiervanbewust. We zijn bezig om bedreigingen van de nationale veiligheid in kaart te brengen.Openingstoespraak minister Ter Horst
  • 5 Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 2008voorziening. Winkels moesten sluiten, het vee kon nietworden gemolken, rioleringen konden niet afvoeren metdreigende gevolgen voor het drinkwater, scholen moestendicht. Dit incident bracht aan het licht dat twintig procentvan de huishoudens in Nederland extra kwetsbaar is vooruitval. Dat heeft te maken met de manier waarop we onsenergienet hebben aangelegd. Een verbetering kost circa1 miljard. Het leidt tot complexe afwegingen: gaan we onsenergienet aanpassen op basis van de risico-inschatting?Of vertellen we 20% van onze burgers dat ze een ietsgroter risico lopen op stroomuitval en dat we ze aanradenom een noodaggregaat aan te schaffen? Of zijn de nood-aggregaten de verantwoordelijkheid van de energiesector?Een soortgelijke vraag speelt op dit moment rondom hetevacueren van burgers bij overstromingen. Kan deoverheid bij een dijkdoorbraak en het onderlopen van eengroot deel van Nederland, alle burgers tijdig evacueren?Als snelwegen vastlopen en de hulpdiensten mogelijk nietuit kunnen rukken door storm? Moeten we burgers nietduidelijk maken dat ze wellicht de eerste 24 uur voorzichzelf moeten zorgen? Dit voorbeeld raakt wat mijbetreft twee belangrijke punten:1 Hoe belangrijk het is om verantwoordelijkheden tussenburger, overheid en bedrijfsleven af te bakenen.2 Hoe belangrijk het is dat we gefundeerde dreigings-analyses en risico-inschattingen maken.Ik kom daarmee op het punt van ‘capability based planning’.Bij een goede dreigingsanalyse hoort ook de vraag: overwelke capaciteit moet de overheid en het bedrijfslevenbeschikken om met die dreiging om te kunnen gaan?Internationale bijstand kan daarbij een belangrijke rolspelen. Misschien kent u het rapport van de Franse ministerBarnier hierover. Naar aanleiding van de bosbranden inGriekenland kwam Barnier in zijn rapport tot het voorstelom een Europese interventiemacht in te stellen. Dat klinktmooi, maar wat voor soort interventiemacht zou dit moetenzijn, gezien de complexiteit van dreigingen? Het is volgensmij beter te focussen op de capaciteit die we als landen vanelkaar kunnen gebruiken. Een mooi voorbeeld hiervan ishet Urban Search en Rescue Team dat we in Nederland totonze beschikking hebben en dat al vaker in het buitenlandis ingezet. Ik zie niet veel in een centrale eenheid die staatte verstoffen als er niets gebeurt. Ik zie wel veel in goedeafspraken tussen landen over wederzijdse ondersteuning.Daarmee kom ik op de noodzaak tot samenwerking en deessentie van deze conferentie. We zijn ons er steeds meervan bewust dat het beschermen van de nationale veiligheidniet het domein is van één individueel land. Het is ookniet het domein van de publieke sector. Het gaat ons allenaan. We zijn onderling met elkaar verweven. Dit bleekalleen al uit de recente vogelgriepepidemie: op het gebiedvan kennisdeling en maatregelen hadden we elkaar nodig.Op dat punt is winst te behalen. We kunnen nog veel beterprofiteren van elkaar. Dat geldt bijvoorbeeld voor publiekeen private instellingen binnen een land, maar het geldtook voor landen onderling. Wij allen zijn bezig met hetinschatten van risico’s.De samenwerking zou een verschuiving moeten makenvan need to know naar need to share. Op dit momentbeperken we ons vaak tot het delen van het hoogstnood-zakelijke, en meestal op het moment na de ramp, maarhet gebeurt nog te weinig in de preventieve fase. Dat is teverklaren. Veiligheidsorganisaties laten niet graag in hunkeuken kijken. Datzelfde geldt voor de private sector.Door onderlinge concurrentie zijn energieleveranciersof telecombedrijven terughoudend in de openheid overkwetsbaarheden. Hun imago en marktpositie staat op hetspel. Gelukkig dringt het besef steeds meer door dat weelkaar nodig hebben. Medewerkers van verschillendelanden zoeken elkaar meer en meer op. Langzaam maarzeker ontstaat er een netwerk van kennis en ervaring.Maar daar kunnen we wellicht meer structuur aan geven,zonder het te formaliseren. Want het moet dicht bij depraktijk blijven. Vandaag biedt daar een goede gelegenheidvoor.Ik wil mijn waardering uitspreken voor de prettige manierwaarop we deze bijeenkomst samen met onze partnersvanuit het Verenigd Koninkrijk hebben voorbereid. Het isgeen toeval dat Nederland dit samen met het VerenigdKoninkrijk heeft gedaan. Nederland heeft voor de eigenanalyse van de nationale veiligheid veel gebruik gemaaktvan de all hazard methode om risico’s in kaart te brengen.Engeland heeft gebruik gemaakt van de Nederlandsemethode om de strategie nationale veiligheid op te zetten.We hebben met andere woorden geprofiteerd van elkaarssterke kanten. Het zou mooi zijn als dit op bredere schaalzou kunnen. Ik roep dan ook op om vandaag concretestappen te zetten. Laten we bijvoorbeeld komen tot eencommunity of best practices. Het is een uitstekend idee waarje in de praktijk iets aan hebt.Ik sluit af met de verwachting dat we aan het eind van dedag de verschuiving hebben ingezet van need to know naarneed to share. Onze samenwerking heeft verdieping nodig.Mocht u gedurende de dag toch op een dood spoorkomen, kijkt u dan even uit het raam naar de zee. Het zieter mooi uit, maar we nemen een gecalculeerd risico, weetu nog. Laat deze plek u inspireren tot daadkracht.Ik wens u veel succes.mmww.. ddrr.. GG.. tteerr HHoorrsstt,,minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 2008In deze bijdrage gaat directeur-generaal CivieleBescherming Guido Bertolaso gaat in op dehedendaagse dreigingen en de besluitvorming enoperationele structuur op nationaal niveau in Italië.Waar het naar mijn mening werkelijk om draait – afgezienvan de kans de handen op internationaal niveau ineen teslaan bij bijvoorbeeld pandemieën veroorzaakt dooronbekende pathogene organismen, terroristische aanslagenof grootscheepse overstromingen en of we deze zoge-naamde “traditionele” gevaren dan efficiënter en beter hethoofd zouden kunnen bieden – is de vraag hoe we onzekrachten zouden kunnen bundelen om adequaat tekunnen reageren op de steeds hoger wordende eisen.Daarom wil ik het hebben over manieren om samen tewerken, want uitgaand van de recente geschiedenis staateen bevestigend antwoord wel vast. Als we bezien wat erna de Tweede Wereldoorlog gebeurde, kunnen weconstateren dat er steeds meer werd samengewerkt inallerlei sectoren en met allerlei aanleidingen. Dat leiddetot de oprichting van de Europese Unie, zoals op onscontinent, of de NAVO op militair gebied en zelfs deVerenigde Naties, als we er het Westen en vervolgens dehele wereld bij betrekken.Ik wil hier echter benadrukken dat vooral de veelgehoordekritiek in onze landen mij zorgen baart als het gaat ominternationale samenwerking: de vermoeiende en tragebesluitvorming en de discrepantie tussen de tijd voorverschillende noodscenario’s om zich te ontvouwen ende tijd die nodig is om de middelen en wilskracht temobiliseren voor ingrijpen.Ik denk dat die kritiek gegrond is. Mijn ervaringen alshoofd van de civiele bescherming in Italië hebben mijervan doordrongen dat de variabele “tijd” de kern is vanhet nieuwe samenwerkingsmodel dat we nodig hebben6Nationale veiligheid: een uitdagingvoor internationale samenwerking?
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 20087om de nieuwe gevaren het hoofd te bieden. Tijd is eenprimair schaars middel in noodsituaties. Daarom moeten weleren de nieuwe gevaren te beheersen zonder belemmerd teworden door de organisatorische structuren waar we inhet verleden ons heil in zochten.Afgezien van de factor tijd als centraal element in onzediscussie over veiligheid wil ik erop wijzen dat we hetmodel van staten en internationale organisaties zoals dateeuwenlang heeft bestaan, zullen moeten verlaten.Ik wil het eerst hebben over dit organisatieprobleem.Ik heb eens gezegd dat de moderne natiestaat ontstaan isals het beste organisatorische model voor een maatschappijals bescherming tegen de gevaren die het leven en dekwaliteit van het leven van haar inwoners bedreigen.Voor de traditionele gevaren en mogelijke natuurrampenzijn er instanties: elk land beschikt wel over een brand-weerorganisatie (Vigili del Fuoco, Fire Brigade, sapeurs-pompiers, Bomberos, etc.) en diverse overheidsinstantiesdie het grondgebied bewaken, variërend van autoriteitendie zich bezighouden met de waterhuishouding tot en methet observatorium voor de Vesuvius (de oudste Europeseinstantie die vulkanische activiteiten registreert).We maken ons zorgen over het vermogen van organisaties(bijv. FAO, UHNCR, WHO, Unicef) adequaat te reagerenop de nieuwe gevaren, want we hebben nu te maken metandere scenario’s dan een paar jaar geleden. We moetenmet name de volgende vier factoren in het oog houden:• de steeds grotere afstand tussen de maatschappij en degespecialiseerde instanties die zijn opgericht voornoodsituaties en gevaren;• het feit dat we kwetsbaarder zijn geworden voor gevarenzoals wordt benadrukt door de publieke opinie;• de enorme omvang van veel catastrofes ten gevolge vande nieuwe gevaren;• de complexiteit van het beheersen van noodsituaties,zowel qua schade, slachtoffers en doden, als de gevolgenervan voor de publieke opinie.Deskundigen en onderzoekers schrijven deze intenserereacties op bedreigingen voor de veiligheid toe aanverschillende factoren. Ik wil er slechts een paar noemen:• het, om budgettaire redenen, geleidelijk afbrokkelenvan de beschermende sociale netwerken en het wijd-verbreide gevoel van onveiligheid dat hierdoor ontstaat;• de groeiende onzekerheid omtrent werk en deorganisatie van de verschillende levensfasen;• de nadruk in de media op nieuws op veiligheidsgebied,vanwege de grote aandacht die ze ermee krijgen;• en ten slotte het toenemende tempo van economischeen sociale veranderingen ten gevolge van de globali-sering, die mensen vaak ervaren door de intensiteitvan de immigratiestromen en de terugkeer van de“vreemdeling” die als een bedreiging wordt gezien.Onlangs is duidelijk geworden dat de feitelijke of door demedia gesignaleerde gevolgen van bepaalde catastrofes diein verband worden gebracht met “nieuwe gevaren”aanleiding zijn voor twijfel of onze traditionele interventie-middelen nog adequaat zijn. Geen enkel land beschiktover een “op competenties gebaseerde” structuur metvoldoende middelen om een orkaan als Katrina in alleopzichten zelfstandig het hoofd te kunnen bieden, laatstaan de tsunami van 2004 die de kustplaatsen van zoveellanden aan de Indische Oceaan wegvaagde. Het ligt ookvoor de hand dat geen enkel land kan bogen op een specialestructuur die de burgers tegen terroristische aanslagenkan beschermen. Dit soort catastrofes, zowel voorspelbareals onvoorspelbare, kan effectief worden aangepakt, mitshet "op competenties gebaseerde model" wordt verlaten.De “nieuwe gevaren” vormen in feite een nieuwe bedreigingdie als veel gevaarlijker wordt ervaren dan andere:• omdat de voorspelbaarheid van catastrofes klein is, eenrisico is namelijk onbekend, ofwel naar zijn aard,danwel vanwege de onvoorspelbaarheid;• omdat rampen “buitenproportionele” gevolgen kunnenhebben ten opzichte van hetgeen we normaliterbeheersen en aanvaarden, uitgaande van de matewaarin we voorbereid zijn;• omdat ze grote opschudding in de media veroorzakendie leiden tot onbeheersbare emotionele reacties die ophun beurt sterke maatschappelijke reacties oproepen;• omdat de respons op de bedreiging onhoudbare kostenmet zich meebrengt, of een bepaald soort gedrag >>>
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 20088van burgers vereist, dat zij afwijzen of alsonaanvaardbaar beschouwen omdat zij dan moetenafzien van eerder verworven rechten.Voortredenerend op de kenmerken van deze “nieuwegevaren” keren we terug naar de variabele “tijd" die ikeerder noemde, in de zin van “real time", dus de specifieketijd van de ramp. De “tijd” waar het aan lijkt te ontbrekenis in feite de “real time” waar we in Italië mee aan de slagzijn gegaan en opmerkelijke resultaten mee hebbengeboekt bij het verbeteren van ons vermogen complexegebeurtenissen het hoofd te bieden, ook wanneer zeplotsklaps of onaangekondigd plaatsvinden. Wij hebbengeleerd de voor elke ramp specifieke “real time” te beheersendoor het op “competenties gebaseerde" organisatiemodelte verlaten en te gaan experimenteren met een typeoverheidsorganisatie gebaseerd op “functies”.De geschiedenis van de civiele bescherming in Italië isinteressant aangezien ons land een systeem heeft opgezetdat uitsluitend uitgaat van de tijd van de noodsituatie envan de gevaren, gevolgen en risico’s ervan.Het systeem van de civiele bescherming is belast met decontinue observatie van de risicos die in real time eengevaar voor de bevolking zouden kunnen vormen en heeftvoorts tot taak waar dat mogelijk en nuttig is voorspellingente doen, preventieve maatregelen te treffen en directe hulpte organiseren en noodmaatregelen te coördineren. Dezewerkzaamheden worden verricht door een kleine groepmensen die direct onder de premier vallen. Dezelfdeorganisatiestructuur geldt op regionaal en lokaal niveau.De afdeling civiele bescherming is een generale staf diebeschikt over technische en wetenschappelijke functieszodat er te allen tijde informatie beschikbaar is voor debesluitvorming, maar beschikt niet over een eigen leger.De afdeling is echter wel bevoegd om de krachten temobiliseren die nodig zijn om een ramp het hoofd te biedenen is in staat van geval tot geval specifieke taskforces in testellen waarvoor alle elementen worden aangetrokken diegeschikt zijn voor een bepaalde crisis en wel volgens de“functies" die nodig zijn om actie te ondernemen.Het hoofd van deze “noodregering" kan alle bestuurlijkeonderdelen die “functioneel” betrokken zijn bijeenroepenvoor het besluitvormingsproces dat uitsluitend gericht isop de noodsituatie en het onmiddellijke optreden. Denoodregering geeft orders aan de afdelingen, organen enstructuren die deel uitmaken van de gewone overheid,waaronder de strijdkrachten en de politie. Ook vrijwilligers-groepen en organen voor de volksgezondheid alsmedegespecialiseerde bedrijven en deskundigen voor elk typegevaar kunnen worden gemobiliseerd. De mobilisatie-procedures zijn vastgelegd en vallen onder gemeenschap-pelijke procedures die iedereen kent: zodra zich een rampvoordoet wordt er dus geen tijd verspild met onder-handelingen, toelichtingen en het afbakenen van grenzen.Iedereen die verantwoordelijk is voor en betrokken is bijde besluitvorming weet wat hem of haar te doen staat enhoe er moet worden gehandeld in een noodsituatie.Het bestaan en daadwerkelijk functioneren van een“noodregering” levert weliswaar aanzienlijke problemenop, maar stelt ons ook in staat:• de tijd die nodig is voor verschillende soorten hulp-verlening aan de bevolking tot een minimum te beperken;• de interventietijd te bekorten;• een systeem op te zetten dat weinig menselijke eneconomische hulpbronnen vergt in vergelijking methetgeen het daadwerkelijk op de been kan brengen;• territoriaal hetzelfde model op basis van “mobilisatienaar functie” van middelen toe te passen die normalitervoor andere taken zijn gereserveerd;• op deze manier de grootst mogelijke veerkracht tebewerkstelligen;• een snelle besluitvorming te waarborgen zonderuitsluiting van territoriale bestuurlijke eenheden enoperationele procedures die inherent zijn aan nood-situaties;
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 20089• en bovendien hoeven we geen hiërarchie van risico’s opgrond van de verwachte ernst of interventieprioriteitenvast te stellen. Voor het civiele beschermingssysteemzijn alle noodsituaties gelijk, ongeacht de oorzaak.Zo wordt een competentiestrijd tussen bestuurlijkeeenheden bij ernstige en complexe situaties vermeden,mochten er op hetzelfde moment verschillendecompetenties aan bod komen; bovendien wordt onduide-lijkheid voorkomen door ze als “functies" te behandelendie nodig zijn om het probleem te verhelpen.Dankzij de besluitvorming en operationele structuur vande civiele bescherming, de zichtbare bescherming en degeboekte resultaten heeft Italië zijn burgers gerust kunnenstellen.De weg van een op competenties gebaseerde organisatienaar een op functies georiënteerde structuur verloopt viaeen proces waarbij horizontale coördinatie (zoals declusterstrategie van de VN of de MIC-procedures vanEuropa) achterwege zou moeten blijven. Deze pogingenhebben namelijk geen kans van slagen omdat ze de“gouvernementele” problemen niet verhelpen.Ik ben ervan overtuigd dat experimenten met een opfuncties gebaseerd gouvernementeel systeem op Europeesen mondiaal niveau snel zouden leiden tot meer efficiëntieen effectiviteit bij het beschermen van onze burgers tegen“nieuwe gevaren” en op internationale schaal betereinterventiemethodes zouden bewerkstelligen voor situatieswaarin de gevolgen van een catastrofe de capaciteiten vanhet getroffen land te boven gaan.Het opzetten van een op functies gebaseerd internationaalsysteem hoeft geen kostbare operatie te zijn, aangezieneen snel gecoördineerd commandoniveau en snellebesluitvormingslijnen worden opgezet op basis van voorafbesproken procedures.Het scenario dat ik zojuist heb geschetst brengt echter welandere kosten met zich mee, namelijk culturele kosten.Italië heeft deze keuze gemaakt na talloze tragedies vanuiteenlopende aard en na dramatische tijden te hebbendoorgemaakt die de natuur andere landen bespaard heeft,waar sommige gevaren volledig onbekend zijn. Te denkenvalt hierbij aan aardbevingen of vulkaanuitbarstingen.In tegenstelling tot de traditionele gevaren stellen “nieuwegevaren” al onze landen bloot aan gevaren en mogelijkecatastrofes die hun weerga niet kennen. Ik hoop dat deervaringen van mijn land – dat eerder dan andere werdgeconfronteerd met rampen met uiteenlopende oorzaken– van nut kunnen zijn bij het vinden van nationaleoplossingen en vormen van internationale samenwerkingwaarmee kan worden voldaan aan de behoefte van onzeburgers aan veiligheid en bescherming die zij als eenverworven recht beschouwen.GGuuiiddoo BBeerrttoollaassoo,,Director-General, Department of Civil Protection, PrimeMinisters Office
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200810Zelden zal hier iemand ook maar een seconde bij stilstaan.Want het lijkt alsof dat allemaal vanzelf gaat. Schijn bedriegtechter. Je zou het kunnen vergelijken met het uurwerk vaneen klok dat met de grootste precisie in elkaar is gezet enverrassend accuraat de tijd aangeeft. Maar dan mag erbeslist geen zandkorreltje tussen de radertjes komen.Die spreekwoordelijke korreltjes zand komen we echteroveral tegen, soms omdat de natuur ons parten speelt ensoms omdat ze met opzet zijn rondgestrooid door bepaaldeindividuen. Intussen worden er steeds meer beveiligings-en veiligheidsmensen ingezet om onze uurwerken vrij tehouden van zandkorreltjes. En daar slagen ze heel watbeter in dan de meeste mensen denken: als je iets nietziet, ben je geneigd te denken dat het niet bestaat óf dathet vanzelf gebeurt. Zoals eten op tafel, stroom uit hetstopcontact en benzine bij het tankstation.Maar in onze zeer gespecialiseerde wereld kunnen we onsde illusie dat dingen vanzelf gebeuren niet permitterendankzij hun eenvoud maar vanwege een hoge mate vanprofessionaliteit. Veiligheid heb ik al genoemd in ditverband en daar wil ik graag een aantal aspecten uitlichten.Ik zal stilstaan bij:• de vitale infrastructuur en de beveiliging daarvan;• de zekerheid van de olie- en gastoevoer naar Europa;• de manier waarop Shell zijn veiligheidsbeleidgeorganiseerd heeft;• de manieren waarop regeringen, handel en industriehun veiligheidsinfrastructuur kunnen optimaliserendoor beter samen te werken.Vitale infrastructuur en beveiligingMeestal loopt alles op rolletjes, maar dan gaat er ineensiets fout. Dan treedt er plots een storing op in iets datvitale infrastructuur blijkt te zijn. Dat merkten weonlangs in Nederland toen er een helikopter tegen driehoogspanningskabels boven een rivier vloog.Honderdduizend mensen moesten het 48 uur zonderelektriciteit stellen. Het was dan wel geen regelrechteramp, maar wel heel problematisch én duur. Want watbleek: de elektriciteitsvoorziening voor het getroffengebied hing volledig af van die drie kabels hoog boven eenrivier, die ook nog eens buiten haar oevers pleegt te tredenin de winter. De lering die hieruit getrokken werd, is datelk onderdeel van de vitale infrastructuur dus altijd in eenlus moet worden aangelegd. Als de voordeur niet openkan, moet het mogelijk zijn de boodschappen gewoon viaVeiligheid en het belang vanproportionaliteit en samenwerkingPeter de Wit, president-directeur Shell NederlandVoordat ik uitgebreid inga op de visie van Shell op veiligheid en beveiliging, wil ik even stilstaan bij de ideale locatievan deze conferentie. Het lokale openbaar vervoer functioneerde zoals het hoort, dus u was hier op tijd. Het waswellicht wat druk op de weg, maar mocht u echt stil hebben gestaan, dan was dat in elk geval niet vanwegebrandstofschaarste. De verlichting is aan, de verwarming doet het, via computers en Black Berry’s kunt u de gewensteinformatie vinden en niemand van u zal zich afvragen of er hier tussen de middag wel iets te eten en te drinken zalzijn. Buiten buldert de zee, maar miljoenen mensen kunnen zich hier – een paar meter onder de zeespiegel achtereen smalle duinenrij – veilig wijden aan de dagelijkse routine.
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200811de achterdeur naar binnen te brengen of desnoods via eenraam boven. Dit bevordert in de eerste plaats de zekerheidvan leveranties. Beheersystemen worden op die manierbetrouwbaarder en bovendien worden zo de capaciteit enefficiency van de infrastructuur verbeterd.Als potentiële terroristen weten dat vitale infrastructuuraltijd dubbel of zelfs in drievoud aanwezig is, zullen zijhun oog daar minder snel op laten vallen bij het kiezenvan mogelijke doelwitten. Het doel van terrorisme is perslot van rekening ontwrichting van de maatschappij omzo de politieke besluitvorming te beïnvloeden.In Nederland is de NAM, een gasproducent onder beheervan Shell, aangewezen als “vitale onderneming”.Honderden werklocaties van de NAM zijn onderverdeeldin vier categorieën naar de ernst van de gevolgen voor demaatschappij, als ze uitgeschakeld zouden worden.De NCTb is nu proceseigenaar van al deze systemen enbeheert bij wijze van proef het NAVI, het NationaalAdviescentrum Vitale Infrastructuur voor het hele land.Dit centrum levert advies en expertise omtrent de bestepraktijken afkomstig van overheidsorganen en andererelevante terreinen. Als eigenaar en beheerder van heel watvitale infrastructuur onderhoudt Shell intensieve contactenmet het NAVI. Dit is de tweede rechtstreekse lijn tussenShell en de overheidsorganen die verantwoordelijk zijnvoor de veiligheid. De andere lijn bestaat vanwege deraffinage- en chemische activiteiten van Shell die deeluitmaken van het Nationale Alerteringssysteem. Via ditsysteem worden dreigingsniveaus vastgesteld waar deaangesloten ondernemingen hun interne beveiliging opkunnen afstemmen.Zekerheid olie- en gastoevoer EuropaQua volume is olie onze grootste energiebron, diebovendien vaak van grote invloed is op de gasprijs.Olie vormt een uitzondering op de regel van de alom-tegenwoordige just-in-time logistiek zonder voorraden dieje overal aantreft in de huidige economie.Na de oliecrisis van 1973 hebben een aantal OESO-lidstatenhet IEA (Internationaal Energie Agentschap) opgezet.De belangrijkste taak van dit coördinerende agentschap inParijs is het veiligstellen en toewijzen van olievoorradenin tijden van crisis. De aangesloten landen (26 in totaal)hebben het volgende afgesproken:• De landen houden voorraden aan van ten minste90 dagen aan netto olie-importen. Deze reservesbehoeven zich niet noodzakelijkerwijs in de landenzelf te bevinden. Veel West-Europese landen hebbenhun olievoorraden bijvoorbeeld in de ARA-regio(Amsterdam, Rotterdam en Antwerpen).• Bij problemen nemen de landen passende maatregelen,zoals beperking van het verbruik, overschakelen naarandere brandstoffen en indien mogelijk verhoging vande energieproductie in eigen land.• Indien de olieaanvoer ernstig verstoord raakt (daarvanis sprake bij een krimping met ten minste 7 procent)treedt er onder leiding van het IEA een toewijzings-systeem in werking.Dan wordt er olie uit de strategische reserves envoorraden toegewezen en verdeeld over de lidstaten.Het systeem trad bijvoorbeeld in werking in 1990 en 1991na de inval van Irak in Koeweit. Bij deze invasie en deAmerikaanse interventies gingen per dag 4,3 miljoenvaten aan olieproductie verloren, terwijl de mondialeproductie op dat moment 65 miljoen vaten per dagbedroeg. Om het even in een perspectief te plaatsen:momenteel worden er per dag 87 miljoen vaten verbruikten volgens het IEA kan dat tegen 2030 opgelopen zijn totergens tussen de 102 en 116 miljoen vaten.Twee jaar geleden werd het systeem in beperkte mateingeschakeld om de gevolgen van orkaan Katrina in deGolf van Mexico op te vangen. Toen werd een flinkehoeveelheid van de Nederlandse en Britse oliereservesovergebracht naar de Verenigde Staten waar verschillendeproductieplatforms en raffinaderijen uitgeschakeld waren.Strategische olievoorraden worden alleen ingezet omdreigende tekorten op te vangen, dus niet om in te grijpenbij prijsstijgingen op de markt.’s Werelds grootste strategische olievoorraad is van deVerenigde Staten en bedraagt momenteel 700 miljoenvaten ruwe olie, wat ongeveer neerkomt op 55 dagen aanolie-importen. Aan het eind van 2007 tekende presidentBush een wet om de strategische oliereserve vóór 2027 uitte breiden tot 1,5 miljard vaten. China is intussen zijneigen veiligheidsbuffer gaan opzetten.De strategische oliereserves hebben tot dusver goedgefunctioneerd, hoewel ze hoogstzelden wordenaangesproken, weerhouden ze landen ervan olie voorpolitieke doeleinden te gebruiken. In theorie hebben >>>
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200812de olie-exporterende landen, gezamenlijk of individueel,de gelegenheid olie als drukmiddel te gebruiken en dat isin het verleden ook wel gebeurd. De mondiale productie-capaciteit is per slot van rekening maar iets groter dan hetmondiale verbruik. Wanneer een van de grotereexporterende landen zou besluiten de leveranties omwelke reden dan ook op te schorten, is er elders maarweinig capaciteit over om dat op te vangen. Dit risicomoet echter niet overdreven worden. Olie-exporterendelanden kunnen hun economieën niet draaiende houdenzonder olie-inkomsten en zouden al snel geconfronteerdworden met sociale onrust. Maar vanwege deze geringeovercapaciteit vormen terroristische aanslagen op groteolieproducenten of havenfaciliteiten en scheepvaartroutesdus een ernstige bedreiging.Ter illustratie noem ik een paar fysieke knelpunten.Dagelijks worden er 13,4 miljoen vaten ruwe olie vervoerdvia de Straat van Hormuz en 12 miljoen vaten via deStraat Malakka. Het IEA verwacht dat in 2030 30 procentvan het totale mondiale olieverbruik via de Straat vanHormuz zijn weg naar de rest van de wereld zal vinden,dus bijna tweemaal zoveel als vandaag. Tijdens de tanker-oorlog van 1984 tot 1987 in de Perzische Golf daalden deolietransporten met 25 procent, maar toen was er nogvoldoende reserveproductiecapaciteit in de rest van dewereld. Nu bevindt bijna alle reservecapaciteit zich bij deStraat van Hormuz.Dan is er aardgas dat vooral wordt vervoerd via pijp-leidingen. Dat is veilig, maar weinig flexibel en zoals wehebben gemerkt op veel plaatsen bijna onmogelijk fysiekte beschermen. Pijpleidingen verbinden leverancier enklant direct met elkaar. LNG, liquefied natural gas oftewelvloeibaar gas, biedt een interessant alternatief, want datkan per schip vervoerd worden; dat is weliswaar ookkwetsbaar, maar biedt meer mogelijkheden voor beveiliging.Het aantal leveranciers is momenteel nog beperkt, maarde markt groeit snel. Met name de Europese importen vanaardgas blijven flink groeien. Volgens het IEA zal dejaarlijkse invoer stijgen van de huidige 235 miljard kubiekemeter tot 520 miljard in 2030. Uiteindelijk zal de grootsteveiligheid wat betreft de gasaanvoer te winnen zijn doorspreiding van de toelevering. Dit wordt mogelijk doorpijpleidingen, zoals het Noordstroomproject dat binnenkortzal worden aangelegd van Rusland door de Baltische zee,en veel terminals in Europa voor de invoer van LNG.Het zal voor zich spreken dat al deze vitale infrastructuurvoor de energievoorziening beschermd moet worden.Daarom wil ik nog stilstaan bij een andere dimensie vanveiligheid: de bescherming van voorzieningen zelf.Omdat Shell overal ter wereld actief is, beschikken weover kennis uit de eerste hand van de uiteenlopendebenaderingswijzen die overheidsinstanties hanteren.We zien in feite twee verschillende strategieën voor debeveiliging van fysieke installaties, die worden bepaaldofwel:• door het risico ofwel;• door de gevolgen.De Europese benadering gaat uit van mogelijke gevarenen wordt dus gedicteerd door het risico. Dit systeemverschaft adequate antwoorden na een analyse van degevaren. De risiconiveaus worden onderverdeeld in fasenen de eigenaren van vitale infrastructuur stemmen hunbeveiligingssystemen en –maatregelen daar op af. HetEuropese model biedt de grootste kans op een propor-tionele reactie. In de Verenigde Staten is het meer degewoonte de maximaal mogelijke gevolgen in kaart tebrengen, bijvoorbeeld van een grootschalige aanval opinstallaties. Op basis van deze aanpak die meer op degevolgen gericht is, worden installaties, gebouwen ensystemen extra beveiligd. Dit betekent in de praktijk dat ergrote sommen geld worden geïnvesteerd in het versterkenvan complexen zodat ze bestand zijn tegen eventualiteiten.Daar wordt dus voortdurend een hoog beveiligingsniveaugehandhaafd, ook wanneer het dreigingsniveau laag is.Het is misschien wat zwart-wit gesteld, maar illustreertwel de verschillen qua mentaliteit en wereldbeeld.Europeanen concluderen altijd snel dat de Amerikaanseveiligheidsmaatregelen overdreven zijn en de Amerikanenvinden dat de Europeanen naïef zijn en dingen te weinigserieus nemen. (Gek genoeg blijkt het tegenovergesteldewanneer het gaat om de bescherming van de kust.)Proportionaliteit is dus geboden. Het middel, debeveiliging van de maatschappij, mag qua gevolgennatuurlijk niet erger zijn dan de kwaal, dus de gevarenwaarvoor het bedoeld is.Hoe heeft Shell zijn beveiliging georganiseerd?Wij hanteren een “All Hazards Approach” en zijn dusvoorbereid op elk denkbaar incident, met welke aard ofoorzaak dan ook. Dit betreft zowel veiligheid (HSE –
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200813Health Safety & Environment) als beveiliging, en ook “actsof God” dus extreme weersomstandigheden, aardbevingenen overstromingen. Naar aanleiding van 11 september ende nasleep ervan heeft Shell zijn Security organisatie opgroepsniveau georganiseerd, uitgebreid en geprofes-sionaliseerd en verantwoordelijk gemaakt voor debeveiliging van fysieke activa en mensen.De afdeling Corporate Affairs Security (CAS) is hiervoorverantwoordelijk op groepsniveau. De CAS is eenwereldwijd netwerk van beveiligingsprofessionals die deeluitmaken van de afzonderlijke bedrijfsonderdelen enonder leiding staan van een kerngroep van specialisten ophet hoofdkantoor van Shell in Den Haag. Daarnaasthebben we binnen de financiële poot een aparte afdelingBusiness Integrity. Deze afdeling is verantwoordelijk voorde uitvoering van interne financiële forensische analyses.Ook heeft Shell een eigen, aparte afdeling voor IT Securitydie tot taak heeft de kans op cybercriminaliteit teminimaliseren en de alertheid erop te vergroten. De CASis daarmee primair verantwoordelijk voor het identificerenvan risico’s voor personeel en installaties.De operationele procedures van de CAS zijn opgenomenin handboeken die zijn gebaseerd op de beveiligings-normen van de groep. Hierin staan ook de vijf dreigings-niveaus die we binnen de onderneming hanteren en dievariëren van “incidenteel/onwaarschijnlijk” tot “extreem”.Onze groepsbeveiligingsnormen schrijven voor datveiligheidsrisico’s met regelmatige tussenpozen moetenworden geïdentificeerd en beoordeeld. Dat geldt ook voorde maatregelen die bedoeld zijn om deze risico’s tebeheersen en de gevolgen ervan tot een minimum tebeperken. Deze beveiligingsprocessen en -procedureshebben hun waarde vlak voor kerst 2006 bewezen. Naeen aantal ontvoeringen en bomaanslagen werd beslotende gezinnen van medewerkers uit Nigeria te repatriëren.Drie dagen later landden er in Amsterdam en Londen drievliegtuigen met deze gezinsleden aan boord – een perfectuitgevoerde noodoperatie.Veiligheidsproblemen kunnen soms enorm zijn quaomvang en complexiteit. Neem nu het Shellproject Pearl inQatar waar aardgas zal worden omgezet in hoogwaardigemiddeldestillaten. Op het hoogtepunt van de bouwwerk-zaamheden zullen er 40.000 mensen aan het werk zijn.Medio 2008 zullen er in de bouw in en rond Ras LaffanIndustrial City en in andere gasprojecten ongeveer120.000 mensen aan het werk zijn – en dat in een landmet hooguit 900.000 inwoners.Dit trekt een zware wissel op de nationale veiligheids-krachten van Qatar en legt veel verantwoordelijkheid bijde ondernemingen om de orde in de kampen op eenhumane manier te handhaven met voldoende oog voormensenrechten en politieke rivaliteit.Samenwerking overheid en bedrijfslevenDe nationale Security Manager van Shell Nederland is hetdirecte aanspreekpunt voor overheidsorganisaties zoals deAIVD, NAVI, de rijksoverheid en de NCTb. In april 2005sloot de sector olie en chemie zich aan bij het nationalealerteringssysteem, dat beheerd en gecontroleerd wordtdoor de NCTb. Indien de NCTb besluit het dreigingsniveauvoor deze sector te verhogen wordt onze Security Managerhiervan op de hoogte gesteld en zet hij een aantalmaatregelen in gang.De oprichting van de NCTb in Nederland is een grote stapvoorwaarts gebleken. De NCTb is ons directe aanspreek-punt bij bedreigingen en daarmee ook voor het intensiverenvan de beveiliging van onze vitale infrastructuur inNederland. Het NAVI zal zich hopelijk op een soortgelijkemanier ontpoppen.Als commerciële onderneming hopen we dat deautoriteiten erin slagen drie zaken te handhaven:• hoogwaardige dreigingsanalyses (inlichtingen);• open en snelle communicatie;• een snelle en duidelijke reactie op elk incident.We beseffen allemaal dat we altijd kwetsbaar zullen zijnvanwege de openheid die onlosmakelijk verbonden is meteen democratische maatschappij. Maar ‘democracy is notfor the faint-hearted’, dus we mogen geen slappe knieënkrijgen. Daarom moeten we ondanks onze kwetsbaarheidde tegenwoordigheid van geest hebben om diegenen teweerstaan die onze waarden bedreigen. Samen kunnenwe heel veel bereiken om de risico’s te minimaliserendoor onze gezamenlijke beveiligingsinspanningen verderte professionaliseren.Wij van Shell onderkennen onze verantwoordelijkhedenen zullen ernaar handelen.PPeetteerr ddee WWiitt,,president-directeur van Shell Nederland
  • 14 Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 2008Nieuwe uitdagingen voor het VerenigdKoninkrijk op veiligheidsgebied1De mondiale veiligheidssituatie is de afgelopen twintig jaar drastisch veranderddoor ingrijpende gebeurtenissen als het einde van de Koude Oorlog en deaanslagen van 11 september. Dit alles heeft geleid tot nieuwe vraagstukken,actoren en risicos met verstrekkende gevolgen voor het veiligheidsbeleid vanhet Verenigd Koninkrijk (VK).1Dit artikel is gebaseerd op een langer document, getiteld “The New Front Line: Security in a changing world” door Ian Kearnsen Ken Gude (IPPR). Dit is het eerste werkdocument dat aan de Commission on National Security in the 21st Century van deIPPR is voorgelegd. Voor het volledige document en nadere gegevens over de werkzaamheden van deze commissie ziewww.ippr.org/security.In de nieuwe situatie draait het om de wetenschap dat deconventionele opvattingen gebaseerd op een enkel fronttot het verleden behoren: we hebben nu te maken metallerlei fronten die een heel scala aan veiligheidsvraag-stukken betreffen. De reikwijdte en aard van de huidigeveiligheidsrisico’s omvatten weliswaar nog steeds de gebrui-kelijke zorg om terrorisme en de militaire verdediging vanons grondgebied maar gaan inmiddels veel verder dan dat.Overduidelijk is dat, willen we de risico’s en gevaren waarhet VK vandaag de dag mee geconfronteerd wordt effectiefhet hoofd kunnen bieden, we ons opnieuw zullen moetenbezinnen op de vraag wat het front in de strijd om deveiligheid is en ons antwoord daarop dienovereenkomstigaanpassen.In dit artikel geven we een overzicht van de belangrijkstefactoren voor de beveiliging van vandaag aan de hand vanvijf hoofdthemas waarvan wij vinden dat ze tezamen eennuttig kader vormen voor het denken over de integraleveiligheidssituatie van nu. Het betreft:• globalisering en het ontstaan van nieuwe machtscentra;• armoede en falende staten;• klimaatverandering;• de groei van de politieke islam;• sociaaleconomische kwetsbaarheid.We gaan ook kort in op de gevolgen van de veranderingenop veiligheidsgebied voor het formuleren van het VK-beleiden pleiten voor een aanpak gekenmerkt door samenwerkingen een holistische benadering. Tot slot staan we stil bij eenaantal belangrijke factoren die aan de orde moeten komenbij het formuleren van een nieuwe veiligheidsstrategievoor het VK.Het veranderde strategische landschapGlobalisering en het ontstaan van nieuwe machtscentraEen belangrijk gegeven voor de huidige veiligheidssituatieis het ontstaan van nieuwe machtscentra. Deze verschui-vingen komen hoofdzakelijk voort uit de globalisering enspelen zich af op een aantal niveaus.Ten eerste is er sprake van een relatieve versnippering vande macht binnen en tussen staten. Dit blijkt duidelijk uitde verschuiving van de macht van de landen langs deAtlantische Oceaan naar Azië en de landen in de StilleOceaan en wordt vooral geïllustreerd door de opkomst vanChina en India. Dit zijn belangrijke veranderingen in hetgeopolitieke landschap en kan erop wijzen dat de grotemogendheden hun strijd niet, zoals in de twintigste eeuw,op het Europese toneel voeren maar dat deze verschuiftnaar het mondiale podium. Andere drijvende krachtenachter de versnippering van de macht tussen de statenzijn de opkomst van een nieuwe groep staten en regio’sdie als energieleveranciers in potentie grote invloed kunnenuitoefenen en de verspreiding van kernwapentechnologienaar nieuwe staten, hetgeen nieuwe regionale conflictenom de macht kan veroorzaken.Ten tweede zijn we getuige van de verschuiving van demacht naar niet-statelijke actoren, zoals terroristischegroeperingen, grensoverschrijdende criminele organisatiesen transnationale politieke bewegingen. Dergelijkegroeperingen vormen een blijvende structurele bedreigingvoor het VK, aangezien ze er niet alleen in slagen bepaaldestatelijke machtsattributen te verwerven, maar ook hetkarakter van sommige staten weten te veranderen en zelfs
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200815de legitimiteit van staten weten te ondermijnen op eenwijze die vragen doet rijzen bij de gebruikelijke opvattingenover machtspolitiek.Een derde dimensie van de verschuivingen in de machtheeft te maken met de toenemende onderlinge afhanke-lijkheid van staten, waardoor de veiligheid binnen statensteeds vaker bepaald wordt door hetgeen zich afspeelt inandere staten. Door de globaliserende economie wordenstaten steeds gevoeliger voor veranderingen buiten hungrenzen. Voor het VK leidt een aantal internationaleontwikkelingen zoals het toegenomen grensoverschrijdendeverkeer van personen en goederen en de groei van deinternationale georganiseerde misdaad tot grotereonveiligheid op zijn grondgebied.Armoede en falende statenDe tweede drijvende factor achter de veranderingen is dezogenaamde “veiligheids- en ontwikkelingsnexus”, waarmondiale armoede, ongelijkheid, gewelddadige conflicten,falende staten en internationaal terrorisme elkaar treffenmet mogelijk catastrofale gevolgen. Hoewel de verbandentussen armoede en gewapende conflicten complex zijn engeenszins direct, is armoede een belangrijke verklaringvoor gewapende conflicten, vooral in combinatie mettoenemende ongelijkheid binnen en tussen groepen.Aangezien conflicten vaak een van de belangrijksteoorzaken voor armoede en onderontwikkeling vormen,lopen arme staten bovendien een verhoogd risico tevervallen in elkaar versterkende cycli van onder-ontwikkeling, conflicten, fragiliteit en zelfs ineenstorting.Falende staten zijn al humanitaire tragedies op zich,maar kunnen uitgroeien tot een belangrijke oorzaak voorregionale instabiliteit. Deze gebieden met een falendeoverheid kunnen een directe bedreiging vormen voor onzeveiligheid, aangezien ze grote aantrekkingskrachtuitoefenen op terroristische groeperingen en internationalecriminele organisaties die het op ons gemunt kunnenhebben.Klimaatverandering en schaarse middelenEen derde factor achter de nieuwe veiligheidssituatie dieonlangs op de mondiale politieke agenda opdook heeft temaken met de klimaatverandering. Voor sommige statenals Bangladesh en de eilandstaten in de Stille Oceaan zalde klimaatverandering spoedig de grootste bedreiging zijnvoor hun veiligheid en bevolking. Maar ook elders zullende gevolgen van de opwarming op de lange termijnbestaan uit grote verliezen van grond door de stijgendezeespiegel, ernstige tekorten aan water en voedsel enmassale volksverhuizingen, aldus het International Panelon Climate Change (IPCC) recentelijk. Dit kan de huidigeproblemen op de mondiale veiligheidsagenda verderverergeren en nieuwe spanningen veroorzaken.Ideologische conflicten: de uitdagingen van de politieke islamEen vierde belangrijke factor in de huidige veiligheids-situatie is de groei van gewelddadige islamitischegroeperingen, die zowel een directe bedreiging voor deopenbare orde als een politieke bedreiging voor westerseliberale democratieën op de lange termijn vormen.De moderne islam kan beter worden beschouwd als eenpolitieke beweging die een bepaalde interpretatie vanreligie hanteert en niet zozeer als een fundamentalistischereligieuze stroming die af en toe politiek bedrijft.Door een combinatie van mondiale communicatie en detoenemende migratie van volken is de politieke islam eringeslaagd zijn greep buiten de landen met een moslim-meerderheid uit te breiden naar westerse liberale demo-cratieën. Zoals gebleken bij de bomaanslagen in Londenin 2005 vormt de radicalisering onder moslims binnen enbuiten het VK door gewelddadige islamitische groeperingeneen belangrijke bedreiging voor de veiligheid van het VK.Ondanks de ernst van de dreiging die uitgaat van de islamontbreekt het beleidsmakers van het VK nog altijd aaninzicht in de complexe oorzaken voor gewelddadigislamisme en radicalisering. Het ziet er dus naar uit dat ertraag vooruitgang zal worden geboekt en dat de dreigingvan het islamisme voorlopig een bepalende factor zal blijvenvoor de nationale en internationale veiligheidsagenda.Sociaaleconomische veerkrachtAls vijfde factor achter de veranderingen beschouwen we desociaaleconomische veerkracht. Het afgelopen >>>
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200816decennium hebben Britse bedrijven hun operaties steedsverder afgeslankt, zijn ze "just-in-time" gaan producerenen hebben ze overtollig personeel afgestoten en hun voor-raden tot een minimum teruggebracht. Dat vergt natuur-lijk veel van de beveiliging en betrouwbaarheid van deondersteunende infrastructuur zoals energie, communica-tie en transport. De infrastructuur van het VK is echtersteeds kwetsbaarder geworden voor storingen, vooral van-wege de onderlinge afhankelijkheid van de onderdelenervan. Deze interdependentie maakt de infrastructuurgevoelig voor een soort domino-effect waarbij de uitval vaneen belangrijke sector van de infrastructuur – hetzij tengevolge van een aanslag hetzij door een natuurramp – kanleiden tot de uitval van andere sectoren, met alle gevolgenvan dien.Het nieuwe front: afbakenen van het primaat vanveiligheidsbeleidDe bovengenoemde veranderingen nopen duidelijk toteen omslag in het denken over veiligheid. De traditioneleopvattingen over nationaal veiligheidsbeleid die gebaseerdzijn op het primaat van staten, de concurrentie tussen statenen militaire kwesties blijven in veel opzichten relevant,maar volstaan niet om de complexiteit van de huidigeveiligheidssituatie adequaat te ondervangen. Het front inde strijd om de veiligheid heeft zich verplaatst en ligtmondiaal gezien thans in fragiele staten als Afghanistanwaar Britse troepen momenteel gestationeerd zijn en inde internationale strijd tegen de klimaatverandering. Maarhet ligt ook op lokaal niveau, binnen onze gemeenschappen,waar we de radicalisering en het extremisme aanpakken.Kortom: we hebben al lang niet meer te maken met éénfront, maar met vele, variërend van militaire tot milieu- eneconomische fronten.We dienen een nieuwe nationale veiligheidsstrategie daaromin een ruimere context te plaatsen waarbij meer factorenen actoren in aanmerking worden genomen en opmeerdere niveaus analyses worden gemaakt.Samenwerking en veiligheid: een nieuwe aanpakWillen we onze overheidsstructuren met succes verbeterenen uitbreiden naar dit nieuwe veiligheidsgebied, dan zijnsamenwerking en een gecoördineerde aanpak, waarbij eenbreder scala aan beleidsinstrumenten en actoren kanworden ingezet, onontbeerlijk.De voornaamste uitgangspunten voor samenwerking opveiligheidsgebied zijn:• Het begrip “geïntegreerde macht” aanvaarden. Dit vereisttoepassing van een ruimer scala aan beleidsinstrumentenom oplossingen op maat te creëren voor veiligheids-kwesties, gebruik makend van zowel “harde”, dusmilitaire en andere dwangmiddelen, als “zachte” socialeen economische instrumenten, echter zonder tusseneen van beide categorieën te moeten kiezen.• Samenwerkingsverbanden met derden aangaan. Dit betreftde kern van deze benadering en is relevant voor samen-werking op het multilaterale en regionale niveau maarook op nationaal niveau tussen verschillende actorenbinnen dezelfde staat.• Draagvlak creëren. Voor zinvolle samenwerking zijngemeenschappelijke doelen nodig die worden gedragendoor alle actoren en dit kan alleen worden bewerkstelligdals er een breed politiek draagvlak is in de besluit-vormingsprocessen. Bij onvoldoende politiek draagvlaklopen we het risico potentiële partners in internationaleen nationale kringen van ons te vervreemden, waardoorons vermogen de veiligheid te garanderen uitgeholdwordt.• Transparantere beleidsvorming. Draagvlak wordt alleengecreëerd als alle actoren merken dat de beleidsvormingop veiligheidsgebied open en transparant verloopt. Deoverheid moet daarom zoeken naar mogelijkhedenwaar dat op een veilige manier kan.• Openstaan voor institutionele hervormingen. De nieuweveiligheidssituatie en de noodzaak beleidsinstrumentente integreren vergen waarschijnlijk een wezenlijkeinstitutionele hervorming op een aantal overheidsniveaus.Bestaande institutionele grenzen mogen deze innovatieniet in de weg staan.Belangrijkste kwesties en conclusiesDe voorgaande analyse heeft veel implicaties voor debeleidsvorming in het VK. De veiligheidssituatie is deafgelopen jaren drastisch veranderd en de beleidsmakersin het VK zullen alles in het werk moeten stellen om hunwerk af te stemmen op het snelle tempo van die verande-ringen. Indachtig de aankondiging van de Britse regeringdat zij binnenkort een officiële nationale beveiligings-strategie voor het Verenigd Koninkrijk bekend zal maken,besluiten we dit artikel met een aantal kwesties die naaronze mening dringend aandacht behoeven:• Hoe kunnen we strategische internationale instellingenhet best hervormen om te waarborgen dat ze beant-woorden aan de realiteit van de internationale orde ensamenwerking op veiligheidsgebied bevorderen?• Wat kunnen we doen om een op regels gebaseerdeinternationale orde te versterken en draagvlak voor actiein de internationale veiligheidsarena te creëren?• Wat kunnen we nog meer doen ter ondersteuning vannationale en internationale pogingen om de klimaat-verandering af te remmen?• Hoe kunnen we het non-proliferatieregime voorkernwapens en het non-proliferatieverdrag het bestondersteunen?• Hoe kunnen we de verhouding tussen aanbod van en
  • 17 Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 2008Hier rust de crisisbeheersingWe zijn het er allemaal over eens dat orkaan Katrina eentraumatisch fiasco was. Maar we moeten verder kijkendan deze specifieke ramp en er een mondiale boodschapuit distilleren. Ten eerste behoorde Katrina tot de categoriecatastrofale gebeurtenissen die steeds gewoner worden:“We moeten rekenen op meer catastrofes van het formaatKatrina, en misschien wel ergere”4. Ten tweede wordenwe in strategisch opzicht overdonderd door dit soortnieuwe ontwikkelingen: “Ons huidige systeem voorbinnenlandse veiligheid verschaft niet het nodige kaderom de complicaties die catastrofes van de 21e eeuw metzich meebrengen te beheersen”5. Ten derde druist hettegen onze cultuur in om de drastische veranderingen >>>Crises in de 21eeeuw: schreeuwendebehoefte aan een nieuwe kosmologie“Waarom lijkt het altijd alsof we één ramp achterlopen?”1Dit is verreweg de belangrijkste vraag achter derapporten Failures of Imagination en Failures of Initiative. Het slechte nieuws is dat we crisis na crisis blijvenreageren alsof we zodanig geprogrammeerd zijn dat we alleen roepen om meer van hetzelfde: meerstandaardantwoorden, meer plannen en meer “command and control”. Het goede nieuws is dat er mensenzijn die beginnen in te zien dat de nieuwe kwesties en contexten van de 21eeeuw een grondige omslagvereisen in onze crisiscultuur en -strategie. Net als Magellan in de 16eeeuw2hebben we behoefte aan eennieuwe kosmologie. Het is hoog tijd om ons te wagen aan het maken van nieuwe kaarten en nieuwestrategieën, tactieken en onderwijs- en trainingsmodellen uit te broeden3.1U.S. House of Representatives, A Failure of Initiative, Final Report of the Select Bipartisan Committee to Investigate thePreparation for and Response to Hurricane Katrina, US Government Printing Office, 15 February 2006 (p. 359).2Laurence Bergreen, Over the Edge of the World – Magellan’s Terrifying Circumnavigation of the Globe, Harper Perennial, NewYork, 2004 (pp. 73; 10; 73, 201-202).3Patrick Lagadec, ‘Over the edge of the world’, in: Crisis Response Journal, Volume 3, Issue 4, p. 48-49, September 2007.4The White House, The Federal Response to Hurricane Katrina – Lessons Learned, 23 February 2006, p. 65.5The White House, idem, p. 52.vraag naar energie op internationaal niveau met succesbeheersen gelet op de krapper wordende energie-markten en de groei van particuliere kernenergie?• Hoe kunnen we het groeiende gevaar van de gewelddadigepolitieke islam in binnen- en buitenland effectief hethoofd bieden?• Wat kunnen we nog meer doen om de mondiale armoedeen ongelijkheid aan te pakken en falende staten en geweld-dadige conflicten in de derde wereld te voorkomen?• Hoe kunnen we ons het best voorbereiden op eeneventuele pandemie in het VK?• Hoe kunnen we de sociaaleconomische kwetsbaarheidvan het VK het best verminderen en zijn kritischenationale infrastructuur versterken?• Hoe kunnen we beleidsinstrumenten om de oorzakenen gevolgen van grensoverschrijdende georganiseerdemisdaad aan te pakken het best integreren?• Wat kunnen we nog meer doen om de veiligheid vankwetsbare voorraden splijtstoffen te garanderen?Dit zijn een aantal urgente kwesties die de Commission onNational Security in the 21stCentury van IPPR zal behandelenen waarvan wij menen dat de regering ze mee moetnemen in haar overwegingen op het gebied van hetnationale veiligheidsbeleid.IIaann KKeeaarrnnss eenn KKaattiiee PPaaiinnttiinn,,Institute for Public Policy Research (IPPR)
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200818te implementeren die ons in staat stellen de handschoenop te nemen: “Veel ambtenaren weigeren stomweg in tezien dat er fundamentele wijzigingen in de crisisbeheer-sing nodig zijn”6.Op het niveau van tactieken en materieel kan – en moet –er natuurlijk veel gebeuren om onze operationelemogelijkheden te versterken, teksten en plannen teherschrijven, bepaalde gevoelige kwesties als “push”- of“pull”-mechanismen te verduidelijken (we kunnen onsnauwelijks voorstellen welke moeilijkheden deimplementatie van een pan-Europees “push”-systeem totgevolg zou hebben) en om mensen op alle niveaus tetrainen. Maar de werkelijke uitdaging zit hem in het feitdat het operationele centrum volledig op de schop moet.Onze crisiscultuur is verankerd in een achterhaald model.In de twintigste eeuw werd crisis nog omschreven als eenacuut probleem dat kon worden opgelost en verholpendoor snelle interventie; we moesten gewoon paraat zijnom de nodige middelen in gang te zetten en de normalesituatie te herstellen; het probleem was dus specifiek,stond op zichzelf en de context was stabiel. Vandaag dedag kunnen incidenten veel meer ontwrichtend zijn enbelangrijker: ze doen zich voor in contexten die funda-menteel instabiel zijn en voortdurend aan veranderingonderhevig. Connectiviteit is het leitmotiv van onze sterkeen zwakke punten en snelheid, onwetendheid, hyper-complexiteit en onvoorstelbaarheid zijn de factoren waarwe mee van doen hebben. Elk incident, dus niet alleenrampen van categorie 5, kan onvoorstelbare domino-effecten in gang zetten.Een heel nieuw spelCrisisbeheersing gaat inmiddels veel verder dan hetreageren op een noodsituatie. En daar moeten we ons aanaanpassen.InlichtingenOoit hanteerden we een statische aanpak, met voorafomschreven rampencategorieën, vooraf geplande reacties,vooraf opgezette organisaties en strikte bevelsstructuren.Nu moeten we een nieuw inlichtingenmodel opzettenvoor chaotische situaties waarin niets stabiel is en dekleinste wankeling onze denkramen al op hun kop kanzetten en elke actie meerdere reacties oproept.7We haddenooit vaste doctrines waarmee we de juiste implementatievan vaste antwoorden konden garanderen. Nu moeten weRapid Reflection Forces8in het leven roepen om nieuweinstrumenten voor begrip te ontwikkelen en ons nieuwewegen te banen door alle terrae incognitae.OrganisatieOnze plannen waren overzichtelijk georganiseerd volgenshet matroesjkamodel, de Russische poppen die elk weereen ander niveau vertegenwoordigden: lokaal, regionaal,nationaal en internationaal. We moeten nu complexeredynamieken creëren en de opeenvolgende logica verlaten:biologie vervangt mechanica.LeiderschapWe verlieten ons altijd op ambtenaren die op hun beurtweer vertrouwden op een vast corpus aan beste praktijken.Nu moeten we “op alle overheidsniveaus een leiderschaps-corps opbouwen (...) dat bestaat uit leiders die innovatie6U.S. House of Representatives, p. xi.7Mike Granatt’s re-interpretation of Newton’s principle. Personal communication.8Pierre Béroux, Xavier Guilhou, Patrick Lagadec: ‘Implementing Rapid Reflection Forces’, in: Crisis Response Journal, vol. 3,issue 2, pp. 36-37 & "Rapid Reflection Forces put to the reality test” in Crisis Response Journal, forthcoming, vol 4, issue 2,March 2008.
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 2008199The White House, idem, p. 72.10U.S. House of Representatives, idem, p. 165.11The White House, idem, p. 73.niet uit de weg gaan en het initiatief nemen onderextreem zware omstandigheden”9NetwerkenOoit hadden we behoefte aan duidelijkheid over wie hetbevel voerde en wilden we dat uitgebreid in kaart werdgebracht welke stakeholders gecoördineerd moestenworden. Nu moeten we ons instellen op steeds complexerenetwerkprocessen en ons realiseren dat voorbereiding,actie en reactie een caleidoscoop aan spelers vereisen.We kunnen niet meer volstaan met “partnerschappen”.Wat we nodig hebben is een “global new deal” waarin derollen van elke speler fundamenteel gewijzigd zijn en danvooral de taakverdeling tussen de publieke autoriteiten ende beheerders van vitale netwerken.ZelfredzaamheidOnze leiders werden altijd geobsedeerd door het gevaarvan paniek onder de bevolking, hoewel de geschiedenisheeft uitgewezen dat burgers zich in tijden van crisis vaakvindingrijk tonen en het hoofd koel houden.Zelfredzaamheid moet dus een vaste factor zijn van allesystemen die we opzetten. Dit betekent dat we niet langermoeten bogen op alleen het principe van control andcommand maar ook moeten leren vertrouwen op debevolking zelf.CommunicatieHet hele proces staat of valt met communicatie om mensenmet elkaar te verbinden en te kunnen inspelen op zeer snelveranderende situaties. Technische hoogstandjes kunnenniet voorkomen dat ook de elementaire communicatie ingevaar kan komen: “Interoperabiliteitsproblemen werden tentijde van Katrina tot op zekere hoogte gemaskeerd door de veelernstiger problemen van de vernietiging van voorzieningen enstroomuitval.” 10. De grootste uitdaging op het gebied vaninformatie is, wederom, cultureel bepaald. Je kunt weiniguitrichten met satelliettelefoons en Blackberries wanneerde gebruikers verwikkeld zijn in een loopgravenoorlog. Erkomt meer bij kijken dan de wijsheid ”You should not beexchanging business cards when a crisis hits”: zelfs wanneerde betrokkenen elkaar goed kennen, blijft het de vraag ofze onmiddellijk bereid zijn met bekenden en onbekendente communiceren wanneer de situatie snel verandert en ergeen perfecte informatiestromen of duidelijke bevels-structuren zijn.HerstelIn de twintigste eeuw toen de wereld er redelijk stabiel bijlag, draaide alles om het optreden in noodsituaties; terug-keer naar de normale toestand werd geacht min of meervanzelf te geschieden en was vooral gericht op specifiekeschadegevallen. Maar in de onstabiele en complexe wereldvan vandaag gaat het niet meer om het “herstel” vanmuren, bruggen en wegen, zodra de heroïek van reddings-acties weggeëbd is. Het wordt essentieel al jaren van tevoren – en dus niet the day after – de voorwaarden voor eencomplexe maatschappelijke textuur te creëren om eennieuwe duurzame dynamiek in een snel veranderendeomgeving te bewerkstelligen.Opleiding en trainingWe leerden mensen altijd een bekende reeks regels toe tepassen. Nu moeten we hen leren om te gaan met hetonbekende en creatief te zijn, ook wanneer dat tegenstaat.In het rapport van het Witte Huis staat: “Bij hun opleidingmoeten federale ambtenaren er niet voor terugdeinzen tehandelen volgens ergst denkbare scenarios die in strijdzijn met ons binnenlandse veiligheidssysteem”11.Starheid is fataal in een snel veranderende wereld, waarsnelheid en connectiviteit van levensbelang zijn voorveiligheid en betrouwbaarheid. Het is cruciaal anders tegaan denken en handelen. De kwestie van systeemcrisesmoet hoog op de agenda’s van staatshoofden komen testaan. Laten we daarom niet wachten tot de volgende crisisvoordat we strategische initiatieven gaan ontplooien.PPaattrriicckk LLaaggaaddeecc,,Directeur Research, Ecole Polytechnique (Paris),www.patricklagadec.net
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200820Ondernemingen kunnen kiezen uit verschillende optiesen methoden om hun risico’s te beheersen. We zien echtersteeds een aantal factoren terugkomen die ondernemingenmet een geavanceerd risicobeheersingssysteem kiezen.Ze komen hieronder aan bod.Geen enkel bedrijf kan onbeperkt in de buidel tasten voorrisicomanagement, dus men moet zich concentreren opde waardevolste elementen van de bedrijfsvoering. Hetdefiniëren en meten van waarde is natuurlijk een zeersubjectieve aangelegenheid en zal per ondernemingverschillen, maar betreft meestal een aantal tot op zekerehoogte meetbare factoren, zoals winst, imago, merk engroeistrategie. Door de strategische elementen van onder-nemingen kwalitatief en kwantitatief te meten komen deactiviteiten aan het licht die de meeste waarde opleverenen daarmee kunnen zij prioriteiten vaststellen voor hettoespitsen en optimaliseren van het risicobeheer.Zodra de prioriteiten zijn vastgesteld dient de waardeketenvan de activiteit te worden beoordeeld om in kaart tebrengen welke afhankelijkheden er zijn wat betreftmensen, technologie, faciliteiten en leveranciers etc. endaarmee de punten en middelen die mogelijk kwetsbaarzijn voor risico’s. Wellicht is er al kennis over in huis,maar over het algemeen verdient het aanbeveling de aldusRisicomanagement in het bedrijfslevenPrivate ondernemingen worden geconfronteerd met zeer uiteenlopende risico’s, die effectief managementvergen willen de ondernemingen succesvol kunnen zijn. Bedrijven opereren vaak internationaal in zowel zeerstrikt gereguleerde, als in dynamische omgevingen, hebben bij de toelevering te maken met wereldwijdeafhankelijkheidsketens en zijn vaak verwikkeld in een hevige concurrentiestrijd. De omvang en complexiteitvan de risico’s waarmee ondernemingen geconfronteerd worden zijn soms extreem en vormen een enormeuitdaging. Als het bedrijfsleven de risico’s niet doorgrondt en er niet adequaat op reageert, kan dat ten kostegaan van de winst en het imago en zelfs tot faillissement leiden.Risk management optimisation – Avoidance, mitigation and transfer
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200821verkregen informatie aan te vullen met een gestructureerderisicoanalyse en zo een compleet beeld te krijgen van degevaren waaraan kritieke middelen blootstaan.Gefundeerde beslissingen voor het formuleren van eenadequate risicomanagementstrategie kunnen wordengenomen aan de hand van grondige evaluaties enanalyses. Deze moeten worden ondersteund door eeninschatting van de risicobereidheid en de tolerantie voorverliezen van de onderneming, zodat objectief wordtvastgesteld welke risiconiveaus aanvaardbaar zijn; deuitkomsten zijn maatgevend voor eventuele latere wijzi-gingen in processen en investeringen in risicobeheersing,met andere woorden de inzet van middelen wordtgeoptimaliseerd. Zo zou vastgesteld kunnen worden dathet incasseringsvermogen of de paraatheid van de onder-neming op een bepaald moment buitengewoon hoog isten opzichte van het tolerantieniveau en voor bepaaldefuncties verlaagd zou kunnen worden, waardoor kosten-besparingen mogelijk worden. Ook zou besloten kunnenworden het incasseringsvermogen te vergroten doorintensiever business continuity management (BCM) en eenuitgebreidere verzekering, indien het vastgestelde risicoonaanvaardbaar wordt geacht.Deze wijze van risicomanagement kan ook wordentoegepast op bedreigingen op individueel niveau, door dekosten-batenanalyse van de voorgestelde methode voorrisicomanagement aan te vullen met gegevens over derisicotolerantie van de onderneming. Wanneer we derisico’s van natuurrampen als voorbeeld nemen, hebbenbedrijven diverse opties om zich hierop voor te bereiden.Zo kunnen ze die vermijden door af te zien van een locatiein een kwetsbaar gebied, gebruik te maken van BCM ofhet risico af te kopen door middel van een verzekeringtegen zaakschade en bedrijfsonderbrekingen. De optimalemix die een onderneming kiest, zal uiteindelijk wordenbepaald door factoren als kosten en baten en de gewenstemate van zekerheid. Een verzekering bijvoorbeeld kan decashflow weliswaar op de korte termijn op peil houden,maar geen reputatieschade voorkomen. Het vermijdenvan risicos zal meer zekerheid bieden, maar dan zal ereen financiële veer moeten worden gelaten.Bedrijven beginnen nu gebruik te maken van technologieom realtime-informatie over risico’s te verzamelen zodatsnel alarm geslagen kan worden bij voor hen relevantebedreigingen die tot waardeverlies kunnen leiden. Ditsoort vroegtijdige waarschuwingssystemen kunnen eenbelangrijke verdedigingslinie vormen om de schadelijkegevolgen van bepaalde risicocategorieën te voorkomen ofte beperken.MMaatttthheeww EEllkkiinnggttoonn,,vicepresident Marsh Risk Consulting Ltd, London(matthew.elkington@marsh.com)Value mappingWeightMetricsAgreeToleranceAssessImpacts PrioritiseDefineValue
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200822Aan het begin van de workshop werden twee verschillendemethoden gepresenteerd: de Nederlandse Nationale RisicoBeoordeling (NRB) en het European Programme for CriticalInfrastructure Protection (EPCIP). Beide benaderingenkomen hierna separaat aan bod. Deze benaderingen/artikelen worden hier ingeleid middels een besprekingvan de redenen om deze presentaties in eenzelfdeworkshop te houden en een bespreking van interessanteovereenkomsten en verschillen. Tenslotte worden enkeleworkshopdiscussies en -voorstellen kort besproken.De NRB en EPCIP methoden zijn gepresenteerd omwillevan de volgende redenen:• Deze methoden zijn in het laatste stadium van hunontwikkeling en zouden nog verbeterd kunnen wordendoor goede suggesties en kritische opmerkingen.• Beide methoden zullen binnenkort effectief gebruiktworden. Het EPCIP zal als Europese richtlijn een directeffect hebben op alle EU lidstaten. De NederlandseNRB zal binnenkort gebruikt worden om het kabinet teinformeren over mogelijke risico’s en de te verbeterencapaciteiten.• De ontwikkeling van risicobeoordelingsmethodenvraagt veel tijd en moeite. De gepresenteerde benade-ringen zouden bevriende naties en organisaties die(momenteel op het punt zouden staan om dergelijkemethoden te ontwikkelen) mogelijkerwijs kunneninspireren. De ervaring opgedaan in Nederland en hetVerenigd Koninkrijk zou andere naties bijvoorbeeldkunnen helpen om zelf op snellere wijze, beteremethoden te ontwikkelen en obstakels en valkuilen tevermijden.• Beide benaderingen bevatten enkele interessanteinnovatieve aspecten.• De analyse van overeenkomsten en verschillen tussenbenaderingen leidt tevens tot een beter begrip van debenaderingen en van de doelstellingen, omstandighedenen cultuur waaraan ze moeten voldoen.Een eerste overeenkomst tussen de EPCIP en NRBbenaderingen is dat ze ‘all hazard’ benaderingen zijn,waarin alle bedreigingen beschouwd worden. Een andereovereenkomst is dat ze beide meerdere criteria gebruikenom de impact van incident scenario’s op verschillende(kwalitatieve en kwantitatieve) aspecten en dimensies in teschatten. Hoewel Multi-Criteria Analysis (MCA) methodenal meer dan 50 jaar bestaan, is hun toepassing op de(Nationale) Veiligheid relatief nieuw. Beide benaderingenstellen hoge – maar licht verschillende – eisen aan de velescenario’s die ontwikkeld moeten worden. Het scenario-ontwikkelingsproces is daarom van cruciaal belang.De EPCIP en NRB benaderingen verschillen aan deandere kant ook aanzienlijk van elkaar. De verschillen inniveau (het EU niveau versus het nationale niveau) en dereikwijdte (altijd grensoverschrijdend versus vooralnationaal) spreken voor zich. De verschillen in motief enfocus van de analyse zijn waarschijnlijk minder duidelijk.Het motief voor de EPCIP is de bescherming van Europesevitale infrastructuren, en de focus van de analyse is deidentificatie van deze Europese Vitale Infrastructuren.Motieven voor de NRB zijn enerzijds de verbetering vande capaciteiten om voorbereid te zijn op en om te gaanmet potentieel grote risico’s/rampen, en anderzijds deverbetering van de samenwerking tussen ministeries. Defocus van de analyse is daarom de gemeenschappelijkeidentificatie en de robuuste classificatie van de breedstmogelijke verzameling van potentieel catastrofale risico-scenario’s en de identificatie van de benodigde capaciteitendie verbeterd zouden moeten worden om ermee om te gaan.De gebruikte MCA methoden en technieken verschillendientengevolge ook aanzienlijk. Het EPCIP is eenminimumdrempel benadering waarbij multidimensionaleeffecten niet geaggregeerd worden. Dit betekent dat deordegrootte van de impact – buiten de afweging of ze dedrempelwaarde overstijgen of niet – niet van belang zijn,en dat er geen compensatie optreedt tussen effecten opverschillende criteria. Een infrastructuur zal bijvoorbeeldniet als Europees vitaal geklasseerd worden als alle impactennipt onder de drempelwaarden vallen. In de Nederlandsebenadering wordt de ordegrootte van de impact op deverschillende criteria wel beoordeeld en worden de multi-dimensionale effecten deels geaggregeerd, hetgeen inhoudtdat er compensatorische effecten optreden tussen criteria,die nauwgezet geanalyseerd worden.De impactcriteria verschillen ook: de EPCIP criteria zijnWorkshop: risicoanalyseEen van de vier workshops van de conferentie richtte zich op methoden om bedreigingen in te schatten.De twee doelstellingen van deze semi-interactieve workshop waren (1) het presenteren, bespreken, uitwisselenen vergelijken van (innovatieve) methoden, en (2) het initiëren van internationale samenwerking op dit vlak.
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200823speciaal gedefinieerd om grensoverschrijdende effecten inte schatten, terwijl de Nederlandse criteria speciaalgedefinieerd zijn om – voor Nederland belangrijke –nationale effecten in te schatten.De EPCIP scenario’s moeten specifiek zijn en omvattendirecte en indirecte effecten (cascading effects), terwijl deNederlandse scenario’s zo generiek mogelijk en tegelijker-tijd specifiek genoeg moeten zijn om enkel de directeeffecten te scoren.Uitgebreide gevoeligheidsanalyses (onzekere scores engewichten) en robuustheidsanalyses (verschillendemethoden) zijn – gegeven het generieke karakter van descenario’s en de gebruikte MCA methoden – van grootbelang in de Nederlandse methode.Beide benaderingen weerspiegelen in feite de cultuur enhet proces waaruit ze ontstaan zijn. De EPCIP benaderingkan beschouwd worden als een compromisbenadering,terwijl de NRB een typisch Nederlandse, op consensusgerichte benadering is. De Nederlandse methode isontwikkeld door een team van vertegenwoordigers vanverschillende departementen, kennisinstituten (plan-bureaus, universiteiten, think-tanks) en het bedrijfsleven.Na de presentatie van deze twee benaderingen, volgde eeninteractieve post-it activiteit en een discussie van deopmerkingen. De discussie was vooral gecentreerd rondvragen als:• Dient men deze benaderingen te richten op veiligheiden/of beveiliging?• Zijn deze benaderingen fundamenteel gevolg- en/ofdreigingsgeoriënteerd? Wat zou van complementairebenaderingen geleerd kunnen worden?• Voegt de gedetailleerde analyse waarde toe?• Hoe kunnen fundamenteel verrassende risico’s ookbeschouwd worden?• Zou – en hoe zou – een vruchtbare samenwerkingtussen en binnen regionale, nationale, en lokaleniveaus tot stand gebracht kunnen worden?• Zou informatie betreffende methoden gedeeld kunnenworden?• Zou informatie betreffende scenario’s gedeeld kunnenworden?• Zouden de benaderingen ontwikkeld in een bepaaldecontext, rechtstreeks in een andere context toegepastkunnen worden?Tenslotte werd een aantal ideeën besproken om deinternationale samenwerking op het vlak van de risico-beoordeling te verbeteren. Er werd onder meer voorgesteldom netwerken (networks of excellence) op te zetten, omfollow-up conferenties en workshops betreffenderisicobeoordelingsmethoden te organiseren, om desamenwerking naar andere organisaties en niveaus uit tebreiden, en ten slotte om de huidige stimulansen voorinternationale samenwerking te verbeteren.Deze conferentie (en workshop) zouden vanuit dat opzichthet begin kunnen zijn van een vruchtbare samenwerkingop het vlak van de risicobeoordeling.ddrr.. EErriikk PPrruuyytt,,Technische Universiteit Delft
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200824InleidingDe Nederlandse regering heeft het besluit genomen eenStrategie Nationale Veiligheid te ontwikkelen met het doelde onderstaande vijf geselecteerde nationale belangenoptimaal te beschermen tegen potentiële grootschaligerisico’s (incidentscenario’s):• territoriale veiligheid;• fysieke veiligheid;• economische veiligheid;• ecologische veiligheid;• sociale en politieke stabiliteit.Het belangrijkste doel van de Nationale Risico Beoordeling,welke deel uitmaakt van het proces om een StrategieNationale Veiligheid te ontwikkelen, is de Nederlandseregering inzicht te verschaffen in de onderlinge rang-schikking van de geïdentificeerde incidentscenario’s watbetreft het afbreukrisico – in termen van waarschijnlijkheiden omvang – voor de nationale belangen.De volgende randvoorwaarden voor de ontwikkeling vande NRB methodiek zijn gesteld:• de methodiek is geschikt voor alle soorten risico’s,zowel gevaren als (terroristische) dreigingen;• het rangschikken van de geselecteerde risico’s(incidentscenario’s) moet gebaseerd worden op deintegrale weging van de aantasting van zeer ongelijk-soortige belangen.Risicoanalyse is het proces dat resulteert in derangschikking van ongewenste gebeurtenissen (incident-scenario’s) op basis van hun waarschijnlijkheid enpotentiële schadeomvang.Risicoanalysemethoden zijn voor onderscheidentoepassingsgebieden ontwikkeld, bijvoorbeeld industriëleveiligheid, risico management, treasury, besliskunde, enstaan uitvoerig beschreven in de literatuur.Niettemin vormt de ontwikkeling van de NRB methodiekeen grote uitdaging vanwege:• de integratie van zeer verschillende schadegevolgen(bijvoorbeeld verlies van territorium tegenover aantaldoden);• het bepalen van de waarschijnlijkheid voor onbekenderisico’s (bijvoorbeeld nieuwe terroristische dreigingen),extreme catastrofes (geen statistische gegevens), ofgebeurtenissen die zich ontwikkelen (bijvoorbeeldklimaatverandering);• de complexiteit van het rangschikken van incident-scenario’s op basis van de uitkomsten voor waarschijn-lijkheid en schadeomvang.Op basis van de poster zullen in de volgende paragrafende belangrijkste stappen van de NRB methodiek wordentoegelicht.Bepaling schadeomvang (impact)De eerste stap in het proces van Nationale RisicoBeoordeling betreft de identificatie, selectie en beschrijvingvan de incidentscenario’s. Daarbij kan bijvoorbeeld gedachtworden aan overstroming, pandemie, terroristischeaanslag of grootschalige energie uitval. Voor 2007 zijndoor expertgroepen 13 scenario’s uitgewerkt. Ieder scenariowordt uitgebreid gedefinieerd, waarbij het risico is vertaaldin termen van zeer ernstig of maximaal geloofwaardig.Alle scenario’s zijn zodanig ernstig dat een of meer van devitale belangen geschaad wordt en daarmee de nationaleveiligheid in het geding is. De scenario’s moeten zodaniginformatief zijn dat het mogelijk is waarschijnlijkheid enschadeomvang te bepalen.De analyse van de schadeomvang omvat de vijf gedefi-nieerde nationale belangen. Ieder belang is vertaald inéén of meer schadecriteria, die gezamenlijk representatiefworden geacht voor de schade. In totaal zijn 10 schade-Dit artikel beschrijft de methodiek voor de Nationale Risicobeoordeling (NRB) in Nederland zoals deze dooreen expertgroep in 2007 is ontwikkeld. De NRB methodiek verschaft de Nederlandse regering een omvattendeen gekwalificeerde ondersteuning bij het prioriteren van risico’s op nationale schaal met het doel om opconsistente en reproduceerbare wijze het planningsproces vorm te geven voor de vereiste taken en capaciteiteningeval de geïdentificeerde risico’s daadwerkelijk optreden. De methodiek is met succes toegepast voor eengeselecteerd aantal incidentscenario’s. De methodiek wordt in 2008 verder aangescherpt.Nationale Risicobeoordeling: de Nederlandseaanpak
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200825criteria gedefinieerd. Fysieke veiligheid wordt bijvoorbeeldgerepresenteerd door de schadecriteria doden (1),gewonden (2) en fysiek lijden (3). Elk schadecriterium isop zodanige wijze beschreven dat de omvang eenvoudiggescoord kan worden. Doden is bijvoorbeeld gedefinieerdals het aantal mensen dat onmiddellijk of binnen een jaarsterft als direct gevolg van het beschreven incidentscenario.Voor alle schadecriteria zijn 5 klassen gedefinieerd, uiteen-lopend van A (minimum schade) tot E (maximum schade).Bijvoorbeeld het schadecriterium doden: klasse Arepresenteert 0-10 doden, en klasse E representeert10.000 doden of meer. Ingeval een individueel schade-scenario in het geheel geen afbreuk doet aan een vitaalbelang respectievelijk schadecriterium dan wordt de score0 toegekend (niet van toepassing). Een pandemie heeftbijvoorbeeld geen enkele invloed op het vitaal belangEcologische Veiligheid, met als gevolg dat het schade-criterium langdurige ecologische verstoring van flora enfauna de score 0 krijgt.Multi Criteria AnalyseOm de scores voor de 10 schadecriteria ‘op te tellen’ totéén score voor de schadeomvang wordt gebruik gemaaktvan Multi Criteria Analyse (MCA).Om te voorkomen dat op voorhand methodologische keuzesgemaakt worden die invloed kunnen hebben op het eind-resultaat – de rangschikking van de incidentscenario’snaar schadeomvang – is besloten om:• drie verschillende MCA methodes toe te passen:• gewogen som methode – een puur kwantitatieveutiliteitsfunctie benadering;• medaille methode – een puur kwalitatieve benadering;• Evamix methode – een gecombineerde kwalitatieve/kwantitatieve benadering;• vijf verschillende preferentieprofielen te definiëren.Als uitgangspunt wordt het profiel gehanteerd dathetzelfde gewicht toekent aan alle vijf vitale belangen.Daarnaast zijn 4 karakteristieke sociaal/culturelepreferentieprofielen gedefinieerd die ieder verschillendegewichten toekent aan de vitale belangen respectievelijkschadecriteria;• verschillende weging toe te passen om A, B, C, D, Escores te herberekenen, variërend van lineair totexponentieel.Om een beter begrip te krijgen over de onzekerheid enrobuustheid van het resultaat zijn de berekeningenuitgevoerd voor alle denkbare combinaties van MCAmethoden, preferentieprofielen, gewichten, onzekerheids-intervallen voor individuele schadecriteria, enzovoorts.Uit de berekeningen blijkt dat het resultaat voor de 2007scenario’s als robuust kan worden beschreven. De rang-schikking varieert slechts in beperkte mate afhankelijk vande gekozen combinatie.Bepaling waarschijnlijkheidAlle gedefinieerde incidentscenario’s kunnen gekarakteri-seerd worden als onzeker voorval, en het risico kan dus –naast schadeomvang – ook gekarakteriseerd worden doorde waarschijnlijkheid. Om in staat te zijn de >>>
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200826incidentscenario’s te prioriteren naar risico moet dewaarschijnlijkheid afgezet worden tegen de schadeom-vang. De waarschijnlijkheid wordt bepaald voor een perio-de van vijf jaar, en wordt – evenals de schadeomvang –gepresenteerd op een 5-puntsschaal: klasse A-B-C-D-E.Klasse A representeert ‘minst waarschijnlijke gebeurtenis’ ,klasse E representeert ‘meest waarschijnlijke gebeurtenis’.Vanwege het feit dat de meeste incidentscenario’s een lagekans van optreden hebben, is ervoor gekozen dat deonderlinge weging van de schalen een exponentieelkarakter dragen. Voor de kwantitatieve schaal wordt eenfactor 10 gehanteerd. Een bijkomend gevolg is dat deschaalverdeling vrij robuust is, en compenseert voor hetbelangrijkste probleem bij het bepalen van de waarschijn-lijkheid, namelijk het gebrek aan kennis en statistischegegevens. Het bepalen van de waarschijnlijkheid voor deincidentscenario’s zal sterk afhankelijk zijn van de meningvan experts, het proces om kennis aan de experts teonttrekken zal zorgvuldig dienen te gebeuren.Voor dreigingen (‘malicious events’) en gevaren (‘non-malicious events’) zijn verschillende schalen gehanteerd.De waarschijnlijkheid voor gevaren wordt direct gescoordop basis van de gedefinieerde kwantitatieve en kwalitatieveschaal; hierbij wordt gebruik gemaakt van historischegegevens, modelberekeningen, experts enzovoorts.Statistiek en historische gegevens zijn van weinig betekenisvoor het bepalen van de waarschijnlijkheid voor dreigingen.De beschreven dreigingen hebben (nog) niet plaats-gevonden. De waarschijnlijkheid wordt gebaseerd opbeschikbare kennis en onderzoek bij AIVD, KLPD e.a.Het resultaat van deze dreigingsanalyses resulteert in eenwaarschijnlijkheidsscore aan de hand van een kwalitatieveklasse aanduiding. De score kan nog bijgesteld worden opbasis van een analyse van de kwetsbaarheid voor hetdreigingscenario. De kwetsbaarheid is een maat voor hetverwachte succes met betrekking tot het uitvoeren van dedreiging, en is direct gekoppeld aan de reeds getroffenbeveiligingsmaatregelen. Indien de kwetsbaarheid laagwordt ingeschat, wordt de waarschijnlijkheid een klasseverlaagd (C wordt B); in geval de kwetsbaarheid hoogscoort, wordt de waarschijnlijkheid een klasse verhoogd(C wordt D).RisicodiagramMet het doel de totale risicoscore voor een incidentscenariozichtbaar te maken worden de scores voor schadeomvangen waarschijnlijkheid geplot in een zogeheten risicodiagram.De interpretatie van het volledige risicodiagram is nieteenvoudig. Belangrijkste vraag is: welke incidentscenario’svragen prioriteit? Daarbij dient rekening gehouden teworden met een aantal formele regels:• Risico is een functie van waarschijnlijkheid en schade-omvang; in de meest eenvoudige vormrisico = waarschijnlijkheid x schadeomvang;• Extreme scores voor de schadeomvang mogen nietgenegeerd worden, ongeacht de score voor waarschijn-lijkheid;• Optimaliseren van de nutsfunctie, dit is hetBelangrijkste vraag is: welke incidentscenario’svragen prioriteit?
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200827maximaliseren van de risicoreductie die gerealiseerdwordt door de inzet van de capaciteiten.Daarnaast spelen ook subjectieve overwegingen een rol bijde interpretatie van het risicodiagram:• Het uitspreken van preferenties voor specifiekenationale belangen en schadecriteria;• Prioriteit geven aan waarneembare maatschappelijketrends;• Beperkingen opgelegd door budgetruimte entijdplanning, enzovoorts.Het gevolg is dat het groeperen en rangschikken van deincidentscenario’s met het doel het planningsproces voortaken en capaciteiten te ondersteunen geen eenvoudigetaak is; belangrijk is de toetsingsregels duidelijk teidentificeren en vast te leggen.JJaassppeerr vvaann ddeerr HHoorrsstt,,Aon Global Risk ConsultantsEErriikk PPrruuyytt,,Technische Universiteit Delft
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200828In het kader van deze strategie heeft de EuropeseCommissie een richtlijn voor het inventariseren enaanwijzen van Europese vitale infrastructuur voorgesteldalsmede voor het beoordelen van de noodzaak debescherming ervan te verbeteren2. Hoewel we terroristischedreigingen als een prioriteit aanmerken, moeten weonderkennen dat ook natuurrampen of ongevallen verge-lijkbare gevolgen kunnen hebben, namelijk ontwrichtingof vernietiging van de infrastructuur. De bescherming vande vitale infrastructuur wordt daarom gekenmerkt dooreen integrale benadering die op alle vormen van gevaargericht is.Europees programma bescherming vitale infrastructuurBinnen de Europese Unie is er mogelijk infrastructuurwaarvan ontwrichting of vernietiging twee of meer lidstatenzou kunnen treffen. Ook uitval van de infrastructuur in deene lidstaat zou gevolgen kunnen hebben in de andere.Dergelijke infrastructuur met grensoverschrijdendedimensies waarvan uitval ingrijpende gevolgen zoukunnen hebben moet worden aangeduid en aangewezenals Europese vitale infrastructuur (ECI, European CriticalInfrastructures). Juist vanwege die transnationale dimensiezou een integrale pan-Europese benadering bij het onder-zoeken en inventariseren van de zwakke en kwetsbareplekken en lacunes in de bescherming een zinvolleaanvulling zijn op en toegevoegde waarde verlenen aan denationale programma’s die de lidstaten reeds hanteren terbescherming van hun vitale infrastructuur.In de voorgestelde richtlijn wordt elke lidstaat verplichtsectoren te onderwerpen aan bepaalde criteria en daarvervolgens sectoroverschrijdende (ook wel “cross-cutting”)criteria op toe te passen om zo de infrastructuur teidentificeren die als ECI kan worden aangewezen.Aangezien deze inventarisatie door de lidstaten zelfgeschiedt aan de hand van sectorale criteria, kan nochbinnen sectoren noch binnen lidstaten een coherente enuniforme identificatie van ECI worden gewaarborgd. Ominconsistentie bij de identificatie te voorkomen moeten delidstaten vervolgens een reeks sectoroverschrijdende criteriatoepassen op de eerder geïdentificeerde infrastructuur.Met behulp van de sectoroverschrijdende criteria dienende uitkomsten te worden geharmoniseerd.Bescherming van de vitale infrastructuur:de Europese aanpakUit de gruweldaden van 11 september 2001 in New York en de bomaanslagen op de treinen in Madrid in 2004blijkt dat terroristen zowel mensen als infrastructuur tot doelwit kiezen. Na deze gebeurtenissen heeft deEuropese Raad de Europese Commissie verzocht een allesomvattende strategie ter bescherming van vitale(ook wel “kritieke”) infrastructuur1binnen de Europese Unie te formuleren.EnergyNuclearindustryICTWaterFoodHealthFinancialTransportChemicalindustrySpaceResearchfacilitiesCross Cutting CriteriaDe 11 sectoren van de Europese infrastructuur en de horizontale ofsectoroverschrijdende criteria.1Vitale infrastructuur kan in zijn algemeenheid worden omschreven als het geheel van fysieke faciliteiten en faciliteiten op hetgebied van informatietechnologie, alsmede diensten en andere voorzieningen waarvan de onderbreking of vernietiging ernstigegevolgen zal hebben voor de gezondheid, veiligheid en/of het economisch welzijn van burgers.2Een Richtlijn inzake de inventarisatie van de Europese kritieke infrastructuur, de aanmerking van infrastructuur als Europesekritieke infrastructuur en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuur te verbeteren,COM(2006) 787 definitief, 12 december 2006.
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200829Sectoroverschrijdende criteriaIn de richtlijn worden vier categorieën van mogelijkeschadelijke gevolgen voor de maatschappij omschreven.Hiermee kan worden bepaald welke maatschappelijkegevolgen het uitvallen van infrastructuur minimaal moethebben om als ECI te worden geclassificeerd.De vier categorieën die in de richtlijn worden genoemdzijn:• de kans slachtoffers te veroorzaken en de mogelijkegevolgen voor de volksgezondheid (raming van hetaantal doden of zwaargewonden), door vernietiging ofuitval van infrastructuur;• economische gevolgen (omvang van de economischeschade en/of aantasting van producten en/of diensten).Raming van de economische schade ten gevolge van devernietiging of uitval van infrastructuur in de (overige)getroffen lidstaten;• gevolgen voor de bevolking (aantal burgers diegetroffen worden, met inbegrip van de gevolgen voorhet vertrouwen van de bevolking);• gevolgen voor het milieu.In de richtlijn staat ook expliciet dat bij het toepassen vande sectoroverschrijdende criteria ook de beschikbaarheidvan alternatieven en de duur van de uitval of hersteltijdvan een dienst in aanmerking moeten worden genomen.Het aantal slachtoffers en de mogelijke economischeschade kunnen worden geschat, maar er is geen methodebekend voor het kwantificeren van gevolgen voor hetpubliek. Daarom is gekozen voor een kwalificerendeaanpak, waarbij vijf verschillende categorieën vangevolgen aan de orde komen:• gevolgen voor de diensten van de overheid;• invloed op het vertrouwen van de bevolking;• gevolgen voor de openbare orde;• getroffen bevolkingsgroep;• geopolitieke gevolgen.Deze worden geïnventariseerd, van een score voorzien enafgezet tegen een vooraf vastgestelde drempelwaarde.Voor de infrastructuur die zij willen gaan onderzoekenschetsen de lidstaten eerst de ergst denkbare, realistischescenario’s die zich bij uitval of vernietiging kunnenvoordoen . Elk scenario wordt uitgewerkt (waar mogelijkmet secundaire gevolgen) met zijn gevolgen in vierdimensies (kans op slachtoffers, economische en milieu-schade en gevolgen voor de bevolking). Deze sectorover-schrijdende criteria worden toegepast op elk scenariototdat er aan een wordt voldaan. Deze drempelwaardenworden zodanig vastgesteld dat alleen die onderdelen vande infrastructuur die bij uitval grote gevolgen zoudenhebben als vitaal of kritiek worden aangemerkt. Eenonderdeel van de infrastructuur dat zowel de sectorale alssectoroverschrijdende criteria overschrijdt en bij uitval ofvernietiging grensoverschrijdende gevolgen zou hebbenwordt als ECI oftewel als Europese vitale infrastructuuraangemerkt.MMiicchhaaeell TThhoorrnnttoonn,,Researcher, Joint Research Centre of the EuropeanCommission (Ispra, Italy)Mislukte aanslag op de luchthaven van Glasgow(© Reuters 30 juni 2007)
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200830Aspecten van leiderschapSundelius plaatste vraagtekens bij het relatieve belang vanpreventie en voorbereiding. Hoewel preventie zeker zinvolis, kun je lang niet alles voorkomen. Daarom is hetessentieel goed voorbereid te zijn. Er bestaat duidelijk eensubtiel evenwicht tussen investeren in preventie eninvesteren in voorbereiding.Gezien de nadruk op voorbereiding onderstreepte despreker het cruciale belang van goed leiderschap in crisis-situaties. Als er veel op het spel staat, verwacht het publiekdaadkracht van een leider – ongeacht diens functionerenin zijn dagelijks werk. Hij wees er ook op dat crises nietalleen als risico’s of bedreigingen moeten worden gezien,maar ook kansen bieden. Slimme leiders treden effectiefop in specifieke situaties om zo hun rol te legitimeren.Sundelius gaf vervolgens een overzicht van wat hij de zesaspecten van leiderschap noemde:• doorgronden – diagnose stellen van de situatie;• besluiten nemen – strategische keuzes maken;• opinie vormen – kaders bieden voor breed gedeeldeopvattingen;• verantwoording afleggen – aanvaarden van eigenverantwoordelijkheid;• beëindigen – de kwestie afronden;• leren – kritische reflectie op en aanpassing van eigenoptreden.Samenvattend stelde hij dat het voor een effectieve aanpakvan risico’s noodzakelijk is de verantwoordelijken teondersteunen en hen te stimuleren te investeren invoorbereiding. Er is behoefte aan een Europa-breed stelselvan crisisbeheersingssystemen die elkaar niet blokkeren,maar versterken. Dit is van essentieel belang, zeker gezienhet verwachte overschot aan kwetsbaarheid en het tekortaan capaciteit in de komende tien jaar.Lokaal en mondiaal meer samenwerkenHindle gaf een voorbeeld van een lopend initiatief dat eropis gericht bedreigingen te verminderen via de burgers zelf.Hij gaf aan dat het, in algemene zin, steeds belangrijkerwordt de burger op lokaal niveau te benaderen entegelijkertijd intensiever samen te werken op mondiaalniveau. In een wereld vol bedreigingen kunnen de burgerseen hoofdrol vervullen als we juist op lokaal niveau meerbevoegdheden toekennen.Voorts wees hij erop dat de communicatie tussen de politieen moskeeën in het Verenigd Koninkrijk is verbeterdsinds de bomaanslagen van 7 juli 2005. Er zijn ook meerinformanten geworven en de noodzaak van verdereontwikkeling en uitbreiding van dergelijke relaties isinmiddels evident. Hij noemde ook het Pathfinder-initiatiefdat de Britse regering begin 2007 lanceerde om moslimsin staat te stellen zelf op te treden tegen extremisme, omeen formeel kader te bieden voor de betrekkingen na 7 juli2005 en om vernieuwende ideeën vanuit de gemeenschapte stimuleren. In 2007/2008 werd vijf miljoen pondgeïnvesteerd in het opbouwen van relaties met islamitischejongeren – de groep die het grootste risico loopt teradicaliseren – en islamitische vrouwen, die een crucialeen invloedrijke rol spelen binnen hun gemeenschap.De discussie spitste zich aanvankelijk toe op het inkaderenvan de publieke opinie en hoe je dit in de praktijk aanpaktdoor je bewust te zijn van de gevolgen van handelen ofniet handelen. Bij crisisbeheersing is het van belang deaandacht niet uitsluitend te vestigen op de actuele situatie,maar ook oog te hebben voor de betekenis daarvan voor degemeenschap.De discussie richtte zich vervolgens op het gesignaleerdeoverschot aan kwetsbaarheid en tekort aan capaciteit enWorkshop: Hoe kunnen we bedreigingen het hoofd bieden?Facilitator: Neil Ellis, Consultant, PA Consulting GroupSprekers:• Bengt Sundelius, Chief Scientist, Swedish Emergency Management Agency (SEMA)• Garry Hindle, Head of Security and Counter-terrorism, Royal United Services Institute (RUSI)De centrale vraag – Hoe kunnen wij bedreigingen het hoofd bieden? – werd in deze workshop vanuitverschillende invalshoeken benaderd: enerzijds het voorbereiden van een effectieve reactie op bepaaldesituaties en anderzijds het nemen van maatregelen om die bedreigingen te verminderen. Beide sprekersbrachten verschillende technieken voor het voetlicht en kwamen met voorbeelden van mogelijke strategieënom effectiever op bedreigingen te kunnen inspelen.
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200831het effectieve beheer daarvan. Volgens de deelnemers kunje wel kwesties aan de orde stellen, maar wordt je dat doorpolitici niet in dank afgenomen als je niet ook de oplossingbiedt. Het gevaar bestaat echter dat men wordt overstelptdoor de vele potentiële risico’s. Er moeten hulpmiddelenvoor crisisbeheersing voorhanden zijn en de risico’s moetenintegraal worden benaderd om de gevolgen in goedebanen te kunnen leiden. Een belangrijk punt was dat hetvolgens de deelnemers zaak is goed te weten hoe je hulpvan andere landen kunt krijgen. Aan welke specialistischekennis bestaat behoefte en waar kan die kennis wordenverworven? De nationale risicobeoordelingen moeten aanoverheden worden voorgelegd, zodat die zorgvuldig kunnenafwegen waar de prioriteiten moeten komen te liggen.In het verlengde hiervan werd het idee van de “sluipendecrisis” aangedragen. Klimaatverandering is hier volgensde deelnemers een goed voorbeeld van; het is immersmoeilijk geld vrij te maken voor de voorbereiding op ietswat nog niet heeft plaatsgevonden. Als het gaat ombedreigingen als terrorisme zijn veel landen geneigd zichuitsluitend te richten op nationale veiligheidsplannen,maar de voorbereiding op bijvoorbeeld klimaatveranderingvereist een internationaal mechanisme. Bij het aantrekkenvan investeringen is het van cruciaal belang niet alleen debedreiging zelf, maar ook de gevolgen van die bedreigingvoor het voetlicht te brengen.Ten slotte was men van mening dat er behoefte is aan eendiscussie omtrent het gebruik van terminologie. Sinds“veiligheid” is veranderd in “crisisbeheersing” wordt dediscussie alleen nog achter gesloten deuren gevoerd.Misschien zou er onderscheid gemaakt moeten wordentussen nationale veiligheid en maatschappelijke veiligheid.Workshop: Met welke bedreigingen moeten we rekeninghouden? (foresight)Facilitator: Stephan de Spiegeleire, Director Defence Transformation, The Hague Centre for Strategic StudiesSprekers• Peter Schwartz, Founder and chair Global Risk Network• Michael Oborne, Director, Advisory Unit on Multidisciplinary Issues, OESOPeter Schwartz: de kunst van het vooruitzien – strategischdenken en toekomstscenario’sHet inspelen op bedreigingen is voor veel organisaties eenhele uitdaging. Wat bedreigingen volgens sommigen echtervooral gevaarlijk maakt is niet zozeer het onvermogen zete zien, maar ze te onderkennen. Het onderkennen vaneen bedreiging betekent immers ook dat we actie moetenondernemen. De machthebbers gaan vaak gebukt ondereen gebrek aan verbeeldingskracht en aan kritische reflectieover hun eigen denkpatronen. Een extern perspectief isdan ook essentieel om dit te doorbreken.Het opstellen van scenario’s is iets anders dan hetvoorspellen van de toekomst. Scenario’s maken ons alertop trends die zich voordoen. Het voordeel van scenario-planning is dan ook niet gelegen in toekomstvoorspellingen,maar in het stimuleren van maatregelen. Scenario’s >>>v.l.n.r.: Sundelius, Ellis en Hindle
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200832bieden daarnaast een richting aan strategische gesprekken,op basis waarvan we de verschillende onderdelen vanbeveiligingsorganisaties op één lijn kunnen brengen.Er werden verschillende nieuwe bedreigingen enveranderende trends gepresenteerd en besproken, waar-onder de fragmentatie van de politieke centra, de impactvan na-ijleffecten, de gevolgen van een kenniseconomie,de privatisering van het buitenlands beleid, vorderingenin de biologie en zorgen omtrent de toegang tot water.Michael OborneHet belangrijkste probleem waar zij die vooruitzien meekampen, zo werd gesteld, is niet zozeer de boodschapmaar eerder de bewustwording van het publiek. Er werdentoekomstbeelden geschetst en besproken in vier categorieën:Merlijn, Cassandra, Dr Strangelove en de Hofnar.Er werd een aantal beleidsproblemen voor de middellangetermijn besproken, ten aanzien van onder meer de risico’svan de financiële markten, de vervuiling van de zee en degevolgen daarvan voor de visstand, migratie (zowelimmigratie als emigratie), wijzigingen in waarden alsidentiteit en sociale cohesie en onduidelijkheid over desituatie in India en China zodra hun economieën tot vollewasdom zijn gekomen.DiscussieIn de discussie kwamen de volgende punten naar voren:a De planning van voorspelbare trends is al grotendeelsrond. Er moeten nu belangrijke beslissingen wordengenomen over investeringen omtrent de mindervoorspelbare vraagstukken.b Er is overtuigingskracht nodig om mensen aan tezetten tot het nemen van beslissingen en dat kost tijd.Het verdient de voorkeur geen dingen voor te schrijven,maar mensen de middelen in handen te gevenwaarmee ze de indicatoren zelf kunnen vaststellen.c Voor het opstellen van een lijst van trends moet eensystematische aanpak worden gevolgd, met inbegripvan literatuurstudie, interviews en een ‘netwerk vanopvallende mensen’ waar signalen van de frontlinie vanveranderingen kunnen worden opgevangen. DeOrganisatie voor Economische Samenwerking enOntwikkeling (OESO) gaat uit van een dialoog met 117instellingen op basis waarvan een uitvoerige lijst vanonderwerpen wordt samengesteld. De OESO maaktgebruik van een wereldwijd forum van wetenschappersom trends te signaleren, onderhoudt contacten metbeleidsmakers en verricht relevante literatuurstudies.d ‘Crisisbeheersing’ is een defensief concept en wordtvaak gezien als een poging om de status quo te hand-haven. Er werd gediscussieerd over de vraag of ditconcept nog wel als denkkader volstaat of dat weeigenlijk een nieuw concept en een nieuwe term zoudenmoeten bedenken. Er werd geopperd dat ‘resilience’ ofveerkracht wellicht een beter kader biedt dan crisis-beheersing.e In de virtuele wereld bestaat er een sterke neiging omscheidingsmuren te slechten. Dit wordt ‘de-perimeteri-sation’ genoemd. Deze trend contrasteert sterk metontwikkelingen in de fysieke wereld.f In veel landen zijn middelen gereserveerd voorforsight. Om dubbel werk te voorkomen zou hetverstandig zijn als landen op het punt van nationaleveiligheid gaan samenwerken. Organisaties moetenechter worden betrokken bij de beoordeling van risico’sen daar verantwoordelijk voor worden gemaakt, en welzodanig dat er op basis van die beoordeling daad-werkelijk maatregelen worden getroffen. Een universeeltoepasbare oplossing bestaat waarschijnlijk niet. Eengemengde benadering zou wel eens de beste oplossingkunnen zijn. Daar zouden zowel externe deskundigenals interne beleidsmakers bij moeten worden betrokken.Zo kan optimaal worden geprofiteerd van alle beschik-bare informatie en kan tegelijkertijd de internebetrokkenheid bij en verantwoordelijkheid voor hetproces worden gestimuleerd.The scenario thinking processv.l.n.r.: De Spiegeleire, Schwartz en Oborne
  • 33 Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 2008In zijn samenvatting gaf dagvoorzitter professorMichael Clarke drie hoofdthema’s aan. Het eerstehoofdthema is de noodzaak, in crisissituaties, van eenproces van identificatie, beoordeling en mobilisatie.Een tweede hoofdthema is dat de ‘nieuwheidsfactor’zo veel mogelijk moet worden uitgeschakeld.Gebeurtenissen die ons verrassen zouden eigenlijkgeen verrassingen mogen zijn. Het derde hoofdthema,ten slotte, is het creëren van de juiste politiekestructuur. We moeten iemand de bevoegdhedengeven om deze agenda daadwerkelijk vooruit te helpen.Zonder legitiem leiderschap zal het moeilijk zijndraagvlak te creëren voor een gezamenlijk doel.Na de samenvatting door de voorzitter noemde BruceMann deze drie thema’s nogmaals. Er waren met nametwee aspecten die hij de deelnemers ter overweging wildemeegeven: de reis en de mensen.Wat de reis betreft is het belangrijk om, ondanks eventuelenervositeit en angst voor het onbekende, onderscheid temaken tussen• wat we tijdens de reis al begrijpen;• inspanningen bovenop hetgeen we al hebben gedaan,of die we al eens eerder hebben gedaan maar danbuiten het terrein van de crisisbeheersing, en waar wijtechnieken kunnen aandragen;• werkelijk nieuwe inspanningen (deze houdenwaarschijnlijk vooral verband met menselijke ensociale aspecten).Het opzetten van samenwerkingsverbanden met mensenis bepaald geen radicaal nieuw uitgangspunt. Toch valt ernog veel te leren over de beste benadering. We moeten onsnadrukkelijker richten op de ‘zachtere’ termen en vaardig-heden: relaties, vertrouwen, legitimiteit en empowerment.Volgens Bruce zijn deze concepten op zich dus niet nieuw,maar wel binnen de wereld van de crisisbeheersing, eentak van sport die inmiddels een buitengewoon breedterrein bestrijkt. Er zijn nu dan ook veel meer partijenwaarvan we kunnen leren.Er is behoefte aan uitbreiding van zowel instellingen alsanalytische hulpmiddelen. Die laatste bevinden zichvooral binnen het vertrouwde werkterrein van deinstellingen en moeten meer worden gericht op gedrags-analyse. Ook de instellingen zelf moeten naar een hogerplan worden getild, vooral instellingen op het gebied vancrisisbeheersing. Het gebrek aan grensoverschrijdendedialoog over risico’s leidt echter tot frustratie.Gezien de nieuwe inhoud en de grotere reikwijdte van hetonderwerp is het niet langer mogelijk kwesties los vanelkaar te beschouwen en moeten we het meer gaan hebbenover institutionele samenwerking, ofwel partnerschaptussen instellingen, die alle bijdragen vanuit hun eigenvakgebied.De weg voorwaartsDe deelnemers werd gevraagd zich te buigen over eenaantal mogelijke resultaten van de conferentie.1 Opzetten van een netwerk van mensen met interesse inhetzij brede kwesties hetzij specifieke aspecten daarvan.Dit zou kunnen leiden tot de ontwikkeling van eenwebsite.2 Nog een dergelijke conferentie organiseren. Het VK wildit met plezier op zich nemen, maar zou nog lieverzien dat andere landen een aanbod doen.3 Speciale evenementen organiseren rondom specifiekethema’s, zoals:a methodologie voor risicobeoordeling;b communicatie over risico’s en management van hetpubliek;c foresight (op de langere termijn);d bescherming van vitale infrastructuur;e publiek/private partnerschappen;f nationale strategieën voor crisisbeheersing.4 Specifieke onderzoeksvoorstellen.Samenvatting en slotconclusies
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200834Boon en Helsloot bekijken hoe de basisvereisten vantoepassing kunnen zijn bij verschillende typen situaties.Ze voeren drie verzonnen maar herkenbare scenario’s opwaarbij voor de zekerheid wordt opgeschaald tot GRIP-3.De conclusie die Boon en Helsloot trekken is helder. Zestellen vast dat de vier processen bij verschillende typenrampen en crises verschillend ingevuld worden en dat hetdaarom moeilijk is om hiervoor kwantificeerbare normente benoemen. Ze vinden dat de basisvereisten passen bijde symboliek van de alwetende en allesbepalende generaaldie op basis van volledige informatie zijn troepen aanstuurt,gelijk de militaire doctrine uit de jaren tachtig. Dat beeldpast volgens hen niet bij de werkelijkheid van crisis-beheersing en ook niet bij de huidige militaire inzichten.Zij waarschuwen voor de overtuiging dat het stellen vanproceseisen zou volstaan of zelfs maar zin zou hebben.Bij hun verwerping van proceseisen beroepen Boon enHelsloot zich op de Beethovenfout. Volgens de bedenkerdaarvan, primatoloog De Waal, is het verkeerd om tedenken dat proces en product met elkaar overeenkomen.Twee dingen hierover. Ten eerste is de Beethovenfout hierhelemaal niet van toepassing. Deze ‘fout’ heeft betrekkingop het spontane proces van de evolutie en niet op doormensen ontworpen processen waar de basisvereisten overgaan.Ten tweede is de Beethovenfout gebaseerd op een drog-redenering. Natuurlijk is er een overeenkomst tussenproces en product. Ieder product is de uitkomst van eenproces en ieder proces leidt tot een product. Als hetproduct niet bevalt of het ziet er anders uit dan verwachtwil dat niet zeggen dat er geen relatie met het proces is.Het wil hooguit zeggen dat je het proces nog niet hebtdoorzien, dat het verkeerd is ontworpen of dat het voortijdigis afgebroken.Laten we met deze gedachte de kanttekeningen van Boonen Helsloot nog eens langslopen.Melding en alarmeringHet doel van melding en alarmering is om de gehelecrisisorganisatie snel en in haar geheel uit de startblokkente krijgen bij een acute ramp of crisis. Van de eisen hieraandoorstaan de eisen aan melding de toets der kritiek niet.Het LBCB stelde hier voor eisen te stellen aan deverwerkingscapaciteit van de meldkamer. Hoewel uitpraktijktests is gebleken dat deze normen haalbaar zijn,is er voor gekozen om in het Besluit de uitkomst van hetproces van melding te normeren: binnen een bepaaldetijd moet een beschrijving van het incident gereed zijn.OpschalingBoon en Helsloot stellen dat het principe van one size fitsall voor de opschaling geen stand kan houden, want jehebt niet bij elk incident de hele hoofdstructuur nodig.Daar hebben ze gelijk in.Het is hier van belang om nog eens duidelijk te makenwat het uitgangspunt van de basisvereisten ook weer was.Namelijk dat de hoofdstructuur van de crisisorganisatieDe basisvereisten crisismanagementin het juiste perspectiefReactie op de kanttekeningen van Boon en HelslootIn het februarinummer van dit magazine namen Bart Boon en Ira Helsloot debasisvereisten crisismanagement de maat. De basisvereisten zijn opgestelddoor het Landelijk Beraad Crisisbeheersing op verzoek van de minister vanBZK. Ze normeren de vier voorwaardenscheppende processen voor derampenbestrijding en crisisbeheersing: melding en alarmering,opschaling, leiding en coördinatie en informatiemanagement.De minister van BZK wil deze eisen vastleggen in het Besluitveiligheidsregio’s, waarvan het ontwerp nu ter consultatie in het veld ligt.
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200835bij een acute ramp ineens kan opschalen tot GRIP-3.Het LBCB schrijft hierover in zijn rapport dat de basis-vereisten vooral relevant zijn voor een acuut grootschaligincident, maar dat de normen in veel gevallen ook vantoepassing kunnen zijn op voorzienbare incidenten ofincidenten die zich langzaam ontwikkelen.De gedachte achter het uitsluitend normeren van hetoptreden in de meest acute situatie, is dat als de veilig-heidsregio’s hun organisatie zo inrichten dat ze diesituatie aankunnen, alle incidenten die een kleinereimpact kennen ook afdoende bestreden kunnen worden.In het Besluit veiligheidsregio’s blijft de mogelijkheid vooropschaling op maat nadrukkelijk open.Boon en Helsloot vragen zich ook af waarom de basis-vereisten alleen naar de opschaling van de leidinggevendenen hun staven kijken. Zij nemen aan dat hier wordt terug-gevallen op een oude militaire doctrine die ervan uitgaatdat leidinggeven op afstand effect zou hebben. Eenverkeerde aanname. Het was de opdracht voor het LBCBom nu juist de randvoorwaardelijke processen te normerendie bij iedere situatie van toepassing zijn. De inhoudelijkerampbestrijdingsprocessen worden al op andere plekkenbehandeld.Het nut van het snel activeren van het operationeel teamen de beleidsteams wordt ook in twijfel getrokken: voor hetredden van mensen hebben ze geen betekenis en leidinggeven op afstand heeft geen effect voor de resultaten ophet rampterrein. Dat mag zo zijn, maar de teams hebbenzo hun eigen taken vanaf de eerste fase. Twee voorbeeldendaarvan zijn voorlichting door de burgemeester als “smoel”van de overheid naar de burger en het organiseren vanbijstand door het operationeel team. Het is ook niet debedoeling dat de teams de eenheden op het rampterreindirect aansturen, maar ze moeten voorwaardenscheppendbezig zijn en de crisispartners activeren.Leiding en coördinatieBoon en Helsloot wijzen het aangedragen besluitvormings-proces af. Ze zijn van mening dat het meer op een beleids-proces lijkt dan op crisisbesluitvorming. Zij vinden dat degekozen uitgangspunten verkeerd zijn. Ze vinden dat hetaankomt op de moed om snel te kunnen beslissen opbasis van onvolledige informatie. Daarin hebben ze zondermeer gelijk, maar dat wil niet zeggen dat je dan niet deelementaire beginselen van besluitvorming zou moetenhanteren. Het gaat erom op basis van de beschikbareinformatie de reëel mogelijke handelwijzen te onder-kennen en een afweging te maken. Die afweging isbelangrijk om fixatie op de meest voor de hand liggendeoplossing en groupthink te voorkomen.De normen die het LBCB aandroeg zijn op zichzelfwaardevol als uitgangspunten om het proces van leidingen coördinatie te ontwerpen, maar de meeste blekenmoeilijk in handhaafbare normen te vertalen. In hetBesluit veiligheidsregio’s vinden we ze dan ook niet terug.Wel wordt daar de basis van de crisismanagementcyclusvastgelegd.InformatiemanagementDe uitwerking van de eisen aan het informatiemanagementin de basisvereisten komt volgens Boon en Helsloot neerop het verzamelen van alle informatie in een centraalpunt, waar ze wordt gevalideerd, geanalyseerd enbeoordeeld. Dit miskent volgens hen de essentie vancrisisbesluitvorming.Het uitgangspunt van het informatiemanagement in debasisvereisten is dat de juiste informatie in de juiste vormen op het juiste moment beschikbaar is voor degenen diehaar nodig heeft. De basisvereisten schrijven daarom voordat de informatie eerst in het eigen beeld verwerkt moetworden en daarna gedeeld met andere direct belang-hebbenden, voordat het in het centrale beeld terechtkomt.Dit sluit uitstekend aan bij de wens van Boon en Helslootom de informatie zo snel mogelijk decentraal beschikbaarte stellen aan de ‘frontlijnbeslissers’, zoals de theorieënover distributed decision making voorschrijven. Maar decirkel moet wel rondgemaakt worden: ook de hogereniveaus moeten zo goed mogelijk bediend worden omhun verantwoordelijkheid waar te kunnen maken. Dieverantwoordelijkheid is niet die van een alwetende enallesbepalende generaal, maar van het hogere niveau dateen einddoel en randvoorwaarden bepaalt en het uit-voerende niveau dat en detail bepaalt hoe dat doel behaaldwordt. Opdrachtgerichte commandovoering heet dat in dehuidige militaire doctrine.Proces of output? Allebei!Boon en Helsloot zijn zeer kritisch over de basisvereistenen ze bepleiten in plaats daarvan het wettelijk vastleggenvan eisen aan de output van de rampbestrijdingsorganisatie.Zij menen dat die output te kwantificeren is in termen vangekwalificeerde mankracht op de plekken waar de hulp-verleners moeten werken bij een ramp of crisis. Dat laatsteis een goede analyse en daar moet iets mee gebeuren.Maar om de juiste mensen in de juiste hoeveelheden opde juiste plek te krijgen en ze de juiste dingen te latendoen, moeten die mensen wel weten dat ze in actie moe-ten komen (alarmering en opschaling), wat er aan de handis (informatievoorziening) en moeten ze ook aangestuurden ondersteund worden (leiding en coördinatie). Dat zijnprecies de zaken die in de basisvereisten geregeld worden.EErriikk KKllaavveerr,,senior beleidsmedewerker directoraat-generaal Veiligheid,Programma Veiligheidsregios, ministerie van BZK(erik.klaver@minbzk.nl)
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 2008De grote lijn van het artikelBart Boon en Ira Helsloot trekken de praktijkwaarde intwijfel van de basisvereisten voor het crisismanagementvan het LBCB. Zij beginnen met te onderschrijven datcrisismanagement ‘de bottleneck vormt voor het optredenvan de hulpverleningsdiensten’. Ze ronden af met hetvoorstel om, in plaats van eisen aan het crisismanagement,‘de output van de rampenbestrijding in een wettelijke eisneer te leggen’. Je denkt dan meteen aan de Leidraadoperationele prestaties uit 2001, een lijvig boekwerk metconcrete resultaten per bestrijdingsproces. Maar gelukkighebben de auteurs voor het kwantificeren van de echteoutput een veel eenvoudiger criterium, namelijk ‘deaanwezigheid van gekwalificeerde menskracht op deverschillende locaties’. Maar was dat niet input? Is nietjuist bij diverse incidenten gebleken dat ondanks deaanwezigheid van allerlei zeer gekwalificeerde mensen erelementaire zaken mislopen? En hoe krijg je de juistemenskracht op tijd op de juiste locaties? En hoe creëer jegoede werkcondities voor hen? Kom je dan niet weer uitbij het crisismanagement dat – dan nog steeds – debottleneck vormt voor het optreden van die menskracht?En waren de eisen aan dat crisismanagement niet juistdoor het veld zelf opgesteld?Andere misverstandenOok op andere punten kan het artikel de mensen, die numet veel inzet werken aan het verbeteren van hetcrisismanagement, op het verkeerde been zetten.Het LBCB heeft een realistische minimumeis gesteld aanhet registreren van essentiële gegevens uit meldingen.Verontrustend is dat de auteurs zich afvragen wat dewaarde is van het vastleggen van gegevens in GMS. Zoalsbekend delen de centralisten daarmee de informatie metelkaar en wordt voorkomen dat essentiële gegevens in dehectiek uit beeld raken. Vanuit het GMS kan snel eenbeeld van de ramp worden samengesteld. Bij elke ramp ensimulatie blijkt hoe cruciaal deze gegevens zijn voor dealarmering, opschaling en bestrijding.De auteurs stellen dat het operationeel team en de beleids-teams in de eerste twee uren niet van belang zijn voor hetaantal slachtoffers dat gered kan worden. Kennelijkveronderstellen de auteurs dat in de omgeving van hetrampterrein (die valt onder het ROT) zoals bij een gifwolkgeen mensen hoeven te worden gered. Uit rampenonder-zoek blijkt juist dat sturing en ondersteuning vanuit eenROT cruciaal kan zijn om voldoende capaciteit voorredding en geneeskundige hulpverlening op de juisteplaatsen te krijgen via begidsen, vrijhouden van toegangs-routes et cetera. Ook zijn leidinggevenden van het ROT ende burgemeester of voorzitter van de veiligheidsregiometeen na alarmeren al beschikbaar om zonodig ‘knopendoor te hakken’. Dat alles natuurlijk op basis van een juisten actueel beeld van de situatie. Daar heb je weer het ROTvoor nodig. Volgens de basisvereisten zal het hoofd van desectie Informatiemanagement al binnen 30 minuten naalarmering starten met zijn werk en de volledige sectiebinnen 40 minuten. Zou op dat moment een actueelbeeld en overzicht van de ramp, de knelpunten en de nogontbrekende gegevens niet ook van belang zijn voor deprofessionals op het rampterrein?De auteurs stellen verder dat in de realiteit van crisis-beheersing er ‘vaak geen mogelijkheid is tot monitoring,laat staan bijstelling van acties’. Dat wekt de suggestie datmen maar moet blijven doorgaan met een gekozen eninmiddels zinloos geworden aanpak. De basisvereisten,met als kern een goede informatiepositie, zijn er juist opgericht om pro-actief en flexibel te reageren op nieuwefeiten. De State of the art 2007 van het LBCB over bestuurlijkleiderschap in crisissituaties bevat in dit kader een crucialepassage: ‘In onzekere situaties heeft ieder mens eenfundamentele voorkeur voor informatie die een bestaandbeeld bevestigt in plaats van informatie die dit beeldverwerpt of ontkracht. In teamverband kan op deze wijzeeen situatie ontstaan waarin iedereen elkaar naar de mondpraat, omdat hierdoor de onzekerheid afneemt over wat eraan de hand is. Dit verschijnsel, dat ook wel group thinkwordt genoemd, moet volgens bestuurders wordenvoorkomen, omdat het desastreuze gevolgen kan hebbenvoor de besluitvorming.’SlotDe rampenbestrijding moet einde 2009 op orde zijn.Ik zie dit op grond van de ervaring uit doorlichtingen enincidentonderzoek en doorlichtingen als ambitieus, maarnoodzakelijk en haalbaar. Eenheid van opvatting over hetwat en hoe is dan een eerste vereiste. De redenering engenoemde stellingen van beide auteurs dragen daar nietaan bij.SSiimmoonn vvaann ddeerr DDoooorrnn,,procesmanager Toezicht Inspectie OOVOutputeisen stellen minder simpel dan het lijkt36Reactie op kanttekeningen basisvereisten
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 2008Deze maand worden verschillende koepels in hetveiligheidsveld gevraagd om een reactie te geven ophet Besluit Veiligheidsregio’s, de zogenaamdekwaliteits-AMvB. Dit besluit is gebaseerd op de Wetveiligheidsregio’s. In het besluit worden eisen gesteldaan de organisatie en taken van de regio’s en debrandweerzorg. Minister Ter Horst heeft het besluitter consultatie naar het veld gestuurd met het verzoekom in mei 2008 te laten weten wat zij van het besluitvinden. De consultatie richt zich vooral op bestuurderszoals vertegenwoordigd in het Veiligheidsberaad, deVNG en het IPO met het verzoek ook de reacties vande koepels van de professionele beroepsgroepenmee te nemen in hun reactie.Waarom dit besluit?In het besluit wordt het basisniveau beschreven waar alleregio’s over twee jaar aan moeten voldoen en waar alleburgers in Nederland op kunnen rekenen. De meerconcrete doelstelling is het verzorgen van uniformiteit inde organisatie en de prestaties van de regio´s. Dit is vanbelang voor het mogelijk maken van interregionalebijstand en bovenregionaal optreden.Het besluit bevat voor een deel regelgeving die op ditmoment ook al in besluiten vastligt. Het gaat om hetBesluit bedrijfsbrandweer, het besluit over categorieëninrichtingen en luchthavens aanwijzen voor een ramp-bestrijdingsplan en de BDUR. Voor een ander deel bevatdit besluit nieuwe regelgeving. In het besluit zijn geenkwaliteitseisen aan het personeel van brandweer,meldkamer en GHOR opgenomen. Dit komt in een andereAMvB die een eigen tijdpad kent.Organisatie van de rampenbestrijding en crisisbeheersingIn het hoofdstuk over de organisatie van de rampen-bestrijding wordt de hoofdstructuur van de crisisorganisatievastgelegd. In de meeste regio’s is de hoofdstructuur albekend. Hij is gebaseerd op het referentiekader GRIP. Dithoofdstuk bevat ook eisen aan de processen die kritisch zijnvoor het slagen van het crisismanagement om ervoor tezorgen dat de crisisorganisatie van de regio vlot en in zijngeheel uit de startblokken kan komen bij een acute rampof crisis. Het idee is dat als de regio dit zwaarste scenarioaankan, alle incidenten met een mindere impact ook goedbestreden worden. Opschaling op maat blijft dus mogelijk.De brandweer speelt een centrale rol bij in de veiligheids-regio. In het besluit is daarom geregeld hoe een basis-brandweereenheid is samengesteld en wat de opkomsttijdenvoor verschillende typen objecten zijn. Voor bijvoorbeeldeen bejaardenhuis geldt straks een opkomsttijd van5 minuten maar bij een autobrand is het voldoende dat debrandweer binnen 15 minuten arriveert. De normen zijnafgeleid van bestaande leidraden en handboeken.Ongevalsbestrijding gevaarlijke stoffenIn hoofdstuk 4 is de ongevalsbestrijding gevaarlijke stoffengenormeerd. De samenstelling van de bestrijdingseenhedenwordt beschreven, de taken van deze eenheden verderuitgewerkt en ook hier gelden enkele tijdseisen aanprestaties. Bij deze prestaties moet gedacht worden aanopkomsttijden, het verrichten van metingen en hetuitbrengen van een advies. Deze normen komen uit deleidraad Officier Gevaarlijke Stoffen (OGS).Afspraken tussen de GHOR en zorginstellingenOm invulling te geven aan hun verantwoordelijkheid ophet gebied van geneeskundige hulpverlening bij ongevallenen rampen moet het bestuur van de veiligheidsregioschriftelijke afspraken maken met de zorgaanbieders in deregio, bijvoorbeeld ziekenhuizen en ambulancediensten.De afspraken gaan over de procedures tijdens rampen encrisis en het gezamenlijk opleiden en oefenen.MMiicchhiieell VVeerrllaaaann,, beleidsmedewerker, ProgrammaVeiligheidsregio, ministerie van BZKHet ontwerp Besluit veiligheidsregio’s is te downloaden viawww.minbzk.nl/veiligheidsregio.Besluit Veiligheidsregio’s in consultatie37Naschrift op repliek Basisvereisten crisismanagementDe kern van wetenschap is het wetenschappelijk debat.Erik Klaver riposteert vanuit dat perspectief fraai oponze eerdere bijdrage met twijfels over de basisvereistenvan het LBCB. Natuurlijk kunnen wij het niet nalatente wijzen op het feit dat, gelukkig, het ministerie debasisvereisten waaraan wij het meeste morrelden nietheeft opgenomen in de consultatieversie van dekwaliteits amvb. Voor een aantal van de andere puntengeldt dat de precieze definities die wij hanterenblijkbaar verschillen, een argument te meer voor meerinspanning gericht op wetenschappelijke funderingvan het crisisbeheersingsbeleid.De reactie van Simon van der Doorn kunnen wij ookalleen maar lezen als wijzend op de noodzaak van meerwetenschap en vooral meer kennis van de praktijk.Gedeelde kennis is noodzakelijk voordat gekomen kanworden tot ‘de vereiste eenheid van opvatting’.IIrraa HHeellsslloooott eenn BBaarrtt BBoooonn
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 2008Feitelijke campagneresultatenNa 1,5 jaar campagnevoeren (najaar 2006 tot heden)leveren de effectmetingen van de Rijksvoorlichtingsdiensthet volgende op:• De campagne heeft 91% van de Nederlanders van18 jaar en ouder bereikt (91% heeft minimaal een vande uitingen gezien). Dit ligt boven de algemene bench-mark van Postbus 51 campagnes, het gemiddelde vanalle overheidscampagnes. Dat is namelijk 89%.• De waardering van de campagne is gemiddeld tot goed(rapportcijfer 6,6 is op de benchmark). De bannerkrijgt het rapportcijfer 6,9 (benchmark = 6,2);• Meer dan de helft (58%) zegt spontaan dat de belang-rijkste boodschap van de campagne is dat ‘je jezelfmoet voorbereiden op een ramp’.GedragsveranderingVanuit hetzelfde onderzoek concludeert het ERC verderdat mensen het belangrijk vinden dat er campagne wordtgevoerd: mensen willen geïnformeerd worden door deoverheid over risico’s. Sinds september 2006 heeft eenkleine 600.000 unieke bezoekers de campagnesitewww.denkvooruit.nl bezocht. Ook blijkt dat 54% van demensen de regionale rampenzender heeft ingesteld.De behoefte aan informatie is er. De intentie om vervolgensecht voorbereidingsgedrag te vertonen is er ook (‘Ik vinddat ik eigenlijk wel een zaklamp en een radio op batterijenzou moeten aanschaffen”), maar het feitelijk gedrag, hetaanschaffen van die middelen of het in huis hebben vaneen noodvoorraad, blijft achter.Dit is een herkenbaar beeld bij campagnes die gedrags-verandering tot doel hebben. De crux bij voorlichting overrisico’s is dat mensen in Nederland zich niet kunnen voor-stellen dat er een ramp gebeurt. Negen op de tien mensenvoelen zich veilig in de eigen leefomgeving. De urgentiewordt (nog) niet gevoeld om zich daadwerkelijk voor te gaanbereiden. Het blijft bij intenties. Ira Helsloot, hoogleraarcrisisbeheersing en fysieke veiligheid in Amsterdam,beaamde dit in zijn commentaar in o.a. de Volkskrant:‘Uit wereldwijd wetenschappelijk onderzoek is al vaakgebleken dat dit soort campagnes niet werkt. Mensenmaken een rationele afweging: de kans op een ramp is zoklein, dat ze zich daar niet tegen in gaan dekken.”Rol gemeentenKernpunt bij de Denk Vooruit campagne is dat op nationaalniveau slechts algemene boodschappen in massamedialemiddelen kunnen worden verwerkt. Het geven vanconcrete, op maat gemaakte informatie, is vooral de taakvan gemeenten. Dat verwachten burgers ook. Tot nu toehebben niet alle gemeenten hun rol in de campagne(optimaal) ingevuld. Tweederde van de gemeenten doetactief mee om de campagne een lokale invulling te geven,Resultaten Denk Vooruit campagneleiden tot nieuwe strategieGroot bereik, goede waardering, geringe gedragsveranderingOp 18 februari jl. berichtten diverse media (RTL, Volkskrant, AVRO) over tegenvallende resultaten van deDenk Vooruit campagne. Deze campagne, gestart in september 2006, heeft als doel om burgers te informerenover de risico’s in hun woon- en leefomgeving, hoe zij zich op deze risico’s kunnenvoorbereiden en om hun zelfredzaamheid tijdens een ramp of crisis te verhogen.Bij de campagne zijn radio- en TV-spots ingezet, is een website ingericht en zijnmiddelen beschikbaar gesteld aan gemeenten. In totaal zijn elf ramptypenuitgewerkt. Doelgroep van de campagne: alle inwoners van Nederlandvan 13 jaar en ouder. Het Expertisecentrum Risico- enCrisiscommunicatie (ERC) leidt deze campagne.38
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 2008dat wil zeggen gemeentelijke informatie is terug te vindenna het intypen van je postcode op www.crisis.nl/gemeentenof drukwerk is aangevuld met gemeentelijke contact-gegevens en frequenties van de regionale calamiteiten-zender. Een aantal gemeenten heeft de campagne-uitingenvolledig in de eigen gemeentelijke of regionale risico-communicatie verwerkt. Campagne-inspanningen voor dekomende jaren moeten er op gericht zijn gemeenten opindringender manier te wijzen op hun wettelijkeverplichtingen aangaande risicocommunicatie en hendaarbij optimaal te faciliteren.Zo subsidieert het ministerie van BZK onder andere eenbeperkt aantal regionale en lokale initiatieven met alsvoorwaarde dat de ontwikkelde instrumenten door anderegemeenten en regio’s gebruikt kunnen worden.Zelfredzaamheid bij burgersMinister ter Horst van BZK gaf in een toespraak tijdenshet veiligheidscongres in november 2007 aan dat ‘we inonze risicosamenleving niet van de overheid mogenverwachten dat ze als enige optreedt en dat de burgersafwachtend zijn. Als elke seconde telt is juist de inzet vanburgers van groot belang’. Met de wetenschap dat BZKmeer moet koersen op (zelf)redzaamheid ontstaat eennieuwe werkelijkheid; burgers, bedrijfsleven en hulp-verleningsorganisaties moeten worden voorbereid op hunnieuwe verantwoordelijkheid.De resultaten van de Bobcampagne zijn niet enkelgeslaagd vanwege een succesvolle voorlichting. Er zijn drieinstrumenten te gebruiken om te beïnvloeden, ook welzweep, peen en preek genoemd. Onder ‘peen’ wordenbijvoorbeeld subsidies verstaan. De ‘preek’ is devoorlichting en de ‘zweep’ betreft sancties, accijns,bekeuringen, controle-instrumenten. Wanneer decommunicatie hand in hand gaat met de inzet van anderebeleidsinstrumenten kan er meer effect behaald worden.MeerjarenstrategieBZK bezint zich momenteel op een vervolgstrategie voorhet bevorderen van zelfredzaamheid voor de komendejaren. Hierin worden concrete beleidsdoelstellingen enbeleidsinstrumenten uitgewerkt. Aansluitend wordt ookde campagnestrategie voor Denk Vooruit nieuw leveningeblazen. Wie willen we bereiken, met welke boodschapen welk doel en hoe kunnen we de gemeenten/veiligheids-regio’s hierin betrekken?Reactie minister BZKDe minister meent naar aanleiding van de krantenartikelendat de rampencampagne Denk Vooruit aanmerkelijkebijstelling nodig heeft. Zij vindt – analoog aan de ontwik-keling van de meerjarenstrategie – dat bij de uitvoeringvan de campagne meer geredeneerd moet worden vanuithet gedrag van de burger. Een steviger boodschap is danook nodig. Burgers moeten ervan doordrongen raken, datmen zich zo moet voorbereiden dat men de eerste driedagen van de ramp zelfredzaam is, omdat de overheid nietaltijd beschikbaar is. Een dergelijke rationele boodschapwordt in de Verenigde Staten en Canada aan de bevolkingmeegegeven. De burger dient vanuit de aangereiktekennis zo gestimuleerd te worden dat hij/zij de indringendecampagneboodschap aannemelijk vindt en het voor dehand vindt liggen bijvoorbeeld een noodvoorraad aan teleggen. Zoals eerder aangegeven is het menselijk gedragniet alleen met communicatie te veranderen. Wet- enregelgeving en een strakker sanctiebeleid leiden er eerdertoe dat mensen het juiste gedrag gaan vertonen. Vooropstaat uiteindelijk dat burgers een ramp of crisis weten teoverleven door de handelingsperspectieven die de overheidvia TV- en radiocommercials, de website crisis.nl plus debrochure en de rampeninstructiekaart aanreikt.FFrraannkk VVeerrggeeeerr,,projectleider Denk VooruitRRooooss LLaammeerrss,,projectmedewerker rampen-campagne en redacteurrisicoencrisis.nlAAnnjjaa vvaann ddeenn BBoosscchh--OOvveerrdduuiinn,,beleidsmedewerker,Expertisecentrum Risico- enCrisiscommunicatie (ERC)39
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200840De oorsprong van de landbouwLandbouw, het “domesticeren” van planten en dieren,begon ongeveer 10.000 jaar geleden. Jagers werdenveehouders en verzamelaars werden boeren. Maar nietoveral tegelijkertijd. Bepaalde gebieden in de wereldherbergden een geschikte combinatie aan planten en dierenom de overstap naar landbouw mogelijk te maken, enwaarschijnlijk gaven klimaatswijzigingen het benodigdeduwtje. Waar landbouw ontstond, ontwikkelde zich eenvrijgestelde klasse, en die leidde tot sterke cultuurontwik-keling. Zo kwamen tarwe en gerst, erwten en veldbonen,rundvee en geiten uit het Midden-Oosten, rijst en soja,kippen en varkens uit Zuidoost Azië, en maïs, bonen enkalkoen uit Mexico, in directe samenhang met deMesopotamische, Chinese en Maya culturen.Variatie en erosieBoeren pasten de planten en dieren aan aan hun wensen,en wanneer ze migreerden of materiaal ver weg verkochten,pasten gewassen en landbouwhuisdieren zich nood-gedwongen aan de nieuwe omstandigheden aan. Zoontstond steeds meer variatie binnen de gewassen enlandbouwhuisdieren. Kool, bloemkool, broccoli, spruitjesen koolrabi behoren allemaal tot de zelfde biologischesoort. In Nederland had elk dorp zijn eigen appelras, enkennen we veel regiogebonden landbouwhuisdierrassenzoals Groninger Blaarkop, Texelse schapen, en hetChaams hoen.Maar veel van die variatie is weer (bijna) verdwenen.Oorzaak daarvan is de industrialisatie van onze land- entuinbouw: de rol van boeren als selecteurs is al weer langgeleden overgenomen door professionele fokkers enveredelaars, terwijl mechanisatie in de landbouw en demarktwerking in de detailhandel om uniforme productenvragen. Ook de globalisering leidt tot eenheidsworst,steeds meer zien we dezelfde voedselpatronen overal terwereld, met McDonalds als bekendste voorbeeld.Diversiteit is uit het gezicht verdwenen, en veel oorspronke-lijke diversiteit is zelfs uitgestorven. Dat verschijnsel isbekend als genetische erosie. En genetische erosie vormteen probleem.Wereldvoedselzekerheid en duurzame productieOm ook in de toekomst de wereldbevolking te kunnenblijven voeden, moeten we de opbrengst verhogen, maarook reageren op nieuwe ziekten en plagen en onze voedsel-productie aanpassen aan de komende klimaatverandering.Deze klimaatverandering zal tot aanzienlijke verdrogingvan bepaalde gebieden leiden, bijvoorbeeld ZuidelijkAfrika en het Middellandse Zeegebied, terwijl in anderegebieden de temperatuur te hoog wordt voor onze huidigegewassen, bijvoorbeeld in India en Zuidoost-Azië. Ookconsumentenwensen veranderen. Zo is er nu weer meerbelangstelling voor uitgesproken smaken en variatie opons bord dan de afgelopen decennia. Denk bijvoorbeeldaan de toenmalige kritiek op de Nederlandse tomaat(“Wasserbombe”) en de variatie aan tomaten die nu weerin de supermarkt te vinden is. Ook stelt een duurzamerproductie eisen aan de planten en dieren die we gebruiken,in de vorm van een efficiëntere benutting van water,meststoffen en diervoeders. Om een antwoord te kunnenvinden op al deze huidige en toekomstige eisen is blijvendebeschikbaarheid van genetische variatie een vereiste. In deInternationale opslag van landbouwzadenop SpitsbergenOp 25 februari werd de internationale opslagfaciliteit voor land- en tuinbouwzaden op de Noorse eilandengroepSpitsbergen, de Svalbard Seed Vault, geopend. Deze in de permafrost gelegen faciliteit biedt een veiligheids-garantie voor onze wereldwijde voedselvoorziening.
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200841veelheid van rassen en herkomsten zit namelijk eenenorme diversiteit verborgen.GenenbankenVooral in de jaren zeventig en tachtig van de vorige eeuwzijn daarom genenbanken in het leven geroepen.Instellingen die als taak hebben om de genetische variatiein onze gedomesticeerde planten en dieren zo goedmogelijk te bewaren. Ook het Centrum voor GenetischeBronnen Nederland (CGN) stamt uit die tijd. Het werd in1985 opgericht voor het opbouwen van collecties vangenetisch uitgangsmateriaal van voor Nederland belangrijkegewassen en landbouwhuisdieren. In Wageningen wordthet materiaal, zoals in de meeste genenbanken, gedroogden bij lage temperatuur ( -18 °C) bewaard. De collectiesbevatten veel materiaal dat in de tientallen jaren daarvooral in Wageningen verzameld was, aangevuld met materiaaluit eigen buitenlandse verzamelmissies. Deze collectiesvertegenwoordigen een niet te becijferen waarde voor detoekomstige wereldvoedselzekerheid en een meerduurzame landbouw.Maar met de oprichting van genenbanken is de genetischeerosie niet ten einde gekomen. Vooral in ontwikkelings-landen komt het voor dat genenbanken onvoldoendefinanciële middelen hebben om de zaden goed in stand tehouden en het materiaal opnieuw te vermeerderen als datnodig blijkt. Met andere woorden, in zo’n geval zet degenetische erosie zich in de genenbanken voort. Gelukkigis dat in Wageningen niet het geval dankzij de subsidievan het ministerie van LNV. Maar er loeren ook anderegevaren: brand kan de collecties vernietigen en ook doorlanger durende stroomuitval kunnen ze beschadigdworden. Tenslotte zou ook een overstroming van de Rijnbij Wageningen tot verlies van de collecties kunnen leiden.Daarom wordt het Wagenings collectiemateriaal ookelders in Europa opgeslagen. Maar wie kan er 100 jaarvooruit kijken en de politieke situatie dan voorspellen?Zo is de idee voor een nog veiliger wereldopslagplaatsgeboren.Waarom Spitsbergen?De Svalbard Seed Vault biedt zo’n veilige opslagfaciliteitom twee hoofdredenen: klimatologisch en politiek-strategisch. De Seed Vault bestaat uit een nieuw in de berguitgehakte lange gang van 120 meter die uitkomt op driegewelven van 27 bij 10 bij 6 meter, die gezamenlijk ruimtebieden aan 4.5 miljoen zaadmonsters. De gewelven wordennet zoals de opslagruimten in Wageningen op -18 °Cgehouden. Maar de Svalbard Seed Vault biedt meer.Als in Spitsbergen de stroom uitvalt, fungeert de berg alseen gigantische isolator. Aangezien in de berg permafrostcondities heersen, blijft de temperatuur beneden nul, debelangrijkste voorwaarde voor het goed blijven van hetzaad. Daarnaast ligt Spitsbergen ver van de bewoondewereld. Als er elders ter wereld politieke conflicten uit-breken is het onwaarschijnlijk dat deze Spitsbergen raken.Tenslotte geldt dat de regering van Noorwegen, die defaciliteit voor 6 miljoen euro heeft laten aanleggen, als eenvan de weinige landen ter wereld acceptabel en betrouwbaaris voor ontwikkelde landen en ontwikkelingslanden. Veellanden zien hun genetisch uitgangsmateriaal namelijk alseen belangrijke economische asset. De Noorse regeringregelt in het contract met de afzender dat deze eigenaarvan het materiaal blijft en als enige over de bestemmingkan beslissen.Het begin is erBij de opening van de Svalbard Seed Vault waren er al400.000 monsters van twintig verschillende partijenaangekomen en opgeslagen. Daarbij waren ook 18.000monsters van het CGN uit Nederland, ongeveer driekwartvan de totale collectie. Het betreft zaden van uiteenlopendegewassen zoals sla, ui, kool, aardappel, tomaat, paprika,komkommer, tarwe en gerst, om een aantal belangrijke tenoemen. De andere collecties die als in Svalbard zijngearriveerd zijn vooral afkomstig van de internationalelandbouwonderzoekinstellingen en bevatten alle belangrijkevoedselgewassen, zoals tarwe, rijst, maïs, aardappel enbonen. De verwachting is dat de voorraad in Svalbard snelverder zal toenemen en binnen korte termijn inderdaadde variatie van alle wereldvoedselgewassen zal veilig stellen.BBeerrtt VViisssseerr,,directeur Centrum voor Genetische Bronnen Nederland
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200842Tegenwoordig is het mogelijk om je zaken altijd enoveral online te regelen en dus floreert de e-commercein Nederland als nooit te voren. Webwinkels schietenin 2007 als paddenstoelen uit de grond en het onlinewinkelen mag zich verheugen in een explosiefstijgende populariteit. Ook bedrijven en overheids-organisaties maken de afgelopen jaren steeds meergebruik van internet als portaal naar hun klant. Dezetendens brengt echter ook een aantal ernstige risico’smet zich mee. Risico’s waar vooral de overheid zichvaak onvoldoende van bewust is. Wat te denken vanhet gevaar van internetfraude, als gevolg van phishingen hacking, en het risico dat een groot deel van onzegevoelige overheidsinformatie op straat komt te liggen?Organisaties kunnen het zich niet veroorloven datfinanciële gegevens en klantgegevens kwijtraken of datderden met persoonlijke informatie op de loop gaan. Tochblijkt uit het ICT Barometeronderzoek van Ernst & Young1dat maar vier op de tien organisaties over een noodplanbeschikken wanneer het kritische bedrijfsproces wordtgehackt, uitvalt of niet meer goed functioneert. Binnen de(semi-)overheidssector is dit zelfs nog lager: hier beschiktmaar een kwart over een noodplan. Een schrikbarende zaakals je je realiseert dat een groot deel van de Nederlandseorganisaties enorm, zoniet volledig, afhankelijk is van ICT.Daarbij geldt: hoe groter en dienstverlenender het bedrijf,hoe groter de afhankelijkheid. Tel daarbij op dat bijna dehelft van de bedrijven regelmatig – in meer of minderemate – te kampen heeft met ernstige cybercrime, en jekunt niet anders dan concluderen dat een noodplansimpelweg een dwingende prioriteit is. Juist daar waarbeveiliging tegen computercriminaliteit het hardst nodigis, dient het beleid te worden aangescherpt. In de praktijkblijkt dat de risicos hand over hand toenemen. De tijd omhier onverschillig over te kunnen zijn, is echt voorbij.We staan anders aan de vooravond van grote digitalenarigheid en iedereen moet wakker geschud worden.Dit is noodzaak willen we tijdig en adequaat kunnenreageren op digitale aanvallen die grote gevolgen hebbenvoor de samenleving.BeveiligingsbewustwordingInderdaad vragen deskundigen zich overal ter wereld afof veilig internetten nog wel mogelijk is. Want hoewel hetaantal virussen en hackpogingen lijkt te dalen, worden degevolgen steeds groter. Niet alleen treedt er gewenning optegen cybercrime, de cybercriminals worden ook steedsprofessioneler en zijn steeds vaker internationaal actief.Wanneer er daadwerkelijk cybercrime plaatsvindt, is deschade daardoor veel groter.Toch zijn het juist de geënquêteerde overheidsmanagersdie maar weinig geïnteresseerd lijken in cybercrime endaardoor mogelijk niet goed voorbereid zijn. De beveiligingvan hun systemen laat, naar eigen zeggen, te wensen overen uit het ontbreken van noodplannen blijkt duidelijk datde (semi) overheden hun afhankelijkheid van de ICT zwaaronderschatten. Terwijl hun systemen over het algemeenveel meer kritische informatie bevatten dan die van demeeste overige Nederlandse bedrijven en dienstverleners.Gevraagd naar het vertrouwen in de veiligheidsmaatregelentegen cybercrime, geeft maar een kleine 38 procentoverheidsmedewerkers aan dat ze vertrouwen op debeveiligingsmaatregelen van hun werkgever. Aanmerkelijklager dan binnen het bedrijfsleven, waar meer dan de helfthet volste vertrouwen heeft in de werkgever.Bijna alle organisaties hebben wel technische maatregelengetroffen om de schade door cybercrime te voorkomen.De meest toegepaste maatregelen zijn firewalls, anti-virussoftware en anti-spywaresoftware. Hoewel dit soorttechnische beveiliging natuurlijk onmisbaar is, lossen zemaar een deel van het probleem op. Een groot deel vanhet probleem wordt namelijk ook veroorzaakt door hetontbreken van organisatorische maatregelen. Bijvoorbeeldheldere afspraken over veilige werkprocessen of over watmedewerkers wel of niet via internet mogen doen.Gelukkig proberen steeds meer organisaties om hunmedewerkers ‘beveiligingsbewust’ te maken, voornamelijkdoor het geven van voorlichting.Heeft aangifte zin?Wat doen bedrijven als ze zijn gehackt of last hebben vanandere vormen van cybercrime? In de praktijk bar weinig,zo blijkt uit de ICT Barometer. In de meeste gevallen doenbedrijven die een cybercrime aanval te verduren hebbengehad, namelijk geen aangifte bij politie of justitie. Tweeop de tien bedrijven ondernemen zelfs helemaal geenWaar beveiliging het hardst nodig is,verdient beleid aanscherping1Uitgevoerd onder een representatieve groep van ruim 600 managers en leidinggevenden bij de Nederlandse overheid en in hetbedrijfsleven.
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200843actie waarbinnen dit bij kleine bedrijven (tot 20 werk-nemers) zelfs in vier op de tien gevallen zo is. De meestebedrijven die wel iets doen, houden hun onderzoek ineigen beheer. Simpel, omdat ze niet overtuigd zijn dataangifte doen zin heeft. Een aantal bedrijven heeft zelfsgeen idee wáár ze moeten zijn voor aangifte. Ook hieruitblijkt dat we het in Nederland niet goed voor elkaarhebben. Burgers moeten betere informatie krijgen en hunvertrouwen moet herwonnen worden.De onlangs gehackte OV-chipkaart draagt aan het laatstezeker niet bij. Ook een situatie als in Engeland in oktober2007, waar de gevoelige informatie van 25 miljoenburgers door een fout van de overheid zoek raakte, is inNederland een reële dreiging. Tel daar nog bij op dat inprincipe alle informatie bij de overheid openbaar is, dusook informatie over slecht functionerende ICT, of hetzoekraken van gevoelige informatie. Wat nodig is, is eenalerte overheid die zorgt dat het ICT (beveiliging) beleidniet versnipperd wordt uitgevoerd.Vervolging en bestrijdingConclusie? Digitaal Nederland moet veiliger. Het is danook goed nieuws dat de regering cybercrime intensieverwil gaan bestrijden.Cybercrime is een van de speerpuntenvan ons kabinet, en daarbij hoort een programma voor deaanpak van cybercrime. Voor 2008, maar ook voor daarna.Het programma voorziet onder andere in een intensieverebestrijding van cybercrime door opsporing en vervolging,in voorlichting voor burgers en ondernemingen en in hettegengaan van extreme uitingen in elektronischenetwerken. Een belangrijk onderdeel is ook het landelijkemeldpunt Cybercrime. Een initiatief van de ministeries vanJustitie en Binnenlandse Zaken, waarbij het KorpsLandelijke Politie Diensten verantwoordelijk is voor hetdoorzetten van de meldingen naar het juiste loket. Let wel,het gaat hierbij om meldingen en niet om aangiften. Vooraangiften moeten bedrijven en organisaties nog steedscontact opnemen met het plaatselijke politiebureau.Het ICT Barometeronderzoek van Ernst&Young werd gehoudenonder 600 leidinggevenden van de Nederlandse overheid en hetbedrijfsleven.De onderzoeksresultaten kunnen worden opgehaald opwww.ictbarometer.nl.JJaaccoobb VVeerrsscchhuuuurr,,director Ernst & Young ICT Leadership en verantwoordelijkvoor Trends in ICT en ICT BarometerMMoonniiqquuee OOtttteenn,,partner Ernst & Young EDP AuditCybercrime?Bij Cybercrime gaat het om criminele activiteitenwaarbij de computer of het netwerk een belangrijkonderdeel uitmaakt. Denk bijvoorbeeld aan internet-fraude, hacken, social engineering of spam. Het verschiltussen een hacker en een social engineer is dat hackerstoegang proberen te krijgen tot systemen door gebruikte maken van kwetsbaarheden in die systemen. Eensocial engineer richt zich het kwetsbaarste onderdeelvan de beveiligingsketen: de mens áchter de pc. Datdoet hij bijvoorbeeld door gebruik te maken van gatenin bestaande procedures en protocollen. Daarnaastprobeert de social engineer misbruik te maken vandirect voor iedereen toegankelijke informatie, ofinformatie op een slimme manier te ontfutselen.De meest voorkomende cybercrime-activiteit is hetaanbod van illegale diensten en producten via internet,zoals internetcasino’s of medische preparaten.De overlast hiervan is het laatste jaar stabiel gebleven.De overlast door virussen, digitale spionage ofcomputerinbraak is de afgelopen jaren zelfs afgenomen,waarschijnlijk door betere beveiliging. Voor de toekomstis de verwachting dat de meeste last zal wordenveroorzaakt door het aanbod van illegale diensten enproducten, en door computervirussen of -wormen.Vanuit beveiligingsoptiek is de grootste zorg het thuisinloggen op het bedrijfsnetwerk, draadloze netwerkenen removable media (zoals USB flash drives enportables drives).
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200844Aandacht voor de risico’s van cybercrime is belangrijk,vindt ook GOVCERT.NL. Sterker nog, zij werkt al jarenaan het voorkomen van internetcriminaliteit en hetoplossen van incidenten die daarmee te maken hebben.Daarnaast is de organisatie, met vele partners uit bedrijfs-leven, de internationale security community en opsporings-diensten, bezig met het bevorderen van het bewustzijn bijbedrijven, overheidsorganisaties en – niet te vergeten – decomputergebruiker thuis. Op een praktische én effectievemanier, zonder angst te zaaien.Steeds meer deelnemersAl in 2002 werd GOVCERT.NL opgericht. Dit vanuit devaste overtuiging dat het internet niet alleen zegeningen,maar ook risico’s met zich mee zou brengen. Inmiddelszijn alle departementen en daarnaast nog vele andere –aan de overheid gelieerde– organisaties deelnemer vanGOVCERT.NL. Er is vooral de laatste jaren een toename inhet deelnemeraantal te zien, met name onder gemeenten.Al deze deelnemers zijn zich bijzonder bewust van derisico’s van cybercrime, in welke vorm dan ook. Dezonderlinge hacker die een overheidswebsite ‘defaced’,speciaal geschreven virussen of wormen, de inzet vanbotnets om sites plat te leggen: de rijksoverheid is zich weldegelijk bewust van alle gevaren die ICT-systemen lopen.Deelnemers worden op de hoogte gesteld van zwakkeplekken, geïnformeerd over concrete dreigingen of oververhoogde dreigingsniveaus, over protocollen hoe om tegaan met persoonsgegevens en andere gerubriceerdeinformatie. We kennen allemaal immers de risico’s vanhet verliezen of verkeerd gebruiken van gegevens die viamobiele datadragers worden overgebracht. Niet voor nietsriep staatssecretaris Bijleveld van het ministerie van BZKbij de presentatie van de GOVCERT-publicatie‘Trendrapport 2007, Cybercrime in trends en cijfers’gemeenten op om deelname aan GOVCERT.NL teoverwegen en waarschuwde zij voor de grote gevolgenvan onvoldoende beveiliging van ICT-systemen.Ondersteuning bij incidentenHet in het onderzoeksrapport gesignaleerde gebrek aannoodplannen voor het geval er zich ICT-gerelateerdeincidenten voordoen, geldt wellicht voor andere sectoren,maar in mindere mate voor de overheid. Veel van de ICT-dienstverlening bij overheden is uitbesteed. Onderdeel vande afspraken die worden gemaakt met de dienstverleners, isdat risico’s van uitval en slechte beschikbaarheid vandiensten contractueel worden overgedragen aan dedienstverlener. Escalatie bij incidenten maakt daar vrijwelInzet voorkomen en bestrijden cybercrime is grootOverheidsinzet digitale criminaliteitniet onderschatten‘Overheid slecht voorbereid op cybercrime’ kopten diverse media naar aanleiding van een recent verschenenrapport van een accountantskantoor. De noodklok wordt geluid, na een enquête onder respondenten uitbedrijfsleven en (semi)overheden. Met name de overheid zou te weinig aandacht hebben voor de gevolgenvan criminaliteit met behulp van het internet. Het rapport doet geen recht aan de inspanningen die deoverheid pleegt. Overigens sámen met de markt en internationale partners.GOVCERT.NL is het Computer Emergency ResponseTeam (CERT) van de Nederlandse overheid. In anderewoorden: de digitale brandweer van de overheid.De organisatie, opgericht in 2002 door het ministerievan Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,draagt bij aan het voorkomen en afhandelen van ICTbeveiligingsincidenten, 24 uur per dag, 7 dagen perweek. Daarbij maakt zij gebruik van een breed(inter)nationaal netwerk. Zij ondersteunt organisatiesdie een publieke taak uitvoeren, zoals overheids-instellingen, en werkt samen met vitale sectoren,zoals de bancaire sector, water- en energiebedrijven.Onderdeel van GOVCERT.NL is Waarschuwingsdienst.nldie computergebruikers thuis en in het kleinbedrijf(gratis) waarschuwt voor dreigende gevaren vanaf hetinternet. GOVCERT.NL is onderdeel van GBO.Overheid.
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200845zonder uitzondering deel van uit. Daarnaast is de expertiseen ondersteuning bij incidenten door GOVCERT.NLbeschikbaar voor alle onderdelen van de Nederlandseoverheid. Eigenlijk hoeft de Nederlandse overheid maaréén telefoonnummer te onthouden als er een ICT-beveiligingsincident plaatsvindt: het 24x7 bereikbarenummer van GOVCERT.NL.LeerpuntenMet regelmaat wordt door overheidsorganisaties geoefendop respons bij ICT-incidenten: per organisatie, sectoraalen overheidsbreed. Zo is één van de oefeningen in 2007breeduit in het nieuws geweest: oefening Shift Control(zie ook het artikel “Kabinet oefent crisis door ICT-uitval”in Nieuwsbrief Crisisbeheersing van juni 2007).Dergelijke oefeningen leveren waardevolle leerpunten open dienen niet als eenmalig gezien te worden.Diverse organisaties werken dagelijks aan het veilig makenen houden van de systemen van overheden. Van buitenaflijkt het zelfs alsof dat er zoveel zijn, dat er versnipperingoptreedt. De kenner ziet echter een consistente eneffectieve, gestroomlijnde samenwerking tussenorganisaties met diverse focussen en opdrachten.Het Team High Tech Crime van de KLPD heeft tientallenspeciaal opgeleide rechercheurs in dienst en ook is erspecialistische capaciteit binnen de politieregio’s. Er isexpertise opgebouwd binnen het Openbaar Ministerie,binnen de NCTb en daarnaast is er in Nederland eenmeldpunt Cybercrime.InformatieknooppuntOok wordt via het Programma ‘Nationale Infrastructuurter bestrijding van Cybercrime’ (NICC) door de overheidgeïnvesteerd in het ontwikkelen en ondersteunen vanexperimenten die kennis over cybercrime opleveren entegelijkertijd een concreet knelpunt oplossen. Het NICCstimuleert daarbij anderen om de witte vlekken in denationale infrastructuur in te vullen. Een belangrijkresultaat is de realisatie van het InformatieknooppuntCybercrime, waarbij in een vertrouwelijke settinguitwisseling plaatsvindt van operationele ICT-beveiligings-kennis tussen de vitale sectoren en de KLPD, AIVD enGOVCERT.NL.SamenwerkingEssentieel daarbij is de samenwerking die plaatsvindt ominternetcriminaliteit te voorkomen, op te sporen en in teperken. Samenwerking met ISP’s (internet serviceproviders) bijvoorbeeld. Eén van de activiteiten van GOV-CERT.NL is de uitvoering van het project Notice and TakeDown. De Nederlandse banken hebben zich samen methet programma NICC verenigd als opdrachtgever van ditproject, om ervoor te zorgen dat de schade die doorphishingsites wordt aangericht, zo veel mogelijk wordtbeperkt. Bij GOVCERT.NL zijn in 2007 67 phishingsitesgemeld, waarvan meer dan de helft binnen een dag uit delucht is gehaald. Hoe? Door de nauwe samenwerking metNederlandse én internationale ISP’s en met internationaleCERT-organisaties. Een wereldwijd, dagelijks functionerendnetwerk, waarbinnen informatie, incidenten en kennisworden uitgewisseld.RisicomanagementIs dit alles voldoende? Nee, uiteraard niet. Daar waar detechnische inzet wellicht optimaal is om security tewaarborgen, kunnen de interne werkafspraken, het risico-management of de mens achter de computer nog altijdfalen. Want, zoveel is duidelijk: het grootste risico voor debeveiliging zit op de bureaustoel. Risico’s zullen er altijdblijven. Al was het alleen maar omdat internetcriminaliteitzo lucratief is, dat de georganiseerde misdaad zal blijveninvesteren in het kraken van systemen, het plegen vanidentiteitsfraude, het opzetten van phishingsites, hetverzamelen van botnets en het afpersen van webwinkels.Het blijft een wapenwedloop om de cybercriminaliteitterug te dringen. Net zoals het moeilijk blijft roofovervallen,paspoortfraude en inbraken terug te dringen. Ook hiervoorgeldt niet dat het een kwestie van onwetendheid of des-interesse is, maar van samenwerking, kennis, alertheid,voorlichting, technologie, bewustwording en het delen vanexpertise. Beveiliging van systemen tegen incidenten iseen blijvend punt van aandacht en vraagt voortdurend ominvestering door alle betrokken partijen.Burgers, bedrijven en overhedenDe zonderlinge hacker is inmiddels een dikbetaaldeingehuurde kracht van misdaadorganisaties. Internet éninternetcriminaliteit kennen geen grenzen. Hoe goed detechnologische mogelijkheden ook zijn, er blijven risico’sen zwakke plekken. Echter, er is geen grond om aan tenemen dat burgers reden hebben om de aandacht eninvestering van de overheid in de beveiliging van systemenin twijfel te trekken. Wat wel belangrijk is, is dat diezelfdeburger beseft dat internetgebruik risico’s met zichmeebrengt. Want juist het volledige vertrouwen in debeveiliging van je computer, maakt je het meest kwetsbaar.Dat geldt voor burgers, dat geldt voor overheden en voorhet bedrijfsleven. Voor die taak van bewustwording staanwij gezamenlijk: als politiek, als industrie, als opsporings-diensten, als overheidsorganisaties en ook als accountants-bureaus.EEllllaa BBrrooooss,, woordvoerster,DDoouuwwee LLeegguuiitt eenn AAaarrtt JJoocchheemm,, teamleiders GOVCERT.NL
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200846Bij militaire bijstand wordt doorgaans gedacht aan groteaantallen personen of specifiek materieel, zoalsmomenteel het mobiele hospitaalsysteem in Twente.Minder bekend is dat Defensie ook stafcapaciteit biedt terondersteuning van civiele crisisbesluitvorming. Militaire(onder)officieren kunnen worden ingezet als aanvullendecapaciteit op een civiele crisisstaf in bijvoorbeeld een‘landelijk operationeel team’. Zelfs inzet voor een veilig-heidsregio is niet ondenkbaar. Op verzoek van de civieleautoriteit kunnen de militairen onder zijn of haar gezagen leiding alle taken en processen uitvoeren waarvoor nietvoldoende civiele crisismanagementcapaciteit beschikbaaris. Analytisch denken, situaties in kaart brengen, werkenvolgens scenario’s en onder grote tijdsdruk, zijn vaardig-heden waarover militairen immers ook voor hun regulierestaftaken moeten beschikken. Wel moeten de militaire(onder)officieren eerst leren optreden in civiele samen-werkingsverbanden en wennen aan andersoortige crises:een industriële calamiteit of een natuurramp in eigen landin plaats van een gewapend conflict of een vredesoperatiein Afghanistan. En de civiele partijen moeten wennen aan(de idee aan) militairen in hun organisaties.Verschillende zulu’sDe grootte van de stafcapaciteit kan variëren van enkelepersonen tot aan een staf van zo’n 50 militairen om“klokrond” op te treden. De stafcapaciteit kan voorzien ineigen communicatiemiddelen en uitgerust worden metprocesondersteunende middelen zoals het Integrated StafInformation System (ISIS). Hiermee kan de actueleoperationele situatie in kaart worden gebracht. Aangeziende civiele rampenbestrijding en de krijgsmacht beide eeneigen werkwijze, mogelijkheden, beperkingen en cultuurhebben, is multidisciplinair oefenen een vereiste. Beidewerelden moeten elkaar goed begrijpen en elkaars taalleren spreken om adequaat te kunnen samenwerken.Samen met civiele instanties in Brabant heeft majoorErik Backus, hoofd Bureau Nationale Operaties bij hetRegionaal Militair Commando Zuid, een praktijkgerichtkennismakings- en trainingsprogramma opgezet om eenbrigadestaf en de civiele partners aan elkaar te laten wennenen te leren samenwerken. Backus: “We zijn begonnen metde staf van de 13e Gemechaniseerde brigade uit Oirschot.Onlangs teruggekeerd van de vredesoperatie in Afghanistanfocust deze eenheid zich dit jaar op het thema ‘nationaleoperaties’. In een tweedaags seminar voor de staf hebbende rampenbestrijdingsdiensten, een waterschap, eengemeenteambtenaar en het NIFV uitleg gegeven over deorganisatie van rampenbestrijding en crisisbeheersing inOefening Civil Rhino: civiel-militairesamenwerking bij grootschalige evacuatieIn Nederland is een overstromingsramp een van de grote dreigingen. De omvang van de schade, het aantalgetroffenen en slachtoffers zal groot zijn. Bij een grootschalige evacuatie zijn vele partijen betrokken. Rijk,provincies, gemeenten en veiligheidsregio’s zijn verantwoordelijk voor het nemen van besluiten tijdens hetevacuatieproces. Waterbeheerders voorzien de partijen van informatie over dreiging en ernst van de verwachteoverstroming. Hulpdiensten, zoals politie, brandweer, GHOR en Rode Kruis, eventueel ondersteund doorDefensie, laten de evacuatie soepel verlopen.
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200847Nederland. Een eerste noodzakelijke stap om elkaarsmogelijkheden te leren kennen en dezelfde taal te lerenspreken. Elke organisatie heeft zijn eigen jargon. Als eenpolitiefunctionaris bijvoorbeeld vraagt om een ‘zulu’,bedoelt hij helikopterondersteuning, terwijl een militairmet diezelfde ‘zulu’ een ziekenwagen bedoelt”.Continu up to dateOm de praktijk te trainen vond Backus in ’s Hertogenboschonder het provinciehuis van Noord-Brabant de commando-bunker. “Ik wilde de mensen van het kazerneterrein afhebben om het opzetten van een staf in een civieleomgeving te leren oefenen”, aldus Backus. De provinciestelde voor om óók voor de eigen organisatie en voor deandere civiele partners oefendoelen aan de oefening teverbinden en een gezamenlijke crisisstaf te formeren dieeen groot scenario moest afhandelen”.Uiteindelijk werd een plan geboren voor een driedaagsestafoefening van 15 tot en met 17 januari, waarbij eenbovenregionale planningsstaf een grootschalige evacuatie-operatie wegens een dreigende overstroming voor dekiezen kreeg. “Zo’n scenario leent zich bij uitstek voormilitaire stafondersteuning, omdat een evacuatieplanarbeidsintensief is en veel stafcapaciteit vraagt”, vervolgtBackus. “In deze oefening hebben we onze eigen staf-functies ‘current’ en ‘plans’ samengebracht in eengezamenlijke stafstructuur met brandweer, politie, RodeKruis, provincie, waterschappen en Omroep Brabant in defunctie van rampenzender. ‘Current’ is het deel van de stafdat continu zorgt voor een up to date operationeel beeldvan de calamiteit, zodat iedereen op ieder moment over demeest actuele informatie beschikt. De sectie ‘plans’ maaktde daadwerkelijke planning voor de uit te voeren acties”.Vermogen om vooruit te plannenDe Brabantse commissaris van de Koningin Hanja Maij-Weggen woonde delen van de oefening bij. “Wat ik zag,was een samenwerking en samenspel die aanvankelijk wataarzelend waren. Maar het is opvallend hoe snel dieaarzeling verdween. In zeer korte tijd is er geconcentreerden met inzet gewerkt. Het verschil tussen de mensen inhet groen, het blauw, de gemeenten en de provincieverdween. Er ontstond een team. Dat geeft vertrouwen.”De meerwaarde van deze vorm van samenwerking metDefensie is voor de commissaris geen vraag. “Vooral hetvermogen om vooruit te plannen is een goede aanwinst.Ik denk ook dat de inzet van militaire middelen bij debestrijding van rampen hierdoor beter gecoördineerdwordt. Het was een positieve ervaring voor alle veiligheids-partners”.Anton Aerts, werkzaam bij het bureau Conflict enCrisisbeheersing (CCB) van de politie Brabant Zuid-Oostbeaamt dat. Van nabij zien hoe militairen op stafniveauproblemen aanpakken was voor hem een nieuwe ervaring.“De structuur die ze gebruiken, vind ik heel bijzonder,met een splitsing tussen de afdeling current en plans. Mooiwas om te zien dat men deze structuur ook wist om tebuigen naar het adviseren van het civiel gezag en zo – alwerkend – op één lijn kwam. Daarbij was opvallend veelopenheid en ruimte om dingen uit te proberen en ideeënaan te dragen. Ook voor mijzelf om de kennis vanuit mijnwerkveld in te brengen,” aldus Aerts.Majoor Backus ziet dat leereffect ook voor de militaire staf.“Doel van de oefening was om het ‘civiele bewustzijn’ bijonze mensen te versterken. Nu moeten we de proceduresen werkwijzen meer op elkaar afstemmen en dat kanalleen door intensieve kennismaking en gezamenlijkoefenen. Wij hopen dat we in de gelegenheid wordengesteld om veel met civiele partners in de veiligheids-regio’s te oefenen, ook met de andere brigadestaven”.Arnoud Reijnen, coördinator woordvoering en crisis-communicatie van de provincie Noord-Brabant, prijst hetoefenen aan als een ‘geweldige leerervaring’. “Duidelijkkomt tot uiting dat militairen een enorme routine hebbenin oefenen en in het omgaan met dynamische crisis-situaties. Dat zijn eigenschappen waar alle civiele partnersin daadwerkelijke grootschalige crisissituaties echt vankunnen profiteren”.JJ..MM.. SScchhaallkk,,wnd. hoofd Bureau Communicatie en Externe Betrekkingen,Regionaal Militair Commando ZuidMet dank aan: Rob Jastrzebski (Vakblad Incident)Waar het op aankomt, is ‘scenario denken’ enintellectuele capaciteit
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200848“Klimaatverandering biedt kansen voor innovatie,zowel bij de vermindering van de uitstoot vanbroeikasgassen als bij het anticiperen op de gevolgen.”Dat stellen Nederlandse klimaatwetenschappers inde brochure ‘De Staat van het Klimaat 2007’.Deze jaarlijkse inventarisatie van de stand van zaken ennieuwe ontwikkelingen op het gebied van klimaatonder-zoek en klimaatbeleid is op 19 februari aangeboden aanminister president Jan Peter Balkenende. De Staat van hetKlimaat 2007 is samengesteld door het PlatformCommunication on Climate Change (PCCC) waarinvooraanstaande Nederlandse kennisinstituten op hetgebied van klimaat samenwerken. Een greep uit deonderwerpen: wat hebben we concreet in 2007 gemerktvan de klimaatverandering, de betekenis van het vorig jaarverschenen IPCC-klimaatrapport van de Verenigde Natiesmet ook een vertaling naar de Nederlandse situatie,nationaal en Europees beleid, waar mogelijk vergaandebesluiten over zijn genomen, nieuwe technieken om CO2-uitstoot te verminderen en onderzoek naar het klimaat-bestendig maken van Nederland. Met de toename van hetwetenschappelijk onderzoek groeit ook de kennis van hetklimaatsysteem, die wordt ingezet bij de ontwikkeling vanklimaatbeleid. De auteurs van de brochure signalerenpositieve beleidsontwikkelingen op nationaal, Europees enmondiaal niveau. Om de klimaatverandering te temperen,wordt in Europa ingezet op meer energiebesparing, eengroter aandeel hernieuwbare energie en versterking vanhet emissiehandelssysteem. Maar ook als we erin slagenom de uitstoot van broeikasgassen sterk te verminderen,verandert het klimaat. Natuurlijke en maatschappelijkesectoren moeten zich instellen hiermee om te gaan.In deze nieuwste Staat van het Klimaat worden nieuweontwikkelingen gesignaleerd rond waterbeheer, omgaanmet een groter overstromingsrisico en klimaatbestendigernatuur.Voor meer informatie: www.klimaatportaal.nlDe brochure is te bestellen via ottelien.vansteenis@wur.nl.De Staat van het Klimaat 2007Het COT Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagementgaat met enkele gerenommeerde Amerikaanse institutensamenwerken op het gebied van crisisbeheersing.Staatssecretaris Tineke Huizinga van Verkeer en Waterstaatondersteunt dit initiatief de komende drie jaar met eenbijdrage van 1 miljoen euro.Huizinga en COT-voorzitter Uri Rosenthal ondertekendenop 7 maart in New Orleans de bijbehorende overeenkomst.Aan Amerikaanse zijde gaat het om de universiteiten vanColorado en Delaware en de George Washington Universityin Washington, die hun kennis over het omgaan metnatuurrampen inzetten. Bij laatstgenoemde universiteitzal het secretariaat van het Nederlands-Amerikaanseconsortium worden gevestigd. Een van de initiatiefnemersis Eelco Dykstra, ‘rampenhoogleraar’ aan de GeorgeWashington University en voormalig Amerika-correspondentvan de Nieuwsbrief Crisisbeheersing. Hij schreef een paarmaanden na de verwoestende orkaan Katrina een boekjeover een vergelijkbare fictieve natuurramp in Nederland.Volgens Dykstra heeft Nederland veel kennis in huis overpreventie, zoals het voorkomen van overstromingen.De Amerikanen blinken uit in operationele ervaring,bijvoorbeeld door het in kaart brengen van ervaringen vanhet grote publiek en hulpdiensten. In november wordt inNederland gedurende een hele week onder de naam‘Waterproef’ geoefend met overstromingsrampen.VS en Nederland samen in crisisbeheersing
  • Sinds de zomer van 2007 is sprake van een toename vande internationale invloed op de jihadistische dreiging inWest-Europa. Bij aanhoudingen in het VerenigdKoninkrijk (juni 2007), Denemarken (september 2007)en Duitsland (september 2007) bleek sprake van trainingen soms van strategische sturing door aan al Qa’idagelieerde groeperingen in onder meer Pakistan enAfghanistan. In de beoordeling van de invloed uit Pakistanen Afghanistan moet worden meegenomen dat daar algeruime tijd een zeker herstel van de kern van al Qa’idagaande is. Uit een recente Spaanse casus (januari 2008)blijkt dat de aanslagplegers niet eerder in Europa waren,maar lijken te zijn ingevlogen vanuit het grensgebiedPakistan/Afghanistan. Het handelt zich bij dergelijkejihadisten om een groep die beter en meer praktijkgerichtis getraind dan de meeste in Europa woonachtige jihadisten.Kennis opgedaan uit recent verijdelde aanslagen inEuropa maakt het voorstelbaar dat in West-Europa, en dusook Nederland, meer dan voorheen rekening moet wordengehouden met een aanslag. De dreiging gaat hoofdzakelijkuit van aan de kern van al Qa’ida gerelateerde groepen uitPakistan en Afghanistan. Daar komt bij dat Nederland deafgelopen tijd negatief in beeld is gekomen in deislamitische wereld door de wijze waarop discussie overde islam in Nederland door sommigen wordt gevoerd,bijvoorbeeld naar aanleiding van een aangekondigde filmover de Koran. Positief is dat in het huidige DTN wederomgesignaleerd wordt dat Nederlandse moslims zich opmerke-lijk weerbaar opstellen tegen radicalisering en extremisme.De beschreven internationale invloed op de dreiging geeftaan dat de zichtbaarheid daarvan voor Europa afneemt:radicalisering, netwerkvorming en training vinden in hetbuitenland plaats en dus veelal buiten het zelfstandigezicht van de Europese inlichtingen- en veiligheidsdiensten.Desalniettemin zijn dankzij internationale samenwerkingin Nederland in de afgelopen periode ook nieuwe personenonderkend via wie mogelijk een internationale dreigingkan uitgaan tegen Nederland of andere Europese landen.(bron: persbericht NCTb)Dreigingsniveau in Nederland verhoogdnaar substantieelHoewel er geen concrete aanwijzingen voor aanslagen in Nederland zijn, geeft de toegenomen internationaleterroristische dreiging aanleiding tot het verhogen van het algemene dreigingsniveau voor Nederland vanbeperkt naar substantieel. Dit concludeert de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding in zijn nieuweDreigingsbeeld Terrorisme Nederland (DTN), waarvan de samenvatting op 6 maart door de ministers HirschBallin (Justitie) en Ter Horst (Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties) naar de Tweede Kamer is gestuurd.Met de verhoging van de dreiging is het dreigingsniveau op het niveau zoals dit gold sinds de start van hetDTN in mei 2005 tot april 2007. In de tussenliggende periode was de dreiging beperkt.Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200849Dat schrijft minister Ter Horst op 12 maart aan de TweedeKamer naar aanleiding van een rapport van de InspectieOOV over de periode 2003-2007 en op basis vanrapportages van Commissarissen van de Koningin.De Inspectie OOV constateert dat het basisniveau van devoorbereiding op rampen is gestegen. Tekortkomingen zijner nog bij de voorbereiding op drie belangrijke processendie de startmotor van de rampenbestrijding zijn: informatie-management, leiding en coördinatie en opschaling.Minister Ter Horst wil de kwaliteitsverbetering doorzettenen versnellen via het wetsvoorstel op de veiligheidsregio’sen bijbehorende kwaliteitseisen, via afspraken in hetbestuursakkoord met de gemeenten en via convenantenmet de regio’s. Als een regio een convenant met de ministerafsluit, is er ook extra geld beschikbaar (1,3 tot 1,8 miljoeneuro per regio).De provincies constateren dat de hulpverleningsdienstenin de regio’s een grote ramp niet aan kunnen. MinisterTer Horst schrijft dat in zo’n geval bijstand van andereregio’s voor extra capaciteit moet zorgen. Het LandelijkOperationeel Coördinatie Centrum (LOCC) ondersteuntde regio’s bij het beter organiseren van bijstand. Ter Horstwil het risicobewustzijn bij lokale en regionale bestuurdersvergroten. Het zijn namelijk de bestuurders in de regio’sdie de capaciteit van de hulpverlening moeten vaststellen.Zij moeten de capaciteit afzetten tegen de risico’s, dezelfredzaamheid van inwoners en de mogelijkheden voorbijstand uit andere regio’s. Als de Wet op de veiligheids-regio’s van kracht wordt (vermoedelijk vanaf 2009),moeten de regio’s minimaal voldoen aan de basisvereistencrisismanagement.Voorbereiding op rampen verbetert, maar tempo moet omhoog
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200850Hierbij reageer ik op de artikelen over zelfredzaamheiden burgerparticipatie bij rampen en crises in hetjanuarinummer. Kern van alle artikelen is hoebelangrijk professionele groepen burgerparticipatieen zelfredzaamheid in de rampenbestrijding encrisisbeheersing vinden. De vraag in hoeverreburgers het belangrijk vinden dat zij actief wordenvoor hun eigen en andermans veiligheid komt helaasniet aan bod. Terwijl dit een noodzakelijke voorwaardeis voor een succesvolle burgerparticipatie en zelf-redzaamheid op het terrein van de nationale veiligheid.Het is niet mijn bedoeling om in deze reactie de waardevan burgerparticipatie en zelfredzaamheid in twijfel tetrekken. Wel wil ik een vijftal kantekeningen plaatsen bijde artikelen over dit onderwerp.Mijn eerste opmerking gaat over de veranderende houdingvan professionele groepen jegens burgers. Immers in deloop van de tijd hebben professionele groepen steeds meerburgers van zich afhankelijk gemaakt. Met als gevolg datveel burgers passief zijn geworden als het gaat om deeigen veiligheid en die van anderen.Ten tweede: door de overgang van de zogenaamde nacht-wakersstaat (beperkte rol van de overheid) naar deverzorgingsstaat (dominante rol van de overheid enprofessionele groepen) hebben burgers een aanmerkelijkdeel van hun inkomen overgedragen aan de overheid.Veelal met de bedoeling en de verwachting dat de overheidmet haar professionele groepen namens de burgerspublieke taken zoals veiligheid voor de burgers uitvoert.Ten derde: na deze overdracht van financiële middelen entaken ligt de bereidheid van burgers om actief te partici-peren of zelfredzaam te worden niet direct voor de handDaarnaast is er in toenemende mate druk op geld en tijd.Hierdoor zijn burgers steeds minder in staat en bereid omzelf actief te zijn op het gebied van de nationale veiligheid.Ten vierde: uit Amerikaans onderzoek blijkt dat burgerspas actief willen worden indien burgers veel vertrouwenin het overheidsoptreden hebben. Eerst moet de overheidz’n eigen zaakjes goed op orde hebben en dan pas is er eengrotere kans op actief burgerschap in de veiligheid. Zodraburgers verwachten dat zij onvolkomenheden van deoverheid moeten compenseren, zal de bereidheid vanburgers niet zo groot zijn. Terwijl de behoefte aan hulpjuist groot is.Mijn vijfde en laatste opmerking is dat burgers eerderduurzaam zullen willen bijdragen aan de preparatie- enresponsfase van een ramp of crisis, als er niet alleenvoordelen voor de overheid zijn, maar ook voor burgers.Dit betekent dat er voor burgers niet alleen maar lastenmoeten zijn, maar ook incentives.Mijn conclusie is dan ook: zolang enkel en alleen debelangen van de overheid en professionele groepen wordengediend, zal van een duurzame burgerparticipatie enzelfredzaamheid geen sprake zijn.ddrr.. GGeerrrriitt HHaavveerrkkaammpp,,directie Strategie, afdeling voor Internationale Samenwerking,ministerie van BZKIn de rubriek “Mijn Mening” reageren lezers op een artikel in dit Magazine. Een reactie vanmaximaal 450 woorden moet inhoudelijk interessant zijn. Bijdragen zijn welkom op hete-mailadres crisisbeheersing@minbzk.nl onder vermelding van “Mijn Mening” en naam enadres afzender. De redactiecommissie behoudt zich het recht voor om een reactie zonder overlegte weigeren of in te korten.Mijn Mening1Aangehaald in: G. Haverkamp, Vuur als gemeenschappelijke vijand, Den Haag 2005, pp. 154-155.Burgerparticipatie en zelfredzaamheid:What’s in it for burgers?
  • Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 200851Conferentie“Risk meets Crisis”21-22 mei 2008RedactieadresPostbus 20011, 2500 EA Den HaagE-mail: crisisbeheersing@minbzk.nlInternet: www.minbzk.nl/veiligheidRedactiecommissieRedactiecommissie: Henk Geveke, Nico de Gouw enGeert Wismans (samenstelling en eindredactie)Redactiemedewerker: Maddy Ockhorst (070-426 7011)Redactiesecretariaat: Nalini Bihari (070-426 73 54)RedactieraadProf. dr. Ben Ale (Technische Universiteit Delft)Prof. dr. Joost Bierens (VU Medisch Centrum Amsterdam)Dr. Arjen Boin (Louisiana State University, USA)Mr. dr. Ernst Brainich von Brainich FelthDr. Menno van Duin (Nederlands Instituut Fysieke Veiligheid)Prof. dr. Georg Frerks (Universiteit Wageningen)Prof. dr. Bob de Graaff (Universiteit Leiden/Campus Den Haag)Prof. dr. Ira Helsloot (Vrije Universiteit Amsterdam)Prof. dr. Erwin Muller (Universiteit Leiden)Prof. dr. Uri Rosenthal (Universiteit Leiden)Dr. Astrid Scholtens (Politieacademie/Nederlands Instituut FysiekeVeiligheid)Prof. dr. Erwin Seydel (Universiteit Twente)Prof. dr. Rob de Wijk (The Hague Centre for Strategic Studies)Aan dit nummer werkten mee:Eva Barneveld, Guido Bertolaso, Linda Bontje, Anja van den Bosch-Overduin, Bart Boon, Ella Broos, Ruth Clabbers, Simon van derDoorn, Matthew Elkington, Natasja Hartzema, Gerrit Haverkamp,Ira Helsloot, Mw. G. ter Horst, Jasper van der Horst, Aart Jochem,Ian Kearns, Erik Klaver, Patrick Lagadec, Roos Lamers,Douwe Leguit, Bruce Mann, Ron de Meijer, Eimert van Middelkoop,Monique Otten, Katie Paintin, Eric Pruyt, Sebastian Reyn,José Schalk, Dick Schoof, Michael Thornton, Frank Vergeer,Michiel Verlaan, Jacob Verschuur, Bert Visser, Peter de WitFotografieCroptrust, Defensievoorlichting, Arenda Oomen, Rob Jastrzebski,ShellVormgevingGrafisch Buro van Erkelens, Den HaagProductiebegeleidingMinisterie van Binnenlandse Zaken en KoninkrijksrelatiesDirectie Communicatie en Informatie / Grafische en MultimedialeDienstenDrukOBT bv, Den Haag© Auteursrecht voorbehouden.ISSN 1875-7561Voor een gratis abonnement mail: crisisbeheersing@minbzk.nl.Het magazine is te downloaden via www.minbzk.nl/veiligheid.ColofonXXX-XXX-000Op 21 en 22 mei a.s. wordt het internationale congres“Risk meets Crisis” georganiseerd in het Carlton BeachHotel in Scheveningen. Het congres is de slotbijeenkomstvan twee Europese projecten in het kader van InterregNorth Sea Region, namelijk Safecoast en Chain of Safety.Beide projecten hebben zich beziggehouden met kustover-stromingen, ieder vanuit hun eigen invalshoek. Het projectSafecoast heeft zowel een technische als strategischebenadering gekozen om te komen tot gemeenschappelijkeoplossingen voor de risico’s van kustoverstromingen enerosie langs de Noordzeekust, terwijl het project Chain ofSafety zich richt op wederzijdse samenwerking, kennis-uitwisseling en hulpverlening tussen de Noordzeelandenwanneer zich onverhoopt een kustoverstroming zouvoordoen.Safecoast heeft alles te maken met risicomanagement(hoe houden we het water tegen?) en Chain of Safety metcrisismanagement (hoe beperken we de gevolgen zoveelmogelijk, wanneer het eerstgenoemde niet lukt?).Voor meer informatie over de projecten en/of het congres:www.safecoast.orgwww.chainofsafety.com
  • 52Vier vragen aan:Eimert van Middelkoop,minister van Defensie naar aanleiding vanaftrap Verkenningen op 5 maartMagazine nationale veiligheid en crisisbeheersing maart 2008Waarom worden er verkenningen uit gevoerd?“Het kabinet kiest voor een actieve en constructieve rol vanNederland in de wereld. Hierbij hoort een moderne enprofessionele krijgsmacht die overal maatwerk levert.De defensiebegroting is voor deze kabinetsperiode sluitend.Niettemin is er reden te bezien hoe het financiële beeld er inde toekomst uitziet. Dit is nodig voor een stabiele ontwikkelingvan de krijgsmacht. Ook moeten militairen en burgers die inopdracht van onze samenleving risico’s lopen het perspectiefbehouden op een toekomstbestendige krijgsmacht. Met deverkenningen willen wij een inhoudsvolle bijdrage leveren aande oordeelsvorming over de krijgsmacht en het daarmeesamenhangende niveau van defensiebestedingen. Om detaken en de middelen van de krijgsmacht ook op de langeretermijn in evenwicht te houden hebben wij beslotenverkenningen uit te voeren.”Wat is het doel van de verkenningen?“Voor deze kabinetsperiode bieden de uitgangspunten van debeleidsbrief “Wereldwijd dienstbaar” voldoende houvast vooreen “toereikende krijgsmacht”. Het huidige ambitieniveaupast naadloos bij de actieve en constructieve rol die hetkabinet in de wereld wil spelen. Dat wij nu aan verkenningennaar de toekomst van de krijgsmacht beginnen, moet daaromeerst en vooral worden uitgelegd als een uitdrukking van onzepolitieke wil ook voor de toekomst recht te doen aan devereisten van dat centrale instrument van onze staat.Het wordt tijd dat Nederlanders beginnen te wennen aan hetidee dat behalve lágere, ook hógere defensie-uitgaven denkbaarzijn. Dat deze zelfs nodig kúnnen zijn, wil ons land zich veiligwanen en een actieve bijdrage blijven leveren aan de inter-nationale vrede en veiligheid. Tevens koester ik de voorzichtigehoop dat deze kabinetsperiode voor de krijgsmacht in datopzicht als een historisch omslagpunt zal worden beschouwd.Bij een welvarend land als Nederland, met zijn groteeconomische belangen en krachtige morele drijfveren, hoorteen moderne, robuuste en geloofwaardige krijgsmacht.De verkenningen leggen de basis voor een krijgsmacht dieblijvend tegen de toekomst is bestand. De verkenners hebbende volgende opdracht mee gekregen: de verkenningen dienen,op grond van de op langere termijn te verwachten ontwikke-lingen en mogelijke scenario’s, zonder beperkingen beleidsoptieste formuleren met betrekking tot de toekomstige ambitiesvoor de Nederlandse defensie-inspanning, de daaruit voort-vloeiende samenstelling en toerusting van de krijgsmacht enhet daarbij behorende niveau van de defensiebestedingen.Defensie heeft alle reden om deze verkenningen vol zelf-vertrouwen in te gaan. De verkenningen zullen de basis leggenvoor een krijgsmacht die blijvend tegen de toekomst is bestand.De grillige wereld waarin wij leven staat niet toe dat wijnonchalant met de vereisten van onze krijgsmacht omgaan.Het motto voor de verkenningen luidt ook niet voor niets:Houvast voor de krijgsmacht van 2020.”Hoe worden de verkenningen opgepakt en uitvoerd?“De verkenningen worden opgepakt en uitgevoerd door eeninterdepartementale projectdirectie met deelname van deministeries van Defensie, Binnenlandse Zaken en Koninkrijks-relaties, Buitenlandse Zaken, Financiën en Justitie. Daarnaastis er duidelijke externe betrokkenheid. Een klankbordgroep vanzeven deskundigen, onder voorzitterschap van oud-ministerGerrit Zalm, zal de verkenningen kritisch volgen en daarovergevraagd en ongevraagd advies uitbrengen.De verkenningen zijn gediend van een zo analytisch mogelijkaanpak. Ze worden uitgevoerd aan de hand van twee invals-hoeken. Enerzijds gaat het om ontwikkelingen die van invloedzijn op de omvang en de aard van het beroep dat in de toekomstop de krijgsmacht wordt gedaan (de ‘vraagzijde’). Hierbij zijnde veranderende internationale verhoudingen en de veiligheids-situatie binnen en buiten onze landsgrenzen belangrijkeaandachtsgebieden. Ook de maatschappelijke rol van dekrijgsmacht wordt bezien. Anderzijds wordt gekeken naarontwikkelingen die van invloed zijn op de krijgsmacht alsorganisatie (de ‘aanbodzijde’). Zo hebben de veranderendeinzet van de krijgsmacht en operationele ontwikkelingenonmiskenbaar organisatorische gevolgen.”Wat is het belang van de verkenningen voor nationale veiligheiden crisisbeheersing?“Eén van de hoofdtaken van Defensie is het ondersteunen vande civiele autoriteiten bij nationale veiligheid en crisisbeheersing.Hiertoe zijn onder meer afspraken gemaakt over structurelevormen van civiel-militaire samenwerking. De verkenningenzullen inzicht moeten geven welke defensie-inspanningennodig zijn om ook in de toekomst de nationale veiligheidmede te kunnen waarborgen.”