Your SlideShare is downloading. ×
0
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Thanks for flagging this SlideShare!

Oops! An error has occurred.

×
Saving this for later? Get the SlideShare app to save on your phone or tablet. Read anywhere, anytime – even offline.
Text the download link to your phone
Standard text messaging rates apply

Lees mijn artikel: Bosbranden in Rusland (vanaf pagina 44)

536

Published on

Ik schreef in het Magazine Nationale Veiligheid en Crisisbeheersing van november/december 2010 een artikel over de bosbranden die Rusland hadden geteisterd

Ik schreef in het Magazine Nationale Veiligheid en Crisisbeheersing van november/december 2010 een artikel over de bosbranden die Rusland hadden geteisterd

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
536
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
3
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

Report content
Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
No notes for slide

Transcript

  • 1. Uri Rosenthal,minister van Buitenlandse ZakenMagazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/dcemberr 201060jaargang 9 | nummer 6 | november/december 2010 Magazinenationale veiligheiden crisisbeheersingThema: Internationale dimensieCyber securityAanpak Q-koorts geëvalueerdVier vragen aan:Wat is het doel van uw recente voorstel totversterking van de Europeserampenbestrijdingscapaciteit?“Ons beleidsvoorstel behelst de ontwikkelingvan een structuur voor efficiëntere rampen-bestrijding door de EU zodat het mogelijkwordt sneller hulp te bieden waar enwanneer dat nodig is en dat tegen de laagstekosten voor de belastingbetaler. Doelen zijnbetere planning met behulp van referentie-rampscenario’s, de beschikbaarheid vanmiddelen voor snelle interventie zowelbinnen als buiten de EU te waarborgen,de logistiek te verbeteren en de kosten-effectiviteit te waarborgen door dubbelwerk te vermijden en voort te bouwen ophetgeen reeds goed functioneert.Het komt erop neer dat we voorstellen eenEuropean Emergency Response Capacity (EERC) op tezetten op basis van vooraf door de lidstatentoegezegde middelen en vooraf overeen-gekomen noodplannen. Deze middelenblijven onder het beheer van de EU-landenzelf, maar zullen ter beschikking wordengesteld zodra een gezamenlijke Europeseinterventie nodig is. Ook zal er een EuropeanEmergency Response Centre worden opgezet doorsamenvoeging van het huidige Monitoring andInformation Centre (MIC) en de ECHO-crisis-centra voor humanitaire hulp. Het centrumzal 24 uur per dag operationeel zijn.Behalve voor monitoring en coördinatie zaler ook een grote capaciteit voor planningbeschikbaar zijn.”Hoe kunnen de lidstaten bijdragen aan dezeresponscapaciteit?“Elke staat heeft de plicht de veiligheid vanzijn ingezetenen te beschermen. Groterampen kunnen de nationale capaciteitechter te boven gaan. In dergelijke gevallenkan een gecoördineerde Europeseinterventie effectiever zijn. Wij stellen een‘bottom up’ aanpak voor die gebaseerdwordt op bestaande capaciteiten waarbij delidstaten bepaalde middelen in een poolonderbrengen (bij voorbeeld voor water-zuivering, search and rescue of voor hetbestrijden van bosbranden, medischeunits). Deze middelen worden beschikbaargesteld voor EU-operaties, maar blijvenonder het nationale gezag.”Hoe kijkt u aan tegen samenwerking enafstemming met andere internationaleorganisaties zoals het Rode Kruis, de NAVO enUN-OCHA?“Bij grote rampen buiten de EU coördineerten bevordert het MIC de hulp van lidstatendie dan adequaat wordt geïntegreerd in deoverige hulpinspanningen. Voor deVerenigde Naties is het efficiënter wanneer erafgestemd kan worden op basis van één goedgecoördineerd hulppakket vanuit de EU dante moeten onderhandelen met 27 verschil-lende partners. Daarom is de VN een zeergroot voorstander van onze initiatieven totbetere afstemming van EU-interventies. DeCommissie ondersteunt de leidende rol vande VN bij rampen buiten de EU. We onder-houden verder een uitstekende werkrelatiemet het UN Office for Coordination of HumanitarianAffairs (UN-OCHA). Een andere belangrijkepartner is de Internationale Federatie vanRode Kruis- en Halvemaanverenigingen (IFRC)die snel kan optreden bij natuurrampen en opjaarbasis ongeveer 30 miljoen mensenbijstaat. In 2009 heeft de Commissie ruim 13miljoen euro gefinancierd voor operationeleactiviteiten en capaciteitsopbouw van hetIFRC.We werken pragmatisch samen met de NAVO.Een aantal van onze lidstaten heeft bijvoorbeeld gebruik gemaakt van de luchtbrugvan de NAVO om na de aardbeving van 2005hulpgoederen naar Pakistan te brengen.Tijdens rampen waarbij beide operationeelzijn, wisselen het MIC en het Euro-AtlanticDisaster Response Coordination Centre vande NAVO informatie uit.”Wat is uw bijdrage aan de nieuwe Europeseinterne veiligheidsstrategie?“Het waarborgen van de interne veiligheidvoor Europeanen is een prioriteit bij de EU.Op grond van het Verdrag van Lissabon enhet programma van Stockholm hebben delidstaten begin 2010 een interne veiligheids-strategie ontwikkeld en de EuropeseCommissie opgeroepen concrete voorstel-len voor maatregelen uit te werken. Eindnovember is de interne veiligheidsstrategiegepubliceerd. Eén van de actiepunten uit destrategie betreft het optreden van de EU bijrampen, en bouwt voort op mijn voorstelover EU-capaciteit voor rampenbestrijding.In de nieuwe strategie wordt het belang vanoptreden door de EU op dit terrein nietalleen benadrukt als een mechanisme omhet verlies van mensenlevens te voorkomenen lijden te verzachten, maar ook als eenmiddel om de veiligheid binnen Europa tebevorderen.”Kristalina Georgieva,EU-commissaris voor internationalesamenwerking, humanitaire hulpen crisisbestrijding
  • 2. Redactieadres Magazine nationale veiligheiden crisisbeheersingMinisterie van Veiligheid en JustitiePostbus 203012500 EH Den HaagE-mail: crisisbeheersing@minbzk.nlRedactieRedactiecommissie: Ruth Clabbers,Marije Breedveld, Donna Landa,David van Veenendaal,Lodewijk van Wendel de Joode enGeert Wismans (samenstelling eneindredactie)Redactiesecretariaat: Nalini Bihari(070-426 53 00)RedactieraadProf. dr. Ben Ale (Technische UniversiteitDelft)Dr. Arjen Boin (Universiteit Utrecht)Mr. dr. Ernst BrainichDr. Menno van Duin (Nederlands InstituutFysieke Veiligheid)Prof. dr. Georg Frerks (UniversiteitWageningen)Prof. dr. Bob de Graaff (NederlandseDefensie Academie)Prof. dr. Ira Helsloot (Vrije UniversiteitAmsterdam)Prof. dr. Erwin Muller (Universiteit Leiden)Prof. dr. Uri Rosenthal (Universiteit Leiden)Dr. Astrid Scholtens (Crisislab)Prof. dr. Erwin Seydel (Universiteit Twente)Prof. dr. Peter Werkhoven (TNO Defensie enVeiligheid)Prof. dr. Rob de Wijk (The Hague Centre forStrategic Studies)Aan dit nummer werkten mee:Ben Ale, Delilah Al-Khudairy, AlessandroAnnunziato, Vincent van Beest, HaroldBoersen, Marc Bökkerink, AndriesBoneschansker, Marije Breedveld, ClaartjeBrons, Anton van Wijk, Raimond Duijsens,Maris den Engelsman, Pamela van Erve, ErikFrinking, Peter Glerum, KristalinaGeorgieva, Jan Goeijenbier, CorsmasGoemans, Erik van der Goot, PeterGoudsmits, Tom de Groeve, Jolanda Haak,Siobhan Harty, Alexander Heijnen, MichielHoorweg, Eric J. van der Horst, GáborIklódy, Khan Jahier, Erik Klaver, DouweLeguit, Jens P. Linge, Gaël Marchand, Ronde Meyer, Immanuel Nijssen, Hans OudeAlink, Marc van Oudheusden, MichelRademaker, Marlies van Reenen, Ad de Roo,Caroline van der Schaaf, Ton Slewe, ErikSoonieus, Kim Steenbergen, MarijkeStokkel, Erik Teepe, Marieke Timmermans,Jan van Tol, Maaike van Tuyll, Laurens vander Varst, Paul Vierveijzer, René Voogt, Robde Wijk, Janneke ZaalFotografieEagle, Europese Commissie, EU-MIC, RobJastrzebski, NATO, Nederlandse Rode Kruis,Public Safety Canada, Jan van Tol,WaterSave.EU, WFFIIlustratiesENISA, HCSS, NATO, Nederlandse RodeKruis, Marc van Oudheusden, ProvincieZeeland, WFFVormgevingGrafisch Buro van Erkelens, Den HaagProductiebegeleidingMinisterie van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelatiesDirectie Communicatie en Informatie /Grafische en Multimediale DienstenDrukOBT bv, Den Haag© Auteursrecht voorbehouden.ISSN 1875-7561ColofonVoor een gratis abonnement mail: crisisbeheersing@minbzk.nl.Het magazine is te downloaden viawww.rijksoverheid.nl/onderwerpen/crisis-en-nationale-veiligheid.Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010w 593 | Introductiecolumn Rob de Wijk 5 | Nationale Veiligheid - de Britse aanpak6 | Nieuwe uitdagingen voor de NAVO 9 | Naar Europese richtlijnen voor methodiekrisicoanalyse 10 | Nationale risicoanalyse in Frankrijk 11 | De EU Interne Veiligheids-strategie 12 | EU-crisismanagement: uitdagingen en oplossingen 15 | World ForesightForum april 2011 16 | Europa en internationale assistentie – zenden en ontvangen18 | All-hazards risk assessment crisismanagement – de Canadese aanpak 20 | Rode KruisWorld Disaster Report symposium 24 | Internationale aandacht voor de risico-regelreflex28 | Noodhulp Pakistan netcentrisch gecoördineerd 29 | Handboek maakt internationalebijstand werkbaar 30 | Up Safety – Europees project Ondergrondse veiligheid 31 | Water.Save.EU 60 | Vier vragen aan Europees Commissaris GeorgievaInhoudHet Magazine nationaleveiligheid en crisisbeheersingis een tweemaandelijkseuitgave van de directieNationale Veiligheid vanhet ministerie van Veiligheiden Justitie.Het blad informeert,signaleert en biedt eenplatform aan bestuurdersen professionals overbeleidsontwikkeling,innovatie, uitvoering enevaluatie ten aanzien vannationale veiligheid encrisisbeheersing.De verantwoordelijkheid voorde inhoud van de artikelenberust bij de auteurs.32 | Cyber Storm III@NL-ICT verstoringen zijn nietalleen virtueel!34 | Eerste Nationale Trendrapport Cybercrime enDigitale Veiligheid36 | ICT kwetsbaarheid en invulling Nederlandse cybersecurity strategie37 | Oefening Cyber Europe 201040 | Evaluatiecommissie Q-koorts42 | Kabinetsreactie op rapport Commissie Van Dijk43 | Giframp Hongarije – alweer… toezicht44 | Bosbranden in Rusland46 | Slachtofferregistratie na rampen48 | Hulpverleners ten onrechte bang voor radioactieve besmetting50 | Voorbereiding op pandemie – case Luchtvaart!51 | Boekrecensie: Gwynne Dyer - Klimaatoorlogen52 | Bezuinigingsdruk vraagt om slimmersamenwerken54 | Link(s)e bewegingen in Nederland: definities enveiligheidsrisico’s56 | Openbare orde en veiligheid op de BES58 | Regiobijeenkomsten zelfredzaamheid bijnoodsituaties58 | Landelijk draaiboek hoogwater en overstroming58 | Bob de Graaff hoogleraar Inlichtingen en NationaleVeiligheidThema: Internationale dimensieOverige onderwerpenMagazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 20102
  • 3. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010 31 voetnoot3Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010De dimensieIk voel mij altijd wat ongemakkelijk met vragennaar Nederland en de internationale dimensie vancrisisbeheersing. Want er is een veelheid aaninternationale initiatieven zonder veel samenhang.Nederland heeft er soms iets, maar vaak niets mee temaken. Bovendien lijken initiatieven hetzelfde,maar verschilt de inhoud enorm. Ook hebben veellanden hun zaken minder op orde dan Nederland.Dit alles maakt het lastig iets zinnigs te zeggen.prof. dr. Rob de Wijk, voorzitter van de Denktank NationaleVeiligheid, directeur van het Den Haag Centrum voor StrategischeStudies en hoogleraar Internationale Betrekkingen in LeidenNeem de nationale veiligheidsstrategieën. Nederlandheeft er een. Een fraai stuk werk, met een voorwoordvan de minister-president om de status ervan teonderstrepen. Opmerkelijk is dat bijna niemand weetdat die strategie bestaat, met inbegrip van velebestuurders. Hoe anders is dat met de AmerikaanseNational Security Strategy. President Obama publiceerdede zijne afgelopen mei en haalde wereldwijd de media.De reden waarom Obama wel, en Balkenende geenaandacht kreeg, zit in de aard van het document. DeNederlandse strategie is vooral een werkwijze waarmee,ik citeer: “het kabinet beter dan voorheen (kan) bepalenwelke dreigingen de nationale veiligheid in gevaarkunnen brengen en hoe (erop) te anticiperen”.De Amerikaanse strategie is eigenlijk het resultaat vanzo’n werkwijze. Het is de visie van een president van eensupermacht die aangeeft welke rol de Verenigde Statenin de wereld moet spelen. Het contrast met de strategievan Obama’s voorganger is groot. Onder Bush heerstetriomfalisme over de hegemoniale macht van Amerikawaarmee, zo nodig alleen, wereldwijd democratie envrijheid, in zijn ogen voorwaarden voor vrede, zoukunnen worden gebracht. De strategie van Obama erkentdat Amerika verzwakt is, dat economie en begrotings-tekort moeten worden aangepakt en dat geërodeerdemacht samenwerking met bondgenoten vereist.De notie dat door verschuivende machtsverhoudingen dewereld verandert en dat daarom herpositionering vereistis, ontbreekt in de strategieën van de Europese Unie ende NAVO. Die van de Unie stamt uit 2003, terwijl in 2008een poging is gedaan een nieuwe versie te ontwikkelen.Het resultaat was een verslag over de toepassing van deEuropese Veiligheidsstrategie dat weinig nieuws bevatte.Het proces liep ondermeer stuk op de verschillende visiesvan de lidstaten over wat de Unie op veiligheidsgebiedzou kunnen betekenen.Hetzelfde blijkt uit de nieuwe NAVO-strategie die eindnovember werd gepresenteerd. Het is geen wereldschok-
  • 4. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 20104kend document. Evenals in de strategie van de Unieontbreekt in de NAVO-strategie elke verwijzing naar degrote geopolitieke veranderingen waarover Obama welrepte. Kennelijk is het onmogelijk om binnen bond-genootschappen overeenstemming over een dergelijkenotie te krijgen. Wel geeft het document een goed inzichtin de evoluerende visie op wat onze veiligheid bedreigt.Traditionele veiligheidsrisico’s, zoals de bezetting dooreen buurland zijn passé. De enige meer traditioneledreiging wordt gevormd door een raketaanval door Iran,hoewel dit land niet expliciet genoemd wordt. Deaandacht is in belangrijke mate verschoven naar debedreiging van de welvaart en de maatschappelijke enpolitieke stabiliteit. Deze kunnen worden aangetast doorbij voorbeeld de bedreiging van handelsroutes, cyberaan-vallen, vluchtelingenstromen als gevolg van klimaatver-andering, en de onderbreking van de toevoer van energieen grondstoffen. Vertaald naar de Nederlandse StrategieNationale Veiligheid betekent dit een verschuiving vanhet vitale belang van de territoriale veiligheid, naareconomische, ecologische en fysieke veiligheid, en desociale en politieke stabiliteit.Een strategie is niet meer dan een stuk papier. Het komter uiteraard op aan dat visie wordt vertaald naar actie.De Strategie Nationale Veiligheid komt dicht bij eenoperationeel document, maar merkwaardig genoegontbreekt de bovenliggende visie en daarmee eencommunicatiemiddel naar de burger. In feite wordtgaande het implementatieproces het feitelijke beleidontwikkeld. In dit geval gebeurt dat aan de hand vananalyses die voortvloeien uit de NationaleRisicobeoordeling.Het voorgaande heeft consequenties voor Nederland.Ik raak steeds meer tot overtuiging dat het nieuweministerie van Veiligheid en Justitie de StrategieNationale Veiligheid moet evalueren en moet aanvullenmet een pakkende visie over de wijze waarop onzerechtsstaat tegen nieuwe dreigingen wordt beschermdzodat mensen in vrijheid kunnen samenleven. Zo’n visieis nodig om duidelijk te maken dat veiligheid meer is dan‘meer blauw op straat’ of minimumstraffen. De visiedient evenveel aandacht te geven aan criminaliteit,sociale veiligheid, terrorisme, crises en rampen en moetde relatie duidelijk maken tussen interne en externeveiligheid, dat het domein van defensie is. Nieuwedreigingen en de verwevenheid van interne en externeveiligheid eisen niet minder dan een comprehensiveapproach. Deze exercitie start met de NationaleRisicobeoordeling.De Europese Unie, die helaas in Nederland door velenwordt gezien als een spilzieke, bemoeizuchtigedocumentenproducerende bureaucratie heeft eengestructureerde aanpak die als voorbeeld kan dienen.Eind november presenteerde de Commissie eenactie-plan ter implementatie van bovenliggendedocumenten, zoals het Verdrag van Lissabon en eeneerder dit jaar aangenomen Interne Veiligheidsstrategie.Het actieplan gaat in op de meest waarschijnlijkedreigingen en geeft aan welke actie moet wordenondernomen op het gebied van terrorisme, cybercrime,grensbewaking en rampenbestrijding. Die acties kunnenvérstrekkende gevolgen hebben zoals de eis dat lidstatenter bestrijding van cybercrime een goed functionerendCERT moeten hebben, deze aan elkaar moeten koppelenen noodplannen moeten ontwikkelen. Overigens isinteressant dat de Unie na aanvaarding van het Verdragvan Lissabon met de Solidariteitsclausule eenverplichting tot bijstand kent in geval van calamiteiten.Als het tot feitelijke implementatie komt, gevenbuitenlandse ervaringen nuttige inzichten. Zo kunneninstitutionele veranderingen dramatisch uitpakken alsdeze voor een beperkt probleem worden doorgevoerd.Kijk eens naar de ontwikkeling van het Department ofHomeland Security dat als antwoord op de aanslagen van11 september 2001 werd opgericht. Contraterrorismekreeg daarom de grootste prioriteit. Toen in 2005 KatrinaNew Orleans teisterde, bleek men onvoldoendevoorbereid en kreeg minister Michael Chertoff veelkritiek in het Huis van Afgevaardigden. In Nederland magde aanleiding voor het veiligheidsministerie daarom nietalleen maar de subjectieve veiligheidsbeleving van degemiddelde Nederlander zijn. Subjectief, omdatNederland objectief veiliger wordt.Het is in dit verband nuttig om de bevindingen van deGemengde commissie veiligheid en rechtsorde (deCommissie-Brinkman) van september 2005 er nog eensop na de slaan. Want discussies over de noodzaak van eenveiligheidsministerie zijn van oudsher ingegeven door deconstatering dat Nederland de rampenbestrijding encrisisbeheersing onvoldoende op orde heeft.Zijn er meer zaken die Nederland van het buitenlandkan leren? Persoonlijk ben ik nogal gecharmeerd van dewijze waarop de Britten door hun operationele focushun crisisbeheersing en rampenbestrijding hebbengeorganiseerd. Die focus ontbreekt bij Nederlandsebestuurders veelal. Dit is dus iets om naar te kijken alswe onze rampenbestrijding en crisisbeheersing echt oporde willen krijgen.Een strategie is niet meer dan een stuk papier.Het komt er uiteraard op aan dat visie wordtvertaald naar actie.
  • 5. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010 5Internationale dimensieNationale veiligheid is aangemerkt als deeerste taak van de rijksoverheid en wordt dehoogste prioriteit gegeven. Voor cybersecurity is 650 miljoen pond vrijgemaaktvoor de kabinetsperiode, waar op andereterreinen grote bezuinigingen wordendoorgevoerd. Voor het eerst zijn interne enexterne veiligheid in de nationale veilig-heidsstrategie gecombineerd. Belangrijkstethema’s zijn terrorisme, fragiele staten, cybersecurity, civiele rampen (overstromingen eninfluenza), energieveiligheid, georganiseerdemisdaad, klimaatverandering en grens-toezicht. De aanpak van de nationaleveiligheidsrisico’s wordt uitvoerig beschrevenin “The Strategic Defence and SecurityReview”.Beide documenten zijn opgesteld door denieuwe Nationale Veiligheidsraad, waarinde belangrijkste ministeries zijn vertegen-woordigd. Hoofdstuk 6 van de Review geeftinzicht in de structuurhervormingen dierecentelijk zijn doorgevoerd om dedoelstellingen van de strategie te realiseren.De Nationale Veiligheidsraad onder leidingvan premier Cameron komt wekelijks bijeenen wordt ondersteund door een permanenteNationale Veiligheidsstaf. Voor elk van deprioritaire thema’s zijn “lead ministers”aangewezen, die verantwoordelijk zijn voorde coördinatie van de belangrijkstenationale veiligheidstaken op dat domein.De werkzaamheden worden opgepakt doorgecoloceerde teams, bestaande uitaangewezen ambtenaren van alle betrokkenministeries in samenwerking met de privatesector, non-gouvernementele organisatiesen internationale partners.Onderstaand diagram geeft een overzichtvan de nieuwe nationale veiligheids-structuren op centraal niveau.Voor de integrale teksten van strategie enreview zie www.cabinetoffice.gov.uk.Nationale veiligheidDe Britse aanpakEind oktober heeft het Verenigd Koninkrijk, onder veelmedia aandacht, haar nieuwe strategie Nationale Veiligheid(“A Strong Britain in an Age of Uncertainty”) gepresenteerd.De strategie heeft een centrale plaats in het kabinetsbeleid.
  • 6. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 20106Internationale dimensieHet nieuwe Strategisch Concept verschilt in verschillende,belangrijke opzichten van zijn voorloper uit 1999. Teneerste is het veel korter en leesbaarder, en zal het dus eenbreder publiek bereiken. Ten tweede omarmt het nieuwedocument de globalisering als het belangrijkste kenmerkvan het strategische klimaat. Daarmee wordt dus ook het“eurocentrische” standpunt van het concept uit 1999verlaten. Het belangrijkste is echter dat - ook al bevestigthet nieuwe Strategisch Concept nog eens het centralebelang van de collectieve defensie zoals die is vastgelegdin artikel 5 van het Verdrag van Washington - er ook eenovertuigende omschrijving in wordt gegeven van denieuwe, niet-traditionele bedreigingen van de veiligheid.Verder geeft het Strategisch Concept concrete manierenaan waarop de NAVO daar iets tegen kan doen.Zo stelt het Concept de noodzaak centraal om demiddelen te ontwikkelen waarmee de bevolking en hetgrondgebied van de NAVO kunnen worden verdedigdtegen aanvallen met ballistische raketten, als essentieelonderdeel van de collectieve defensie. Het maakt zich ooksterk voor de verdere ontwikkeling van het vermogen vande Alliantie om cyberaanvallen te voorkomen, teherkennen, zich ertegen te verweren en de schade teherstellen. Daaronder valt ook het gebruik van debeleidsprocessen binnen de NAVO om de nationaleinspanningen voor cyberdefensie te versterken en tecoördineren. Bovendien komen de NAVO-lidstaten in hetnieuwe Strategische Concept overeen om de capaciteit tevergroten die nodig is om internationaal terrorisme op tesporen en zich ertegen te verdedigen. Dat houdt ondermeer in dat de dreiging grondiger wordt geanalyseerd, ermeer wordt overlegd met de partners van de NAVO en datmilitaire slagkracht wordt ontwikkeld die op deze taak isberekend. En de verdragspartners stemmen er ook mee inom de mogelijkheden van de NAVO om bij te dragen aanGábor Iklódy, NATO Assistant Secretary General for Emerging Security ChallengesNieuwe uitdagingenvoor deToen de staatshoofden en regeringsleiders van deNAVO in november voor de top in Lissabonbijeenkwamen, moesten ze een vraag van cruciaalbelang beantwoorden: kan de NAVO een echtealliantie voor de 21e eeuw worden? Het antwoorddat ze daarop gaven was een ondubbelzinnig “Ja”.Door het aanvaarden van een nieuw StrategischConcept, waarin de koers voor de komende jarenwordt uitgezet, hebben de leiders van de NAVO detrans-Atlantische alliantie opnieuw een centralerol toegekend met betrekking tot de veiligheid inEuropa en de wereld.NAVO
  • 7. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010 7de energiezekerheid verder te ontwikkelen. Daarondervalt ook de bescherming van vitale infrastructuur,transmissiegebieden en –leidingen. Tot slot wil de NAVOervoor zorgen dat de organisatie voorop loopt bij hetbeoordelen van de invloed die nieuwe technologieën opde veiligheid uitoefenen, en dat de militaire planningrekening houdt met deze potentiële bedreigingen.Door deze terreinen in hun nieuwe Strategische Conceptaan de orde te stellen, benadrukken de 28 NAVO-lidstatendat ze willen dat de NAVO een belangrijke bewaker van deveiligheid blijft, niet alleen met betrekking tot traditio-nele bedreigingen daarvan, maar ook met betrekking totniet-traditionele bedreigingen. Het zal echter zwareinspanningen vergen om deze voornemens in tastbaarbeleid om te zetten. Cyberaanvallen, terrorisme,proliferatie en bedreigingen van de energievoorzieningworden niet voor niets “niet-traditioneel” genoemd: zehebben bepaalde kenmerken gemeen waardoor het nogalmoeilijk is om ze aan te pakken. Bovenal worden delidstaten door deze kenmerken niet alleen gedwongenom anders te gaan denken over solidariteit binnen deAlliantie, maar ook om nieuwe wegen te zoeken vooraansluiting van de NAVO met de internationale gemeen-schap als geheel, met name met civiele spelers en deprivate sector.Het eerste kenmerk dat deze niet-traditionele bedreigin-gen gemeen hebben, is dat ze niet noodzakelijkerwijsalle verdragspartners op dezelfde manier treffen. Eenterroristische aanval op één verdragsstaat kan wel alleandere met zorg vervullen, maar hoeft niet automatischte worden beschouwd als een aanval op de Alliantie alsgeheel. Dat zelfde geldt voor een cyberaanval op hetbancaire systeem of een aanval op de energievoorzieningvan een individuele verdragsstaat. De beslissing òf en hoeer wordt gereageerd ligt eerst en vooral bij het getroffenland. In tegenstelling tot de Koude Oorlog, toen eenaanval van het Warschaupact op één van de verdrags-staten van de NAVO een collectieve reactie van de andereverdragsstaten tot gevolg zou hebben gehad, lenen debedreigingen van tegenwoordig zich niet voor eendergelijke, min of meer automatische respons. Daaruitvloeit ook de behoefte van de NAVO-lidstaten voort omhet solidariteitsconcept te verbreden en mogelijkheden tezoeken om bijstand te verlenen die de traditionelemilitaire scenario’s overstijgt.Dit voert ons naar een tweede gemeenschappelijkkenmerk van de nieuwe bedreigingen: ze vragen nietnoodzakelijkerwijs om een militaire reactie. Een goedgeorkestreerde cyberaanval kan een land op een schaalverlammen die in het verleden alleen met een invasievanuit het buitenland zou kunnen worden bereikt. Maarals de aanval zou zijn uitgevoerd door bijvoorbeeld eenniet-gouvernementele organisatie, zou de NAVO niet echtmet militaire represailles kunnen dreigen. De proliferatievan massavernietigingswapens zou, daarentegen, weerwel nieuwe militaire verdedigingsmiddelen nodigkunnen maken, zoals antiraketsystemen. Toch zal het devoorkeurstactiek blijven om de proliferatie te ontmoedi-gen door regionale veiligheidsproblemen op te lossen endiplomatieke en economische dwangmiddelen enstimulansen toe te passen. Kortom: hoewel de militaire“gereedschapskist” van de NAVO een essentiële bijdragekan leveren, kan die op zichzelf geen totaaloplossingbieden.Vanouds lag de kracht van de NAVO in haar vermogen totafschrikking. De Alliantie maakte niet werkelijk gebruikvan geweld om potentiële aanvallers af te schrikken. Deenorme militaire macht en het politieke en economischegewicht van de Alliantie voorkwam iedere aanval.Datzelfde zou ook van toepassing moeten zijn op denieuwe uitdagingen waar men tegenwoordig voor staat:potentiële bedrijvers van wandaden dienen te weten dat
  • 8. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 20108Internationale dimensiede NAVO in het geval van een aanval als geheel zalreageren. Het is niet nodig om te specificeren of dezereactie politiek, economisch of militair zal zijn. In feite ishet een voordeel om vaag te blijven over de reactie van deNAVO op een aanval.Dit leidt weer tot het derde gemeenschappelijke kenmerkvan deze nieuwe uitdagingen: aangezien ze zowel vanbuitenaf kunnen komen als uit het binnenland, en zowelmilitair als economisch van aard kunnen zijn, dienen zeop holistische wijze te worden benaderd. Dit betekent inconcrete termen dat de NAVO gestructureerde relatiesmoet opbouwen met allerlei civiele spelers. Dat is nietalleen van toepassing op de andere grote internationaleorganisaties, zoals de Verenigde Naties en de EuropeseUnie, maar ook op niet-gouvernementele organisaties(NGO’s) en op de private sector, bijvoorbeeld op hetgebied van energie en informatietechnologie. Al dezespelers worden partners in de pogingen om het hoofd tebieden aan de bedreigingen die de globalisering met zichmeebrengt. Gezien de enorme verschillen in doelstelling,mandaat en werkwijze die tussen deze organisatiesbestaan, zal het een moeizaam proces worden om er eendoelmatige en op vertrouwen gebaseerde relatie mee opte bouwen. Toch mag de NAVO deze uitdaging niet uit deweg gaan.Als de Alliantie de veiligheid van haar leden op effectievewijze wil blijven garanderen, moet zij een teamspelerworden. De NAVO is dit pad nog maar net ingeslagen, enhet zal een moeilijke reis worden. Sommige van deverdragsstaten zullen aarzelen om de NAVO een grotererol te laten spelen op gebieden als energiezekerheid enhet tegengaan van de verspreiding van kernwapens. Hunargument daarbij is dat zo allerlei zaken, die om goederedenen in de politieke sfeer zouden moeten blijven, tezeer worden gemilitariseerd. Anderen maken zichmisschien zorgen dat, door zich op deze nieuwebedreigingen te richten, de aandacht van de NAVO wordtafgeleid van haar kerntaak - de gemeenschappelijkedefensie. Er kan alleen op dergelijke overwegingenworden ingegaan – waarbij hopelijk de bezorgdheidwordt weggenomen – als de verdragspartners meer tijdbesteden aan het bespreken van de bedreigingen die zichnu en in de toekomst voordoen, en als ze, door daar eeneffectief antwoord op te formuleren, aantonen dat deNAVO van nut is en een meerwaarde heeft. De afgelopenjaren is veel van de tijd en aandacht van de lidstatenbesteed aan het managen van de NAVO-operaties, zoalsdie in Afghanistan en Kosovo, waardoor men zich teweinig over toekomstige uitdagingen heeft gebogen.Wat er op dit moment nodig is, is dan ook een nieuwevenwicht tussen het heden en de toekomst. De NAVOmoet een cultuur ontwikkelen waarin het politieke debatniet beperkt is tot de zaken waarbij de NAVO in militairezin direct betrokken is, maar dat zich ook uitspreekt overzaken die “alleen maar” politiek relevant zijn. Zo langieder debat in de NAVO wordt gezien als een voorberei-ding op militaire operaties, zal een op de toekomstgericht, verlicht debat over de nieuwe uitdagingen in de21e eeuw onhaalbaar blijven.De nieuwe “Emerging Security Challenges Division”(ESCD) zal een eigen bijdrage moeten vormen aan eendergelijke nieuwe debatcultuur. Deze nieuwe divisie, dievoorafgaand aan de top in Lissabon in het leven isgeroepen, brengt voor het eerst het werk bijeen dat wordtverricht aan de bovengenoemde bedreigingen: terrorisme,proliferatie, cyberaanvallen en bedreigingen van deenergievoorziening, waaronder ook bedreigingen van hetmilieu worden begrepen. Bovendien zal de nieuwe“Strategic Analysis Capability” eenheid de strategischehorizon aftasten, op zoek naar bedreigingen van deveiligheid van de lidstaten. Dit zal een stimulans zijn voorhet debat onder de verdragspartners en de unieke waardeversterken die de NAVO heeft als het belangrijkste forumvoor veiligheidsoverleg tussen Europa en Noord-Amerika,de sterkste alliantie van gelijkgestemde naties ter wereld.Een nieuwe divisie in de Internationale Staf van de NAVO,nauwere banden met andere spelers, en een meer op detoekomst gericht debat onder de lidstaten: dat zijn deelementen die de manier zullen bepalen waarop de NAVOde nieuwe, groeiende bedreigingen van de veiligheid zalaanpakken. Er zullen diepgaande veranderingen in destructuur en het beleid van de NAVO nodig zijn om dezebenadering werkelijk effectief te maken. Maar de NAVO isten volle bereid deze veranderingen te ondergaan. Omdatde verdragspartners hebben begrepen dat de AtlantischeAlliantie alleen door veranderingen te aanvaarden, zijn rolals steunpilaar van de veiligheid in een geglobaliseerdewereld kan waarmaken.
  • 9. 9Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010Daarin heeft de Commissie het mandaatgekregen om, samen met lidstaten, vóór heteinde van 2010 niet-bindende richtlijnenvoor methodieken voor risicoanalyse teontwikkelen. Lidstaten krijgen dan een jaarde tijd om deze richtlijnen te implementeren.Eind 2012 moet de Europese Commissie een‘cross sectoral overview of the major naturaland man-made risks’ gereed hebben.De bijeenkomsten boden een belangrijkegelegenheid om bestaande methoden vanrisicoanalyse en de ervaringen die daarmeezijn opgedaan door lidstaten, naast deconcept-richtlijnen van de EuropeseCommissie te leggen. Met name de expert-meeting bood een goed platform voor eengedachtewisseling met de EuropeseCommissie. Daarnaast was er gelegenheidom te netwerken en kennis te nemen vanelkaars meest actuele ervaringen.In de ochtend werden de conceptrichtlijnenbesproken in aanloop naar de informeleEuropese DG-bijeenkomst. Bij deze expert-meeting waren België, Duitsland, Frankrijk,Hongarije, Luxemburg, Oostenrijk, Portugal,Slovenië en het Verenigd Koninkrijkaanwezig. De Europese Commissie begonmet het presenteren van de richtlijnen. In dedaaropvolgende discussie kreeg deCommissie vanuit verschillende landencomplimenten voor het feit dat zij in derichtlijnen stelde dat risicoanalyse gevolgdzou moeten worden door een capaciteiten-analyse. Daarnaast werden verschillendesuggesties gedaan, waarvan ik hier debelangrijkste twee benoem. De scope van derichtlijnen moet niet alleen natuurlijke enindustriële rampen omvatten, maar állesoorten rampen door natuur of mens (al danniet moedwillig) veroorzaakt. Bovendienmoeten de richtlijnen niet alleen uitgaan vankwantitatieve data, maar moet het ookmogelijk zijn kwalitatieve data te verwerken,omdat veel informatie niet te kwantificerenFrankrijk gaf vervolgens een presentatie overde totstandkoming van hun methodiek voorrisicoanalyse (zie ook artikel hierna, red.).Wat opvalt, is het korte tijdsbestek (begin wasmaart 2010), waarin zij – door keuzes temaken en interdepartementaal verstandigsamen te werken en te coördineren – in kortetijd veel hebben bereikt. Eind 2011 volgt nogeen belangrijke stap, namelijk de review,improvement en verdieping. Omwille van detijd heeft Frankrijk ervoor gekozen eerstglobale risicoanalyses te maken, maar menrealiseert zich dat er daarna ook nog veelwerk te verrichten valt. Tot slot kijkt Frankrijkook vooruit naar de fase van bepaling van watopenbaar mag worden voor publiek(transparantie staat hoog in het vaandel) enwat niet (politieke keuzes).In de middag vond een DG-bijeenkomstplaats met het Verenigd Koninkrijk, Slovenië,Portugal, Frankrijk en Duitsland. De DG’ enonderschreven de suggesties voor verbeteringvan de concept richtlijnen uit de expertmee-ting. Ze benadrukten nog sterker denoodzaak de scope van de richtlijnen zo veelmogelijk all hazard te laten zijn (inclusiefmoedwillig veroorzaakte rampen). Ookvroegen de DG’en aandacht voor het belangde richtlijnen zo eenvoudig mogelijk tehouden, zodat lidstaten die nog gaanbeginnen met het opstellen van eenmethodiek dit ook binnen de gesteldetermijn kunnen realiseren. Naast derichtlijnen zelf spraken de DG’en ook inbredere zin met elkaar over civiele bescher-ming binnen de Europese Unie. Aan de ordekwamen daarbij onder andere de EuropeseRepons Capaciteit, de interne veiligheids-strategie en de samenwerking tussen DG JLSen DG ECHO. Afgesproken is hierover eengezamenlijke, strategische notitie op testellen. Slovenië heeft aangeboden deeerstvolgende bijeenkomst van de DG’en teorganiseren.Beide bijeenkomsten waren nuttig en bodenvoldoende gelegenheden om elkaar (verder)te leren kennen en constructieve stappen tezetten op weg naar goede richtlijnen voorrisicoanalyse. De richtlijnen zijn naaraanleiding van de suggesties uit de expert-meeting aangepast en geagendeerd voor deofficiële DG-conferentie voor civielebescherming en zullen in 2011 in deraadwerkgroep PROCIV worden besproken.Pamela van Erve, programma Dreigingen en Capaciteiten,directie Nationale Veiligheid, ministerie van Veiligheid en JustitieExpertmeeting en DG-bijeenkomst in Den HaagNaar Europese richtlijnenvoormethodiek risicoanalyseOp 6 oktober hebben in Den Haag twee bijeenkomsten plaatsgevondenover de ‘Guidelines on Risk Assessment Risk Mapping for Civil Protection’.Deze richtlijnen worden momenteel door de Europese Commissie opgesteldnaar aanleiding van de Raadsconclusies over Preventie van 30 november 2009.is.Expertmeeting en DG-bijeenkomst in Den HaagOp 6 oktober hebben in Den Haag twee bijeenkomsten plaatsgevondenover de ‘Guidelines on Risk Assessment Risk Mapping for Civil Protection’.Deze richtlijnen worden momenteel door de Europese Commissie opgesteldnaar aanleiding van de Raadsconclusies over Preventie van 30 november 2009.
  • 10. Drie jaar na Nederland is ook Frankrijkbegonnen met het uitvoeren van eennationale risicoanalyse (NRA). In deze NRAworden alle moedwillige en niet-moedwilligebedreigingen, natuurrampen, ongevallenof door de mens veroorzaakte calamiteitendie de Franse bevolking, gebiedsdelen,instellingen of het milieu kunnen treffen,geïdentificeerd, gekarakteriseerd engerangschikt. Alle dreigingen die de Fransenationale veiligheid kunnen aantasten,worden in een matrix geplaatst die derelatieve gevolgen en waarschijnlijkheidervan laat zien.Op de korte termijn willen we de planningen capaciteitsopbouw voor de nationaleveiligheid efficiënter maken, het publiekbewuster maken van de risico’s en zorgen vooreen betere communicatie over gevaren tussende centrale regering en de lokale autoriteitenen particuliere belanghebbenden.Op de langere termijn willen we het voor debeleidsmakers gemakkelijker maken tekiezen voor de beste maatregelen voormitigatie en capaciteitsopbouw en daarnaastzorgen voor sterkere bilaterale en multilate-rale samenwerking met andere EU-lidstatenop het gebied van risicoanalyse, planningvoor noodsituaties en crisismanagement.Frankrijk begon met zijn NRA op hetmoment waarop risicoanalyses bovenaande prioriteitenlijst van de Europese Uniestonden. Voor het ontwikkelen van een NRAop lidstaatniveau kon onder andere wordenteruggegrepen op het Programma vanStockholm, de Conclusies van de Raad(30 november 2009) en de Strategie voorInterne Veiligheid van de EU.De eerste stap in het proces bestond uit hetopzetten van een interdepartementalewerkgroep onder de gezamenlijke leiding vande Secretaris-Generaal voor Defensie enNationale Veiligheid (kabinet van deminister-president) en het ministerie vanBinnenlandse Zaken. De tweede stap was hetopstellen van een methodologie voor hetbeoordelen van de gevolgen en mate vanwaarschijnlijkheid van elk risico en debijbehorende scenario’s. Hierbij maakte dewerkgroep dankbaar gebruik van het eerderin Frankrijk uitgevoerde werk op het gebiedvan de bescherming van vitale infrastructuuren contraterrorisme, maar ook van de zeergedetailleerde methodologie die doorNederlandse en Britse expertgroepenbeschikbaar was gesteld. De derde stap, dienog in volle gang is, behelst het uitwerkenvan zo’n 50 scenario’s voor de belangrijkstedreigingen. Naar verwachting zal de NRA inde zomer van 2011 ter goedkeuring aan deregering worden voorgelegd.Internationale samenwerking is essentieelgebleken voor de succesvolle ontwikkelingvan de Franse NRA. Eerdere werkzaamhedenop het gebied van risicoanalyse, met namedoor het Verenigd Koninkrijk, Nederland enDuitsland, bleken van onschatbare waardevoor de Commissie bij het opstellen vanconceptrichtlijnen voor de NRA. Daarnaastvormden ze een inspiratiebron voor de Fransewerkgroep.Dankzij deze inspanningen en het leider-schap van de Commissie zullen allelidstaten op zeer korte termijn van dezerichtlijnen kunnen profiteren en kunnenvoldoen aan het vastgestelde schema voorde ontwikkeling van een NRA.Tegelijk met het ontwikkelen van de Fransenationale risicoanalyse richtte de directieToekomst en Planning Nationale Veiligheideen nieuwe afdeling op, de VAA (Veille-Analyse-Anticipation) ten behoeve van “preventievemonitoring, analyse en preventie”. Debelangrijkste missie van VAA is de afdelingPlanning te voorzien van voortdurendedreigingsanalyses op basis van zwakkesignalen en het nationale operationelecentrum tijdig te waarschuwen.BrandstofcrisisTijdens de brandstofcrisis werd CIC Beauvau,het nieuwe nationale operationele crisis-centrum van Frankrijk, voor de eerste maalgeactiveerd en wel tussen 18 oktober en3 november. De VAA verleende ondersteuningbij het beheersen van de crisis door de socialeen brandstofsituatie reeds vanaf eindseptember nauwlettend te monitoren.Zodra het CIC was geactiveerd, opereerdede VAA in de situatiecel om de besluitvor-mingscel te voorzien van analyses van deverschillende scenario’s volgens welke decrisis zich zou kunnen ontwikkelen. Door 48uur tot 10 dagen vooruit te blikken kon deVAA de strategische en politieke besluit-vormers laten zien waar de omslagpuntenzouden kunnen liggen en wat de mogelijkeconsequenties van de situatie op de korte enlange termijn zouden kunnen zijn voor deeconomie. Er zullen vele lessen wordengetrokken uit deze crisis, maar de eerste inzetvan de VAA is over de hele linie effectiefgebleken en noodt tot het bestuderen vanverdere verbeteringen op dit terrein.Nationale risicoanalyse inFrankrijkGaël Marchand,senior consultant, directie Toekomsten Planning Nationale Veiligheid(DPPSN), ministerie vanBinnenlandse Zaken, FrankrijkCatastrophique 5ProbabilitéNational Risk Assesment MatrixImpactTrès faible 1 Faible 2 Moyenne 3 Forte 4 Très forte 5Majeur 4Modéré 3Mineur 2Insignifiant 1Risk LevelExtremeHighMediumLowMagazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201010Internationale dimensie
  • 11. 11Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010De EU Interne Veiligheidsstrategiein ActieDe Europese Commissie is een discussiegestart met de lidstaten, JBZ-agentschappen(o.a. Europol, Eurojust en Frontex) en hetEuropees Parlement over de interne veilig-heid van de Europese Unie. Op grond van hetVerdrag van Lissabon en het Stockholm-programma hebben de lidstaten begin 2010een interne veiligheidsstrategie ontwikkelden de Europese Commissie opgeroepen omconcrete voorstellen voor maatregelen uit tewerken. In de op 22 november doorEurocommissaris Cecilia Malmström gepu-bliceerde mededeling ‘EU interne veiligheids-strategie in actie,’1worden vijf strategischedoelen voor de interne veiligheid voorge-steld. Het gaat daarbij om het verstoren vaninternationale criminele netwerken, hetvoorkomen van terrorisme en aanpakken vanradicalisering en rekrutering, het verhogenvan het niveau van internetveiligheid voorburgers en het bedrijfsleven, het verbeterenvan grensbeheer en het vergroten van deveerkracht van Europa bij crises en rampen.Nederland ziet in de strategische doelen veelvan haar eigen inbreng terug en is dan ooktevreden met deze keuze van de Commissie.De Europese Commissie stelt 41 concretemaatregelen voor om deze strategischedoelen te kunnen bereiken in de periode2010-2014. Een greep uit deze maatregelenlevert het volgende beeld op. De economiewordt beter beschermd tegen crimineleinfiltratie door de inzet en inschakeling vande bestuurlijke aanpak. Door het opzettenvan een EU netwerk voor voorlichting overradicalisering en een handboek te ontwik-kelen met acties en ervaringen worden delidstaten ondersteund in de aanpak van radi-calisering. Het vergroten van bewustzijn vande dreiging onder EU-burgers en de acties diezij zelf kunnen ondernemen, een nauweresamenwerking met de private sector en hetvergroten van de EU-capaciteit om cyberaan-vallen beter te kunnen pareren, dragen bijaan het verhogen van het niveau van inter-net-veiligheid. Nauwere samenwerking tus-sen Frontex, Europol en Douaneautoriteitenen een betere analyse van de kritieke puntenaan de buitengrenzen vergroot de veiligheidvan grensbeheer.Ook op het terrein van crisisbeheersing steltde commissie een aantal maatregelen voor.De Commissie komt met een coherente bena-dering van crisispreventie en –managementvoor alle soorten van rampen, uitgaande vandreigingen- en risicoanalyses. De Commissiepresenteert hiertoe aan het einde van dit jaarrichtlijnen voor risicoanalyse voor rampen-respons gebaseerd op een multi-hazard enmulti-risk benadering. Daarnaast heeft deCommissie het voornemen om in 2012 opbasis van nationale risicoanalyses en strate-gieën een sectoroverstijgend overzicht vantoekomstige dreigingen (natuurlijke en doormensen veroorzaakt) op te stellen. Ook wordteen voorstel gedaan voor uitvoering van deSolidariteitsclausule.De Europese Commissie zal jaarlijks eenvoortgangsverslag voorleggen aan de Raaden het Europees Parlement. Daarnaast zietNederland graag dat COSI, het permanentcomité voor operationele samenwerkingop het gebied van interne veiligheid, eenbelangrijke rol speelt bij het toezicht op deuitvoering van de operaties en acties diegeorganiseerd worden in het kader van deinterne veiligheid van de EU. Alleen door eengoede uitvoering van de voorgenomen maat-regelen in nauwe samenwerking met de uit-voeringsorganisatie en JBZ-agentschappen,kunnen de strategische doelen behaaldworden.Janneke Zaal, Afdeling Internationale Zaken,ministerie van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelatiesVeiligheidsdreigingen en risico’s op het terrein van terrorisme,georganiseerde criminaliteit, cyber security, crises en rampen, beperkenzich niet tot de nationale grenzen. De Europese Commissie heeft zich insamenwerking met de lidstaten dan ook op de afzonderlijke terreineningezet om de veiligheid in EU te vergroten. De Interne Veiligheids-strategie verbindt de initiatieven op deze terreinen om gezamenlijkde veiligheid binnen de EU verder te vergroten.1 Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad. De EU Interne Veiligheidsstrategie in Actie: Vijf stappen naareen veiliger Europa, COM(2010) 673, 22 november 2010.
  • 12. De kracht van het optreden van de EU bij crises zit hem inhaar vermogen de verschillende instrumenten van deGemeenschap te combineren. Haar instellingen en delidstaten hebben er dan ook al vele malen gebruik vangemaakt voor rampen binnen en buiten de Gemeenschap.Door een aantal factoren zijn de EU-instellingen echteronder steeds grotere druk komen te staan om hetvermogen van de EU tot aanpakken van risico’s, voor-bereiding en bestrijding verder uit te breiden. Het op 1december 2009 in werking getreden verdrag van Lissabonbiedt nieuwe kansen om de crisismanagementcapaciteitvan de EU verder te versterken, uit te breiden, beter tecoördineren en efficiënter te maken. In het verdrag blijktde solidariteit met kwetsbare groepen uit de nieuwejuridische basis voor humanitaire hulp en civielebescherming (artt. 214 en 196 van het verdrag inzake hetfunctioneren van de EU). Met behulp van het mechanismevoor civiele bescherming wordt de hulp van de lidstatenbinnen en buiten de Unie eenvoudiger en beterafgestemd, terwijl het instrument voor humanitaire hulpde rol van de EU als ‘s werelds grootste humanitaire donorbelichaamt. Via het instrument voor humanitaire hulpkan de EU noodfondsen en de expertise van haarpartnerorganisaties (instellingen van de VN, het RodeKruis/de Rode Halve Maan en humanitaire ngo’s)mobiliseren. Met de oprichting van de Europese Dienstvoor extern optreden (EEAS) creëert het verdrag ook eenjuridische basis voor verbetering van de afstemmingtussen de bestrijding van rampen en de mogelijkepolitieke en veiligheidsrisico’s van het optreden van deEU bij rampen buiten de Unie. Ook voorziet het in de rolvan de EU als belangrijke donor van ontwikkelingshulpdie hulp kan bieden aan rampgebieden over de gehelewereld, waardoor de banden tussen noodhulp, herstelen ontwikkeling kunnen worden versterkt.De bijdrage van het Joint Reseach CentreIn de vier fasen van crisismanagement (preventie,voorbereiding, bestrijding en herstel) moet voor debesluitvorming steeds tijdige, relevante en betrouwbareinformatie beschikbaar zijn. Deze informatie kanafkomstig zijn uit allerlei bronnen: modellen, observatie-netwerken ter plaatse, algemene internetmedia, sensorenop afstand, sms, blogs, Twitter, sociale media, anderevrijwillig ter beschikking gestelde informatiebronnen,veldwerk en interne en externe betrokkenen. Er moetentechnische oplossingen worden ontwikkeld om dezebronnen te kunnen inzetten voor risico- en dreigings-De Europese Unie beschikt dank zij een aantal instrumenten overeen aanzienlijke besluitvormingscapaciteit voor de gehelecrisismanagementcyclus, variërend van preventie en voorbereidingtot bestrijding en herstel.12 Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010Internationale dimensieDelilah H.A. Al-Khudhairy, Ad de Roo, Alessandro Annunziato,Erik van der Goot, Tom de Groeve, Jens P. Linge - Gemeenschappelijk Centrumvoor Onderzoek van de Europese Commissie (EC JRC), Ispra, ItaliëBijdragen vanuit de wetenschappelijke tak uitdagingen en oplossingen
  • 13. 13Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010analyses, tijdige anticipatie op bedreigingen doorvroegtijdige detectie en voorspellingen, doeltreffendemaatregelen dankzij vroegtijdige waarschuwing/alarmering, algemene bekendheid met de situatie enbevordering van de uitwisseling van informatie tussenrelevante stakeholders (tussen het veld en het crisiscen-trum). Goedkopere en snellere computers en nieuweinformatie- en communicatietechnologieën hebben hetcrisismanagement en de manier waarop stakeholders tewerk gaan de afgelopen vijf jaar ingrijpend veranderd.Het Joint Research Centre (JRC) is de wetenschappelijkeen technische tak van de Europese Commissie en legtvooral de nadruk op gericht onderzoek op het gebiedvan informatie- en communicatietechnologie tenbehoeve van beveiligings- en crisismanagement. Hetcentrum voorziet EU-instellingen, lidstaten eninternationale organisaties van wetenschappelijke entechnische ondersteuning voor de gehele cyclus vancrisismanagement, dus van preventie en voorbereidingtot bestrijding en wederopbouw. Het JRC kan bogen opeen infrastructuur voor mondiale informatiegaring enmodellering die voort-durend verbeterd wordt en de basisvormt voor alle fasen van crisismanagement en bijdraagtaan de verbetering van de capaciteiten van de Unie op datgebied. Verder wordt er onderzoek gedaan naar hetautomatisch zoeken van beelden, tekst en gegevens ennaar extractie- en analysemethodes voor het doorzoekenvan grote gegevensbestanden uit meerdere bronnen (bijvoorbeeld internet en sensoren op afstand). Ook verrichthet JRC onderzoek naar nieuwe technologieën voorcrisis-management, zoals real-time integratie, analyse envisualisatie van informatie. In dit artikel beperken we onstot voorbeelden van onze onderzoeksactiviteiten op hetgebied van vroegtijdige detectie, voorspelling enwaarschuwing.Vroegtijdige detectie, voorspelling en waarschuwingHet JRC heeft systemen ontwikkeld voor het voorspellenen vroegtijdig ontdekken van en waarschuwen voormogelijke rampen of crises hetgeen dan vooral viabulletins, forecasts en alarmmeldingen moet wordendoorgegeven. Deze systemen worden ondersteund metcomputeranalyses van verschillende databronnen(internet, satellietgegevens, modelsimulaties, observatieter plaatse, etc.) en dienen de door de EU beheerdesystemen voor snelle alarmering en kennisgeving aan tevullen. De systemen bieden capaciteit voor informatie-garing, risicomonitoring, analyse en vroegtijdigewaarschuwing bij crises, variërend van natuurrampen totbedreigingen voor de volksgezondheid en sociaal-politieke crises. Ze bieden ook mogelijkheden voor hetidentificeren van ophanden zijnde maar nog onbekendecrises die anders wellicht over het hoofd zouden wordengezien en zijn dus onmisbaar voor de preventie van crises.Drie representatieve voorbeelden zijn:Het 24/7 Global Disaster Alertand Coordination System (GDACS,www.gdacs.org/), opgericht opgezamenlijk initiatief van de Europese Commissie(ECHO, het bureau voor humanitaire hulp van deEuropese Gemeenschap en JRC) en de VerenigdeNaties voor het ontwikkelen van een mondiaalsysteem ter verbetering van de tijdige waarschuwingbij grote humanitaire natuurrampen, zoals aard-bevingen, tsunami’s, overstromingen en orkanen, en een platform ter bevordering van de informatie-uitwisseling op internationaal niveau tussen rampen- bestrijders. De waarschuwingen via het GDACS helpenregelmatig bij het activeren van de diensten van deEuropese Commissie en de organisaties voorhumanitaire hulp en snelle noodhulp. Het GDACS teltmomenteel ruim 10.000 geregistreerde gebruikers en wordt door de gemeenschap van humanitairehulpverleners en donoren gekenschetst als een van de betrouwbaarste waarschuwingssystemen bijhumanitaire rampen. In 2010 zijn er via het GDACSbinnen 30 minuten alarmeringen met code roodafgegeven bij zware aardbevingen, tsunami’s,cyclonen en overstromingen buiten de EU. In het oogspringende voorbeelden zijn de aardbevingen in Haïtien Chili eerder dit jaar, de overstromingen in Pakistanafgelopen zomer en de tsunami onlangs in Indonesië. Na de grote overstromingenvan de Elbe en de Donau inaugustus 2002, is het JRC in nauwe samenwerking met de nationale hydro-logische en meteorologische diensten het EuropeanFlood Alert System (EFAS http://efas-is.jrc.ec.europa.eu)gaan ontwikkelen, testen en gebruiken. Het EFASdraagt bij aan de betere voorbereiding op over- stromingen in Europa door de nationale informatieaan te vullen met nieuwe maximaal tiendaagsekansberekeningsvoorspellingen voor overstromingenen reikt daarmee verder dan nationale voorspellings-systemen. Het EFAS maakt gebruik van geavanceerdesystemen voor weersvoorspellingen, observaties aan degrond, satellietgegevens en dat alles is geïntegreerd inFiguur 1: GDACS-analyse aardbeving/tsunami inChili op 27 februari 2010.
  • 14. een fysiek modelleringssysteem. Een waarschuwingvoor overstromingen wordt via een webinterfacedoor-gegeven aan het partnernetwerk van het EFASen het centrum voor civiele bescherming van deEuropese Commissie; de partners worden bijspecifieke overstromingen bovendien rechtstreeks viade e-mail geïnformeerd. In 2010 zijn er via het EFAS al31 e-mails met alarmeringen voor overstromingenverzonden naar zijn partners, waaronder de autoriteiten in Polen, de Tsjechische Republiek,Slowakije, Hongarije, Roemenië, Kroatië enDuitsland die werden getroffen door vernietigendeoverstromingen. Dit systeem verschaft de EuropeseCommissie en de lidstaten hydrologische dienstenvan de lidstaten als eerste een Europees overzicht vanactuele en voorspelde overstromingen. Anderewerkzaamheden in het kader van het EFAS omvattenonderzoek naar plotselinge overstromingen (http://floods.jrc.ec.europa.eu), droogte en klimaatverandering. Het systeem voor medische informatie(MedISys; http://medisys.newsbrief.eu)is een volledig automatisch surveillance-systeem voor de volksgezondheid waarmee deopenbare media 24 uur per dag worden gevolgd opberichten over infectieziekten onder mens en dieralsmede chemische, biologische, radiologische ennucleaire (CBRN) bedreigingen. Het JRC heeftMedISys ontwikkeld in samenwerking met hetDirectoraat-Generaal SANCO van de EuropeseCommissie om de informatie over epidemieënbinnen de EU te verbeteren. Zowel het EuropeesCentrum voor ziektepreventie en -bestrijding (ECDC)als de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid(EFSA) baseren zich op MedISys voor het monitorenvan de media. Met behulp van de EMM, de Europesemediamonitor, zoekt MedISys automatisch artikelenop ongeveer 250 gespecialiseerde medische sites enalgemene nieuwssites in ongeveer 50 talen en lichtdaarbij per dag ongeveer 100.000 artikelen door. ViaMedISys zijn zodoende diverse incidenten in verbandmet de uitbraak van chikungunya, dengue, polio-myelitis en het West-Nijlvirus opgemerkt. Het systeemis ook ingezet tijdens de H1N1-pandemie in 2009 engrootschalige evenementen als de Olympische Spelenvan 2008 en het wereldkampioenschap voetbal in2010.ConclusieHet verdrag van Lissabon biedt een nieuw kader voorhet opzetten van effectievere, snellere en betergecoördineerde capaciteiten van de EU voor crisis-management, waardoor betere multilaterale ensectoroverschrijdende crisispreventie, voorbereidingenen bestrijdingsmaatregelen mogelijk worden, hetgeen deveiligheid en bescherming van burgers en de essentiëlediensten ten goede komt. Bij de implementatie van dediverse EU-instrumenten waarop dit nieuwe kadergebaseerd is, is een belangrijke rol weggelegd voortechnologie en ICT in het bijzonder. Als wetenschappe-lijke tak van de Europese Commissie onderzoekt het JRCmet name de ICT waarbij gebruikt wordt gemaakt vande snelle vorderingen op het gebied van ruimte- enwebtechnologieën en -modellen, om integraleoplossingen voor crisismanagement te ontwikkelen ente testen. Die kunnen gebruikt worden voor hetidentificeren van kwetsbare gemeenschappen, hetbevorderen van de weerbaarheid van maatschappijen,betere bestrijdingsmaatregelen om de slachtoffers innoodsituaties te helpen, betere coördinatie bij debestrijding van crises en de wederopbouw van eenbetere infrastructuur daarna. Bij zijn onderzoek richthet JRC zich op de twee belangrijkste uitdagingen ophet gebied van crisismanagement van vandaag de dag.De eerste is het verzamelen van relevante, betrouwbareen gevalideerde gegevens uit de voortdurend groeiendehoeveelheid informatie en data uit allerlei bronnen,waaronder waarnemingen vanuit de ruimte maar ooknieuwsberichten en de sociale media. De tweedebehelst het bevorderen van de bewustwording enacceptatie van de toegevoegde waarde die technologi-sche oplossingen kunnen bieden ter wille van deeffectiviteit, accountability en transparantie in allefasen van crisismanagement.Figuur 2: De EFAS-voorspelling overstromingen Polen(mei 2010)Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201014Internationale dimensie-
  • 15. 15Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010World Foresight ForumDe Summit is een topontmoeting van150-200 wereldleiders en andere prominentebestuurders. Internationale topsprekers,waaronder José Maria Aznar (voormaligpremier, Spanje), Ruth Oniang’O (RuralOutreach Program, Kenia), Avi Gil(Diplomatic Advisor to President ShimonPeres), François Heisbourgh (InternationalInstitute for Strategic Studies) en PeterSutherland (Goldman Sachs International,Londen School of Economics), zullen hunvisie geven op het thema secure our homelandsfor future generations. In tegenstelling totandere grote fora wil het WFF openstaanvoor alle geïnteresseerden, met specialeaandacht voor studenten en jongeprofessionals.PositioneringHet WFF past in de rij van internationalefora zoals het World Economic Forum vanDavos en de Veiligheidsconferentie vanMünchen. Waar ‘Davos’ zich richt opmondiale economische problematiek, en‘München’ op defensie, richt het WFF zichop secure our homelands for futuregenerations. Doel is het ontwikkelen vantoekomstgerichte roadmaps als antwoordop mondiale uitdagingen zoals verschui-vende machtsverhoudingen, schaarste, dewereldwijde financiële crisis en klimaat-verandering die onze welvaart en veiligheidkunnen aantasten. De initiatiefnemers zijnGranaria Holdings, Den Haag Centrum voorStrategische Studies (HCSS) en TNO. Tijdensde kick-off ontving burgemeester VanAartsen, tevens voorzitter van de Raad vanAdvies van het WFF, het eerste exemplaarvan een WFF-publicatie. Dit is de eerste vaneen serie publicaties over de uitdagingenwaar de wereld voor staat, en die het kaderbepalen waarbinnen het WFF zich profileert:geopolitiek en mondiale veiligheid;economie en wetenschap; technologie eninnovatie; bestuur, wetgeving enmaatschappij.Onvermoede partijen bijeen voorverrassende oplossingenHet WFF wil bijdragen aan een veilige,vreedzame en welvarende maatschappijvoor toekomstige generaties. Om tot eenintegrale aanpak van eerder genoemdemondiale uitdagingen te komen brengt hetWFF volgend jaar deelnemers bij elkaar omdoor synergie tot creatieve oplossingen tekomen. Dit zijn wereldleiders, de wereld-wijde top van het bedrijfsleven, de overheid,de wetenschap en relevante (internationale)organisaties die zelden met elkaar over dezethema’s spreken.Lange Voorhout even centrum vande wereldHet WFF is het eerste forum dat zich op eendergelijk allesomvattend terrein begeeft.Het vindt plaats op en rond het bijzondereLange Voorhout. Hiervoor is gekozen omdatdiscussies op verschillende locaties mogelijkzijn en bijzondere interactie tussendeelnemers kan plaatsvinden. Bovendienpast deze locatie midden in het hart van DenHaag perfect bij de allure van dit evenementvan wereldklasse. De intentie om volgendjaar april daadwerkelijk een verschil temaken blijkt uit het WFF motto we think –we speak – we act. Het WFF beoogt een groots,internationaal, spraakmakend, tweejaarlijksevenement te worden dat de uitstraling vanDen Haag - al sinds 1899 de internationalestad van vrede en recht - versterkt.Voor meer informatiewww.worldforesightforum.org.Michel Rademaker MTL, plv. directeur HCSS,en ir. Paul Vierveijzer, projectmanager WorldForesight ForumOp 16 september is in aanwezigheid vanburgemeester Van Aartsen het startschotgegeven voor het eerste World Foresight Forum(WFF) dat volgend jaar van 11 tot en met 15 aprilin Den Haag plaatsvindt. Het WFF zal bestaan uitde Summit, de Convention, de Expo en het Festival.April 2011
  • 16. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201016Internationale dimensieEuropa en internationale assistentiezenden enontvangenToen in 2001 de oorspronkelijke versie van het EuropeanCivil Protection Mechanism werd ingesteld, was helderdat Europa haar gezamenlijke inspanningen op hetgebied van crisisbeheersing en rampenbestrijding (verderzal de uitdrukking “civil protection” worden gebruikt)wilde stroomlijnen. In een pakket van initiatieven werdeen coördinatie centrum ingericht dat zou gaan dienenals een “one-stop shop”voor hulpverzoeken en gecoördi-neerde respons (het Monitoring and Information Centre,MIC). Daarnaast werd besloten om vertegenwoordigersvan de deelnemende landen de mogelijkheid te biedentrainingen te volgen om in het veld de Europeseassistentie te kunnen coördineren en het getroffen landte helpen in het bepalen van de behoeften (assessment).En de mogelijkheid werd geschapen om in het kader vanhet Exchange of Experts programma kennis te maken metontwikkelingen in andere deelnemende landen.Het Mechanisme heeft zich, na de herziening (recast) van2007, ontwikkeld tot een globale partner. Waar hetoptreedt in zogenaamde “derde landen” (die landen dieniet verbonden zijn aan het Mechanisme) en als deVerenigde Naties aanwezig zijn, zal de uitvoering van detaak gebeuren onder de “over all coordination” van deVN. Bij inzetten binnen Europa zal een European CivilProtection Team haar functie zo moeten inrichten datzij, binnen de command and control lijnen van hetbetreffende land, haar taken in aanvulling op denationale verantwoordelijkheden kan realiseren.Internationale en door de EU grotendeels gefinancierdeoefeningen zoals EU FloodEx 2009 in de veiligheidsregioNoord-Holland Noord en Orion 2010 in het VerenigdKoninkrijk maken het mogelijk voor vertegenwoordigersvan het Mechanisme hierin ervaring op te doen, maar ookvoor het organiserende land om een eerste idee te krijgenEric J. van der Horst, gedetacheerd nationaalexpert en coördinator European Civil ProtectionTraining programMensen in crisissituaties zijn bijna per definitie mede afhankelijk van hulpen assistentie van anderen. De ene mens helpt de ander, regio’s helpenelkaar en landen verlenen assistentie vanuit verschillende motieven.Partnerschappen en organisaties doen dit ook. Het European Civil ProtectionMechanism is een samenwerkingsverband tussen de Europese Commissieen 31 Europese landen waardoor de daaraan deelnemende landen op eenefficiënte en effectieve manier assistentie kunnen verlenen zonder het reedsgetroffen land met extra coördinatie vraagstukken te belasten.
  • 17. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010 17wat het betekent als internationale bijstand zou moetenworden aangevraagd en opgevangen.In situaties in derde landen wordt steeds meer ervaringopgedaan. Per jaar worden tussen de 15 en 20 missiesuitgezonden, waarin telkens een EU Civil Protection team(EUCPT) de assessment en coördinatie taken voor hetMechanisme in een getroffen land verzorgt. Veel landenzenden ook op bilaterale basis assistentie, wat zeker decoördinatietaken voor een dergelijk team uitdagendmaakt. Proberen overzicht te houden van alle (bilateraleof via het Mechanisme) gestuurde assistentie en daarmeehet getroffen land ook te vrijwaren van additionelecoördinatieproblemen, is een van de moeilijkereopgaven. Gelukkig maken steeds meer lidstaten enkelgebruik van het Mechanisme, waardoor het getroffenland een op voorhand gecoördineerd aanbod kan wordengedaan. Dat het niet eenvoudig is, laten misschien deonderstaande voorbeelden zien.Tijdens de overstromingen in Pakistan zondenOostenrijk, Bulgarije, Cyprus, Duitsland, Denemarken,Spanje, Frankrijk, Griekenland, Hongarije, Italië,Litouwen, Malta, Noorwegen, Zweden, Slowakije enhet Verenigd Koninkrijk via het Mechanisme mensenen middelen. Door goede coördinatie tijdens devoorbereidingen vanuit het MIC met de deelnemendelanden, alsook ter plekke tussen het EUCPT en deNational Disaster Management Agency van de Pakistaanseoverheid, de vertegenwoordigers van de Verenigde Natiesen vele andere hulporganisaties, werd het mogelijkdat waterzuiveringstabletten, waterzuiveringsmodules(uitvoerende teams), water verdeelstations, veld-hospitaals, emergency health kits, medische goederen,tenten, hoogwaardige voeding en stroomgeneratorenwerden overgebracht. Direct na aankomst werden degoederen overgedragen aan die instanties die, op basisvan eerder uitgevoerde assessments, de middelen daarzouden inzetten waar de nood hieraan het hoogst was.Naast de “in kind assistance” werd meer dan 230 miljoenEuro aangeboden door de EU.Hierbij kan nog worden aangevuld dat door gedeeltelijkefinanciering door de Europese Commissie van detransportkosten, het voor de landen mogelijk ofaantrekkelijker wordt goederen aan te bieden waar andersde transportkosten een breekpunt zouden kunnen zijn.Voor Pakistan alleen al werd door de Commissie meerdan 1 miljoen Euro aan transportkosten bijgedragen(de helft van de totale kosten), onder meer door het medefinancieren van de huur van transportvliegtuigen.In de situatie van Haïti begin dit jaar, liepen deco-financieringskosten van transport op tot meer dan4 miljoen Euro. Dit maakte het mede mogelijk dat26 deelnemende landen, waaronder Nederland, ondermeer 12 Urban Search And Rescue teams inzetten,2 veldhospitalen, 43 advanced medical posts (eerstehulp posten, sommige met chirurgische mogelijkheden)en medische teams, 7 assessment teams, tenten voor20.000 mensen, een volledig basiskamp voor 300hulpverleners, alsmede een technisch ondersteunings-team, een veldhospitaal en een waterzuiveringsmoduledie mede door de EU gefinancierd zijn.Daarnaast werden zeven weken lang drie achtereen-volgende EUCPT’s ingezet met in totaal 13 verschillendegetrainde vertegenwoordigers van de deelnemendelanden (national experts) en drie vertegenwoordigersvan het MIC. Ook vanuit Nederland werd een vollediggetrainde expert van het Landelijk OperationeelCoördinatie Centrum (LOCC) aangeboden engeselecteerd. Naast het team dat in januari in Albaniëwerd ingezet met een andere volledig getrainde expertvan het LOCC, opnieuw een resultaat van steedssuccesvoller samenwerking met het ministerie vanBuitenlandse Zaken.Uiteraard hebben niet alle catastrofes een dergelijkeomvang als Haïti of Pakistan. De totale lijst vanactiveringen van het Mechanisme in 2010 is er nietminder indrukwekkend om:Albanië - overstromingen, Haïti – aardbeving, Oekraïne- mogelijk lek in een potassium opslag, Chili – aard-beving, Polen en Hongarije – overstromingen, Guatemala– storm, Moldavië – overstromingen, Verenigde Staten– olie vervuiling, Portugal – bosbranden, Hongarije –alkalisch slib, Pakistan – overstromingen en een nieuwteam is vertrokken naar Haïti vanwege de cholerauitbraak.Het is aantrekkelijk de mogelijkheden die hetMechanisme biedt volledig te benutten, waardoorgetroffen landen optimaal gecoördineerde Europeseassistentie tegemoet kunnen zien en niet nog een extrataak krijgen in het verwerken van gefragmenteerdebilaterale hulp.
  • 18. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201018Internationale dimensieOp federaal niveau heeft het ministerie van OpenbareVeiligheid de nationale leiding over de coördinatie vanactiviteiten op het gebied van crisismanagement en werktdaarbij samen met de provincies, territoria en andereentiteiten. De meeste crises worden veelal op lokaalniveau gemanaged door de eerste lijn van de gemeente-lijke, provinciale of territoriale autoriteiten. De federaleoverheid is verantwoordelijk voor het management vancrises die tot haar bevoegdheid behoren en kan opverzoek van de provincies en territoria niet-financiëleondersteuning verschaffen bij de bestrijding.Modernisering crisismanagementfuncties van deCanadese regeringDe rol van de federale overheid bij crisismanagement isvastgelegd in de Emergency Management Act (2007) waarinde bestaande praktijk werd gemoderniseerd door eencoördinerende en leiderschapsfunctie te creëren onderde vlag van de minister van Openbare Veiligheid. Eenbelangrijke conclusie die getrokken kon worden uitcrises zoals de ijsstorm in 1998, de grootschaligestroom-uitval aan de oostkust van Noord-Amerika in2003 en de uitbraak van SARS in 2004, was dat erbehoefte was aan een centrale coördinerende functie opnationaal niveau. De minister van Openbare Veiligheidvervult een coördinerende rol bij het crisismanagementen de overige ministers leveren hun aandeel door dedreigingen en risico’s te inventariseren die behoren tot ofverband houden met hun bevoegdheden - dus ook op hetgebied van vitale infrastructuur - en het uitwerken vanplannen voor crisismanagement voor die dreigingen enrisico’s aan de hand van richtlijnen verstrekt door deminister van Openbare Veiligheid. In dit opzicht iscrisismanagement een gedeelde verantwoordelijkheidbinnen de Canadese overheid, maar de minister vanOpenbare Veiligheid is daarnaast nog verantwoordelijkvoor het uitwerken van beleid, programma’s, richtlijnenen andere maatregelen om effectief management binnende gehele federale overheid te bevorderen. Tijdens eencrisis zorgt de desbetreffende federale instantie diebevoegd is ter zake van een belangrijk aspect van de crisisvoor de eerste respons (dat was tijdens de H1N1-crisisbijvoorbeeld de Public Health Agency) en leveren de overigefederale instanties algemene of specifieke ondersteuning,al naar gelang hetgeen er nodig is. Het ministerie vanOpenbare Veiligheid vervult de coördinerende rol. Dezerollen en verantwoordelijkheden worden omschreven inhet Federal Emergency Response Plan.Opzet kader voor nationale samenwerkingDe verschillende rollen en verantwoordelijkheden vanen de relatie tussen de federale overheid en de provinciesen territoria zijn vastgelegd in het Emergency ManagementFramework for Canada (2005), dat momenteel wordt herzien.De geactualiseerde versie wordt naar verwachting in 2011gepubliceerd. Er wordt nauw samengewerkt tussen defederale overheid, de provincies en territoria bij hetvaststellen van beleid en prioriteiten voor de planningvan crisismanagement.De functionarissen komen regelmatig bijeen in werk-groepen en besluitvormingsrondes ter bevordering vangemeenschappelijke doelen, zoals het opzetten van eennationaal openbaar alarmeringssysteem voor Canada enhet uitwerken van een CBRNE-strategie. Ook organisatiesuit de non-gouvernementele en vrijwilligerssector zijnbelangrijke partners bij crisismanagement. Ter wille vande verplichtingen uit hoofde van het VN-actiekader vanHyogo hebben de regering van Canada, de provincies enAll-hazards risk assessment voorde planning van crisismanagement:de Canadese aanpakSiobhan Harty, Senior Director, EmergencyManagement Planning Unit, ministerie vanOpenbare Veiligheid, CanadaCrisismanagement in CanadaCanada is een federale staat en de bevoegdheden ophet gebied van crisismanagement worden dan ookgedeeld tussen de federale overheid, de provinciesen de territoria.
  • 19. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010 19de territoria het National Platform for Disaster Risk Reduction inhet leven geroepen om actoren uit het maatschappelijkmiddenveld te betrekken bij het uitwerken vanstrategieën om de risico’s te beperken. Het platformkwam voor het eerst bijeen in oktober 2010 en debedoeling is dat jaarlijks te herhalen.Nieuwe instrumentenZodra de Emergency Management Act van kracht werd in2007, ontstond er ook een krachtig momentum om decrisismanagementcapaciteit van de Canadese regeringte verbeteren. Het ministerie van Openbare Veiligheidheeft ter ondersteuning van de ministeries en instantiesbij het nakomen van hun verplichtingen uit hoofde vandeze wet beleid, plannen en richtlijnen opgesteld.Zo wordt de federale aanpak van crisismanagementgeschetst in de Federal Policy for Emergency Management van2009 en dient de Emergency Management Planning Guide(2010) om een gemeenschappelijke aanpak voor deplanning binnen alle federale instanties te bevorderen.De bescherming van de vitale infrastructuur is ook eenbelangrijk aandachtsgebied waarvoor in 2010 een nieuwenationale strategie en actieplan zijn gelanceerd. Metbehulp van geïntegreerde, allesomvattende en nationalemaatregelen kan steeds beter rekening worden gehoudenmet de geografische en constitutionele factoren die hetcrisismanagement in Canada bemoeilijken.All Hazards Risk Assessment FrameworkZoals deskundigen en de mensen uit de praktijk op hetgebied van crisismanagement weten, is kennis van derisicosituatie vereist voor een effectieve planning. Om deministers te ondersteunen bij hun verantwoordelijkheidvoor het uitvoeren van risicoanalyses in het kader vande Emergency Management Act, heeft het ministerie vanOpenbare Veiligheid het voortouw genomen bij eenfederaal proces ter ontwikkeling van een kader voor hetanalyseren van allerlei soorten dreigingen en risico’s.Verwacht wordt dat dit initiatief in het najaar van 2011 alseen pilot kan worden geïmplementeerd bij federaleinstanties die opereren op het gebied van veiligheid enbeveiliging. Zodra de implementatie is afgerond zal hetkader worden uitgebreid naar de andere ministeries eninstanties.Net als de Nederlandse en de Britse regering wil deCanadese regering met behulp van het all hazards riskassessment framework een betrouwbaar, uniform overheids-perspectief verschaffen ter ondersteuning van degenendie op federaal niveau belast zijn met de besluitvormingen planning van crisismanagement. In tegenstelling totNederland en het Verenigd Koninkrijk zal de reikwijdtevan de risicoanalyse van de regering van Canada echterniet nationaal maar federaal zijn conform de verant-woordelijkheden zoals die zijn vastgelegd in de EmergencyManagement Act. De uitkomsten van de risicoanalysedienen ter ondersteuning van de besluitvorming voorbeleid en planning binnen de vier pijlers van crisis-management: preventie/risicobeperking, paraatheid,bestrijding en herstel. Ook zijn ze relevant voor decapaciteitenplanning.De ontwikkeling van een allesomvattende inventarisatievan de risico’s aan de hand van de kaders voor all hazardsrisk assessment verloopt in wezen langs dezelfde wegen diein andere landen worden bewandeld. Als eerste kiezendeskundigenwerkgroepen bestaande uit vertegenwoordi-gers van allerlei federale instanties op het gebied vanveiligheid en beveiliging een reeks thema’s voor hetafbakenen van de identificatie van risico’s en dreigingen.Vervolgens worden aan de hand van vastgestelde richt-lijnen scenario’s uitgewerkt om te waarborgen dat zevergelijkbaar zijn. Deze scenario’s worden daarnabeoordeeld aan de hand van de mate van waarschijnlijk-heid dat ze zich zullen voordoen en hun gevolgen voorde verschillende aandachtsgebieden, bijvoorbeeld deeconomie, de maatschappij, het milieu of de nationalereputatie. Tot slot worden de gevonden risico’s aan dehand van hun scores qua impact en mate van waarschijn-lijkheid in een risicomatrix afgezet tegen het scenario.De uitkomsten van de risicoanalyse worden gedeeld metde besluitvormers en planners die ze vervolgens mee-nemen in de desbetreffende besluitvormingsprocedures.In de loop der tijd zal het proces worden uitgebreid enverder worden verfijnd, zodat de federale capaciteitvoor crisismanagement kan worden aangepast aanveranderingen in de risicosituatie.Voor meer informatie en de integrale teksten vande in het artikel genoemde documenten zie:www.publicsafety.gc.ca
  • 20. Immanuel Nijssen enRaimond Duijsens, resp.adviseur strategie beleid ensenior beleidsmedewerker,Het Nederlandse Rode KruisRotterdam en Rio de Janeiro. Twee ogenschijnlijkverschillende wereldsteden. De ene veilig, de anderegevaarlijk. Dat de problemen en risico’s bij de ene stadwel zichtbaar zijn, betekent niet dat ze bij de anderestad ondenkbaar zijn. Op 13 oktober 2010 bracht hetNederlandse Rode Kruis een groot aantal deskundigensamen tijdens een symposium “Over leven in de stad”,waar zij spraken over stedelijke risico’s in Nederland endaarbuiten, zoals beschreven in het Wereldrampen-rapport van het Internationale Rode Kruis. ‘Iedereen is hulpverlener’RodeKruisWorldDisastersReportsymposiumoverhumanitairegevolgenvanverstedelijkingMagazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201020
  • 21. 1 voetnootKwetsbaarheid en weerbaarheidDe centrale vraag van het symposium was: welkefactoren zorgen voor risico’s en kwetsbaarheid insteden en hoe kunnen deze risico’s worden ingedamden hoe kan kwetsbaarheid worden om gezet inweerbaarheid? Het Rode Kruis richt zich met zijnhumanitaire missie op de meest kwetsbare groepen inde samenleving, in Nederland maar ook internationaal.Het verleent noodhulp bij rampen, maar stimuleertook preventieve maatregelen, zoals het stimuleren vansociale contacten zodat mensen zelfredzaam worden,het planten van mangrove bossen zodat mensenbeschermd worden, of het vergroten van Eerste Hulpkennis zodat mensen sneller geholpen worden. Hetjaarlijkse Wereldrampenrapport van het Rode Kruisgeeft inzicht in kwetsbaarheden en onderliggendefactoren. Dit jaar ligt de focus op de risico’s dieverstedelijking met zich meebrengt.Mijlpalen in verstedelijkingVoor de eerste keer in de geschiedenis wonen er meermensen in steden dan op het platteland. In Westerselanden zoals Nederland is de verhouding al jarenstabiel, maar vooral in ontwikkelingslanden groeiensteden hard, op sommige plaatsen zeer hard. Over hetalgemeen is die groei een indicatie van de economischeontwikkeling van een land. Hoe harder de economiegroeit, hoe sterker de trend van verstedelijking is.Steeds vaker wordt het grootste deel van het BNPverdiend in steden. Bangkok zorgt voor één derde vanhet BNP van Thailand, en in eigen land is de Randstadzelfs goed voor meer dan de helft van het BNP.Zeker voor ontwikkelingslanden, waar veel is gericht opeconomische groei, is verstedelijking dus een bood-schapper van goed nieuws. Maar niet iedereen deeltdaar automatisch mee in de voordelen van die groei.Sloppenwijken zijn daar het zichtbare resultaat van.Ook die groei gaat hard. Zó hard zelfs dat het zorgt voorde tweede mijlpaal: voor de eerste keer in de geschiedeniswonen er meer dan 1 miljard mensen in sloppenwijken.De verstedelijking en de groei van sloppenwijken zijntrends die de komende jaren alleen maar sterkerzullen worden. Vooral in ontwikkelingslanden: daar isde groei van steden vrijwel synoniem voor de groeivan sloppenwijken.Humanitaire gevolgenDe humanitaire gevolgen van verstedelijking zijnevident. De meeste steden kunnen die explosievegroei niet of nauwelijks aan, en vooral de armebevolking lijdt daar onder: er is onvoldoende werk eninkomens zijn laag. Grond om op te gaan wonen isniet beschikbaar of veel te duur. Huisvesting is dusvaak illegaal en op een kwetsbare plaats, en meestalbeide. De huizen zijn instabiel, en hebben geenschoon water, toilet of elektriciteit. Bovendien wonende mensen erg dicht op elkaar. De optelsom van datalles is dat een ramp, áls die zich voordoet, ook directveel slachtoffers maakt. Een orkaan of een overstro-ming vindt zogezegd veel mensen op z’n pad. En doorklimaatverandering zullen die rampenrisico’s alleenmaar groter worden. Ná een ramp blijkt de dichtebebouwing vaak ook een enorme hindernis voor snelleen effectieve hulpverlening. Al met al genoeg redenenwaarom verstedelijking, vooral in ontwikkelingslan-den, een humanitaire opdracht betekent voor eenorganisatie als het Rode Kruis.Maar het betreft niet alleen natuurrampen. Een groteconcentratie van mensen leidt ook tot sociale problemen.Wanneer armoede van generatie op generatie wordtdoorgegeven kunnen wijken veranderen in ghetto’s.Het zijn verwaarloosde plekken die plaats bieden vooranonimiteit en waar geweld floreert. Illegale handel,vooral in drugs, maar ook gedwongen prostitutie enmensenhandel, maken van die wijken vaak de zelfkantvan de maatschappij. De rellen in de banlieus in Parijs,enkele jaren geleden, geven aan dat ghetto-vormingniet beperkt blijft tot ontwikkelingslanden.Een derde humanitaire uitdaging van verstedelijking isgezondheid. In steden wonen veel mensen, dus daarzijn doorgaans de grootste ziekenhuizen. Maar ook hiergeldt vaak – en niet alleen in ontwikkelingslanden –dat de toegang tot zorg een functie is van iemandsinkomen. Voor grote groepen arme mensen, die in hundagelijks leven en werk grote gezondheidsrisico’slopen, is goede medische zorg onbereikbaar. Deconcentratie van mensen brengt sowieso risico’s metzich mee. In dichtbevolkte gebieden hebben virussenhaast vrij spel zich te verspreiden. Meer contact tussenmensen maakt dat ziekten als Mexicaanse Griep ofSARS, maar ook HIV/Aids, vooral in steden veel mensenkunnen besmetten. Een pandemie ligt vooral dáár opde loer. Dat het Rode Kruis in die situaties op scherpmoet staan is evident.21Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010Internationale dimensie
  • 22. De laatste uitdaging heeft weer met geweld te maken.Als gevolg van gewapende conflicten zijn grote groepenmensen op de vlucht. In veel gevallen zoeken zijonderdak bij familie of vrienden, in de beschermdeomgeving van een stad. De Verenigde Naties schattendat er wereldwijd ten minste zeven miljoen mensen opdeze manier in steden wonen. Vooral de illegalevluchtelingen proberen zo onopvallend mogelijk televen om arrestatie en uitzetting te voorkomen. Zegaan op in de volle sloppenwijken, en staan daar blootaan dezelfde risico’s als de mensen die daar al wonen.En vaak nog meer, omdat oorspronkelijke bewonershen als bedreiging zien voor hun toch al moeilijkebestaan. Ook hier is de analogie met veel Westersesteden duidelijk.Risico’s in NederlandOok in Nederland land is sprake van verstedelijking,dus ook hier te lande liggen er humanitaire uitdagingen.Denk aan bebouwing in bepaalde gebieden metoverstromingsrisico’s, en wat dat betekent voor degebouwen en voor de mensen die daar wonen enwerken. Hulporganisaties als het Rode Kruis moetenweten waar die kwetsbaarheden het grootst zijn, omsnel en adequaat hulp te kunnen verlenen.Maar ook de andere problemen zijn zichtbaar in onsland. Stedelijk geweld misschien nog niet zo scherp alsin andere landen, maar de voedingsbodem vanmarginalisatie, armoede en uitsluiting is ook zeker hierin veel steden aan de orde. Wat ziektes betreft stondenGGD en het Rode Kruis in de startblokken tijdens deMexicaanse Griepgolf.Stadsbewoners in Nederland kunnen zich goed reddendankzij veel voorzieningen (water, elektriciteit, etc.),maar wanneer die door een extreme gebeurtenis nietmeer beschikbaar zijn of functioneren, zijn stads-bewoners ook direct erg kwetsbaar. Het vergroten vanzelfredzaamheid is voor zulke situaties van vitaalbelang.Het symposiumOm een adequaat antwoord te geven op de humanitaireproblemen van verstedelijking is samenwerking tussenorganisaties belangrijk. Het vinden van oplossingenvoor het indammen van stedelijke risico’s kan alleenvanuit een breed blikveld, door kennis te delen enelkaar aan te vullen in expertise. Het Wereldrampen-rapport van dit jaar geeft voldoende aanleiding om diesamenwerking te zoeken.Tijdens het symposium troffen deelnemers met eenzeer diverse achtergrond elkaar. Zij namen ervaringenmee vanuit de overheid, het bedrijfsleven, de politiek,wetenschap en non-profitorganisaties. Die diversiteitwerd benut om buiten de gebaande paden te denken.Er werd ingegaan op hoe we in Nederland kunnen lerenvan stedelijke risico’s in ontwikkelingslanden, en hoede situatie er in eigen land uitziet. Tijdens het plenairegedeelte gaven de sprekers ieder vanuit hun expertiseeen visie op het thema. Elco Brinkman, voorzitter vanHet Nederlandse Rode Kruis en voorzitter BouwendNederland, toonde een uiteenzetting van verschillendestedelijke risico’s, waarna Stelios Grafakos, ClimateChange Specialist Institute for Housing UrbanDevelopment Studies Erasmus Universiteit, een lezinggaf over de relatie tussen stedelijke armoede enrampenrisico’s en de invloed van klimaatverandering.Esther de Kleuver, plv. directeur Nationale Veiligheidvan het ministerie van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties en Aleid Wolfsen, burgemeester vanUtrecht, maakten het perspectief vanuit de overheidduidelijk, respectievelijk op nationaal en op plaatselijkniveau. Ten slotte ging Erwin Muller, directeur COTInstituut voor Veiligheids- en Crisismanagement enhoogleraar Veiligheid en Recht Universiteit Leiden, inop de effectiviteit van de vermindering van stedelijkerisico’’s en het belang van publiekprivatepartnerschappen.De discussies in de verdiepingssessies die hieropvolgden, lieten zien dat kwetsbaarheid nooit gelijkverdeeld is, niet in het Westen maar zeker niet inMagazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201022Het vinden van oplossingen voor hetindammen van stedelijke risico’s kan alleenvanuit een breed blikveld, door kennis tedelen en elkaar aan te vullen in expertise.Internationale dimensie$$$$$Rampen, slachtoffersen schade 2009AziëAfrikaNoord en Zuid-AmerikaEuropaOceanië (w.o. Australië en Nieuw-Zeeland)Totaal2251461117519576Totaal aantal rampenper continent (2009)Totale aantal door natuurrampengetroffenen per continent x1.000 (2009)Totale schade door natuurrampenper continent in mln US dollars (2009)AziëAfrikaNoord en Zuid-AmerikaEuropaOceanië (w.o. Australië en Nieuw-Zeeland)TotaalAziëAfrikaNoord en Zuid-AmerikaEuropaOceanië (w.o. Australië en Nieuw-Zeeland)Totaal111.79324.4685.77614677142.26015.44917313.33710.7891.72641.474$$$$$$$$$$$$RampenGetroffenenSchade in mln US dollars225111.79315.4497514610.78914624.46817319771.7261115.77613.337Bron: CRED, WDR/IFRC
  • 23. 1 voetnootontwikkelingslanden. Vooral armen en minderhedenlopen grote risico’s. Zij hebben vaak geen andere keuzedan die risico’s opzoeken om te kunnen overleven:huisvesting bij rivierbeddingen of op vulkaanhellingen.In Nederland bestaan de risico’s vooral op sociaal vlak.Veel mensen wonen in isolement en hebben weinig ofgeen contact met buren of buurt. Tegelijkertijd zijn inrampsituaties juist de buurtbewoners de eerstehulpverleners. Het gebrek aan sociale cohesie inNederland draagt daarmee bij aan kwetsbaarheidtijdens en na een ramp. Bovendien zijn Westersesamenlevingen complex, waardoor de voorspelbaar-heid van een ramp kleiner is, en dientengevolge deimpact groter.In het geval van een ramp is het belangrijk dat mensenweten waar ze naartoe kunnen, dat ze beschikken overde juiste informatie en dat ze deze informatie begrijpen.Toegang tot kennis is dus een cruciale factor. Dit maakteen aantal groepen extra kwetsbaar. Onder andereouderen, analfabeten, gehandicapten en illegalenhebben slecht toegang tot informatie, hebben weinigbegrip van de inhoud, of kunnen de gegeven instructiesniet uitvoeren. Ook het feit of mensen bekend zijn bijinstanties of organisaties is belangrijk. Als niet bekendis dat op een bepaalde plaats illegalen worden, zal daarook geen hulp worden geboden. Verder zijn veeleenzamen, zonder netwerk, tijdens een ramp helemaalop zichzelf aangewezen. ‘Tafeltje dekje’ komt bijvoor-beeld niet meer.Mensen in Nederland hebben doorgaans weinig kennisvan hun ‘handelingsperspectief’ tijdens een ramp ofcrisis, vooral ook omdat er geen besef is van mogelijkerisico’s, of zelfs geen interesse om dit te weten – menwaant zich veilig in de eigen woon- of werkomgeving,beschermd door de overheid. Niet ten onrechte, geziende omvangrijke hulpverlenings-wetgeving, protocollenen plannen waarbinnen overheidsdiensten en het RodeKruis vastgelegde verantwoordelijkheden hebben.Mocht zich onverhoopt toch een noodsituatieaandienen, dan vertrouwt ment volledig op externehulp. Hoe meer men zich beschermd voelt, hoe mindermen de noodzaak voelt zich voor te bereiden. In decomplexe samenleving is het echter niet realistisch teverwachten dat noodhulp direct en aan iedereengegeven kan worden. Dat bewustzijn, plus de kennisover wat men zelf kan en moet doen, moet wordenvergroot – een lastige opgave in een land waar zich(gelukkig) zelden of nooit een ramp voordoet.Een belangrijke eerste stap is het zorgen voor eenmentaliteitsverandering. Kennis bieden is cruciaal,omdat dat zekerheid geeft en het risicobewustzijnverhoogt. Door daarbij een handelingsperspectief tebieden - ‘de hulpverlener in uw buurt bent uzelf’ - heeftdeze kennis een positieve uitwerking op de houdingvan de bevolking, voor de eigen veiligheid maar ookvoor de zorg voor anderen. Als men doordrongen is vanhet belang van zelfredzaamheid en gemeenschapszin,en meer weet van het leven van mensen in de naasteomgeving, helpt dat bij een betere voorbereiding oprampen en crises, en worden overlevingskansenvergroot. Vooral in de verstedelijkte wereld wordtkennis over leven dan de voorwaarde voor overleven.Alle lezingen en de uitkomsten van de verdiepings-sessies zijn integraal te lezen op wdr.rode.kruis.nl.12 oktober 2011nieuw World Disasters Report symposiumIn navolging van 2009 en 2010 zal ook in 2011 eenWorld Disasters Report symposium plaatsvinden opde Internationale Dag van de Rampenbestrijding,altijd de tweede woensdag van oktober.23Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010
  • 24. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201024Citaten uit programma OESO-conferentieThe notion of risk is intrinsically linked toregulation, yet is often only partiallyacknowledged in regulatory processes andregulatory design. [ ] For regulation to beefficient and effective, policy makers have toexplicitly recognise and manage the gapbetween the level of risk acceptable to policymakers and the level that is achievablethrough regulation.OESOOp 28 en 29 oktober organiseerde de OESO in Parijs eenconferentie over regulering, samen met o.a. deEuropese Commissie en het BelgischeEU-voorzitterschap, met als titel ‘Regulatory Policy atthe Crossroads. Towards a new Policy Agenda’. Dit wasde afsluiting van een tweejarig project waarin de OESOde systemen van regelgeving en toezicht in 15EU-lidstaten onderzocht.1Het doel van de conferentiewas OESO-landen te helpen om na de financiële crisisniet door te schieten in te zware regulering die deeconomie onnodig afremt, en om materiaal teverzamelen voor herziening van de richtlijnen uit 2005(OECD Guiding Principles for Regulatory Quality andPerformance). Er waren 350 deelnemers uit 51 landen.De OESO is sinds kort actief met het risicothema enheeft hierover laatst een belangwekkend rapportuitgebracht: Risk and Regulatory Policy. Improving theGovernance of Risk. Een van de sessies tijdens deconferentie ging dan ook over risico’s.Sessie over risico’sSimon Webb, voormalig DG bij het Britse CabinetOffice, vertelde over zijn ervaringen met de manierMet de Haagse conferentie ‘Dag van het Risico’ in mei bracht het programmaVernieuwing Rijksdienst mensen uit binnen- en buitenland bij elkaar die iets willendoen aan de risico-regelreflex. Dat is het mechanisme van overreactie op nieuwerisico’s en op incidenten, die vaak leidt tot onnodig zware overheidsmaatregelendie niet eens wezenlijk meer veiligheid opleveren. De conferentie heeft geleid totuitnodigingen voor presentaties bij de OESO en de UNECE. Zowel in Parijs als inGenève trof ik een tamelijk gespecialiseerd gezelschap aan dat op zoek was naareen breder begrip van risico’s. Beide gelegenheden waren ook een weerzien mettwee prominente sprekers van de Dag van het Risico: Simon Webb enDonald Macrae.Internationale aandacht voor derisico-regelreflexJan van Tol, programma-leider Risico’s enVerantwoordelijkheden,ministerie van BZK1 Het rapport over Nederland heet ‘Better Regulation in Europe: Netherlands’ en staat op www.oecd.orgInternationale dimensie
  • 25. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010 25waarop de overheid de risico-regelreflex kan omzeilen.Tijdens een crisis of direct na een incident denkt deoverheid vaak dat de brand blussen het enige is dat telt,maar daarbij is ze niet alert genoeg op de risico-regelre-flex. Na analyse van Britse crises en incidenten in deafgelopen twintig jaar constateert Webb dat incidentenvaak een bron zijn van inadequate regelgeving, diebovendien het aanzien van de overheid kan schaden. Demeeste kans om in die valkuil terecht te komen is dooreen verkeerde reactie tijdens de eerste uren en dagen(bijvoorbeeld direct stevige maatregelen toezeggenzonder goede beoordeling van de situatie) en door demanier waarop het vervolg wordt georganiseerd. Het isvan het grootste belang dat de overheid de getroffenenhelpt, en tegelijk ruimte voor zichzelf schept om eengoede structurele reactie te kunnen geven. Bij ongeval-lenonderzoek is het van belang om een scheiding aan tebrengen tussen enerzijds feiten, lessen en beleidsopties,en anderzijds de schuld- en verantwoordelijkheidsvraag.Aanbevelingen van een onderzoekscommissie kunnenonmiddellijk een politieke lading krijgen, zeker als zeimpliciet gebaseerd zijn op de veronderstelling dat iederongeluk voorkomen kan worden.2Er zijn allerleipraktische handvatten.Prof. Jonathan Wiener gaf een voorproefje van zijnnieuwe boek The Reality of Precaution. Daarin constateerthij dat de VS en de EU ongeveer evenveel doen aanrisicobeheersing door middel van regels, alleen opverschillende onderwerpen. Hij stelde dat het publiekmeestal niet zo bezorgd is over risico’s als de expertszijn, maar juist wel heftig reageert op ongewone risico’s.De voornaamste uitdagingen voor risicobeleid zijnvolgens hem:• risico’s verspreiden zich snel tussen netwerken enover nationale grenzen;• risico brengt beleidsterreinen met elkaar in verbindingals gevolg van het afwegen van voor- en nadelen vanveiligheidsmaatregelen (risk-risk tradeoff);• ideëen lenen en uitproberen op mondiale schaal.Wiener wees verder op het World Congress on Risk,dat in juli 2012 in Australië plaatsvindt.De presentatie van prof. Panagiotis Karkatsoulis lietexpliciet zien waarom betere regelgeving een relevantthema is voor het veiligheidsdomein. In 2007 werdGriekenland geteisterd door zware bosbranden, waar deoverheid opvallend veel moeite mee had. De voornaamsteoorzaak daarvan bleek de complexiteit van de regulering.Nadere analyse bracht aan het licht dat er maar liefst 29verschillende wetten, ministeriële en presidentiëleregelingen, en brandweervoorschriften zijn waarin ietswordt geregeld omtrent brandbestrijding. En alsof datallemaal nog niet genoeg is, zijn de bevoegdhedenverdeeld over elf verschillende autoriteiten met eennavenant spinneweb aan procedures. Geheel integenstelling met deze verkalkte structuren ontwikkel-den vrijwillige blusacties zich spontaan volgens eeneenvoudige logica, met zelfs betere resultaten dan deprofessionele werkwijze. De spreker concludeerde danook dat een overdaad aan regels schadelijk is voor deveiligheid, en dat formele regels flexibel genoeg moetenzijn om ruimte te laten aan informele regels die gestaltekrijgen in de ‘echte’ wereld.Een interessant punt uit de aansluitende discussie wasdat risico’s vaker herzien zouden moeten worden. InEngeland bleek enkele jaren geleden uit analyse vaninspectiebevindingen dat controle van de technischestaat van een schip eigenlijk niet veel meer toevoegt aan Aandachtspunten ambtelijke top voor de eersteuren en dagen (Simon Webb)• Zoek uit wat er werkelijk gebeurd is (de eersterapportages zijn bijna altijd onjuist).• Besluit of het een echte crisis is. Zo ja, dan moeter (in het Britse systeem) binnen enkele uren eencrisisteam worden samengesteld. Geef daarinook ruimte aan een skepticus.• Denk aan de bredere context en de gewenstestrategische uitkomst wat betreft een proportionele reactie op de feitelijke risico’s.• Geef de minister een bruikbare tekst waarmee hij niet in de verleiding komt om gevoelsmatigeen koers te bepalen zonder inzicht in deconsequenties. Het aanleren van dergelijke technieken is aan tebevelen, want onverwachte incidenten zetten deoverheid onder steeds grotere druk.2 Vgl. Hans de Bruijn, Een gemakkelijke waarheid. Waarom we niet leren van onderzoekscommissies, NSOB: 2007.3 Een gezamenlijke directie van Financiën en EZ die zich richt op betere regelgeving en minder regeldruk.
  • 26. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010264 Voor conclusies, presentaties en verslagen zie www.oecd.org/regreform/policyconference.5 Het begrip ‘Europa’ is hier breed op te vatten, want onder de 56 lidstaten bevinden zich inmiddels ook de VS, Canada en de voormalige Sovjetlanden. Een belangrijk wapenfeit van de UNECE is de afspraak om de industriële uitstoot van lood drastisch teverminderen en om lood in benzine af te schaffen.de veiligheid. Het grootste risico was inmiddels defactor vermoeidheid onder de bemanning, dus daaropis de inspectie zich toen gaan richten. Dat leverde meereffect op met veel minder mensen.Parijse conclusiesDe Europese Commissie was een van de organisaties dieerop wezen dat betere regelgeving vooral gebaat is bij(ex post) evaluatie van bestaande regels. Eigenlijk zounieuw beleid altijd moeten beginnen met zo’n evaluatievan wat er al is. Dan weet je meteen of het wel zin heeftom nieuwe regels te maken. Die aanbeveling is ookmoeiteloos toepasbaar op het veiligheidsbeleid. Het isten slotte na een crisis of incident de onstuitbaregewoonte om nieuwe (veiligheids)regels in te voeren,doorgaans zonder eerst na te gaan wat de merites van debestaande regels zijn en of nieuwe regels een verbeteringzullen opleveren. Het lastige is dat de overheid niet staatte trappelen om te beoordelen hoe effectief haar beleidin werkelijkheid is. Pionierland Australië heeft tochmanieren gevonden om daarmee om te gaan, en merktedaarbij dat doorlichting van bestaande regels veel meerbeleidswinst oplevert dan verbeteringen van hetregelgevingproces – de bestaande voorraad is ten slottede grote ijsberg onder water. Ex post evaluatie sluit hetgat in de beleidscyclus. Het is goed mogelijk omhiervoor gebruik te maken van bevindingen doorinspecties en uitvoeringsorganisaties. Dat gaatnatuurlijk pas werken als het beleidsdomein zichdaarvoor open stelt.De afsluiting was voor rekening van Jeroen Nijland. Inhet dagelijks leven is hij directeur van de RegiegroepRegeldruk3, en verder is hij voorzitter van de OECDRegulatory Policy Committee. Hij legde de nadruk ophet sluiten van de beleidscyclus, het versterken vaninstitutionele capaciteit, betere aansturing en duidelijkeraantonen welke positieve gevolgen regelgeving heeft.Verder constateerde hij dat het beslist tijd is voor eenreality check van de maatschappelijke gevolgen in deechte wereld, waarin burgers, ondernemers en politicizich bewegen. Hij zei het niet met zoveel woorden,maar dat daarbij de risico-regelreflex een rol speelt staatvoor mij wel vast. Je kan nog zo’n mooi regulerings-proces inrichten met allerlei evaluaties en inschattingvan effecten, maar na een incident verdwijnen allegenuanceerde overwegingen direct uit het raam enkomt er gewoon weer een van-dik-hout-zaagt-men-planken maatregel. Daarom heb ik ervoor gepleit datbeleidsmakers de risico-regelreflex gaan beschouwenals een vast element in hun werk en ermee lerenomgaan. Deze conferentie krijgt hoe dan ook eenvervolg met een revisievoorstel voor de eerder genoemdeGuiding Principles.4UNECEDrie dagen na de bijeenkomst in Parijs begon in Genèveeen tweedaagse conferentie over risicobeheersing, tergelegenheid van 40 jaar standaardiseringswerk binnende United Nations Economic Commission for Europe(UNECE).5Doel was bewustwording van de rol diestandaarden spelen bij risicobeheersing, en goedepraktijken bespreken die een breder fundament vanrisicobeoordeling kunnen geven aan standaarden,technische regels en toezicht. Er waren 26 regeringenvertegenwoordigd vanuit agentschappen en ministeries(meestal de equivalenten van EZ of SZW), aangevuld metintergouvernementele organisaties, ngo’s en bedrijven. Decirca 80 deelnemers kwamen grotendeels uit de wereld vantechnische regulering, standaardisering en metrologie.De panelsessieDe presentaties die me het meest aanspraken waren dievan Simon Webb, Florentin Blanc en Gustavo Kuster. Delaatste vertelde over het Braziliaanse nationale instituutvoor metrologie, standaardisering en industriële kwaliteit(Inmetro). Dit agentschap stelt regels op en oefenttoezicht uit (1800 fte, waarvan 150 technisch inspecteurs).Men hanteert daar tegenwoordig een regulatory impactassessment die goed helpt beoordelen of regels nodigzijn, wat de verwachte langjarige effecten en kosten zullenzijn (maatschappelijk en financieel) en wie de gevolgenInternationale dimensie
  • 27. 27Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 20106 Zie www.unece.org/trade/wp6 en van daaruit de rechter kolom Events.zullen ondervinden. In die aanpak was de hand teherkennen van Donald Macrae (voormalig DG bij hetBritse Defra), die Inmetro inderdaad van advies heeftvoorzien samen met de universiteit van Sao Paulo. Debenadering van Macrae benadrukt dat opvattingen enmaatregelen aangaande risico’s tot stand komen in eencomplexe interactie tussen veel risico-actoren.De volgende spreker was Florentin Blanc. Hij vertegen-woordigde de International Finance Corporation van deWereldbank, een andere internationale organisatie dietoenemende aandacht geeft aan het risicothema. Hij weeserop dat de roep om strengere regels na een incidentbeantwoord zou moeten worden met een goede afwegingvan het type regel. Hij vergeleek de voors en tegens vanselectieve regelgeving die een kosten/batenafwegingmaakt met regelgeving die risico’s geheel wil uitsluiten.Deze vergelijking heb ik hem wel eens scherper horenmaken, maar er waren nogal wat deelnemers uit hetvoormalige Oostblok (vanouds liefhebber van het oppapier uitbannen van ieder risico) en de VN staat tenslotteniet bekend om zijn polariserende kwaliteiten. De sessiehad in totaal acht sprekers en werd omlijst met de filmsdie geproduceerd waren voor de Dag van het Risico, voorde gelegenheid met Engelse ondertiteling en voice over.De eerste was de namaakreportage Killer Trees, over eenveiligheidsmaatregel om bomen elke vijf jaar te latenonderzoeken op omwaaigevaar. De tweede film gingover VU-onderzoek waaruit blijkt dat burgers veelevenwichtiger reageren op brandgevaar in de metro dande overheid en de media veronderstellen.Geneefse conclusiesDonald Macrae wees in zijn samenvatting op het puntvan verantwoordelijkheid: de opstellers van technischeregels kunnen in al hun deskundigheid toch foutenmaken die effect hebben op de samenleving. Eenvoorbeeld is het initiatief van de British StandardsInstitute om een keuring verplicht te stellen voor allebomen in het land (inderdaad, de basis voor de filmKiller Trees). Ook het vliegverbod ten tijde van deIJslandse aswolk was gebaseerd op een eenzijdigetechnische benadering zonder oog voor de neven-effecten. Macrae wordt voorzitter van de nieuwe UNECEGroup of Experts. Die wordt ingesteld omdat risico-taxatie binnen het veld van standaardisering gebaat isbij een bredere beoordeling van effecten, en omdatregelgeving eenvoudiger en effectiever kan worden dooreen risicogebaseerde benadering. Technische reguleringis bij uitstek een internationaal veld en heeft dus eencontext als deze nodig om verder te komen. Zie verderde website van UNECE.6KortomDeze twee conferenties laten zien hoezeer het onder-werp ‘risico’ in de internationale belangstelling staat.De risico-invalshoek geeft een gemeenschappelijkenoemer voor de zorgen en overtuigingen van enerzijdsburgers, journalisten en politici en anderzijds deskundi-gen en beleidsmakers. Zo worden verbindingen mogelijktussen actoren die ver van elkaar af staan maar die toch opelkaar in werken. De OESO-conferentie maakte duidelijkdat het veld van deregulering en betere regelgeving zo’nbrug nodig vindt. Bij de UNECE bleek dat in ieder gevaleen aantal ontwerpers van technische standaarden zichaangesproken voelt door deze notie. Beide conferentiesbenadrukten het belang om politiek, media en burgers bijdeze ontwikkelingen te betrekken. De grote opgave voorhet vervolg wordt natuurlijk om de daad bij het woord tevoegen.Begin 2011 gaat het BZK-programma Risico’s enVerantwoordelijkheden van start, dat voortbouwt op deoogst van de Dag van het Risico. Het programma gaatonder meer een visie ontwikkelen op de rol van deoverheid bij risico’s. Daarnaast is het doel om overheids-organisaties en bestuurders handvatten te bieden omanders te kunnen omgaan met de risico-regelreflex. Diereflex is overigens geen geïsoleerde actie van de overheidmaar een gevolg van externe druk. Daarom zal hetprogramma ook partijen buiten de overheid uitnodigentot debat over hun aandeel in de overreactie op risico’s.En verder gaat het programma werken aan een risico-catalogus, waarmee uiteenlopende risico’s vergelijkbaarworden wat betreft hun objectieve omvang en de publiekeperceptie.Als deze aanpak u aanspreekt, nodig ik u van harte uit omcontact op te nemen met jan.tol@minbzk.nl. Zie verderwww.risicoregelreflex.nl.Figuur 1: Risico-actoren(Risk and Regulation Advisory Council 2007)
  • 28. In Punjab, de zwaarst getroffen provincie,wonen tachtig miljoen inwoners waarvaner 8,5 miljoen direct getroffen zijn. Deuitdagende missie voor het team was om ineen week tijd het Eagle CrisismanagementSysteem in te richten voor het ‘Governmentof Punjab Relief and Crisis ManagementDepartment’. Ook werden gebruikersopgeleid zodat zij zelfstandig het systeemkonden gebruiken. Alle benodigde soft-ware, diensten en overige kosten voor ditproject zijn gedoneerd door de betrokkenbedrijven.De doelstelling van het project was drieledig:• Een systeem opzetten ter ondersteuningvan de directe hulpverlening;• Een systeem opzetten voor het in kaartbrengen en optimaal inzetten vanhulpmiddelen (zoals tenten);• Een basis leggen voor een ‘Early WarningSystem’ om dit soort rampen in detoekomst beter te kunnen voorspellen.Eenmaal aangekomen in de provincie-hoofdstad Lahore, bleken alle omstandig-heden aanwezig om het functioneren vaneen ‘normaal’ IT systeem onmogelijk temaken. Bijna tien keer per dag viel destroom uit, waardoor vervolgens hetnetwerk niet beschikbaar was. Gegevenswaren lastig te verkrijgen en al helemaallastig te vergelijken. Verschillende hulp-organisaties hadden verschillende beeldenvan de werkelijkheid en werkten daardoor‘langs elkaar’. Naast een centrale omgevingvoor coördinatie, was ook informatie nodigvoor gebruik in het veld. Informatie vanuithet veld was weer nodig om het beeld voorde overige hulporganisaties compleet temaken. Kortom; de ultieme test voor eennetcentrisch Crisismanagement Systeem.Op de achtergrond werkte vanuit Nederlandeen support team, dat onder andereinstallaties op afstand verzorgde. Hierdoorwas het grootste deel van de Crisis-management Suite al operationeel na 2dagen werk in Pakistan. De Command Centersoftware (voor tekst en geografie) was snelgeïmplementeerd en door via het supportteam in Nederland gebruik te maken vaninternetapplicaties was ook de webvariantEagle Live snel ‘in de lucht’. Vanuit hetrampgebied kwamen gedurende de weekverschillende medewerkers met PC’s naarLahore om daarop Eagle te installeren en ommeteen een opleiding te volgen.De vorm en de mate waarin gegevensbeschikbaar waren bleef echter eenuitdaging. Op zich zijn van Pakistanvoldoende (geografische) gegevensbeschikbaar, echter deze gegevens variërenenorm qua dekking, nauwkeurigheid enactualiteit. Twee teamleden zijn daaromletterlijk door Lahore gereden om bijverschillende instanties kaartlagen enandere datasets op te halen. Ook zijn vanuiteen aantal Nederlandse bedrijven eninstanties speciaal voor dit project veelgegevens over Pakistan beschikbaar gesteld.Na een intensieve week was het systeembruikbaar in het coördinatiecentrum enop een aantal plaatsen in het rampgebied.De gevolgen van de ramp en de werkzaam-heden voor de wederopbouw zullen echternog jaren gaan duren. Dit project zal daar-door zeker een vervolg krijgen, bijvoorbeelddoor NGO’s ook onderdeel te maken van hetsysteem. Al met al was dit voor zowel desoftware als de organisatie een belangrijketest, waarmee is bewezen dat netcentrischwerken werkt!Noodhulp Pakistannetcentrisch gecoördineerdRene Voogt, Eagle (samenwerkingESRI Nederland en Geodan)Internationale dimensieIn september 2010 vertrok een team van vier Nederlandse IT’ers vanESRI Nederland en Geodan naar de provincie Punjab in Pakistan.Aanleiding was het verzoek van de Prime Minister van deze provincieom in samenwerking met Microsoft een ondersteunend systeem opte zetten voor de bestrijding van de gevolgen van de watersnood enhet herstel van de samenleving.Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201028
  • 29. 29Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010Handboekmaakt internationalebijstand werkbaarBij inkomende internationale bijstandwordt gewerkt met een aantal specifieketermen en begrippen:• Het Reception and Departure Centre(RDC): de aankomst- en vertreklocatie.Dit is een verzamelplek waar de buiten-landse bijstandseenheden na aankomsten registratie hun eerste instructiesontvangen.• Het On Site Operations and CoordinationCentre (OSOCC): het OSOCC wordtdoorgaans bij het LOCC ingericht enbiedt ondersteuning aan het Nederlandsegezag bij de rampenbestrijding voor watbetreft de coördinatie van de inzet van deontvangen buitenlandsebijstandseenheden.• De Local Emergency and ManagementAuthority (LEMA): dit is de internationaleterm voor de (lokale) autoriteit belastmet de overall regie, coördinatie enaansturing van de rampenbestrijdingsor-ganisatie. Ligt in het Nederlandsesysteem de regie bij de veiligheidsregiodan wordt het LEMA bij de veiligheidsre-gio ingericht, ligt de regie op nationaleniveau dan bij de bevoegde nationaleautoriteit.• De On-Site-Commander (OSC): dit is deinternationale term voor degene die opde plaats van het incident over deingezette internationale bijstand deleiding heeft.• De Base of Operations (BoO): hetbasiskamp voor de buitenlandsebijstandseenheden. Dit is het basiskampwaar de buitenlandse eenheden hunmanschappen en materieel hebbenverzameld en van waaruit zij vertrekkennaar de locatie waar ze ingezet worden.Deze internationale structuur versterkt denationale rampenbestrijdingsstructuur,maar neemt geen verantwoordelijkhedenen bevoegdheden over. De internationalebijstand is ondersteunend aan het lokaalgezag. Het nationale systeem blijft dus teallen tijde leidend.In het Handboek hebben we er naargestreefd tot een zo generiek mogelijkschema om de internationale bijstand aante vragen te komen. Alles begint met eenincident op lokaal niveau wat op eengegeven moment uit kan lopen op eencrisis of ramp van meer dan lokalebetekenis. Dan begint het inschatten van debehoefte door achtereenvolgens deveiligheidsregio, het LOCC en het NCC. Ophet moment dat duidelijk is dat internatio-nale bijstand gewenst is treedt de ministervan Veiligheid en Justitie in overleg met deminister van Buitenlandse Zaken. Het NCCvraagt vervolgens namens de minister vanVeiligheid en Justitie en de minister vanBuitenlandse Zaken de gewenste internatio-nale bijstand aan bij de EU, de NAVO, de VN,of (veelal op basis van bilaterale verdragenen afspraken) bij buurlanden als Duitslanden België.Het Handboek Bijstand is tot en met deel 3gereed en te raadplegen via www.hetlocc.nl. Het vierde deel van het Handboek(bijstand aan het Caribisch deel van hetKoninkrijk) is nog in ontwikkeling.Peter Goudsmits en Andries Boneschansker,resp. senior coördinator Advies enbeleidsmedewerker, Landelijk OperationeelCoördinatie Centrum (LOCC)Het LOCC zorgt voor een afgestemde effectieve en efficiënte inzet vanmensen en middelen van hulpdiensten (brandweer, GHOR, politie),gemeenten en andere organisaties (w.o. Defensie) in geval van crises,rampen, grootschalige incidenten en evenementen. Het LOCC is tevensbelast met de coördinatie van internationale bijstandsverlening en heeft,in nauwe samenwerking en afstemming met het Nationaal Crisiscentrum(NCC), betrokken ministeries en organisaties, in de afgelopen jaren hetHandboek Bijstand samengesteld.HandboekbijstandHandboekbijstand
  • 30. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201030Internationale dimensieIn het project willen we drie programma’sontwikkelen met de opbouw Opleiden-Trainen-Oefenen. Deze opbouw wordt inNederland steeds meer als standaarddoorgevoerd. Maar in Europees verband isdit een vernieuwende aanpak.Doel van het project is het opstellen vandrie internationale ‘ETE-Programmes’(de letters ETE staan voor Education,Training, Exercise.) Drie programma’s(tunnels, metro-stations en ondergrondseparkeergarages) met richtlijnen voorhulpverleningsinstanties. De programma’sworden in samenspraak met Europeseexperts opgesteld, vervolgens aan hulp-verleningsinstanties en operators vanondergrondse faciliteiten onderwezen enuiteindelijk in de praktijk geoefend.Binnen dit project werkt de provincieZeeland samen met de brandweer van Gent ,Kent en Madrid, STUVA e.V. (Duitsland),Amberg Infrastructuras S.A. (Spanje),The General Inspectorate for EmergenciesSituations (Roemenië), het NederlandsInstituut voor Fysieke Veiligheid, N.V.Westerscheldetunnel, Rijkswaterstaat,Q-Park, Nedmobiel, Falck-AVD en Veilig-heidsregio Zeeland.Falck-AVD coördineert het opstellen van deETE-programma’s en het NIFV ontwikkelteen virtual reality programma voortrainingen in tunnels, metro-stations enparkeerkelders.Elk ETE-programma wordt geleid door eenandere partner:- Wegtunnel wordt geleid door deWesterscheldetunnel;- Parkeerkelder wordt geleid door deBrandweer Gent;- Metrostation wordt geleid door hetDuitse onderzoeksinstituut STUVA.We hebben ervaren dat de multidisciplinairebenadering, die wij in Nederland al jarenkennen op het gebied van de rampenbestrij-ding, in Europa nog vrij onbekend is. In onsland is op initiatief van het ministerie vanBinnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatiesen het Centre of Excellence on NationalSafety and Security (CENS2) een aanzetgegeven om nog meer en beter multi-disciplinair voor te bereiden op incidenten.Bij ondergrondse infra gaat het om eensamenspel tussen operators van bijvoorbeeld een tunnel, hulpdiensten enbestuurlijke overheden. Scenario’s die ookin ons land nog nauwelijks zijn uitgewerkt,en waar het project Up Safety een waarde-volle bijdrage kan leveren.Het ministerie van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelaties heeft destijds deprojectaanvraag voor Up Safety aanbevolenbij de Europese Commissie.Het project loopt tot 1 oktober 2011.Zie voor meer informatie www.upsafety.euUp SafetyEuropees project Ondergrondse veiligheidRon de Meyer, projectleiderprovincie ZeelandVanwege de toenemende druk op de bovengrondse infrastructuurwordt steeds vaker gebruik gemaakt van de ondergrondse structuur.Te denken valt aan ondergrondse parkeergarages, metrostations entunnels. Om de samenwerking tussen de verschillende hulpverlenings-instanties zoals politie, brandweer en medische hulpverlening teverbeteren, is eind 2009 een nieuw project binnen het Europesesubsidieprogramma Civil Protection opgestart onder de naam Up(Underground Programmes) Safety. Initiatiefnemer is de ProvincieZeeland, waar de langste verkeerstunnel van Nederland onder deWesterschelde ligt.
  • 31. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010 3131Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010 31Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010Onder leiding van de VeiligheidsregioHaaglanden is vanaf 1 januari 2010 gewerktaan het ontwikkelen van een reddingseen-heid die bij overstromingen internationaalop kan treden. Het Water Search and RescueTeam is inmiddels opgericht, geoefend enstaat vanaf 1 november paraat. Het WaterSearch and Rescue Team is tot standgekomen binnen een internationaalsamenwerkingsverband met BrandweerOstrava en Brandweer Merseyside.Water Search and Rescue TeamHet Water Search and Rescue Team bestaatuit 35 personen, waarvan 24 reddingswerkersdie met 6 boten en drie reddingsvlottenoptreden. Deze reddingseenheid kan metdit materiaal in één keer 50 personenvervoeren naar een veilige plaats. Hetteam is ontwikkeld om binnen 24 uur naalarmering in een rampgebied inzetbaarte zijn om vervolgens 10 dagen volledigselfsupporting in een rampgebied tekunnen optreden. De Nederlandsereddingswerkers zijn afkomstig van politie,brandweer, ambulancedienst en reddings-brigade en zijn allen ervaren in het optredenals hulpverlener op het water.Europese subsidieHet Civil Protection Mechanism van deEuropese Unie verstrekt subsidie voorprojecten die leiden tot het vergroten vande internationaal inzetbare capaciteiten bijrampen. Op het gebied van hulpverleningbij overstromingen was de huidigecapaciteit beperkt. Het project WaterSave- waarbinnen het Water Search and RescueTeam is opgericht – werkt met subsidiegel-den van de EU. Dit project loopt voor deduur van twee jaar, hierna zal een evaluatieplaatsvinden. Doel van het project is omdoor middel van het werken met eengezamenlijk team, het gezamenlijk trainenen het opstellen van procedures eenstandaard te ontwikkelen voor het inter-nationale optreden bij overstromingen.Een standaard die er, in tegenstelling tot bijvoorbeeld het optreden bij aardbevingen,nog niet is.Oefenweek in NederlandHet Water Search and Rescue Team heeftdriemaal gezamenlijk geoefend, In juni inTsjechië en in september in Engeland daarstond met name het optreden op het watercentraal. In november is tijdens eenoefening in Nederland het team als geheelonder rampomstandigheden getest.Voor meer informatie over het team ziewww.watersave.nlWaterSave.EUPeter Glerum, projectmanagerWaterSave, VeiligheidsregioHaaglanden (VRH)De Veiligheidsregio Haaglanden beschikt vanaf nu samenmet Brandweer Merseyside (Liverpool, UK) en BrandweerOstrava (Tsjechië) over WaterSave.EU, een internationaalinzetbaar team – Water Search and Rescue Team - voorhet optreden bij overstromingen. Deze reddingseenheidkan bij overstromingen optreden om mensen te redden,te evacueren en of te voorzien van levensreddende hulp.
  • 32. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201032Cyber Storm III @ NL - ICT verstoringenzijn niet alleenWat doet de overheid in zo’n situatie? Hoe acteert zij enkan zij ingrijpen? Dat heeft Nederland, samen mettwaalf andere landen, eind september geoefend in eentweedaagse grootschalige ICT-oefening, genaamd CyberStorm III.Het belangrijkste resultaat van de oefening is voor hetstartsein al grotendeels behaald: bewustwording datonze samenleving in toenemende mate afhankelijk isvan ICT en we ons goed moeten voorbereiden optoekomstige verstoringen.Drie oefeningen in éénCyberstorm is geïnitieerd vanuit het Department ofHomeland Security in de Verenigde Staten. Het is na2006 en 2008 de derde keer dat de Amerikanengrootschalig oefenden met een ICT aanval. Hetministerie van BZK (DG-Veiligheid en GOVCERT.NL)en het ministerie van Economische Zaken (DG Energieen Telecom) hebben van deze gelegenheid gebruikgemaakt door, aansluitend op de internationaleoefening, een nationale oefening te organiseren.Zo kon naast de internationale samenwerking, ookde nationale interdepartementale crisisbeheersingbeoefend worden. Een ICT crisis houdt zich immersniet aan landsgrenzen of beleidsdomeinen.In Nederland is op drie niveaus geoefend:Internationaal IWWN - Cyber Storm IIIhet beoefenen van de internationale samenwerking metals doel verbetering van incidentafhandeling.Deelnemers komen uit het International Watch andWarning Network (IWWN). Dit netwerk, tijdensCyberstorm III voor het eerst grootschalig beoefend,bestaat uit de ‘Overheid-Computer Emergency ResponsTeam (CERTs), politie en beleidsdirecties van 15 landen.Het richt zich op betere informatiedeling om groot-schalige ICT-verstoringen te voorkomen en bestrijden.Nationaal Cyberstorm.NLHet oefenen hoe om te gaan met nationale politieke-bestuurlijke dilemma’s bij grootschalige ICT aanvallen.Doel is bewustwording en het beoefenen van debestaande plannen en procedures binnen de nationalecrisisbeheersing. Bijna elk ministerie heeft meegespeeld.Departementale crisisbeleidsadviseurs zijn uitgedaagdom zowel op hun eigen beleidsterrein, als binnen hetinterdepartementale Adviesteam, aan de slag te gaanmet de dilemma’s en handelingsperspectieven opdit thema. De resultaten zijn vervolgens op het hoogsteambtelijke crisisoverleg, de zogeheten Inter-departementale Commissie Crisisbeheersing (ICCB),behandeld. Daar zijn de verantwoordelijke DG’sgeconfronteerd met het thema ICT-verstoring en dedilemma’s voor advies- en besluitvorming.ICT Response Board (IRB)Het toetsen van een nieuw concept gericht op beterepubliekprivate samenwerking (PPS) bij grootschaligeICT-verstoringen. Het doel van IRB is betere adviseringen respons bij ICT crises. Deelnemers zijn overheids-partijen en private partijen (o.a. GOVCERT.NL, NCTb,KLPD, telecom-aanbieders, energieleveranciers,virtueel!Claartje Brons, Nationaal Crisiscentrum,Douwe Leguit, Govcert.NL,Hans Oude Alink, ministerie vanEconomische Zaken,Marijke Stokkel, Govcert.NL“Een cyberworm heeft wereldwijd miljoenen computers besmet.Aanvankelijk is onduidelijk wat de cyberaanval precies inhoudt,maar al snel blijkt dat overheidsorganisaties doelwit zijn. Politiekgevoelige dossiers worden op sociale media gepubliceerd.Verkeerssignaleringssystemen vallen uit en er ontstaan lange files.De voorradenregistraties van benzinestations, intensieveveehouderijen en supermarkten lopen vast. De media schreeuwenmoord en brand. Er ontstaat maatschappelijke onrust, mobielenetwerken raken overbezet, mensen gaan de straat op…”
  • 33. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010 33banken). Vanwege het korte bestaan is het beoefenenvan de IRB in de oefening beperkt gehouden.VoorbereidingDe voorbereiding van de oefening was een interessante,maar ook pittige klus. Het was lang niet altijd eenvoudigom deelnemers te overtuigen van nut en noodzaak omdeel te nemen. ‘Onze systemen kunnen los draaien vanhet internet en zijn gescheiden, dus er is geen probleembij een ICT-verstoring’, was een veelgehoorde reactie.Een interpretatie die vaak niet meer aansluit bij dewerkelijke dreigingen van dit moment.De recente media-aandacht voor ICT-incidenten (zoalsbij voorbeeld Stuxnet), presentaties en hackdemo’s doorGOVCERT.NL (die aantonen hoe gemakkelijk je eencomputer kunt overnemen) en diverse voor-oefeningenhebben bijgedragen aan toenemende bewustwordingop dit gebied.Voor de oefening zelf hebben we met alle deelnemerseen realistisch scenario opgesteld, dat nauw aanslootbij het internationale scenario. Voor elk deelnemendministerie is dit uitgewerkt in deelscenario’s. Hetopstellen van de scenario’s vereist kennis van kwets-baarheden en inzicht in de afhankelijkheden van de ICTsystemen van de deelnemende ministeries, welke nietaltijd voorhanden is. Techniek en beleid zijn binnen dedepartementen veelal niet optimaal op elkaar aan-gesloten, waardoor het totaaloverzicht vaak ontbreekt.Met ministeries hebben we een begin gemaakt in hetinventariseren van kwetsbaarheden en afhankelijk-heden. Deze opgedane kennis kunnen ministeriesgebruiken voor de invulling van de departementalecontinuïteitsplannen op het gebied van ICT uitval.3, 2, 1 = Showtime!Woensdag 29 september 2010; 09:30; showtime!Terwijl de oostkust van Amerika nog op één oor ligt,start de internationale IWWN oefenleiding vanuitNederland de internationale Cyber Storm III oefening.Het streven is om around the globe te oefenen met hetaanpakken van ICT crises over de tijdzones heen.Voor Nederland nemen op deze eerste dag GOVCERT.NL,KLPD, het ministerie van EZ en het NationaalCrisiscentrum deel. Een van de dilemma’s voor deinternationale samenwerking is hoe je deze organiseert,zonder dat je elkaar voor de voeten loopt of ongewildpasseert. Al snel blijkt dat verschillende interpretatiesen duiding van de gebeurtenissen internationaal totverschillende acties leidt.Op de tweede dag start ook de nationale oefening en deICT Response Board. Er is een simultane aftrap met eenstartjournaal, waarin de reguliere files en het natte weerde meeste aandacht krijgen. In de loop van de ochtendstapelen de incidenten zich echter snel op. Aan hetbegin van de middag komt het Adviesteam bij elkaar omtot een overzicht te komen en de dilemma’s te inventa-riseren. Het Adviesteam besluit tot het bijeenroepenvan de ICCB, wat later in de middag gebeurt. Daarmeewordt deze oefendag ook afgesloten en verzameltiedereen zich voor een eerste gezamenlijke evaluatievan de dag.LeerpuntenWat kunnen we concluderen na twaalf maandenvoorbereiding en twee dagen vol oefenen? Allereerst,om met de woorden van DG Veiligheid Dick Schoof tespreken: ‘de oefening van vandaag was er een met eenbuitengewoon lastig scenario. Het betrof geen klassiekcrisisscenario, maar een nieuwe, complexe, grensover-schrijdende dreiging.’Ten tweede: dat het belangrijk is om door te gaan methet professionaliseren van de nationale crisisbeheersing,in het bijzonder op het gebied van ICT-dreigingen enverstoringen. Het is wenselijk dat de verantwoordelijk-heden van betrokken partijen tijdens een ICT-crisisbeter worden vastgelegd. En dat scenario’s wordenontwikkeld, met daarin uitgewerkt het handelings-perspectief van de overheid bij een ICT crisis op korte,middellange en lange termijn. Regelmatig trainen enoefenen van de spelers in de crisisbeheersing helptdaarbij om rollen en verantwoordelijkheden scherp tekrijgen. En tot slot, reeds genoemd in de introductie:door Cyberstorm III ontstond bij de deelnemendeorganisaties een toenemende bewustwording van dekwetsbaarheden en afhankelijkheden van ICT.Kortom, nu al een leerzame en succesvolle oefening.Met de eigen lessen en straks ook de officiële evaluatievan Cyber Storm III in de hand, een uitstekendeopbrengst om mee aan de slag te gaan in het opzettenvan een nationaal ICT crisisplan, een nationalecybersecurity strategie, trainingen en… wellicht eenCyber Storm IV.
  • 34. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201034Op basis van het regeerakkoord werkt het nieuwe kabinetaan een integrale aanpak op het terrein van cybersecurity.Het eerste Nationale Trendrapport is een bouwsteen voordie integrale aanpak. Het Trendrapport constateert dathet tijd is voor verregaande samenwerking van publiekeen private partijen, om de digitale veiligheid te vergrotenen cybercriminaliteit gericht aan te kunnen pakken. Heteerste Nationale Trendrapport is tot stand gekomen onderregie van GOVCERT.NL, het Computer EmergencyResponse Team van de Nederlandse overheid.Het rapport onderscheidt een aantal hoofdtrends, die eenbedreiging vormen voor een open en vrij internet en denationale veiligheid. Alle trends samen wijzen erop, datdigitale onveiligheid en digitale criminaliteit in alleverschijningsvormen niet meer weg te denken zijn uitonze informatiemaatschappij. Internet en digitaal verkeerzijn immers van cruciaal belang voor onze samenleving:we worden er steeds afhankelijker van. Veilig internet eneen betrouwbare ICT omgeving zijn de randvoorwaardenvoor een kenniseconomie als Nederland.HoofdtrendsCybercriminaliteit wordt geavanceerder en gerichterHightech cybercriminaliteit is zeer aantrekkelijk. Het kannamelijk met een beperkte investering snel winstgevendzijn, terwijl de pakkans laag is. Hightech cybercriminelenlopen voorop in het verbeteren van aanvalsmethoden omhun aanvallen minder zichtbaar en gerichter te maken.Cybercriminelen zijn goed georganiseerd en hebbenspecialisaties die zij als dienstverlening aanbieden.Zij voeren hun aanvallen uit in tijdelijke samenwerkings-verbanden die zij op internetfora aangaan.Dreiging digitale spionage neemt toeDigitale spionage vormt een onderdeel van voorNederland ongewenste activiteiten vanuit het buitenland.Het wordt ingezet voor het verkrijgen van gevoeligeinformatie op economisch, politiek en militair terrein.Dankzij het internet is het veel eenvoudiger geworden omop afstand snel grote hoeveelheden data te ontvreemdenen kunnen inlichtingendiensten of concurrerendebedrijven gevoelige informatie gericht uit een organisatiehalen. Dit wordt bevorderd doordat het risicobewustzijnvan spionage vaak laag is.Illegaal gebruik internet om politieke redenen vooral gerichtop bedreiging, defacements en propagandaHet zijn vooral activiteiten met beperkte maatschappelijkeimpact die illegaal en om politieke redenen wordenuitgevoerd. Zij beperken zich tot op heden vooral totactivistische uitingen. De voornaamste ontwikkeling iseen toename van bedreigingen via internet, defacementsvan websites en uitingen van propaganda.Burgers, overheid en bedrijven blijven kwetsbaar voordigitaal misbruikHet afgelopen jaar is weer een groot aantal nieuwekwetsbaarheden in software ontdekt, hoewel de groei tenopzichte van de voorgaande jaren gestabiliseerd is. Dezesoftwarelekken maken zowel overheden als bedrijven enburgers kwetsbaar voor aanvallen van cybercriminelen.Veilig internetvan cruciaal belang voorsamenleving en economieJolanda Haak enTon Slewe, GOVCERT.NLEerste Nationale Trendrapport Cybercrime en Digitale VeiligheidHalf november is, tijdens het GOVCERT.NL symposium, het eerste NationaleTrendrapport Cybercrime en Digitale Veiligheid aangeboden aan het ministerievan Veiligheid en Justitie. Voor het eerst hebben AIVD, GOVCERT.NL, KLPD,MIVD, NCTb en OPTA een gezamenlijk, strategisch beeld neergezet vancybercrime en digitale veiligheid. Ook experts uit wetenschap en bedrijfslevenzijn betrokken bij het samenstellen van dit rapport.
  • 35. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010 35Het gebruik van mobiele apparatuur is sterk gegroeid enintroduceert extra risico’s, onder andere omdat dezeapparatuur vaak voor zowel privé- als zakelijke doel-einden wordt gebruikt. Organisaties passen best practicesvoor informatiebeveiliging niet altijd toe.Computergebruikers zijn zich niet altijd voldoendebewust van de risico’s van ICT en internet.Privacy staat meer onder drukZowel overheid als bedrijfsleven registreren veel persoons-gegevens, die zij niet altijd adequaat beschermen. Deprivacy van burgers staat ook onder druk doordat zijvrijwillig, in bijvoorbeeld sociale netwerken, veelpersoonlijke informatie delen zonder daarvan in allegevallen de consequenties te overzien.Beveiliging ICT lastiger door uitbesteding en cloudcomputingUitbesteding van ICT en het gebruik van cloudcomputingin het bijzonder nemen verder toe. Dit heeft effectenop de risico’s die een organisatie loopt. Bedrijfs-informatie beperkt zich in dergelijke situaties namelijkniet langer tot het eigen bedrijfsnetwerk. Dit leidt vaaktot verminderde controle op de locatie van systemenen gegevens en minder zicht op wat er met de eigenbedrijfsinformatie gebeurt.Procesautomatisering loopt meer risicoSystemen in de procesautomatisering, vaak gebruiktin vitale sectoren, lopen momenteel meer risicodan voorheen. Dit komt door een toename van hetaantal externe koppelingen, een gebrek aan ingebouw-de beveiliging en het traag updaten van systemen.Daarnaast groeit het gebruik van standaard ICT-componenten waarmee ook de problemen vanstandaard ICT bij procesautomatisering geïntroduceerdworden.Burgers en bedrijfsleven vinden ICT veilig genoeg om te gebruikenHet vertrouwen dat Nederlandse burgers en bedrijvenhebben in de veiligheid van ICT en internet in hetbijzonder is hoog in vergelijking met andere landen.Burgers zijn naar eigen beleving voldoende voorgelichten toegerust om veilig gebruik te kunnen maken vaninternet.Veel initiatieven voor ICT-veiligheid, maar coördinatie blijftaandachtspuntBurgers, bedrijfsleven en overheid hebben elk een eigenrol te vervullen bij het behoud van veiligheid op internet.De overheid neemt in toenemende mate (beleids)maatregelen waarvan de reikwijdte tegelijkertijd brederwordt. In het eerste decennium van deze eeuw ging hetvooral om bescherming van vitale sectoren en bestrijdingvan cybercrime in enge zin, maar inmiddels staan ookcyberwarfare en een integrale cybersecurity strategieop de politieke agenda. Daarbij vereist het grens-overschrijdende karakter een goede internationalesamenwerking. Overheidsbrede coördinatie over alleeigen initiatieven en maatregelen, maar ook coördinatiemet bedrijfsleven, blijft een aandachtspunt.Cyberspace in opkomst als vijfde domein van de krijgsmachtCyberspace krijgt veel aandacht als vijfde domein voormilitaire operaties, naast land, zee, lucht en de ruimte.Een groeiend aantal landen bouwt offensieve cyber-capaciteiten op of defensieve capaciteiten met eenoffensief karakter. De doelwitten zijn zowel militair alsciviel. Het achterliggende doel is met zo min mogelijkfysieke middelen zo snel mogelijk een tegenstander op deknieën te krijgen. Er zijn incidenten bekend waarbijmilitaire cyberaanvallen een rol speelden.Deze trends geven een gevarieerd beeld weer over deuitdagingen en ontwikkelingen binnen het domeincybercrime en digitale veiligheid, waardoor zij eveneenseen weerspiegeling vormen van de veelzijdigheid van hetonderwerp.Het rapport is te downloaden op www.govcert.nl/trends
  • 36. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010361AIVD, Jaarverslag 2009; GovCert, Jaarverslag 2009; Govcert, Trendrapport 2009: Cybercrime in trends en cijfers; KLPD, DienstNationale Recherche, 2009.2Nationaal Trendrapport Cybercrime en Digitale Veiligheid 2010, november 2010.3Zie Denktank Nationale Veiligheid, ICT-kwetsbaarheid en Nationale Veiligheid, Den Haag, november 2010.KwetsbaarheidDe invulling van deNederlandse cyber security strategieMichel Rademaker MTL, plv. directeur HCSS en secretaris Denktank Nationale Veiligheiddrs. Erik Frinking, programmadirecteur Nationale Veiligheid en Inlichtingen, HCSSHet Nationaal Trendrapport Cybercrime en DigitaleVeiligheid 2010 dat onlangs is uitgebracht heeft trends ophet gebied van cybercrime en digitale veiligheid gebun-deld en geconstateerd dat de technische aanvalsmetho-den zich nog steeds doorontwikkelen.2De Denktank Nationale Veiligheid heeft in 2010 deICT-kwetsbaarheid geanalyseerd, de relevantie voor deNationale Veiligheid bekeken, en beleidsknelpunten, debeleidsimplicaties en handelingsperspectieven voor eenstrategie beschreven.3DreigingsanalyseDigitale aanvallen en verstoringen zijn niet nieuw. Eentraditioneel voorbeeld van een van de eerste “hacking”incidenten betreft de vernietiging van een geponsteaandrijving van een geautomatiseerde weefmachine inFrankrijk in 1820. Recenter begon Kevin Mitnick in dejaren 80 computersystemen van Motorola, NEC, Nokia,Sun Microsystems and Fujitsu Siemens te hacken.De groei van het gebruik, het nut en de afhankelijkheidvan internet en ICT is evident. Chips in bankpassen,medische en huishoudelijke apparatuur en ICT invervoersmiddelen maken ook deel uit van het ICT-domein,net zoals auto’s die communiceren met de buitenwereldOok de activiteiten op sociale netwerken en het gebruikvan online diensten worden steeds intensiever.Een beperkt deel van deze ICT-systemen is verbonden metinternet, maar in toenemende mate komen dezeICT-systemen ‘online’. De ontwikkelingen gaan snel enwdaarmee de kwetsbaarheid voor misbruik en uitval. Methet groeiend aantal digitale economische transacties enafhankelijkheden nemen de criminele digitale activiteitenal jaren toe. De omvang, professionaliteit, het technischevernuft en de effecten van de aanvallen nemen steedsgrotere vormen aan. Daarnaast laat de aanval op Googlebegin 2010 de mogelijke betrokkenheid van statelijkeactoren zien. De conclusie van verschillende dreigingsa-nalyses is dat de omvang van de risico’s lijkt toe te nemen,terwijl tegelijkertijd de oorsprong van de dreiging steedsdiffuser en moeilijker te traceren wordt.Relevantie voor Nationale VeiligheidTegenwoordig worden volledige systemen van bedrijvenbesmet. Ook landen als geheel krijgen steeds meer teElektronische aanvallen en digitale spionage vinden steeds vaker plaats. Ook inNederland.1“De AIVD heeft meerdere gerichte en specifieke digitale aanvallen vanuitverschillende landen waargenomen. Vooral overheidssectoren en het bedrijfslevenzijn doelwit van digitale spionage”, schrijft de AIVD in het jaarverslag van 2009.Figuur 1 Groei van verschillende ICT toepassingen(bron: ITU)Global ITC developments, 1998-2009 (per 100 inhabitants)Mobile cellular telephone subsriptionsInternetusersFixed telephone linesMobile broadband subscriptionsFixed broadband subscriptions
  • 37. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010 374 Command, Control, Communications, Computers, Intelligence, Surveillance and Reconnaissance.5 NICC - Process Control Security in het Informatieknooppunt Cybercrime, 27.6 APACS, Fraud, The Facts 2009, 2009, 8.maken met aspecten van ICT-kwetsbaarheden. De vraagstaat of hier sprake is van een nationaal veiligheidsvraag-stuk. Kijken we naar de vitale belangen zoals die inde Strategie Nationale Veiligheid zijn gedefinieerd,dan kunnen we voor bijna alle belangen duidelijkevoorbeelden geven.Territoriale en Fysieke Veiligheid: Digitale aanvallenkunnen Nederlandse militaire (C4ISR) processenverstoren.4Daarnaast kunnen levens verloren gaan engewonden vallen als vitale infrastructuur, zoals elektrici-teitsvoorziening, wordt getroffen. Hierbij is er mogelijksprake van aantasting van de integriteit van een geheelland en het gebrek aan vermogen om hier tegen op tetreden. Tijdens de Russische inval werden elektronischecommunicatiemiddelen van de Georgische overheidlamgelegd, waardoor die zowel binnen de overheidals naar de burgers toe nauwelijks meer over deontwikkelingen kon berichten.Fysieke en Economische Veiligheid: Digitale kwetsbaar-heid van bijvoorbeeld procescontrolesystemen (PCS) vande vitale infrastructuur heeft consequenties voor deveiligheid van burgers. Het is mogelijk om PCS vanbuitenaf te manipuleren waardoor zij buiten werkingworden gesteld of worden verstoord. In een Europesebankinstelling manipuleerde een hacker in het gebouw-beheersysteem de airconditioning waardoor de serversdoor oververhitting buiten werking werden gesteld.5Hierbij wordt ‘cyberspace’ zowel middel als doelwit.Economische Veiligheid: De economische impact vandigitale aanvallen of systeemfalen ontstaat vooral doorverstoring van bedrijfsprocessen en de daarbij veroor-zaakte financiële schade en de oplopende kosten vanbestrijding en herstel. Naar mate meer economischeactiviteiten gebruik maken van ICT-systemen, is deverwachting dat de absolute schade zal toenemen. Ofdit per definitie leidt tot een relatief groter aandeel vande schade in verhouding tot de opbrengsten, is echterde vraag. Zo meldde het Britse APACS namelijk datfinancieel verlies door ‘card-not-present’ fraude (veelalongeautoriseerde aankopen via internet, telefoon enmail order met gestolen creditcard informatie) van 2000tot 2008 steeg met 350%, maar dat de totale waarde vanaankopen door middel van online winkelen met 1077%steeg.6Sociale en Politieke Stabiliteit: Een mogelijk effect vandigitale kwetsbaarheid is de aantasting van de sociale enpolitieke stabiliteit. Het wegvallen van ICT-diensten kanbij langdurige uitval of ernstige verstoring het dagelijksleven ernstig ontwrichten. Naar mate de afhankelijkheidvan ICT verder toeneemt en de alternatieve middelensteeds minder voorhanden zijn, wordt de maatschappijsteeds kwetsbaarder. Als daarboven ook de zelfredzaam-heid onvoldoende is ontwikkeld, kan een situatieontstaan waarin maatschappelijke ontwrichting een kansmaakt.Conclusie is dat maatschappelijke ontwrichting mogelijkis en dat cyber security inderdaad een vraagstuk voor denationale veiligheid kan worden.Hoe beleidsmatig te reageren?In Nederland staat het onderwerp ICT-kwetsbaarheidal geruime tijd op de politieke en bestuurlijke agenda.Zo presenteerde de overheid al in 2001 de notaKwetsbaarheid op Internet (KWINT). Er is sindsdienveel gebeurd.De activiteiten bouwen echter niet altijd op elkaar voortof worden verkokerd opgepakt. Dit heeft ervoor gezorgddat coherentie en overzicht van strategisch beleid tot nutoe hebben ontbroken, ondanks regelmatig overleg opinterdepartementaal niveau.Ook internationaal gezien is ICT-kwetsbaarheid eenbeleidsprioriteit geworden. Verschillende landen zoals deVerenigde Staten, Canada en het Verenigd Koninkrijkhebben een cyber security strategie uitgebracht. Dezelanden zien het als onderdeel van hun nationaleveiligheidsstrategie, waarmee in elk geval symbolisch deimportantie van het onderwerp wordt aangegeven. Deopvolging die aan deze strategieën wordt gegeven isechter niet altijd even concreet. Frankrijk daarentegengeeft minder zichtbaarheid aan zijn beleidsopvolgingrondom ICT-kwetsbaarheid, terwijl dit land het onder-werp zeer breed beschouwt.CyberEspionageCyber‘Amatourism’CyberWarfareStatesN/liklihoodRisk in CyberspaceLowGraph is based in public data and merely serves as an indicatorHighImpact on national securityOrganisationsIndividualsCyber‘Activism’CyberCrimeCyberTerrorismFiguur 2 Inschatting risico’s in cyberspace(Bron HCSS, ter voorbereiding van WCIT 2010,Amsterdam)
  • 38. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201038Waar Nederland nog geen geformaliseerde strategischebenadering voor cybersecurity heeft ontwikkeld, zijndiverse elementen rondom ICT-kwetsbaarheid al welonder de paraplu van nationale veiligheid aan ontwikkeld.Het lijkt er in 2010 op dat Nederland ook een verderestrategische ontwikkeling doormaakt die vergelijkbaar ismet de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk,zonder dat de inhoudelijke overeenstemming compleet is.Elementen voor een nationale cybersecurity strategieDe verwachting is dat de ontwikkeling van de Nederlandsestrategie binnenkort wordt afgerond. De denktank heeftde aandacht gelegd op een aantal aspecten die in destrategie zouden moeten worden behandeld.Maak de reikwijdte van de strategie helderEen heldere indeling van het cyberdomein in dreigingen((systeem)falen, rampen, moedwillige activiteiten) enmaatregelen (bewustzijn, inlichtingen, safety, security,defensief, offensief) is nodig. Zo is het argument datcybercrime niet direct een bedreiging is voor de nationaleveiligheid wellicht valide, maar is de verbinding vancybercriminaliteit met andere bedreigingen, zoals cyberwarfare, wel degelijk te maken. Een holistische enadaptieve benadering van cybersecurity is daarmee teprefereren. De strategie moet daarmee vooral kader-stellend zijn; het gaat immers om een omvangrijk, deelsonbekend en jong terrein.Bepaal de afstemmingsmechanismen en verantwoordelijkhedenDe denktank is van mening dat, gezien de fragmentatieen het onoverzichtelijke domein, een actieve én centraleregie op zijn plaats is. De coördinatie en regiefunctierondom de bestrijding van de ICT-kwetsbaarheid is inNederland nog onvoldoende ontwikkeld, zowel tenaanzien van beleid rondom preventie als respons.Hiervoor is een ambitieuze strategie noodzakelijk waarineen duidelijke aanpak en rolverdeling wordt genoemdmet in achtneming van de staande bevoegdheden enverantwoordelijkheden.Die aanpak zal de al bestaande activiteiten vanverschillende organisaties en invalshoeken goed bijelkaar moeten brengen, waardoor afstemming enversterking van de inzet van de middelen en beleidsoptiesgekoppeld kunnen worden aan de gepercipieerderisicofactoren die dwars door alle terreinen heengaan.Door aansluiting met nationale veiligheid kan debestaande structuur, werkwijze en besluitvormingworden gebruikt.Focus op het ontwikkelen van de belangrijkste capaciteitenHet inzicht in bestaande capaciteiten van verschillendebetrokken organisaties (publiek en privaat) is groeiende,maar moet zich nog verder ontwikkelen. Bij het bepalenvan de beschikbare en benodigde capaciteiten moet erzowel naar preventie (analyse, bescherming, preparatie)als naar respons (herstel, nazorg) worden gekeken.Samenvattend geeft de Denktank aan dat het van belangis dat de cybersecurity strategie duidelijk maakt watcybersecurity is, wat de voordelen en kwetsbaarhedenvan ICT zijn, wat de principes voor toewijzing vanorganisatorische verantwoordelijkheden, coördinatieen toedeling van middelen zijn, wat het verband istussen risico’s en de benodigde capaciteiten enbeleidsopties en wat juridisch mogelijk of onmogelijk is.Cyber security strategieDe ministeries van Veiligheid en Justitie,Economische Zaken, Landbouw en Innovatie enDefensie werken met publieke en private partijensamen aan een nationale cyber security strategie.Het is een uitwerking van het voornemen in hetregeerakkoord en de motie Knops om te komentot een integrale aanpak van cyber security.De strategie moet bijdragen aan de veiligheidvan een open en vrije digitale samenleving en zalbetrekking hebben op cybercrime, cyberterrorismeen –spionage en eveneens op menselijk entechnisch falen met gevolgen voor onze vitaleinfrastructuur die uiteindelijk kan leiden totmaatschappelijke verstoring en een bedreigingvan onze nationale veiligheid. De cyber securitystrategie is in maart 2011 gereed.Marc Bökkerink, directie Nationale Veiligheid,ministerie van Veiligheid en JustitieFiguur 3 Beknopte weergaveactiviteiten toe nu toe inNederland en op EU niveau2002eEurope Action Plan2001 - NotaKwetsbaarheid opInternet (KWINT)2002 - 2004Project BeschermingVitale Infrastructuur2004 - 20082008 - 2011Rijksbrede ICT agenda2007Rijksbrief over decoordinatievan ICT veiligheid2010VoorbereidingenNederlandse Cyber SecurityStrategie2006 - “Dialoge, partnership andempower,ment” - de EU communicatievoor een strategie voor een veiligeinformatiemaatschappij2010 - EU’s ‘Cyber security’Organisatie ENISA IdentificeertOnline Veiligheidsactoren,Strategien, en ‘Good Practices’
  • 39. 1voetnootOefeningCyber Europe2010Douwe Leguit,GOVCERT.NLEuropese deskundigen op het gebied van internetbeveiliging hebben op4 november de eerste pan-Europese oefening gehouden op het gebied van cybersecurity. Onder de naam “Cyber Europe 2010” verdedigden deskundigen zichtegen gesimuleerde pogingen van hackers om belangrijke diensten via hetinternet in verschillende EU-lidstaten lam te leggen. De simulatie was gebaseerdop een scenario waarin de internetverbinding tussen Europese landen in alledeelnemende landen geleidelijk werd verbroken of aanzienlijk beperkt, zodatburgers, bedrijven en openbare instellingen moeite hadden om toegang te krijgentot vitale diensten.39Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010Doelstellingen oefeningAangezien dit de eerste oefening was in zijnsoort op Europees niveau, waren de doel-stellingen nog beperkt gehouden. Het ginger in eerste instantie om het vertrouwente vergroten tussen de verschillendeorganisaties in de lidstaten, die met cyberincidenten te maken krijgen. Daarbij werdook verwacht dat met deze oefening meerkennis zou ontstaan van de wijze vanafhandeling van dergelijke ICT-incidentenin de verschillende lidstaten.Een derde belangrijke doelstelling washet testen van de communicatie kanalen.Kunnen de verschillende organisaties elkaarbereiken en begrijpen ze wat er van elkaargevraagd wordt? Uiteindelijk moet dezeoefening leiden tot verbetering van deprocedures voor het onderling uitwisselenvan informatie of het verlenen van steun bijdigitale dreigingen. Het is een nieuw domeindat zich snel ontwikkelt en om versterkingvraagt.DeelnemersDeze eerste oefening richtte zich op publiekeorganisaties vanuit de lidstaten, zoalsoverheid CERT’s (Computer EmergencyResponse Teams) of organisaties vanuitde nationale crisisbeheersing. De wens isom bij een volgende oefening ook privatepartijen uit te nodigen. De deelname van-uit Europese Unie was zeer goed: alle 27lidstaten waren betrokken, alsmedeNoorwegen, Zwitserland en IJsland. Deorganisatie was in handen van het EuropeseAgentschap voor Netwerk en Informatie-beveiliging (ENISA). In totaal participeerden70 organisaties in deze oefening en namenvoor Nederland GOVCERT.NL, het NationaalCrisiscentrum en het ministerie vanEconomische Zaken, Landbouw Innovatiedeel.Neelie Kroes, vicevoorzitter van de EuropeseCommissie voor de Digitale Agenda, dietijdens de oefening het centrum voor cyber-aanvallen van het Verenigd Koninkrijkbezocht, benadrukte het belang van oefenen:“Deze oefening is een belangrijke eerstestap in de richting van samenwerking ommogelijke online bedreigingen voor vitaleinfrastructuur te bestrijden en ervoor tezorgen dat burgers en bedrijven internetveilig en betrouwbaar vinden.”Eerste indrukkenMet de ervaringen van de (internationale)oefening Cyber Storm III nog vers in hetgeheugen, zijn de eerste leerpunten uitdeze oefening ook meegenomen naar depan-Europese oefening. Zo is bijzondereaandacht besteed voor de wijze waarop deafstemming tussen de operationele responsen de nationale crisisbeheersing is ingevuld.Wanneer het noodzakelijk is om bepaaldezaken in een ander land geregeld te krijgenom nationaal het probleem op te kunnenlossen, is het belangrijk om te weten wieaan de andere kant van de telefoon zit.Internationaal is dan ook duidelijk temerken dat de EU-landen die deelnemenaan de European Government Certs (EGC)community en op dagelijkse basis intensiefsamenwerken, elkaar sneller weten tevinden als gevolg van de reeds bestaandevertrouwensrelaties.Al met al was ‘Cyber Europe 2010’ een goedeoefening, waarmee een volgende stap isgezet in de verdere versterking van deweerbaarheid tegen ICT verstoringen inpan-Europees verband.
  • 40. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201040“Volksgezondheid en Landbouw hielden te lang vast aan eeneigen visie op de aanpak van de Q-koorts en het bedrijfslevenis te weinig aangesproken op hun eigen verantwoordelijkheid.Relevante informatie tussen instanties werd onvoldoendegecommuniceerd. Er waren verschillen in beleidslogica en hetdaarvoor gezochte wetenschappelijk ‘bewijs’ ter vaststellingvan de bron van de Q-koorts. Maatregelen bleven te lang uitwat tot onzekerheid bij alle betrokkenen leidde. De overheidmaakte niet duidelijk welke risico’s mensen liepen, watmensen zélf konden doen. VWS én LNV traden in reactie opde Q-koortsuitbraak te terughoudend op.” Dat is de kern vande bevindingen die de Evaluatiecommissie Q-koorts ondervoorzitterschap van prof. Gert van Dijk op 22 november inDen Haag presenteerde. Het rapport “Van verwerping totverheffing” is aangeboden aan minister Schippers(Volksgezondheid) en staatssecretaris Bleker (Landbouw).Jan Goeijenbier, woordvoerder Evaluatiecommissie Q-koortsOpdrachtHoofdvraag aan de Evaluatiecommissie was: “Hoehebben de ministeries van VWS en LNV de Q-koortsaangepakt en welke lessen zijn er voor de toekomst?”De evaluatie liep van 2005 tot 17 mei 2010. Q-koorts iseen van dieren op mensen overdraagbare infectieziekte;een zoönose. De bacterie, Coxiella burnetii die Q-koortsveroorzaakt, kan veel diersoorten besmetten. Vooralrunderen, schapen en geiten. De kiem komt wereldwijdvoor, in Europa is infectie van herkauwers aangetoondin de landen waar daarnaar is gezocht.Eerder relatie leggen tussen besmette geit enQ-koortsDe Evaluatiecommissie vindt het cruciaal, datdeskundigen erg lang de vraag centraal bleven stellenof afdoende ‘bewezen’ was, dat geitenbedrijven debron van besmetting waren. Volgens de Commissiehad men op het moment van uitbraak direct de meestwaarschijnlijke verklaring moeten volgen. Voedselen Waren Autoriteit VWA werd al in 2007 door GGDen Gezondheidsdienst voor Dieren (GD) naar geiten-bedrijven, waar een geitenabortusstorm woedde,gestuurd. De Commissie constateert, dat de VWA dacht,dat besmetting bij mensen alleen door direct contactmet dieren kon ontstaan, vanuit de veronderstelling datQ-koorts bij mensen vooral een beroepsziekte is.Precieze tracering van de besmetting had niet alleenmeer zekerheid over geiten als bron kunnen bieden,maar ook inzicht kunnen verschaffen, dat de ziekte nietalleen door direct contact met dieren op mensen kanworden overgebracht. Pas in augustus 2009 meldde hetRijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (RIVM)dat mensen, die dicht bij een besmet geitenbedrijfwonen, een aanzienlijk verhoogd risico op Q-koortsliepen. De commissie realiseert zich, dat er in 2009meer informatie beschikbaar was, maar heeft sterk deindruk dat deze relatie – in Duitsland al eerder gelegd– ook in Nederland eerder had kunnen worden gelegd.Ingrijpen lijkt mede uitgebleven door ‘wetenschappe-lijke’ onzekerheid die steeds boven de markt hing.Besluitvorming in hoogste versnellingDe Commissie vraagt zich af waarom de besluitvormingin 2009 plotseling in de hoogste versnelling gaat.“Door het groeiende aantal patiënten nam de frustratiein de regio toe. De GGD Hart van Brabant en een zieken-huis in ’s-Hertogenbosch trokken nog harder aan debel en haalden lokale en regionale overheden stevigerbij de problemen. Ook kregen de Noord-BrabantseCommissaris van de Koningin en de burgemeestervan de gemeente Landerd voor elkaar dat de ministersKlink (Volksgezondheid) en Verburg (Landbouw) naarde gemeente Landerd (Noordoost-Brabant) kwamen.Door groeiende media-aandacht, zoals een zeerkritische Zembla-uitzending op 6 december 2009,veranderde de besluitvorming van wetenschappelijkzoeken in politiek gestuurde actie. Men koos voor demeest extreme aanpak: ruimen van drachtige geitenEvaluatiecommissie Q-koorts:ReactieVWS en LNV op uitbraakte terughoudend““
  • 41. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010 41en schapen. De aanpak van de Q-koorts, aanvankelijkzoekend en traag, kwam zo in een tempoversnelling.Toen de dijk was gebroken greep men onmiddellijk naarde meest drastische maatregelen”, zo constateert deEvaluatiecommissie.Transparantie over vermoedelijke bronVolgens de Commissie is transparantie over de vermoe-delijke bron, juist bij een uitbraak waar de bevolking,meer dan de dieren getroffen wordt door een infectie-ziekte zoals Q-koorts, in ieders belang.“Ook de gegevensuitwisseling en de gerichtheid opspoedig ingrijpen om verdere verspreiding van ziekte-verwekkers te voorkomen, horen bij een professionelebedrijfsvoering van sector, diensten en de betrokkenministeries.”Aanbevelingen en lessen voor de toekomst• De overheid moet in de toekomst een crisis zoals deuitbraak van de Q-koorts ‘oplossen samen met’ directbetrokkenen en de crisis niet ‘vóór hen oplossen’.• Het is essentieel, dat de overheid prompt en opencommuniceert over wat zij wél en ook over wat zij(nog) niet weet.• De Commissie vindt dat de betreffende sector in eeneerder stadium moet worden betrokken én aange-sproken. Dit geldt niet alleen voor de contacten metLandbouw, maar nadrukkelijk die met VWS.• Wetenschap kan niet altijd de veiligheid van eenonomstotelijke zekerheid bieden die nodig is vooringrijpende beleidsmaatregelen. Het is in laatsteinstantie de taak van ‘de politiek’ c.q. de democratie deverschillende invalshoeken tegen elkaar af te wegenen keuzes te maken.• Het wetenschappelijk bedrijf en overheidsbeleidzijn beiden ook een internationale aangelegen-heid. Ervaringen met vergelijkbare problemen inhet buitenland verdienen een plaats in adviezen aanbeleidsmakers.• De Commissie zou graag zien dat de VWA de naamvan onafhankelijke deskundige ‘autoriteit’ waar kanmaken. De VWA moet kunnen optreden als regisseuren crisismanager en moet onafhankelijk gemaaktworden van de departementen.• Bij zoönosen zijn inbreng van veterinaire kanten vroege betrokkenheid van het bedrijfslevenessentieel.• Ook bij niet-meldingsplichtige dierziekten moetenprivacyoverwegingen wijken voor gericht bron- onderzoek.• Bij een crisis hebben het ministerie van VWS en hetRIVM het initiatief. VWS moet bestuurlijke ‘door-zettingsmacht’ krijgen ten opzichte van andereministeries.• De humane en veterinaire disciplines moeten bijzoönosen beter worden geïntegreerd.GD/CVILandbouwVWSVWSMinisterBestuurlijkAfstemmings OverlegMinisterie VWSOMT-deskundigen overlegRIVM/CIbwekelijksSignalersingsoverlegRIVM/LCImaatregelenLandbouwCVOcontrolautoriteituitvoeringsorgaanroeptdesgewenstbijeenverantwoordenlijk vooruitvoering beleidsmaatregeleneindverantwoordelijkRisicomanagementSignaalSignaalverzamelingDiergezondheidVolksgezondheidvan signaal tot interventieZoönoseBeleidsvorming/afstemmingdierenartsenLT-organisatiesboerenStrategievoorstel‘out of the box’actieve monitoringsyndroom surveillancepassieve surveillancedeskundigen vaste kern- veterinair- humaandeskundigen ad hoc- veterinair- humaanhuisartsenziekenhuizenspecialistenGGDRIVM/LCIOMTvoorzitter LCIvoorzitter OMTBAOVWA
  • 42. 42 Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010reactieop rapportCommissie Van DijkHet kabinet gaat aan de slag met de aanbevelingen uit het rapport van deCommissie Van Dijk, die het Q-koortsbeleid in Nederland tussen 2005 en 2010heeft geëvalueerd. In een brief aan de Tweede Kamer laat het kabinet weten datde aanbevelingen worden verankerd in het toekomstig beleid voor de bestrijdingvan zoönosen (dierziektes die op mensen kunnen overgaan). Daarmee kan nietelk risico worden uitgesloten, maar kan wel optimaal gereageerd worden optoekomstige bedreigingen.De omvang van de uitbraak van de Q-koortsin Nederland is uniek in de wereld. Veelmensen zijn ziek geworden, sommigeernstig of langdurig. Dit heeft grotegevolgen voor het leven van deze mensenen hun omgeving. Ook de gevolgen voorgetroffen geitenhouders en hun gezinnenzijn groot. Het kabinet betreurt dat zeer.De Commissie concludeert dat er doortas-tender had moeten worden opgetreden, alkan ze niet met zekerheid zeggen dat deuitkomst en het ziektebeloop dan anderswas geweest. Het kabinet onderkent beideconstateringen volledig en trekt hier lessenuit voor de toekomst om condities tescheppen die een adequater optredenmogelijk maken.Bij een zoönose als Q-koorts is de samen-werking tussen humaan en veterinairdeskundigen cruciaal. De Commissie doetverschillende aanbevelingen op dit terreindie worden opgenomen in het toekomstigbeleid. Er zijn al stappen gezet om desamenwerking te verbeteren en informatieen kennis structureel te delen. Zo besprekenveterinair en humane deskundigeninmiddels structureel opkomende signalenvan zoönosen. Dit zal de komende jarenverder worden uitgebouwd.Ook op het gebied van communicatie doetde Commissie heldere aanbevelingen. Hetkabinet deelt de conclusie van deCommissie dat de overheid transparanterhad moeten zijn. Door dilemma’s enonzekerheden niet te delen met patiënten,burgers en boeren is juist meer onzeker-heid en onrust ontstaan. De betreffendesector wordt in de toekomst ook structure-ler en nadrukkelijker betrokken.Terugkijkend had het rijk de regie bij debestrijding van Q-koorts eerder moetenovernemen van de regio. Bij een onver-hoopte nieuwe infectieziekteuitbraakwordt dan ook samen met de regio bekekenof ze de bestrijding aankan of dat het despankracht te boven gaat.Elke keer dat persoons- en bedrijfsgegevensover dierziekten worden uitgewisseld is eenzorgvuldige afweging van nut, noodzaak enbelangen noodzakelijk. De Wet beschermingpersoonsgegevens stelt hier kaders voor.Bij niet-meldingsplichtige zoönosenworden hier afspraken over gemaakt inhet protocol voor het humaan-veterinairesignaleringsoverleg.Voor de feitelijke aanpak van een zoönoseuitbraak is nauwe samenwerking nodigtussen de ministeries van Volksgezondheid,Welzijn en Sport (VWS) en EconomischeZaken, Landbouw en Innovatie (ELI).De verantwoordelijkheidsverdeling isverankerd in de Gezondheids- en Welzijns-wet voor Dieren voor het ministerie vanELI en in de Wet Publieke Gezondheidvoor het ministerie van VWS. Deze regel-geving biedt daarmee een geschikt kaderom de aanbevelingen van de Commissieverder op te kunnen volgen.Het wetgevingstraject rondom de nieuwestatus van de nieuwe Voedsel- en WarenAutoriteit (nVWA) als een baten-lasten-dienst geeft voldoende ruimte om deautoriteitsfunctie verder te ontwikkelen. Deconcrete uitwerking hiervan vertaalt zichonder andere in het opnemen van de nVWAals deelnemer in het eerder genoemdehumaan-veterinaire signaleringsoverleg.De Commissie heeft het toekomstig beleidvoorzien van focus en urgentie. Het kabinetis de commissie dan ook erkentelijk voorhaar inzet en haar onderzoek.(Persbericht, ministerie van ELI/VWS,26 november 2010)
  • 43. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010 43Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010Alweer… toezichtAluminium wordt gewonnen uit bauxiet datop zijn beurt in dagbouw wordt uitgegraven.Uit bauxiet wordt aluin aarde afgescheiden,dat het aluminium bevat. Daarvoor wordtnatronloog gebruikt. Wat overblijft, is eenrest die behalve het natronloog allerleistoffen bevat, waaronder ijzeroxide dat deoorzaak is van de rode kleur. De rode modder,of “red mud” is dus een typisch bijproductvan de aluminium winning. De afscheidingvan aluin aarde gebeurt nabij de bauxietwinning. Immers, hoe minder stof vervoerdhoeft te worden hoe goedkoper. Uit de aluinaarde wordt door elektrolyse aluminiumgewonnen. Dat gebeurt ook in Nederland.Aluminium dat uit aluinaarde wordtgewonnen, wordt primair aluminiumgenoemd. Gerecycled aluminium wordtsecundair aluminium genoemd.Het afval heeft een jaar of tien nodig omonder invloed van de CO2 uit de lucht weerneutraal te worden. Dan is het weer gewoongrond en kan het worden beplant. Het afvalslib wordt daarom in grote bekkens of merenopgeslagen. Zoals altijd met ertsen bevat ookbauxiet allerlei andere stoffen dan alumi-nium. Die stoffen zitten in de grond in voormens en milieu ongevaarlijke vorm. Zevormen immers het milieu. De stoffenworden gevaarlijk als ze worden gemobili-seerd. Door de natronloog die wordt gebruiktom de aluinaarde te winnen, worden stoffenals chroom, kwik en arseen gemobiliseerd.Het afvalslib is als het vers is, agressief engiftig. Het is dan ook veel vloeibaarder danals het oud is. Dan verliest het ook hetgrootste deel van de giftigheid. De bekkenswaarin het slib wordt opgeslagen moeten danook niet lekken en als het bekken boven degrond tussen dijken wordt gevormd moet dedijken dus zeker niet bezwijken. Dat was aleerder gedemonstreerd op 3 januari 2000 inBaja Mare in Roemenië, waar net zo’nreservoir bij een goudmijn leegstroomde.Toen vielen er geen doden, maar werd ookeen groot gebied bedekt met afvalslib. In1998 stroomde een reservoir bij eenzinkmijn leeg bij Sevilla.De vraag is natuurlijk waarom het afval nietmeteen onschadelijk wordt gemaakt als hetis gevormd door het met CO2 te behande-len. Niet behandelen is in ieder geval veelgoedkoper en op den duur gaat het vanzelf.Het afval geldt onder de Europese regels ookniet als giftig. Dus de speciale regels voorgiftige stoffen, zoals een dubbel contain-ment zijn niet van toepassing. Het voortdu-rend bewaken van de dammen rond deafvalopslag is dus noodzakelijk, gedurendede gehele tijd dat het slib actief is. Ookwanneer het bekken vol is en “buitengebruik” wordt gesteld. Buiten gebruikbetekent dan immers alleen dat er niet meerbijgestort wordt, maar het reservoir is nogsteeds in gebruik als opslag. Het bewaken isook nodig wanneer de bijbehorende mijnwordt gesloten. Met die inspecties is vaakvan alles mis. Tweede-lijns toezicht en hetniet willen lastig vallen van een industriedie voor veel werkgelegenheid zorgt, zijn degebruikelijke elementen die ertoe leiden dathet toezicht de facto achterwege blijft. Hetgaat ook zelden echt mis maar dan welspectaculair.In Nederland is het toezicht en inspecterenook niet erg populair. Als blijkt dat de helftvan de chemicaliën opslagen niet aan deeisen voldoet, gaan er stemmen op diezeggen dat we met dat inspecteren beterkunnen ophouden. Het “helpt toch niet” en“daar worden de mensen maar angstig van”.Dat nu lijkt me vragen om moeilijkheden.Vertrouwen is goed, controle is beter en erkan vrij veel geld worden verdiend met hetovertreden van de voorschriften, die ermeestal na de vorige ramp zijn gekomen omde volgende te voorkomen. Er zijn zeldenecht nieuwe rampen. Meestal zijn ze eenvariatie op een eerder thema, met alsingrediënten overtreden van de regels, snelgeld, slapende overheden en een onwe-tende maar wel getroffen bevolking.Ongelukken zijn nooit helemaal tevoorkomen, maar het gaat mij te ver om hetspreekwoord “als het kalf verdronken isdempt men de put” te vervangen door “alshet kalf verdronken is, gooien we er nog eenbij”. Omdat er in Nederland geen bauxietwordt gewonnen zijn er in Nederland ookniet van die afvalbekkens. Maar we hebbenwel betonnen gebouwen – net klaar of inaanbouw – waarvan er af en toe eentje inelkaar zakt. In weg- water- en betonbou-wend Nederland zou dat toch niet nodigmoeten zijn. Toch de opzichter maar weerinvoeren?Ben Ale, hoogleraar Veiligheid enRampenbestrijding, TU DelftOp 4 oktober brak nabij Kolontar in Hongarije een dam rond een opslagvan afvalslib uit de aluminium productie. Voor zover bekend vielen ernegen doden, moesten drie dorpen worden ontruimd, die waarschijnlijkniet worden herbouwd.Giframp Hongarije
  • 44. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010441Sergio Abranches, 1 maart 2010 op www.ecopolitics.com2Subject van de Federatie: territoriaal bepaalde administratieve laag direct onder de centrale overheid; republieken, (autonome)landstreken, (autonome) provincies, de steden Moskou en Sint Petersburg. In totaal 83 eenheden.1Sergio Abranches, 1 maart 2010 op www.ecopolitics.com2Subject van de Federatie: territoriaal bepaalde administratieve laag direct onder de centrale overheid; republieken, (autonome)Bosbranden‘Er bestaan geen natuurrampen, alleen sociale catastrofes.’En catastrofes ontstaan als natuurgeweld een kwetsbarebevolking treft, die een zwakke of onachtzame regering heeft.1Deze stelling gaat ook ten dele op voor de natuurbranden dieafgelopen zomer de Russische Federatie wekenlang teisterden.De trieste balans: meer dan 60 doden, ruim 1200 huizenverwoest, en zo’n 500.000 hectare bos- en natuurgebiedverbrand. 127 steden en dorpen zijn geheel of gedeeltelijk in asgelegd. Hoe heeft dit zo kunnen gebeuren? In dit artikel wordende belangrijkste oorzaken van deze catastrofe nagegaan.Erik Klaver,directie Politie en Veiligheidsregio’s,ministerie van Veiligheid en Justitie.Dit artikel is op persoonlijke titel geschreven.Bosbranden: niets bijzonders?De Russische Federatie heeft een oppervlakte van ruim17 miljoen vierkante kilometer (411 keer Nederland).Hiervan wordt ongeveer 1,1 miljard hectare gerekendtot het zogenaamde ‘beboste gebied’, waarvan zevenmiljoen vierkante kilometer echt bos. De overige viermiljoen vierkante kilometer zijn toendra’s, bergen enmoerassen. Bosbranden zijn er aan de orde van de dagen komen elk jaar op grote schaal voor. Wat dezebranden bijzonder maakte was, dat ze verstedelijktegebieden bedreigden en er veel overlast en gezond-heidsproblemen veroorzaakten.Een hete zomerRusland heeft een landklimaat. In het Europese deel vanRusland zijn de zomers normaal gesproken warm en ervalt weinig neerslag. Een hete zomer natuurgeweldnoemen gaat ver, maar dit jaar was de zomer weluitzonderlijk heet en droog. In Moskou werd de hoogstetemperatuur ooit gemeten: 38,2 graden Celsius. Ditgekoppeld aan een harde wind. Deze weersomstandig-heden werden vooral veroorzaakt door een hardnekkighogedrukgebied boven de Balkan. Natuurbrandengedijen uitstekend onder deze omstandigheden. En eenbrand is zo uitgebroken. Russen verblijven graag in hunbossen en een achteloos weggegooide sigaret of eenslecht bewaakt kampvuur kunnen al snel ernstigegevolgen hebben.De nieuwe boswetDe gevolgen van de natuurverschijnselen en hetmenselijk handelen zouden nog te beheersen zijngeweest, ware het niet dat de bosbrandbestrijdingmet de invoering van de nieuwe boswet 1 januari 2007niet meer zo goed geregeld was als voorheen. Dewetswijziging maakt het ondernemers makkelijker debossen te exploiteren. Vriendjespolitiek wordt vermoeddoor de (maatschappelijke) oppositie.Voor 2007 was overheidsagentschap Rosleschoz(Staatsbosbeheer) verantwoordelijk voor het beheervan de bossen en daaronder viel ook brandbestrijding.Er was een uitgebreid netwerk van bosbeheerders, dieook brandpreventie en -bestrijding tot hun taak moestenrekenen. Bij Rosleschoz werkten toen ongeveer 70.000mensen en het beschikte over een vliegdienst met170 vliegtuigen voor patrouilles en blussen.In de nieuwe boswet die onder grote politieke druk vande regering, tegen de adviezen van experts in, door hetparlement is aangenomen, is Rosleschoz niet langerverantwoordelijk voor de bestrijding van bosbranden,maar alleen nog voor het toezicht op het bosbeheer.De bestrijding is nu de verantwoordelijkheid van desubjecten2van de Russische Federatie, die het veelaldoor delegeren naar het gemeentelijke niveau. Regio’snoch gemeenten beschikken in de regel over onvol-doende financiële middelen om deze verantwoordelijk-heid in te vullen.Het Ministerie voor civiele verdediging, noodtoestandenen de bestrijding van de gevolgen van natuurrampen,internationaal bekend onder de naam Emercom, speeltals verantwoordelijke voor de rampenbestrijding enbeheerder van de overheidsbrandweer een belangrijkerol in de bestrijding van de branden, maar in principealleen als er bewoonde gebieden bedreigd worden.Emercom heeft wel middelen om te blussen, maar nietaltijd de juiste en er is onvoldoende kennis vanbosbrandbestrijding. Emercom heeft Rusland ingedeeldin zeven regio’s, waarvan het takenpakket te vergelijkenis met dat van de Nederlandse veiligheidsregio’s. Er isgeen territoriale congruentie met de subjecten en dehele organisatie wordt centraal aangestuurd.Rosleschoz werd gedecimeerd, er werken nu nog 12.000mensen, voornamelijk toezichthouders en papier-schuivers, maar het is nog wel verantwoordelijk voor decoördinatie van de brandbestrijding. Coördinatie isnodig gezien het grote aantal spelers: de betrokkensubjecten, ministeries (onder andere Transport,
  • 45. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010 45Natuurlijke hulpbronnen en Binnenlandse zaken),het openbaar ministerie enzovoorts.Ongeveer dertien procent van het areaal is verpachtaan commerciële exploitanten, die daarmee ookverantwoordelijk zijn voor het beheer en de bosbrand-bestrijding. De rest van de bossen, meer dan een miljardhectare, wordt feitelijk niet meer beheerd, maar alleengecontroleerd. Maar ook de commerciële exploitantenlaten zich aan brandveiligheid weinig gelegen liggen.De schrijnende gevolgen hiervan worden geïllustreerddoor de gebeurtenissen in het dorpje Borkovka. Debewoners ervan zagen al aankomen, dat ze van deoverheid weinig hulp konden verwachten, evenmin alsvan de exploitant van de bossen die hun dorp omringen.Ze huurden zelf enkele tractoren en begonnen met hetkappen van een brandgang om het vuur weg te houdenvan hun bezittingen. Het duurde niet lang, voordat deautoriteiten verschenen en de dorpelingen onderbedreiging van strafrechtelijke vervolging sommeerdenop te houden met deze illegale houtkap. Twee dagen laterlag Borkovka volledig in de as.BestuurscultuurWaar de nieuwe boswet al niet direct tot een verbeteringheeft geleid, draagt de bestuurscultuur ook niet erg bijaan een effectieve preventie en repressie van bosbranden.De overheid toonde zich lange tijd onachtzaam jegens deontwikkelingen die leidden tot de extreme bosbranden.Dit ligt aan de staatsinrichting en de bestuurscultuur.Ondanks dat Rusland een federatie heet te zijn, is degreep van het Kremlin op de lagere overheden zeerkrachtig. In de wilde jaren ‘90, toen Rusland zichzelf nade val van de Sovjet-Unie opnieuw moest uitvinden, wasdie greep verslapt. Poetin zette de versterking van de‘machtsverticaal’ in om de hegemonie van het centrumte herstellen. Een van de maatregelen was, dat hoofdenvan de subjecten van de federatie kunnen wordenaangesteld en afgezet door de president.Dit verklaart, waarom de droogte al meer dan tweemaanden aanhield, er steeds meer branden uitbrakenen de gouverneurs van de provincies desondanks steedsmeldden, dat alles onder controle was. Dit deels vanuitde begrijpelijke reflex de eigen problemen te willenoplossen en deels vanuit angst voor het letterlijkeverlies van hun positie. President Medvedev is al langeretijd bezig om gouverneurs te vervangen. Geen enkelegouverneur zal de president dus zelf de stok gevenwaarmee hij geslagen kan worden. Zo kon het gebeuren,dat Emercom half juli meldde, dat er ‘geen actievebrandhaarden’ waren en dat twee uur later het dorpKamenka in de provincie Nizjni Novgorod volledigafbrandde. De situatie was al helemaal uit de handgelopen, voor het centrum goed en wel doorhad wat eraan de hand was.ToekomstEmercom heeft in ieder geval in de beeldvormingheldhaftig strijd gevoerd en gewonnen. In hetOverwinningspark in Moskou, een heilige gedenkplaatsvoor de slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog, is eenserie banieren te zien, waarop de heldendaden vanEmercom bejubeld worden (zie foto). Al tijdens debranden werd gesproken over een zwaardere rol voorEmercom, gepaard gaand met miljardeninvesteringenin de repressieve organisatie. Het lijkt erop, dat debelofte van de regering dat voor de winter alle afgebrandehuizen herbouwd zouden worden, in elk geval deelswaargemaakt wordt. Vooral symptoombestrijding dus.Structurele verbeteringen zoals het herstel van de oudeverantwoordelijkheden van Rosleschoz en de organisatiedie daarbij hoort en een verandering van de bestuurs-cultuur zijn een stuk moeilijker. Het is maar de vraag ofde politieke wil en kracht hiervoor gegenereerd kanworden. Het is afwachten hoe heet de zomer van 2011wordt.In Nederland staan iedereen in het brandweer- enrampenbestrijdingsmetier de natuurbranden in hetSchoorlse duingebied en op de Strabrechtse heide noghelder voor de geest. De Inspectie Openbare Orde enVeiligheid voert een breed onderzoek uit naar preventie,preparatie en repressie van natuurbranden inNederland. Na de afronding van dit rapport, zou eennadere studie van de Russische evaluatierapporten enuitwisseling van wederzijdse ervaringen, nog interes-sante wederzijdse leerpunten kunnen opleveren.
  • 46. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201046Slachtofferregistratiena rampenDe afgelopen jaren heeft de overheid nietaan de verwachtingen kunnen voldoen ophet terrein van slachtofferinformatie. Na eenramp duurt het voor veel mensen te langvoordat bekend is wie de slachtoffers zijn enhoe het met ze is. Ook lijkt de overheid nietgoed in staat om in kaart te brengen welkebetrokkenen nazorg zouden moeten krijgenen hoe zij die mensen kan bereiken.Michiel Hoorweg, programmasecretaris crisisbeheersing, GHOR Nederland ensecretaris Stuurgroep slachtofferregistratie (mhoorweg@ghor.nl)Op 28 september bespraken vertegenwoordigers vanbijna dertig betrokken organisaties over een nieuwesystematiek om de informatievoorziening overslachtoffers te verbeteren. Naast verbeteringen in deregistratie en uitwisseling van gegevens gaat het ook omhet bespreken van verwachtingen. Wat kan en mag deburger op dit terrein eigenlijk van de overheidverwachten?Lang heeft het idee bestaan dat de overheid na een rampzo snel mogelijk een complete lijst van slachtoffersmoet samenstellen in het belang van een goedehulpverlening. De vraag is of dat terecht is. Veelgewonden vinden hun eigen weg naar de medischehulpverlening. Na de explosie van de vuurwerkfabriek inEnschede bijvoorbeeld ging een groot deel van deslachtoffers op eigen houtje naar het ziekenhuis en dehuisartsenposten. Of, zoals binnen de hulpverleningvoor de grap nog wel eens wordt gezegd: ‘alleenLotus-slachtoffers wachten netjes op de ambulance’(Lotus-slachtoffers zijn acteurs die worden ingezet bijoefeningen). Registratie van slachtoffers op derampplek brengt meestal maar een deel van deslachtoffers in kaart. Familieleden en vrienden die deoverheid bellen voor meer informatie over hunverwanten moeten dan ook vaak worden teleurgesteld.Dat is misschien vervelend, maar het is geen probleemvoor de hulpverlening. Hoe meer mensen zichzelf inveiligheid kunnen brengen, hoe beter het is. Alsmensen geen fysieke klachten hebben en naar huis gaan(of ergens anders naartoe) zonder zich te latenregistreren, levert dat een incomplete lijst vanbetrokkenen op, maar geen lacune in de hulpverlening.Als die mensen in een later stadium alsnog fysieke ofmentale klachten ontwikkelen, zouden ze goed in staatmoeten zijn om alsnog hulpverlening te zoeken.Daarvoor is in Nederland een heel toegankelijk enhoogwaardig netwerk van eerstelijnszorg beschikbaar.De overheid zou niet moeten proberen om dat na eenramp of crisis ineens anders te gaan organiseren.Verwanten en nazorgToch is er op het terrein van slachtofferregistratie narampen wel het een en ander te verbeteren. Als erslachtoffers zijn bij een ramp is het natuurlijk belangrijkdat verwanten snel en goed worden geïnformeerd. Endat lukt op dit moment nog onvoldoende. Bij rampenmet veel slachtoffers blijkt het erg lastig en tijdrovend tezijn om op een centraal punt een lijst samen te stellenmet de belangrijkste gegevens: wie zijn de slachtoffersen waar zijn ze op dit moment? Voor een belangrijk deel
  • 47. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010 47komt dat omdat er veel partijen bij de hulpverleningbetrokken zijn en dat de gegevens van al die partijenniet bij elkaar gebracht worden. Het goed en snelinformeren van verwanten wordt daardoor belemmerd.De partijen die bij de hulpverlening betrokken zijn,hebben zich daarom voorgenomen om gezamenlijk deinformatievoorziening aan verwanten te verbeteren.Het gaat om een breed spectrum van organisaties op hetterrein van gezondheidszorg, veiligheid en identificatie.Zij willen een systematiek ontwikkelen die werkt inallerlei omstandigheden, van overstromingen engifwolken tot vliegtuigrampen en explosies. Met desystematiek wordt ook meteen informatie verzameldvoor de eventuele nazorg aan slachtoffers.Iedereen die wel eens als hulpverlener bij een rampbetrokken is geweest, weet dat de media en het publiekveel druk kunnen uitoefenen om snel goede informatiete krijgen over de slachtoffers. Die druk is heel begrijpe-lijk, maar is niet leidend voor het vormgeven van desystematiek. Daarin staan de slachtoffers en deverwanten centraal.Systematiek, geen systeemOnderzoek naar het gedrag van hulpverleners tijdenscrises laat steeds weer zien dat hulpverleners terugvallenop de dagelijkse werkwijzen en routines. Na een rampkunnen ze niet ineens omschakelen naar een anderdraaiboek en andere taken dan ze gewend zijn. Dat zouook niet slim zijn. Hulpverleners zijn professionals dieje ook tijdens crisissituaties moet inzetten op de takendie ze goed kunnen. Ten behoeve van een succesvollenieuwe aanpak hebben de partijen daarom afgesprokendat die moet aansluiten op de dagelijkse werkwijzen vande hulpverleners. Ze spreken om die reden ook bewustvan een systematiek en niet van een nieuw systeem.Idealiter werken de hulpverleners in crisissituaties metdezelfde registratie als ze dagelijks gebruiken. Eventueelmoet daarvoor wel de dagelijkse werkwijze iets wordenaangepast.Uit een internationale vergelijking van de aanpak vanslachtofferregistratie na rampen1bleek onder anderedat het in de praktijk bijna altijd de politie is die deslachtofferlijsten vaststelt en de verwanten informeert.Dat is logisch als je bedenkt dat de politie dat in dedagelijkse omstandigheden ook doet, bijvoorbeeld bijauto-ongelukken. In de planvorming in Nederlandhebben we echter met elkaar afgesproken dat bijrampen en crises de gemeenten verantwoordelijk zijnvoor de registratie. Het is de vraag of dat de slimstewerkwijze is.Haarlemmer olieIn de komende maanden gaat een projectgroep aan deslag met alle partijen om een ontwerp te maken vooreen landelijke slachtoffervolgsystematiek. Voor debegeleiding van het project is een brede stuurgroepingesteld, die in de eerste vergadering heeft beslotendat de landelijke systematiek in maart 2011 moetworden vastgesteld. Voorzitter van deze stuurgroepslachtofferregistratie is Henk Jan Meijer,van Zwolle en portefeuillehoudersamenwerking in het dagelijks bestuurberaad.Naast de voorzitter bestaat de stuurgroep uit vertegen-woordigers van de ministeries van Veiligheid en Justitieen Volksgezondheid, Welzijn en Sport, de politie, decoördinerend gemeentesecretarissen en de GHOR. HetVeiligheidsberaad vindt het een zeer belangrijk projecten is bereid om het opdrachtgeverschap op zich tenemen, eventueel samen met een partner uit dezorgsector.De verwachtingen van de systematiek zijn hoog, maarhet is goed om niet op wonderen te rekenen. Eenslachtoffervolgsystematiek is geen Haarlemmer olie diealle problemen bij de identificatie en registratie vanslachtoffers als sneeuw voor de zon laat verdwijnen. Bijrampen en crises is er altijd sprake van tijdsdruk,ontbrekende informatie en enige chaos, dat zal dezesystematiek niet veranderen. Identificatie is eencomplex en tijdrovend proces dat meestal niet zo snelkan worden uitgevoerd als in sommige populairetelevisieseries wordt gesuggereerd.Het is belangrijk dat de overheid duidelijke keuzesmaakt in haar aanpak en zich richt op de mensen die dehulpverlening echt nodig hebben en hun verwanten.Met dat uitgangspunt werken de partijen de komendeperiode aan een succesvolle slachtoffervolgsystematiek.1 I. Helsloot, A. Scholtens en E. Warners, Slachtofferregistratie in redelijkheid en realiteit, onderzoek naar best practices voor het registeren vanslachtoffers en het informeren van verwanten, Boom Juridische Uitgevers, publicatie verwacht in december 2010.burgemeestermultidisciplinaireVeiligheids-
  • 48. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201048Hulpverleners ten onrechte bang voorVeel hulp- en zorgverleners zijn ten onrechte bang dat zijgezondheidsschade oplopen als zij slachtoffers vanstralingsincidenten moeten helpen. Dat besmettingsgevaar isheel klein. Dat bleek tijdens het symposium ‘Het afhandelenvan stralingsincidenten door de geneeskundige kolom’, dat op8 oktober werd gehouden door Boerhaave Nascholing van hetLeids Universitair Medisch Centrum (LUMC).Caroline van der Schaaf, freelance journalistIncidenten met radioactieve stoffen leiden zelden totsignificante besmetting van hulpverleners. De hoeveel-heid straling die hulpverleners oplopen tijdens debehandeling van stralingsslachtoffers is kleiner dan destralingsdosis waarmee radiologen of piloten enstewardessen jaarlijks te maken krijgen in hun werk.Bovendien komen deze situaties maar weinig voor. Terillustratie: zelfs de verplegers van de Russische ex-spionLitvinenko, die in 2006 in Engeland overleed nadat hijwas besmet met een hoge dosis van het zeer radio-actieve polonium, liepen geen gezondheidsschade op.De onwetendheid over het besmettingsgevaar doorstralingsincidenten heeft tot gevolg dat sommigehulpverleners weigeren gewonde stralingsslachtofferste helpen totdat de brandweer ze heeft ontsmet.Dat kan echter uren duren, met alle gevolgen van dien.Dit speelt met name bij (zwaar)gewonde stralings-slachtoffers die aan hun lot worden overgelaten,bijvoorbeeld bij een aanslag met een zogeheten ‘vuilebom’. Tijdens het symposium werd er gediscussieerdover de vraag of dit medisch-ethisch verantwoord is.Angst en onrustDat er nog veel te winnen is op het gebied van hetbehandelen van radioactief besmette slachtoffers werdtijdens het symposium wel duidelijk. Mensen wetenvaak niet goed het verschil tussen lichte radioactievebesmettingen en echt ernstige stralingsincidenten.Hierdoor ontstaat angst en onrust. “Negentig procentvan de gevallen betreft niet-ernstige ongevallen”, aldusstralingsdeskundige Simon van Dullemen van hetLUMC. “Een enkel geval is ernstig. Dat zijn situaties dieje moet kunnen inschatten.”Een voorbeeld van een klein stralingsincident waarbijonnodig commotie ontstond, noemde Ronald Overwatervan het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu(RIVM). In 2009 viel de politie binnen bij eenAmsterdammer die een hele collectie radioactiefmateriaal in zijn woonboot bewaarde. Overwatervertelde over de onrust die ontstond bij de agenten vanhet politiebureau waar de man naartoe was gebracht(‘hij heeft op mijn stoel gezeten, kan ik die nog welgebruiken?’). De commotie was onterecht, maar welverklaarbaar. “Dit zijn incidenten waarmee je alsgewone geneeskundige troepen, brandweer en politieniet zoveel te maken hebt.”Blijf communicerenCommunicatie speelt een sleutelrol in het wel of nietontstaan van paniek na een (stralings)incident, bleekuit het verhaal van Lodewijk van Wendel de Joode,communicatieadviseur van het Nationaal Crisiscentrumvan het nieuwe ministerie van Veiligheid en Justitie.Hij ging in op het fenomeen dat sociale media zoalsTwitter tegenwoordig een belangrijke rol spelen in deinformatievoorziening bij rampen en crises. Voor deofficiële instanties is het zaak om daarop in te spelen.“Of het nou om een stralingsongeval gaat of om andereBehandeling slachtoffers levert nagenoeggeen gevaar voor gezondheid op
  • 49. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010 49incidenten, treedt heel snel naar buiten. Want de burgerdoet dat namelijk ook. Bevestig nieuws dat klopt enontkracht nieuws dat niet klopt.” Anders gaan onjuistegeruchten een eigen leven leiden. “En vooral ook: blijvencommuniceren. Ook al vindt u misschien dat er weinignieuws te melden valt. Door niet te communiceren, loopje een grote kans dat je paniek veroorzaakt. Want er wordttoch gecommuniceerd. En als jij dat als overheid ofmedische wereld niet doet, dan heb je een probleem.”Alle ziekenhuizen voorbereidDat het hard nodig is dat ziekenhuizen hun personeelgaan trainen in het leren omgaan met radioactiefbesmette slachtoffers, lijdt geen twijfel. Niet alleziekenhuizen lijken bovendien voorbereid op deontvangst van grotere aantallen van deze slachtoffers.In de hulpverleningswereld is daarnaast niet altijdduidelijk waar dergelijke personen naartoe zoudenmoeten voor behandeling.Nucleair-geneeskundige Judocus Borm van de Reinierde Graaf Groep maakt zich er sterk voor, dat alleziekenhuizen zich voorbereiden op de ontvangst vanslachtoffers van stralingsincidenten. Want vooral in deeerste uren na een incident valt er veel te winnen.Zelfverwijzers zoeken dan op eigen initiatief hulp bij hetdichtstbijzijnde ziekenhuis. “En dan blijkt dat er aan depoort van de ziekenhuizen maar bar weinig praktischgeregeld is”. Daarom moeten in alle ziekenhuizen demedewerkers van de Spoedeisende Hulp de basishulp-verlening beheersen en moet in alle ziekenhuizen deervaring worden benut die met name op de nucleair-geneeskundige afdelingen aanwezig is. Daarnaastdienen ziekenhuizen zich tijdens die eerste uren in testellen op onrust onder personeel, onbetrouwbareberichtgeving, communicatie- en coördinatie-problemen.Van rampterrein tot ziekenhuisHier in Nederland biedt het zojuist uitgekomen rapportTriage en eerste opvang van slachtoffers na radiologische incidentenuitkomst. Het Nationaal Vergiftigingen InformatieCentrum van het RIVM heeft in kaart gebracht welkemaatregelen nodig zijn om slachtoffers van incidentenmet radiologisch materiaal op te vangen, vanaf hetrampterrein tot aan het ziekenhuis. Aan de hand vanstroomschema’s wordt duidelijk gemaakt welkepersonen direct naar het ziekenhuis moeten wordenvervoerd en welke na controle en zo nodig verwijderingvan radioactief materiaal, zoals besmette kleding, naarhuis kunnen. Daarnaast is er aandacht voor de mensendie niet zijn blootgesteld aan straling, maar zich welzorgen maken. Het rapport is geschreven door onderandere Ronald de Groot van het RIVM, op verzoek van deGeneeskundige Hulpverlenings- organisatie in de Regio(GHOR) en in opdracht van het ministerie van VWS.Grote rol voor ministeriesMocht er in Nederland een stralingsincident plaats-vinden, dan speelt het ministerie van Infrastructuur enMilieu (eerder VROM) een belangrijke rol bij de aanpakervan. VROM heeft voor deze gevallen het zogehetenresponsplan NPK (Nationaal Plan Kernongevallen)opgesteld, waarin onder meer staat beschreven hoe detaken en verantwoordelijkheden zijn verdeeld en welkescenario’s er zijn voor verschillende stralingsongevallen.Een centrale rol hierin speelt de Eenheid PlanningAdvies nucleair (EPAn), die zorg draagt voor decoördinatie van stralingsbeschermende maatregelen enhet bevoegd gezag hierover adviseert. “Er wordt ingeschatwat er met de bron aan de hand is, wat daarvan in deloop van de tijd te verwachten is en hoe je daar het besteje maatregelen op kunt afstemmen”, aldus Lodewijkvan Aernsbergen van VROM. Ook het ministerie vanDefensie kan hulp bieden bij grootschalige radiologischeen nucleaire stralingsrampen, bleek uit de presentatievan Ad de Koning van het Coördinatiecentrum ExpertiseMilitaire Gezondheidszorg. Dit gebeurt onder meerdoor het inzetten van meetapparatuur en specialepantservoertuigen die besmet gebied kunnen trotseren.Aan het symposium in het LUMC namen bijna 200mensen van verschillende organisaties en uit verschil-lende vakgebieden deel. De bijeenkomst werd (mede)gefinancierd met OTO-gelden van ROAZ-West(Regionaal Overleg Acute Zorgketen). Deze geldenworden jaarlijks beschikbaar gesteld door de ministervan VWS ter stimulering van het Opleiden, Trainenen Oefenen van de zorgsector voor een betere voor-bereiding op rampen en crises.“Negentig procent van de gevallenbetreft niet-ernstige ongevallen”
  • 50. Luchtvaart!SARS, de Avian Flu, en Influenza A H1N1: de afgelopen jaren isverschillende keren sprake geweest van een uitbraak vanspraakmakende besmettelijke ziektes in de wereld. Dergelijke uitbrakenkunnen zich tegenwoordig mondiaal snel verspreiden door de snelleluchtverbindingen. In oktober 2010 werd daarom het herziene CivilAviation Preparedness Plan (CAPP) uitgegeven door de directieLuchtvaart van het ministerie van Infrastructuur en Milieu.Marc van Oudheusden,crisiscoördinator directie Luchtvaart,ministerie van Infrastructuur en MilieuDe gezondheid van passagiers aan boord hadnatuurlijk al langer aandacht. Controles oplucht(verversing)- en waterkwaliteit aanboord van een toestel zijn daar een voor-beeld van. Echter, toestellen worden steedsgroter en krijgen een langere actieradius.Daarmee zitten grotere groepen reizigersgedurende een langere periode dicht opelkaar met de mogelijkheid elkaar aan testeken. De uitbraak van voornoemde ziektendeed ook in de wereld van de luchtvaart veelstof opwaaien. Tijdens de SARS uitbraakkwamen enkele luchtvaartmaatschappijenbedrijfs-economisch gezien in zwaar weer.Of maatregelen richting passagiers in ditsoort tijden noodzakelijk en effectief zijn isook altijd weer onderwerp van gesprek.Internationale ICAO-richtlijnDe International Civil Aviation Organization (ICAO)heeft medio 2006 het initiatief genomenrichtlijnen vast te stellen. De richtlijnen zijnbedoeld voor nationale overheden, lucht-havens, luchtvaartmaatschappijen en deluchtverkeersleidingsorganisaties, waarmeede hele ‘keten’ wordt afgedekt. Het uitgangs-punt daarbij is eenvoudig. Elke organisatiedient een zogenaamd ‘preparedness plan’te ontwikkelen, waarin wordt beschrevenop welke wijze wordt omgegaan met eeneventuele uitbraak.Planvorming in de ketenDe nationale overheid dient een Civil AviationPeparedness Plan (CAPP) op te stellen. Dit planbevat een overzicht van reeds bestaanderegelingen en afspraken. Alle ketenpartnersschreven in Nederland mee aan het CAPP.In dit plan worden afspraken ten aanzienvan communicatie en procedures ten tijdevan een uitbraak gebundeld en beschrevenhoe om te gaan met intergouvernementelecontacten, en hoe in te spelen op inter-nationale (luchtvaart) afspraken.Ook voor luchthavens is zo’n preparedness planverplicht op basis van de Wet PubliekeGezondheid (VWS). Luchthavens hebbenzo’n plan over het algemeen opgenomen inrampenplannen. Afspraak is bijvoorbeeldgemaakt dat in voorkomende en nood-zakelijke gevallen Schiphol de luchthaven zalzijn waar toestellen met besmette passagiersnaar toe kunnen, omdat daar toch de bestevoorzieningen zijn. Dit uiteraard terbeoordeling aan de gezondheidsautoriteiten.Ook dienen luchthavens adequate maatrege-len te nemen om verspreiding van reizigers-informatie te faciliteren. Daarmee kanworden geconstateerd dat de voorbereidingin Nederland op dit punt goed geregeld is.Voor luchtvaartmaatschappijen ligt hetlastiger. Het is niet altijd gemakkelijk waar tenemen of reizigers een virusbesmetting metzich meedragen. Bij sommige virussenbedraagt de incubatietijd wel 72 uur.Luchtvaartmaatschappijen kunnen aanboord weinig anders doen dan opletten ofpassagiers ziekteverschijnselen gaanvertonen die horen bij een recente uitbraak.Instructies daartoe liggen in ieder geval bijNederlandse maatschappijen in de ‘manuals’aan boord, de Nederlandse overheid heeftover buitenlandse maatschappijen mindercontrole. Een andere belangrijk factor is hoeachteraf getraceerd kan worden waarreizigers zich na de vlucht begeven. Dit istoch cruciaal bij het voorkomen vanverspreiding van een besmetting, enreizigersinformatie speelt daarbij eenbelangrijke rol.De luchtverkeersleiding is erop ingesteld tereageren op de melding van een pilootinzake een (ernstig) zieke passagier aanboord. De luchtverkeersleider meldt eendergelijk bericht door aan de lokalegezondheidsautoriteiten, die zich dankunnen voorbereiden op de komst van dezieke reiziger(s).Nederland is door deze set aan afspraken inluchtvaart kader in beginsel voldoendevoorbereid op een eventuele uitbraak, envoldoet aan de internationale afsprakenterzake.Voorbereiding op pandemie:50 Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010
  • 51. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010 51Geen overstromingen, maar voedseltekortenals gevolg van klimaatveranderingErnstige klimaatrellen in 2056In een van de rampscenario’s schetst DyerNederland in een wereld die in het middenvan de 21ste eeuw sterk is opgewarmd door deuitstoot van broeikasgassen. In het scenario“De Lage Landen, 2056” lijden landen aan hetMiddellandse Zeegebied allemaal onderextreme hittegolven en is er schaarste aanwater en voedsel. Ook is het importeren vanvoedsel niet langer vanzelfsprekend omdat ergewoonweg te weinig is. Ondanks eenvoedselhulpprogramma vanuit de EuropeseUnie - dat moet voorkomen dat 120 miljoenmensen naar het noorden trekken - blijvengrote aantallen komen. De weerstandhiertegen neemt steeds verder toe, metuiteindelijk zelfs bloedige rellen in 2043 alsprotest tegen vier miljoen Griekse, Italiaanse,Spaanse en Portugese vluchtelingen.Naarmate de hitte toeneemt en het weeronberekenbaarder wordt, daalt ook devoedselproductie in landen zoals Frankrijk,Duitsland en Polen. In december 2047, na eenbijzonder slecht jaar met grote voedsel-schaarsten en soms ook rantsoenering,trekken de noordelijke landen zich teruguit de EU en stichten in plaats daarvan eenNoordelijke Unie. Voedselhulp aan delanden van de Middellandse Zee wordtstopgezet en de grenzen van de NoordelijkeUnie hebben al snel wat weg van het IJzerenGordijn, behalve dan met de bedoeling ommensen buiten in plaats van binnen tehouden, aldus Dyer.Een belangrijke reden voor de auteur om ditboek te schrijven, is zijn overtuiging dat heteerste en belangrijkste effect van klimaatver-andering een crisis in de voedselvoorzieningzal zijn. Tevens ziet hij in de militaireplanning van een aantal grootmachten datklimaatverandering een steeds belangrijkerrol begint te spelen. Volgens Dyer zal deopwarming van de aarde – die volgens hemzo goed als onomkeerbaar is – de wereld-politiek tot een kookpunt brengen, metoorlogen over het schaarse voedsel en waterals gevolg. Om de klimaatcrisis te keren isvolgens Dyer wereldwijde solidariteit ensamenwerking noodzakelijk. Tegelijkertijdverwacht hij niet dat we de deadlines die deechte wereld ons stelt, zullen halen omdathet “voornamelijk de politiek (nationaal alsinternationaal) zal zijn die de uitkomstbepaald”. Hoewel Dyer wel een heelpessimistische kijk op de toekomst schetst, ishet reëel te verwachten dat de effecten vanklimaatverandering breder zullen zijn danalleen op het milieu (hogere zeespiegel ofextreem weer) maar ook schaarste kanveroorzaken. Schaarsten kunnen leiden totpolitieke en economische instabiliteit endaarmee ook gevolgen hebben voor denationale veiligheid. Dit moet overigens nietalleen als gevolg van klimaatveranderingworden bezien, maar in samenhang metandere internationale ontwikkelingen. Degrootste uitdagingen zullen daar liggen waarontwikkelingen samenvallen. Het gaat danom klimaatverandering in relatie tot eentoenemende bevolking, mondiale welvaarts-groei en een veranderende (economische)machtsverdeling en geopolitiekeverhoudingen.Gwynne Dyer, Klimaatoorlogen,Houten: Unieboek/Spectrum, 2010.Marije Breedveld, directie Nationale Veiligheid,ministerie van Veiligheid en JustitieWat zijn de politieke en strategische consequenties van klimaatverandering?Gwynne Dyer – een Canadese journalist en militair historicus – beschrijft in zijn onlangsverschenen boek ‘Klimaatoorlogen’ in verschillende scenario’s hoe concrete landenreageren op de enorme druk die ontstaat naarmate het broeikaseffect toeneemt.Hij schetst hierin een verontrustende blik op de toekomst waarin landen extrememaatregelen zullen treffen om te overleven. Voor Nederland beschrijft hij een scenariowaarin niet het overstromingsgevaar als gevolg van klimaatverandering de nationaleveiligheid raakt, maar een toestroom van vluchtelingen door een gebrek aan voedsel.
  • 52. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201052Bezuinigingsdruk vraagt omslimmersamenwerkenHet nieuwe kabinet Rutte 1 heeftveiligheid hoog in het vaandel staan.Het inrichten van een apart ministerievan Veiligheid en Justitie stelt hogeeisen aan het realiseren vangeformuleerde beleidsambities.De focus ligt op de nationalisering vanhet Politiebestel en het realiseren vanéén landelijke meldkamer Nederland.Alexander Heijnen, A. Heijnen ConsultingErik Soonieus en Marlies van Reenen, AlaresVeiligheidsregio’s worden niet genoemd in hetregeerakkoord, maar verwachting is dat zij de komendejaren vanuit rijkswege en lokaal door de bezuinigingenworden geraakt. Ondanks deze bezuinigingen mag dekwaliteit van dienstverlening op het gebied van denationale veiligheid niet onder druk komen te staan.Een uitdaging die vraagt om pragmatische oplossingen.Wel krimp, geen krampDe afzonderlijke veiligheidsorganisaties staan eenefficiëntieslag te wachten. Met minder mensenefficiënter werken is daarbij het adagium. Groot gevaarhierbij is dat door de bezuinigingsdruk de diversekolommen in de kramp schieten om zich primair terichten op uitvoering van hun basistaken. De wil omkennis te delen en integraal met partners naar oplossin-gen te zoeken komt al snel onder druk te staan.Organisaties dienen juist nu te beseffen dat de geformu-leerde beleidsdoelen ook zonder extra beschikbaregelden kunnen worden gerealiseerd. Uitdaging hierbijis doelmatiger te werken door snel toegang te hebbentot kennisbronnen binnen en buiten de organisatie.Complexe vraagstukken vragen om integrale oplossin-gen. Het snel aan elkaar koppelen van kennis eninformatie van diverse partijen is daarbij een sleutel totsucces. Gezamenlijk willen leren, is daarbij eenbelangrijke en noodzakelijke ambitie. Succesvollevoorbeelden zijn de opgezette informatieknooppuntenrondom cybercrime (NICC) en internationaal rondomnatuurbranden (Firewise). Beide ook thema’s uit deNationale Risicobeoordeling.Houdt ramen en deuren openDe Nederlandse hulpdiensten zoals brandweer, politie,ambulance, marechaussee en defensie hebben iederhun eigen interne bedrijfsprocessen, kennisstructurenen opleidingen. De afzonderlijke organisaties zijndermate groot dat verschillende afdelingen en regio’sbinnen een organisatie vaak niet weten wat zich in derest van de organisatie afspeelt. Er is onvoldoendeinterne kennisoverdracht. Politieagenten in Maastrichtzijn niet altijd op de hoogte van goede praktijkvoorbeel-den van hun collega’s in Groningen. Laat staan dat debrandweer hiervan op de hoogte is. Hier is een wereld tewinnen. Veel maatschappelijke thema’s op het gebiedvan veiligheid zijn voor alle hulpdiensten relevant.Zeker de thema’s in het kader van de NationaleRisicobeoordeling vragen om een geïntegreerdeaanpak.De Nederlandse veiligheidssector ziet er heel anders uitals de verschillende organisaties meer kennis met elkaarzouden delen. Juist in tijden van grootschaligebezuinigingen moeten de ramen en deuren wijd openblijven staan voor actieve kennisuitwisseling. Er liggenop dit gebied tal van kansen met betrekking tot dekwaliteit van dienstverlening, efficiëntie en maatschap-pelijk rendement.Focus op willen lerenOm het delen van kennis mogelijk te maken is het teneerste nodig dat leren een belangrijke plaats krijgtbinnen de verschillende organisaties. Er zijn twee
  • 53. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010 53manieren waarop een organisatie kan leren. De eerstemanier is formeel leren, door het ontwerpen vanleerprocessen. Het ontwikkelen van goede functiege-richte opleidingen en trainingen dient naadloos aan tesluiten bij de behoefte van de professionals. Formeelleren wordt van bovenaf ingezet.De tweede leerwijze is informeel leren, wat haastorganisch ontstaat. Dit is vaak een ongemerkt proces,waarbij medewerkers vanuit hun eigen motivatie kennisen ervaringen uit de dagelijkse praktijk met elkaar delenen verbeteringen aanbrengen in hun werkwijze.In de professionalisering van de hulpdiensten is delaatste decennia veel aandacht gegaan naar formeelleren. Hoewel op dit formele leren in veel sectoren noggrote winst kan worden behaald, wordt in de huidigetijdsgeest het informeel leren steeds belangrijker omeen aantrekkelijke en moderne werkgever te zijn. Juistin dit informele leren vinden individuele medewerkersin (en tussen) organisaties elkaar in een gezamenlijkebehoefte kennis te delen. Dit is niet alleen nuttig, maarversterkt ook de ontwikkeling van het individu. Hetbelang hiervan voor de organisatie dient te wordenonderkend door het management.Veiligheid 2.0Door in te steken op de ontwikkeling van individuelemedewerkers en hun kennisbehoefte wordt veiligheidnaar een volgend niveau gebracht. Er wordt nagedachtover doelstellingen, visie en manier van werken.Processen die al jaren worden gebruikt, wordenmogelijk vervangen door andere methoden. Dit vraagtom flexibiliteit, creativiteit, en vooral input van allelagen van de organisatie. Uitwisseling van kennis enervaring dient te worden georganiseerd binnen entussen organisaties. Formeel leren kan nog meerworden gevoed door persoonlijke praktijkervaringenvan medewerkers. Als professionals daarnaast medever-antwoordelijk worden gemaakt voor het leren levert diteen schat aan extra kennis op. Het ontwikkelen van eeninteractief leerproces rondom concrete kennisdomei-nen levert de veiligheidssector al snel winst op. Slimmersamenwerken voegt daarbij een extra component toewelke waarde kan toevoegen aan elke betrokkenveiligheidsorganisatie.In het huidige digitale tijdperk zijn tal van onlinemogelijkheden die het delen van kennis ondersteunen.Dit kan heel laagdrempelig beginnen, bijvoorbeelddoor het installeren van Yammer, een online sociaalnetwerk voor intern gebruik. Ideeën verspreiden zichrazendsnel en ongeacht de hiërarchie door de organisa-tie. Zo zijn er bij het ministerie van Infrastructuur enMilieu al 1800 gebruikers van Yammer actief. Ookonline kennisplatforms helpen met kennisdeling. Depolitie zet hierin al stappen met een platform alsPolitie2.0. Hier wisselen medewerkers van deNederlandse politie kennis uit over web2.0 toepassin-gen. Het inrichten van een dergelijk platform voor deveiligheidssector is geen doel op zich, maar een middelom slimmer samenwerken mogelijk te maken.Kennisdragers binnen verschillende organisaties wetenelkaar sneller te vinden en innovaties kunnen sector-breed worden opgeschaald.Iedereen kan meedoenHet kabinetsbeleid en de bijbehorende bezuinigingenmaken kennisdeling noodzakelijk om de gewenste ennoodzakelijke kwaliteitsslag binnen de veiligheidssectormogelijk te maken. Dit vraagt niet alleen om technischeinnovaties, maar juist om sociale innovaties enorganisatieontwikkeling. Het installeren van Yammer ofSkype is een stap in de juiste richting, maar het gaat veelmeer om een verandering van mindset. Het vraagt omopenheid en de wil om van elkaar te leren. Alleen ingezamenlijkheid kan immers tot adequate oplossingenvoor de nationale veiligheid worden gekomen.En hoe pakken we dat aan? Enerzijds door een welover-wogen strategie bij voorkeur aan te jagen vanuit destrategie Nationale Veiligheid, maar anderzijds ook doorgewoon te gaan doen. Er zijn voldoende praktijkvoor-beelden waarbij publieke en private organisaties samenmet kennisinstituten kennis delen rondom eenonderwerp waar het gezamenlijk belang groot is, zoalsbij cybercrime en externe veiligheid. Op individueelniveau weten medewerkers elkaar via informele socialenetwerken te vinden en aan kennis te helpen. Kleinestappen kunnen een enorm verschil maken voor demanier waarop hulpdiensten met elkaar, maar ook metprivate organisaties samenwerken. Het gaat om eenopen blik, gericht op de toekomst. En het mooie is datiedereen kan meedoen, ook als er wordt bezuinigd!
  • 54. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201054Link(s)e bewegingen in Nederland:definities en veiligheidsrisico’sHet COT Instituut voor Veiligheids- en Crisismanagement enBureau Beke hebben onderzoek gedaan naar extreemlinksebewegingen in Nederland. De aanleiding vormt deconstatering dat er weinig onderzoek is gedaan naarextreemlinkse bewegingen in Nederland en de toename enverharding van dierenrechten- en asielgerelateerdextremisme. In dit artikel bespreken de auteurs enkelebevindingen.Laurens van der Varst MSc, politicoloog en onderzoeker COT Instituutvoor Veiligheids- en Crisismanagementdr. mr. Anton van Wijk, criminoloog en directeur van Bureau BekeWerkwijzeWe hebben de keuze gemaakt een brede inventarisatie uitte voeren naar linksgeoriënteerde initiatieven om onsniet al te eenzijdig te hoeven richten op al bekende (inAIVD nota’s genoemde) initiatieven. Dat zou geen rechtdoen aan het gehele ‘linkse spectrum’. Bovendien warenwe op deze manier in staat vanuit de empirie een oordeelte geven over vigerende beleidsdefinities van extremismeen extreemlinks.De initiatieven, een neutraal verzamelbegrip voorallerhande acties, groeperingen, organisaties ennetwerken, zijn verzameld door gebruikmaking van hetVrij Media Centrum Nederland: www.indymedia.nl. Ditis een open posting systeem voor linksgeoriënteerdepolitieke acties, actieoproepen en actieverslagen. Dezedatabron heeft ons in staat gesteld binnen het ‘linksespectrum’ een grote variatie aan initiatieven te verzame-len, analyseren en beschrijven. Daarnaast zijn er mettwaalf deskundigen interviews gehouden. Met hen isgereflecteerd over definities en kenmerken van extreem-links en veiligheidsrisico’s.In de periode januari 2008-augustus 2009 is gezocht naarinitiatieven binnen zes thema’s: (1) Vrijheid, repressieen mensenrechten, (2) Natuur, dier en mens,(3) Gentechnologie, (4) Antifascisme, (5) Antiglobalismeen (6) Antimilitarisme. In totaal zijn ruim tweehonderdinitiatieven geanalyseerd aan de hand van zeven ken-merken, waaronder doelen en actiemodaliteiten.BeleidsdefinitiesHet afgelopen decennium waren er diverse overheids-definities van extremisme in omloop of ontbrakdefiniëring van extreemlinks. We vinden de overheids-definitie van extremisme te ruim geformuleerd. Deoverheid definieert extremisme namelijk als hetfenomeen waarbij personen of groepen bij het strevennaar bepaalde idealen bewust over de grenzen van de wetgaan en (gewelddadige) illegale acties plegen. Elkeillegale handeling om idealen te realiseren is hiermee eendaad van extremisme. Illegale handelingen bestaanechter in soorten en maten. Dit in tegenstelling totomschrijvingen van dit begrip in de academische wereld.Daar is het begrip gereserveerd voor gedragingen die indenken én doen de democratische rechtsstaat verwerpen.Door het toepassen van een brede definitie van extre-misme wordt dan al snel een breed scala aan acties onderde noemer extremisme geplaatst. Dat is denken wijonwenselijk en leidt tot begripsinflatie. Het ligt dan ookvoor de hand het begrip (of etiket) extremisme niet tehanteren voor initiatieven die in de kern de democratieals staatsvorm accepteren.Links, een containerbegripUit ons onderzoek leiden wij af dat, hoewel veelvuldiggebruikt in beleidsnota’s, het begrip ‘links’ een container-begrip is. De bestudeerde initiatieven komen weliswaaroverwegend voort uit links ideologische stromingen,maar ideologische verscheidenheid is zichtbaar.Bovendien eigenen ook rechtsgeoriënteerde initiatievenzich linkse thema’s (dierenwelzijn, antiglobalisme) toe.Het begrip links is daarmee aan erosie onderhevig.De inhoud van het begrip links is niet eenduidig ennauwelijks richtinggevend. Recent kiest de AIVD in dedefiniëring van begrippen voor specifieke idealen ofdoelstellingen, zoals de verbetering van dierenrechten.Hiermee biedt de AIVD een beter inzicht in de doeleindenvan activisten en potentiële doelwitten.Veiligheidsrisico’sEen van de onderzoeksvragen is in hoeverre de initiatie-ven een veiligheidsrisico vormen in termen van deopenbare orde en/of strafbare feiten. Dat blijkt zelden hetgeval en heeft te maken met de wijze waarop initiatievenhun acties vorm en inhoud geven. Die zijn erg divers.Publieke beïnvloeding, symbolische actie en in minderemate actiecampagnes (o.a. ‘Gateway to hell’) behoren tothet actierepertoire van veel hedendaagse initiatieven.Sommige initiatieven zoals Clolonel en Rebelact tarten1 Voortgangsrapportage 2009 en Operationeel Actieplan 2010 Polarisatie en Radicalisering (TK 29 754, nr. 175).
  • 55. met ludieke acties het gezag. Acties vinden overwegend inde openbaarheid plaats en worden meestal aangekon-digd. Bepaalde acties zijn verworden tot ware actieritue-len. Dat betekent dat herhaaldelijk op dezelfde wijze actieworden gevoerd. Die acties zijn door hun rituele karakter,grotendeels voorspelbaar en beheersbaar.Sommige initiatieven begaan in het nastreven van hundoelstellingen wetsovertredingen. Het gaat dan bijvoorbeeld om het onbevoegd overtreden van privé-terrein, negeren van een ambtsbevel of om blokkade-acties. Ook openbare ordeverstoringen vinden met enigeregelmaat plaats. Denk aan de tegendemonstraties vande Antifascistische Actie, waarbij dit initiatief zich metgeweld keert tegen haar tegenstrevers: nationalisten,extreemrechtse groepen en/of de politie.Fysiek geweld tegen personen is uitzonderlijk. Wel kanmet eenvoudige tactieken effectief dreiging wordenopgeroepen, zoals met dreigmails of zogeheten ‘namingand shaming’. Voor slachtoffers is het lastig in te schattenof, hoe en op welk moment zij met acties geconfronteerdzullen worden. Dat kan bedreigend overkomen. Hetstrafrecht biedt in dergelijke gevallen weinig soelaasvoor gedupeerden.Overtuigers, afdwingers en geweldplegersWij merken dat met enige regelmaat de initiatieven overéén kam worden geschoren. Een door ons noodzakelijkgeachte differentiatie tussen verschillende initiatievenontbreekt tot op heden. Daardoor komt een nuchterebenadering en inschatting van veiligheidsrisico’s in hetgedrang. Een mogelijkheid om risico’s en initiatievenscherper op hun ‘credentials’ te beoordelen, is doorgebruikmaking van een typologie. Wij doen daartoe eeneerste aanzet (zie kader). De typen onderscheiden zichprimair van elkaar door de tactieken en middelen die zijhanteren om hun ideaal te bewerkstelligen.AfsluitingWe mogen concluderen dat de bestudeerde initiatievenweliswaar overwegend voortkomen uit links ideologischestromingen, maar dat zij vaak nauwelijks link zijn en ookniet extreem. Toch zien we de afgelopen periode ook eentendens van verharding, vooral in de acties tegen hetNederlandse migratie- en asielbeleid. Enkele ‘home-visits’en opgeëiste brandstichtingen door claimgroepen als‘The Anarchist Fire’ vormen illustraties van een specifiekeactiecampagne tegen publieke en private partijen.Afgezien van die verharding (waaraan veiligheidsrisico’szijn verbonden) begeeft het gros van de initiatieven zichgrotendeels binnen het democratisch spectrum. Dergelijkactivisme kan bovendien ook een signaalfunctiehebben; zij attendeert op maatschappelijke misstandenof onrecht en articuleert zorgen. We moeten er voorwaken dat deze initiatieven, in het licht van de waar-genomen verhardings- tendens, gehanteerde overheids-definities en publieke AIVD nota’s, niet over één kamworden geschoren. Samenvatting• De bestudeerde initiatieven komen overwegendvoort uit links ideologische stromingen, maar zijnin de praktijk nauwelijks link of extreem.• Veiligheidsrisico’s in termen van wetsover-tredingen en/of openbare orde zijn beperkt.• Er is onvoldoende differentiatie tussen diverseinitiatieven. Daarom is een voorlopige typologieopgesteld. Elk type is verbonden aan een specifiekveiligheidsrisico.• De door de overheid gehanteerde beleidsdefinitievan extremisme is te ruim geformuleerd.Reserveer dit etiket voor initiatieven die zichexpliciet en volledig tegen democratischerechtsorde werpen (concrete acties).• Er is sprake van verharding binnen actiecampagnestegen justitiële complexen in aanbouw enuitbreiding van doelwitten.Een pdf van het onderzoek is te downloaden viawww.politieenwetenschap.nl Een handelseditieverschijnt binnenkort bij uitgeverij BOOM.Typen OmschrijvingOvertuigers • Enkel gebruik legale actietactieken en –middelen (demonstraties) • Veiligheidsrisico’s minimaalAfdwingers • Vasthoudend, breed actierepertoire • Wetsovertredingen soms noodzakelijk gevonden (blokkadeacties)Geweldplegers • Fysiek geweld tegen goederen en/of (het dreigen met) geweld tegen personen. • Reële veiligheidsrisico’s in termen van strafbare feiten en/of openbare ordeDe typologie moet verder worden verfijnd, bijvoorbeeld door toepassing in de praktijk.2 Zie o.m. F.J. Buijs en F. Demant, ‘Extremisme en radicalisering’, in: E.R. Muller e.a., Terrorisme. Studies over terrorisme en terrorismebestrijding, 2008, 169-192.
  • 56. Met de inwerkingtreding van het gewijzigde Statuutvoor het Koninkrijk op 10 oktober 2010 ziet hetKoninkrijk der Nederlanden er wezenlijk anders uit.Harold Boersen,directie Koninkrijksrelaties,ministerie van Binnenlandse Zakenen KoninkrijksrelatiesAllereerst bestaat het land Nederlandse Antillen nietmeer. De voormalige eilandgebieden Curaçao enSint Maarten hebben de status van autonoom landgekregen, vergelijkbaar met de status van Aruba.De eilandgebieden Bonaire, Sint Eustatius en Saba zijnopenbare lichamen geworden in de zin van artikel 134van de Nederlandse grondwet. Deze eilanden wordenvaak kortweg aangeduid als de BES-eilanden, zoals ookis terug te vinden in de citeertitels van de vele(Nederlandse) wetten die voor deze eilanden gelden,In het kader van dit artikel wordt niet ingegaan opoverige wijzigingen die het gevolg zijn van de wijzigingvan het Statuut of bijvoorbeeld de rijkswet Hof en derijkswet Financieel toezicht. De rijkswet OM vanCuraçao, Sint Maarten en de BES (hierna: rijkswet OM)komt aan de orde voor zover relevant voor de politie.De BES eilanden maken nu dus deel uit van hetNederlandse staatsbestel maar daarbij dient direct dekanttekening geplaatst te worden dat in het Statuut isgeregeld dat er regels kunnen gelden die (geheel) anderszijn dan de wetgeving zoals die in Nederland geldt.Eén van de meest in het oog springende voorbeeldendaarvan is dat de rechtsprekende bevoegdheid op dezeeilanden is toegekend aan het gemeenschappelijk Hofvan Justitie en niet wordt uitgeoefend door de rechter-lijke organisatie zoals wij die nu tot nu toe kennen inNederland.De wetten die op de BES- eilanden gelden zijn dusNederlandse wetten (en geen rijkswetten) maar daaromniet gewoon de Nederlandse wetten. De Wet OpenbareLichamen (hierna: WolBES) en de Invoeringswetopenbare lichamen BES (IBES) en de Wet financiënopenbare lichamen BES (FinBES) regelen de inrichtingvan de openbare lichamen in het Nederlandsestaatsbestel.Als uitgangspunt geldt voor de wetgeving op deBES-eilanden geldt, dat bij aanvang (dus vanaf transitie,10 oktober 2010) de wetgeving die op de eilanden vankracht was, zal blijven gelden. De wet IBES regeltzodoende de omvorming van Antilliaanse recht totNederlands recht. Daarnaast bevatten verschillendeaanpassingswetten voor de openbare lichamen(ABES-wetten) wijzigingen van de overgenomenAntilliaanse regelingen, deels in verband met het feitdat er twee nieuwe landen in de plaats treden van hetvoormalige Antilliaanse staatsverband. Daarnaast zijn eraanpassingen noodzakelijk vanwege de eisen diebepaalde vakministers stellen aan de uitvoering vanhun bevoegdheden op de BES–eilanden. Voor sommigebeleidsterreinen is er gekozen voor specifieke nieuweBES wetgeving. In het kader van dit artikel is deVeiligheidwet BES van belang, die overigens deelsgebaseerd is op de rijkswet Politie.Het is (ook) voor het terrein van openbare orde enveiligheid van belang in het achterhoofd te houden datde situatie op de BES-eilanden (dus) niet hetzelfde is alsin Nederland, overigens niet alleen als het gaat om degeldende regelingen. De WolBES regelt een vorm vandecentraal lokaal bestuur op de BES-eilanden vergelijk-baar met Nederlandse gemeenten. Er is een eilandsraad(gemeenteraad), bestuurscollege (college van BW) eneen gezaghebber (burgemeester). Het provincialeniveau ontbreekt, maar er is wel eenRijksvertegenwoordiger die verantwoordelijk is voor hettoezicht op de lokale besturen en in de VeiligheidswetBES bevoegdheden toegekend heeft gekregen dieverwant zijn aan die van de Commissaris der Koninginin Nederlandse regelgeving zoals de Wet op deVeiligheidsregio’s.De Veiligheidswet BES stelt regels inzake de politie,de brandweerzorg, de rampenbestrijding en decrisisbeheersing op de eilanden. De Nederlandse Wetveiligheidsregio’s en de Politiewet 1993 zijn niet vankracht op Bonaire, Sint Eustatius en Saba. Voor depolitie is deze wet voor een belangrijk deel gebaseerdop de rijkswet Politie. Dat vertrekpunt is van grootbelang. De rijkswet politie geeft de hoofdlijnen vande inrichting van de politie van de landen Curaçao enSint Maarten en voor de politie van de BES-eilanden.Openbare orde en veiligheid op de BESMagazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201056
  • 57. 1 voetnootDaarnaast kent de rijkswet vooral bepalingen die deonderlinge samenwerking moet waarborgen dooruniforme eisen te stellen aan opleiding, ambtsinstructie,kwaliteitseisen en uitrusting. De politie op de BES heeftnet als in Nederland een duaal gezag dat bestaat uit degezaghebber of het openbaar ministerie. Dat openbaarministerie is geregeld in de rijkswet OM. De rijkswetpolitie regelt dat er een politiekorps is voor de BES-eilanden en dat de minister van BZK (nu dus de ministervan VJ) korpsbeheerder is.De Veiligheidswet BES bevat in aanvulling op deRijkswet politie een aantal regels inzake de politie endaarnaast wettelijke bepalingen over het gezag en hetbeheer van de brandweer en over de bestuurlijkeverantwoordelijkheden ten aanzien van de rampen-bestrijding en crisisbeheersing. Vanwege de afstandtussen de eilanden is er geen intereilandelijk bestuurtussen de eilanden. Behalve bepalingen over de rol enpositie van de gezaghebbers (vergelijkbaar met deNederlandse burgemeesters), de bestuurscolleges ende korpsbeheerder van het korps politie Bonaire,Sint Eustatius en Saba en het brandweerkorps Bonaire,Sint Eustatius en Saba, bevat de veiligheidswet BES ookregels over de taken en verantwoordelijkheden van derijksvertegenwoordiger. De rijksvertegenwoordigerneemt op basis van de Veiligheidswet BES een positie indie vergelijkbaar is met de commissaris van de Koningin de Nederlandse Wet veiligheidsregio’s, maar verschiltdesalniettemin ook op een aantal onderdelen.Op basis van de Veiligheidswet BES heeft deRijksvertegenwoordiger de beschikking over eenaanwijzingsbevoegdheid bij een ordeverstoring vanboveneilandelijke betekenis. Tevens vervult hij eenspilfunctie bij verzoeken om bijstand van onderdelenvan de krijgsmacht aan de politie, zowel in het kadervan de handhaving van de openbare orde als bij destrafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en detaken ten dienste van de justitie, alsmede de rampen-bestrijding en crisisbeheersing. In het kader van derampenbestrijding en crisisbeheersing heeft deRijksvertegenwoordiger de bevoegdheid tot het gevenvan aanwijzingen aan de gezaghebbers over het beleidinzake de rampenbestrijding en crisisbeheersing ingeval van (ernstige vrees voor het ontstaan van) eenramp of crisis van boveneilandelijke betekenis.Daarnaast is hem opgedragen door de bestuurscollegesvastgestelde rampen- en crisisplannen te toetsen. Methet oog op de noodzakelijke samenwerking met andereeilanden is de Rijksvertegenwoordiger aangewezen eencoördinatieplan ter zake van de rampenbestrijding encrisisbeheersing op te stellen. Verder heeft deRijksvertegenwoordiger de bevoegdheid een aanwijzingte geven in het geval een bestuursorgaan tekortschietin de taakuitvoering op het terrein van de rampen-bestrijding, crisisbeheersing, geneeskundige hulp-verlening of de brandweerzorg.Evenals in de Wet veiligheidsregio’s is bepaald, kan deMinister indien het algemeen belang dit eist bevoegd-heden van de gezaghebber en deRijksvertegenwoordiger aan zich trekken of een anderermee belasten. Dit zal echter beperkt blijven tot zeeruitzonderlijke omstandigheden en vergt een apartkoninklijk besluit.De Veiligheidswet BES is opgenomen in het Staatsblad362 van 1 oktober 2010.57Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010
  • 58. Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 201058Prof. dr. Bob de Graaff, lid van de redactieraad van het Magazine, is benoemd tothoogleraar Inlichtingen en Nationale Veiligheid op de Faculteit MilitaireWetenschappen (FMW), onderdeel van de Nederlandse Defensie Academie(NLDA). Het vakgebied richt zich op de studie van inlichtingen en de wijzewaarop dit van invloed is op nationale veiligheid. De resultaten hiervan zijn vanbelang bij de besluitvorming over militaire inzet tijdens conflicten en oorlog.De NLDA biedt in samenwerking met de Universiteit van Amsterdam vanaf ditacademisch jaar een minor Inlichtingen en Veiligheid aan de studierichtingKrijgswetenschappen. Met de instelling van deze leerstoel en de benoeming vande hoogleraar geeft de NLDA een impuls aan de kwaliteit van het onderwijs enonderzoek op het gebied van inlichtingen en veiligheid. De Graaff was tot 2010hoogleraar Terrorisme en Contraterrorisme en directeur van het Centrum voorTerrorisme en Contraterrorisme. Hij was de eerste hoogleraar op dit gebied inNederland. Hij is momenteel ook verbonden aan de afdeling Geschiedenis vanInternationale Betrekkingen van de Universiteit Utrecht.(persbericht ministerie van Defensie)Bob de Graaffhoogleraar Inlichtingen Nationale VeiligheidHet afgelopen jaar hebben vier pilotregio’sin het kader van het project Zelfredzaamheidbij noodsituaties van het ministerie vanVeiligheid en Justitie, instrumenten uitgetestom zelfredzaamheid te vergroten.Amsterdam-Amstelland koos voor eenbuurtgerichte aanpak van risicocommunica-tie en het aanleren van vaardigheden.Moerdijk zette instrumenten in om dezelfredzaamheid op en om industrieterreinMoerdijk te vergroten. Op de Veluwe werdgeoefend met het ontruimen van recreatie-terreinen zonder de aanwezigheid vanhulpdiensten. En Zeeland ontwikkelde eenwebsite met actuele dreigingniveaus vooronder meer elektriciteitsuitval en extreemweer.Ook heeft het NIFV onderzoek gedaan naarsamenwerking tussen hulpdiensten enburgers tijdens enkele rampen uit derecente Nederlandse geschiedenis, en is ergeïnvesteerd in vergroting van het risico-bewustzijn van het algemeen publiek,verminderd zelfredzamen en jongeren.Drie regiobijeenkomstenBent u benieuwd naar de resultaten van depilots en de andere onderdelen van hetproject? Wilt u meedenken hoe zelfred-zaamheid in de toekomst verder bevorderdkan worden? Dan bent u van harteuitgenodigd om een van de drie regiobij-eenkomsten bij te wonen die het ministerievan Veiligheid en Justitie samen met depilotregio’s organiseert.ProgrammaIn een gezamenlijke aftrap zal de gastregiode pilot aan u presenteren en krijgt u vanhet ministerie van Veiligheid en Justitie eenpresentatie van de projectresultaten.Vervolgens kunt u in twee rondes kiezen uiteen zestal workshops. Elke pilot verzorgteen eigen workshop. Daarnaast zal het NIFVin een workshop dieper ingaan op hetomgaan van hulpverleners met helpendeburgers. Naast het uitwisselen van kennis enervaring op het gebied van zelfredzaamheidis er tijdens de bijeenkomst volop gelegen-heid collega’s uit het veiligheidsnetwerk teontmoeten.AanmeldenVoor meer informatie over en aanmeldingvoor deze (kostenloze) bijeenkomsten, kuntu mailen naar: zelfredzaamheid@minbzk.nl58Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010Middelburg:20 januari van 10.00 uur tot 14.00 uurAmsterdam:17 februari 13.00 uur tot 17.00uurArnhem:7 april 10.00 uur tot 14.00 uurLandelijk draaiboekhoogwater enoverstromingOp 18 november is het Landelijk draaiboek hoogwateren overstromingen verschenen. Het draaiboekbeschrijft de landelijke coördinatie en opschalingbinnen de waterkolom (waterschappen, ministerievan Infrastructuur en Milieu en provincies) bij een(dreigende) overstroming met bovenregionaleeffecten. Het beschrijft taken en verantwoordelijk-heden van de betrokken partijen. Het gaat daarbijvooral om het mogelijk maken van de landelijkecoördinatie van de informatievoorziening gerichtop het verkrijgen van een eenduidig landelijk beeldvan de waterstaatkundige toestand en de landelijkeafstemming van maatregelen met bovenregionaleeffecten. Het landelijke draaiboek is afgestemdmet het Nationaal Crisisplan Hoogwater en Over-stromingen van het ministerie van Veiligheid enJustitie.regiobijeenkomstenzelfredzaamheidbij noodsituatiesLandelijk draaiboekhoogwater enoverstromingOp 18 november is het Landelijk draaiboek hoogwater
  • 59. Redactieadres Magazine nationale veiligheiden crisisbeheersingMinisterie van Veiligheid en JustitiePostbus 203012500 EH Den HaagE-mail: crisisbeheersing@minbzk.nlRedactieRedactiecommissie: Ruth Clabbers,Marije Breedveld, Donna Landa,David van Veenendaal,Lodewijk van Wendel de Joode enGeert Wismans (samenstelling eneindredactie)Redactiesecretariaat: Nalini Bihari(070-426 53 00)RedactieraadProf. dr. Ben Ale (Technische UniversiteitDelft)Dr. Arjen Boin (Universiteit Utrecht)Mr. dr. Ernst BrainichDr. Menno van Duin (Nederlands InstituutFysieke Veiligheid)Prof. dr. Georg Frerks (UniversiteitWageningen)Prof. dr. Bob de Graaff (NederlandseDefensie Academie)Prof. dr. Ira Helsloot (Vrije UniversiteitAmsterdam)Prof. dr. Erwin Muller (Universiteit Leiden)Dr. Astrid Scholtens (Crisislab)Prof. dr. Erwin Seydel (Universiteit Twente)Prof. dr. Peter Werkhoven (TNO Defensie enVeiligheid)Prof. dr. Rob de Wijk (The Hague Centre forStrategic Studies)Aan dit nummer werkten mee:Ben Ale, Delilah Al-Khudairy, AlessandroAnnunziato, Vincent van Beest, HaroldBoersen, Marc Bökkerink, AndriesBoneschansker, Marije Breedveld, ClaartjeBrons, Anton van Wijk, Raimond Duijsens,Maris den Engelsman, Pamela van Erve, ErikFrinking, Peter Glerum, KristalinaGeorgieva, Jan Goeijenbier, CorsmasGoemans, Erik van der Goot, PeterGoudsmits, Tom de Groeve, Jolanda Haak,Siobhan Harty, Alexander Heijnen, MichielHoorweg, Eric J. van der Horst, GáborIklódy, Khan Jahier, Erik Klaver, DouweLeguit, Jens P. Linge, Gaël Marchand, Ronde Meyer, Immanuel Nijssen, Hans OudeAlink, Marc van Oudheusden, MichelRademaker, Marlies van Reenen, Ad de Roo,Caroline van der Schaaf, Ton Slewe, ErikSoonieus, Kim Steenbergen, MarijkeStokkel, Erik Teepe, Marieke Timmermans,Jan van Tol, Maaike van Tuyll, Laurens vander Varst, Paul Vierveijzer, René Voogt, Robde Wijk, Janneke ZaalFotografieEagle, Europese Commissie, EU-MIC, RobJastrzebski, NATO, Nederlandse Rode Kruis,Public Safety Canada, Jan van Tol,WaterSave.EU, WFFIIlustratiesENISA, HCSS, NATO, Nederlandse RodeKruis, Marc van Oudheusden, ProvincieZeeland, WFFVormgevingGrafisch Buro van Erkelens, Den HaagProductiebegeleidingMinisterie van Binnenlandse Zaken enKoninkrijksrelatiesDirectie Communicatie en Informatie /Grafische en Multimediale DienstenDrukOBT bv, Den Haag© Auteursrecht voorbehouden.ISSN 1875-7561ColofonVoor een gratis abonnement mail: crisisbeheersing@minbzk.nl.Het magazine is te downloaden viawww.rijksoverheid.nl/onderwerpen/crisis-en-nationale-veiligheid.Magazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 2010w 593 | Introductiecolumn Rob de Wijk 5 | Nationale Veiligheid - de Britse aanpak6 | Nieuwe uitdagingen voor de NAVO 9 | Naar Europese richtlijnen voor methodiekrisicoanalyse 10 | Nationale risicoanalyse in Frankrijk 11 | De EU Interne Veiligheids-strategie 12 | EU-crisismanagement: uitdagingen en oplossingen 15 | World ForesightForum april 2011 16 | Europa en internationale assistentie – zenden en ontvangen18 | All-hazards risk assessment crisismanagement – de Canadese aanpak 20 | Rode KruisWorld Disaster Report symposium 24 | Internationale aandacht voor de risico-regelreflex28 | Noodhulp Pakistan netcentrisch gecoördineerd 29 | Handboek maakt internationalebijstand werkbaar 30 | Up Safety – Europees project Ondergrondse veiligheid 31 | Water.Save.EU 60 | Vier vragen aan Europees Commissaris GeorgievaInhoudHet Magazine nationaleveiligheid en crisisbeheersingis een tweemaandelijkseuitgave van de directieNationale Veiligheid vanhet ministerie van Veiligheiden Justitie.Het blad informeert,signaleert en biedt eenplatform aan bestuurdersen professionals overbeleidsontwikkeling,innovatie, uitvoering enevaluatie ten aanzien vannationale veiligheid encrisisbeheersing.De verantwoordelijkheid voorde inhoud van de artikelenberust bij de auteurs.32 | Cyber Storm III@NL-ICT verstoringen zijn nietalleen virtueel!34 | Eerste Nationale Trendrapport Cybercrime enDigitale Veiligheid36 | ICT kwetsbaarheid en invulling Nederlandse cybersecurity strategie37 | Oefening Cyber Europe 201040 | Evaluatiecommissie Q-koorts42 | Kabinetsreactie op rapport Commissie Van Dijk43 | Giframp Hongarije – alweer… toezicht44 | Bosbranden in Rusland46 | Slachtofferregistratie na rampen48 | Hulpverleners ten onrechte bang voor radioactieve besmetting50 | Voorbereiding op pandemie – case Luchtvaart!51 | Boekrecensie: Gwynne Dyer - Klimaatoorlogen52 | Bezuinigingsdruk vraagt om slimmersamenwerken54 | Link(s)e bewegingen in Nederland: definities enveiligheidsrisico’s56 | Openbare orde en veiligheid op de BES58 | Regiobijeenkomsten zelfredzaamheid bijnoodsituaties58 | Landelijk draaiboek hoogwater en overstroming58 | Bob de Graaff hoogleraar Inlichtingen en NationaleVeiligheidThema: Internationale dimensieOverige onderwerpenMagazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/december 20102
  • 60. Uri Rosenthal,minister van Buitenlandse ZakenMagazine nationale veiligheid en crisisbeheersing november/dcemberr 201060jaargang 9 | nummer 6 | november/december 2010 Magazinenationale veiligheiden crisisbeheersingThema: Internationale dimensieCyber securityAanpak Q-koorts geëvalueerdVier vragen aan:Wat is het doel van uw recente voorstel totversterking van de Europeserampenbestrijdingscapaciteit?“Ons beleidsvoorstel behelst de ontwikkelingvan een structuur voor efficiëntere rampen-bestrijding door de EU zodat het mogelijkwordt sneller hulp te bieden waar enwanneer dat nodig is en dat tegen de laagstekosten voor de belastingbetaler. Doelen zijnbetere planning met behulp van referentie-rampscenario’s, de beschikbaarheid vanmiddelen voor snelle interventie zowelbinnen als buiten de EU te waarborgen,de logistiek te verbeteren en de kosten-effectiviteit te waarborgen door dubbelwerk te vermijden en voort te bouwen ophetgeen reeds goed functioneert.Het komt erop neer dat we voorstellen eenEuropean Emergency Response Capacity (EERC) op tezetten op basis van vooraf door de lidstatentoegezegde middelen en vooraf overeen-gekomen noodplannen. Deze middelenblijven onder het beheer van de EU-landenzelf, maar zullen ter beschikking wordengesteld zodra een gezamenlijke Europeseinterventie nodig is. Ook zal er een EuropeanEmergency Response Centre worden opgezet doorsamenvoeging van het huidige Monitoring andInformation Centre (MIC) en de ECHO-crisis-centra voor humanitaire hulp. Het centrumzal 24 uur per dag operationeel zijn.Behalve voor monitoring en coördinatie zaler ook een grote capaciteit voor planningbeschikbaar zijn.”Hoe kunnen de lidstaten bijdragen aan dezeresponscapaciteit?“Elke staat heeft de plicht de veiligheid vanzijn ingezetenen te beschermen. Groterampen kunnen de nationale capaciteitechter te boven gaan. In dergelijke gevallenkan een gecoördineerde Europeseinterventie effectiever zijn. Wij stellen een‘bottom up’ aanpak voor die gebaseerdwordt op bestaande capaciteiten waarbij delidstaten bepaalde middelen in een poolonderbrengen (bij voorbeeld voor water-zuivering, search and rescue of voor hetbestrijden van bosbranden, medischeunits). Deze middelen worden beschikbaargesteld voor EU-operaties, maar blijvenonder het nationale gezag.”Hoe kijkt u aan tegen samenwerking enafstemming met andere internationaleorganisaties zoals het Rode Kruis, de NAVO enUN-OCHA?“Bij grote rampen buiten de EU coördineerten bevordert het MIC de hulp van lidstatendie dan adequaat wordt geïntegreerd in deoverige hulpinspanningen. Voor deVerenigde Naties is het efficiënter wanneer erafgestemd kan worden op basis van één goedgecoördineerd hulppakket vanuit de EU dante moeten onderhandelen met 27 verschil-lende partners. Daarom is de VN een zeergroot voorstander van onze initiatieven totbetere afstemming van EU-interventies. DeCommissie ondersteunt de leidende rol vande VN bij rampen buiten de EU. We onder-houden verder een uitstekende werkrelatiemet het UN Office for Coordination of HumanitarianAffairs (UN-OCHA). Een andere belangrijkepartner is de Internationale Federatie vanRode Kruis- en Halvemaanverenigingen (IFRC)die snel kan optreden bij natuurrampen en opjaarbasis ongeveer 30 miljoen mensenbijstaat. In 2009 heeft de Commissie ruim 13miljoen euro gefinancierd voor operationeleactiviteiten en capaciteitsopbouw van hetIFRC.We werken pragmatisch samen met de NAVO.Een aantal van onze lidstaten heeft bijvoorbeeld gebruik gemaakt van de luchtbrugvan de NAVO om na de aardbeving van 2005hulpgoederen naar Pakistan te brengen.Tijdens rampen waarbij beide operationeelzijn, wisselen het MIC en het Euro-AtlanticDisaster Response Coordination Centre vande NAVO informatie uit.”Wat is uw bijdrage aan de nieuwe Europeseinterne veiligheidsstrategie?“Het waarborgen van de interne veiligheidvoor Europeanen is een prioriteit bij de EU.Op grond van het Verdrag van Lissabon enhet programma van Stockholm hebben delidstaten begin 2010 een interne veiligheids-strategie ontwikkeld en de EuropeseCommissie opgeroepen concrete voorstel-len voor maatregelen uit te werken. Eindnovember is de interne veiligheidsstrategiegepubliceerd. Eén van de actiepunten uit destrategie betreft het optreden van de EU bijrampen, en bouwt voort op mijn voorstelover EU-capaciteit voor rampenbestrijding.In de nieuwe strategie wordt het belang vanoptreden door de EU op dit terrein nietalleen benadrukt als een mechanisme omhet verlies van mensenlevens te voorkomenen lijden te verzachten, maar ook als eenmiddel om de veiligheid binnen Europa tebevorderen.”Kristalina Georgieva,EU-commissaris voor internationalesamenwerking, humanitaire hulpen crisisbestrijding

×