Museumcollecties onlineEen onderzoek naar de online collectie van hetStedelijk Museum Amsterdam 1996-2012Fransje Panstersa...
Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.2
Fransje Pansters Vrije Universiteit AmsterdamWakkerstraat 59 B Faculteit der Letteren1097 CD Amsterdam Opleiding Master Ku...
Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.4
VoorwoordOp de omslag is een afbeelding te zien van een kunstwerk van Paul Bonger (1949).De foto is afkomstig uit het kuns...
Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.6
InhoudVoorwoord ............................................................................................... 5Inhoud .....
............................................................................3.2. web 1.0 en 2.0 30...........................
H3: De online collectie van het Stedelijk Museum Amsterdam...... 73-87.......................................................
Begrippenlijst .......................................................................................... 117Bibliografie ....
Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.11
Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.12
Inleiding“In het begin van de eenentwintigste eeuw zijn het beheer van collecties en de presentatie van objectenonderhevig...
blog3 bij, zijn ze actief op Flickr4 en YouTube5, lanceren ze podcasts6 en werken zeaan innovatieve projecten voor het ont...
2.1. ProbleemschetsMuseumprofesseionals zijn al geruime tijd geïnteresseerd in de toepassing vaninteractieve multimedia in...
knelpunt dat ze constateren. Het DEN adviseert musea om te investeren in depresentatie van hun collecties op het wereldwij...
vaak. In mijn ogen is dit belangrijk omdat we ons kunnen afvragen hoe nieuw al hetnieuwe feitelijk is.19Al in 1992 gaf Hop...
Deze gedachtegang is typerend voor de het vraagstuk van ‘vernieuwing’ doorde komst van nieuwe media. Het lijkt er op dat d...
volgens hem nog onvoldoende onderzoek gedaan naar het nut van museumwebsites.Welke doelen streven musea hiermee na? Wie be...
informatie- en communicatietechnologie. Hierin staat het ontstaan en deontwikkeling van de museumwebsite centraal. Museumw...
in Amsterdam.31 Daarna zijn er verschillende projecten geweest zoals Stedelijk in deStad en Temporary Stedelijk I, II en I...
(www.museumgeek.wordpress.com).35 Mijns inziens stellen zij relevante vragen enopperen ze interessante ideeën en mogelijke...
INTK40 en ontwikkelde het online platform Museum Analytics. INTK doetonderzoek naar webstrategieën voor de culturele secto...
Verder ben ik van mening dat de kwaliteiten van het web benut kunnenworden om de virtuele en de fysieke wereld beter op el...
doelstellingen formuleert en wat een goede digitale strategie inhoudt.41 Hoofdstukvijf maakt tenslotte de balans van dit o...
Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.26
Hoofdstuk 1: eCultuur is meer dan ‘iets met computers’“(…) Museums, those nineteenth-century monuments to culture and civi...
allereerst op ingaan. Inzicht in het ontstaan van het internet zal aangeven hoe onzeomgang met informatie en communicatie ...
wereldwijde communicatie.45 De uitvinding van e-mail in 197146 en de toenemendecommunicatiekracht van het internet in de j...
werd dankzij ontwikkelingen in het web in 1996. Toen telde het internet 20 miljoengebruikers. In 2000 was dat al uitgegroe...
brainstormsessie voor een conferentie die over dit nieuwe web zou gaan. Tijdens diebrainstorm kwam Dougherty met de term ‘...
Flickr en LinkedIn, waar gebruikers hun mening en content (inhoud) met anderenkunnen delen, spelen een belangrijke rol in ...
Welke invalshoek je ook kiest, zowel het semantische web als web 3.0kenmerken zich door een integratie van verschillende m...
Het is lastig om sluitende definities te geven van web 1.0, 2.0 en 3.0 omdatde grenzen tussen de verschillende fases niet z...
kennissamenleving, netwerksamenleving en beeld- en beleveniseconomie.78 Graag wilik hier het begrip digitalisering aan toe...
het mogelijke gebruik van het gedigitaliseerde materiaal.82De digitalisering van cultureel erfgoed is in twee fases op te ...
geschreven over het menselijk idee van de werkelijkheid, dat we volgens hemconstrueren naar aanleiding van beelden die we ...
hoe heeft haar komst de medialisering van de samenleving versterkt?Deze eerste vraag onderzocht Lev Manovich90, professor ...
van de werkelijkheid kunnen beïnvloeden. Daarmee is ons beeld van de werkelijkheidvluchtiger geworden, omdat het internet ...
stellen een paradox vast. Remediation definieert het unieke van de digitale wereld,maar ontkent tegelijkertijd de mogelijkh...
van kennis een belangrijke rol.102 (zie 1.7). In 2002 constateerde de publicatieInventarisatie Infrastructuur Digitaal Erf...
elkaar in verband te brengen en beschikbaar te stellen.106 Idealiter creëren museaonline een platform dat een inhoudelijke...
van verbanden tussen verschillende soorten informatie mogelijk maakt (web 3.0).112Het is opvallend dat veel theorieën over...
publiek. Hiertoe proberen sommige musea (inter)actief de dialoog met hun publiekaan te gaan, waarvoor onder andere sociale...
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×

Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def

1,154

Published on

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total Views
1,154
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0
Actions
Shares
0
Downloads
12
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Ma thesis f_pansters_museumcollecties online_def

  1. 1. Museumcollecties onlineEen onderzoek naar de online collectie van hetStedelijk Museum Amsterdam 1996-2012Fransje Panstersaugustus 2012
  2. 2. Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.2
  3. 3. Fransje Pansters Vrije Universiteit AmsterdamWakkerstraat 59 B Faculteit der Letteren1097 CD Amsterdam Opleiding Master KunstgeschiedenisEmail VU: f.pansters@student.vu.nl 1800-heden.Email: fransjepansters@hotmail.comTel: 06 2065 0991Studentnummer: 2090554Eerste Begeleider: drs. S.J. KonijnTweede lezer: dr. J.JobseVersie: Definitieve versieAantal woorden: 25.976Datum: 1 augustus 2012Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.3
  4. 4. Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.4
  5. 5. VoorwoordOp de omslag is een afbeelding te zien van een kunstwerk van Paul Bonger (1949).De foto is afkomstig uit het kunstenaarsboek ‘Musea in rust’ - 48 lege museumzalengezien door Paul Bonger, dat Bonger in 1974 publiceerde. Het boek toont paginagrotefoto’s van lege museumzalen van onder andere het Stedelijk Museum Amsterdam, hetVan Abbemuseum en het Gemeentemuseum Den Haag. De getoonde foto isgemaakt in het Stedelijk Museum. Bonger reflecteert hiermee op de relatie tussenkunst en haar omgeving. In de jaren ‘60 en ‘70 van de 20e eeuw werd de waarde vande schilderkunst hevig bediscussieerd en werd het medium zelfs doodverklaard.Bongers lijkt dit te suggereren door de lege wanden te fotograferen.Bongers foto van een lege museumzaal in het Stedelijk Museum sluit goedaan bij het onderwerp van deze scriptie. Omstreeks 1996 verschenen de eerstecollectiestukken van musea online. Op conferenties werd in die tijd veel gesprokenover de vraag of het publiek niet weg zou blijven, nu ze kunst eenvoudig onlinekonden bekijken. Sommigen vreesden zelfs dat het fysieke museum in de toekomstgeheel zou verdwijnen, om plaats te maken voor een virtueel museum. De legemuseumzalen die Bonger fotografeerde staan hier in mijn ogen symbool voor. In dezescriptie wordt het wereldwijde proces van digitalisering en het online ontsluiten vanmuseumcollecties inzichtelijk gemaakt.Veel dank gaat uit naar Fieke Konijn, Matthijs van der Meulen, Rui Guerraen Susan Cairns.Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.5
  6. 6. Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.6
  7. 7. InhoudVoorwoord ............................................................................................... 5Inhoud ..................................................................................................... 7Inleiding .................................................................................................. 13-25...............................................................1. Het digitale museumveld 13...........................................................................2.1. Probleemschets 15.................................................2.2. Hoe vernieuwend is het nieuwe? 16....................................2.3. Doelstellingen: wat willen musea online? 18....................................................................................3. Onderzoek 19......................................................................................4. Werkwijze 21...................................................................................5. Doelstelling 24............................................................................................6. Opzet 24H1: eCultuur is meer dan ‘iets met computers‘ ................................. 27-46........................................................................................1. Inleiding 27..............................................................2. Ontstaan van het internet 28.................................................................3.1. Ontstaan van het web 29Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.7
  8. 8. ............................................................................3.2. web 1.0 en 2.0 30......................................................................................3.3. web 3.0 32........................................................................................4. eCultuur 34.................................................................................5. Digitalisering 35..............................................................................6.1. Medialisering 36...............................................................................6.2. Remediation 39.....................................................................7.1. Kennissamenleving 40.................................................................8.1. Netwerkmaatschappij 42......................................................9.1. Beeld- en Beleveniseconomie 43..............................................................9.2. Interactie en Participatie 44...........................................................10. Samenvatting en conclusie 45H2. Problemen bij het digitaliseren ..................................................... 49-70........................................................................................1. Inleiding 49.........................................2.1. De mythe van het internet als archief 50.........................................................................2.2. Internet Archive 53...................................................................................2.3. Archive-It 55................................2.4. Webarchief van de Koninklijke Bibliotheek 56.................................................................................3.1. Auteurswet 57....................................................................3.2. Creative Commons 60...........................................4.1. Angst voor een verlies aan autoriteit 62...................4.2. Het online publiek: van consument naar producent 64......................................................................4.3. Walker Art Center 66.............................................................5. Samenvatting en conclusie 68Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.8
  9. 9. H3: De online collectie van het Stedelijk Museum Amsterdam...... 73-87........................................................................................1. Inleiding 73.......................2. De collectie van het Stedelijk Museum Amsterdam 75........................................................3. Digitalisering van de collectie 774.1. (1996-2012) www.stedelijk.nl ................................................... 794.2. Ontsluiting van de collectie op www.stedelijk.nl in historisch.........................................................................................perspectief 80..........................................................................4.2.1. Anthon Beeke 80..................................................................4.2.2. Experimental Jetset 82........................4.2.3. Mevis & Van Deursen (‘Temporary Stedelijk’) 83..........................................4.2.4. Fabrique en Mevis & Van Deursen 84.............................................................5. Samenvatting en conclusie 86H4: Doelstellingen van de online collectie ......................................... 89-106........................................................................................1. Inleiding 89..........................................................2. Wat is een digitale strategie? 91.......................................................3. Waarom een digitale strategie? 92...............................4.1. Digitale strategie van het Stedelijk Museum 94..............................................................................4.2. Best Practice? 96...................................................5.1. Hoe evalueer je doelstellingen? 98............5.2. Onderzoeken in Nederland vergelijkbaar met Culture24 101......................................................................5.3. Museum Analytics 103.............................................................6. Samenvatting en conclusie 105H5: Conclusie .......................................................................................... 109Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.9
  10. 10. Begrippenlijst .......................................................................................... 117Bibliografie .............................................................................................. 123Bijlagen .................................................................................................... 135-161..................................................1. Overzicht opkomst sociale media 136....................2. Overzicht directeuren Stedelijk Museum Amsterdam 137......................................3. Schermafbeeldingen websites 1996-2012 138...............4. Overzicht 10 hoogtepunten zoals op de website in 2000 152...............5. Overzicht 10 hoogtepunten zoals op de website in 2004 154...................6. Anderson’s methode voor evaluatie doelstellingen 118 158Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.10
  11. 11. Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.11
  12. 12. Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.12
  13. 13. Inleiding“In het begin van de eenentwintigste eeuw zijn het beheer van collecties en de presentatie van objectenonderhevig aan grote veranderingen, doordat het gebruik van informatie- en communicatietechnologiein de context van het museum haast onontkoombaar is.”(Martijn Stevens)11. Het ‘digitale’ museumveldVeranderingen door de komst van communicatie- en informatietechnologie zijn bijmusea wereldwijd merkbaar. Dit is onder andere te zien aan websites en onlinecollecties, die sinds de komst van het wereldwijde web in 1996 zijn gelanceerd.Verder investeren musea in activiteiten op sociale media,2 houden veel musea eenFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.131 Stevens, 2009, p.202 Faceook en Twitter zijn hiervan de belangrijkste.
  14. 14. blog3 bij, zijn ze actief op Flickr4 en YouTube5, lanceren ze podcasts6 en werken zeaan innovatieve projecten voor het ontwikkelen van Apps7, Augmented Reality (AR)8en games. Onlangs lanceerden onder andere het Tate in Londen, het MetropolitanMuseum of Art in New York en het Walker Art Center in Minneapolis, een nieuwewebsite. Veel andere musea werken momenteel aan een uitbreiding van de onlinecollectie en willen deze op een vernieuwende manier presenteren. In Nederlandhebben het Centraal Museum en het Stedelijk Museum Amsterdam recent eennieuwe website gepresenteerd.9 Het Rijksmuseum, het Van Gogh Museum en hetGemeentemuseum gaan binnenkort online met een nieuwe website.Op toonaangevende internationale conferenties zoals Museums and the Web(MW), MuseumNext (MN), Museum Computer Network (MCN) en hetNederlandse DISH,10 is veel aandacht voor reflectie op huidige ontwikkelingen.Conferenties spelen al sinds de jaren ’60 een belangrijke rol voor het in kaart brengenvan ontwikkelingen en problemen omtrent musea en hun digitale en onlineactiviteiten. Twee terugkerende kwesties waaraan op deze conferenties door de jarenheen aandacht is besteed, vormen het uitgangspunt van deze scriptie.Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.143 Blog is een samentrekking van ‘weblog’. Een dynamisch online publicatiesysteem, ontworpen voorinteractie door het posten van verhalen en kennis. De eigenaar van de blog kan hier reacties encommentaar op ontvangen waardoor een discussie kan ontstaan.4 Flickr is een platform voor het delen van foto’s.5 In 2009 richtte het Museum Boijmans van Beuningen, een speciaal videokanaal op voor musea.Hierop verschijnen onder andere video’s over kunstwerken en interviews met kunstenaars encuratoren. In november 2011 is dit platform uitgebreid, met deelname van het Stedelijk MuseumAmsterdam, het M HKA in Antwerpen, het Gemeentemuseum in Den Haag en de Pont in Tilburg.“Zo wordt ArtTube het grootste collectieve videoplatform voor kunst en design in Nederland enBelgië.” ArtTube werd opgericht in navolging van het Amerikaanse ArtBabble, een initiatief van hetIndianapolis Museum of Art. In: De Witte Raaf, 154(26), november-december 2011. Nieuws-item.6 Het woord podcast is een samentrekking van iPod en broadcasting (uitzenden). Een podcast is eenradio-uitzending via internet. Een podcast wordt, als u dat wilt, automatisch op uw computer gezet(gedownload) zodra de uitzending beschikbaar is. U kunt de uitzending vervolgens gratis beluisteren,waar en wanneer u maar wilt. Hiervoor kunt u gebruik maken van iedere mp3-speler. http://vorige.nrc.nl/podcast/article1847633.ece7 App is een afkorting voor het Engelse ‘application’, waarmee een toepassingsprogramma wordtbedoeld. Mircosoft Word is bijvoorbeeld een applicatie om tekst te verwerken. De term App verwijstechter vooral naar applicaties die voor smartphones worden ontwikkeld.8 Door middel van Augmented Reality (AR) worden virtuele beelden op de werkelijkheidgeprojecteerd. Er wordt informatie toegevoegd aan het beeld dat je momenteel voor ogen hebt.Augmented Reality wordt veelal toegepast in musea, in de auto- en vliegtuigindustrie, in de medischewereld en ook in pretparken. http://www.fabrique.nl/blog/tag/stedelijk-museum/9 Het Centraal Museum deed dit in december 2011. Het Stedelijk Museum in de zomer van 2012.10 DISH staat voor Digital Strategies for Heritage, en is een conferentie die in Nederland wordtgeorganiseerd.
  15. 15. 2.1. ProbleemschetsMuseumprofesseionals zijn al geruime tijd geïnteresseerd in de toepassing vaninteractieve multimedia in hun museum. In 1991, één jaar na de lancering van hetweb en vijf jaar voor de doorbraak van het internet als nieuw medium, besprakenmuseumprofessionals de mogelijkheden van multimedia in het museum tijdens deeerste International Conferences on Hypermedia and Interactivity in Museums(ICHIM). Onder multimedia werd niet alleen het invoeren van een digitaal collectieregistratiesysteem verstaan (dat de kaartenbakken zou vervangen), maar ook hetorganiseren van ‘interactieve multimedia tentoonstellingen’ met toepassingen zoalsaudiotours.11 De volgende stap voor veel musea was om te verkennen hoe ze decollectie een plaats konden geven op het wereldwijde web (web). In de loop van dejaren negentig raakten steeds meer musea geïnteresseerd in het gebruik van interneten ontstond steeds meer behoefte aan het delen van internet-ervaringen.12 Daaromwerd in 1997 de eerste internationale Museums and the Web conferentie gehouden,die met meer dan 400 afgevaardigden een succes was.13 Tijdens de conferentie werdbesproken welke nieuwe perspectieven informatietechnologie kon bieden voor museabij het presenteren van objecten en informatie. Binnen de informatietechnologie lagde nadruk tijdens het congres op de vraag hoe het internet als kennis- encommunicatiesysteem door musea ingezet kon worden.14 In 1997 constateerde mendat de meeste museumwebsites (nog) niet meer waren dan een virtuele vertaling vanhet fysieke museum, terwijl het internet veel meer mogelijkheden zou kunnenbieden.15Deze constatering werd een jaar later bevestigd door Morten Hertzum in zijnartikel A review of museum web sites: in search of user-centerd design. Tien jaar later, in2007 blijkt uit een rapport van de Stichting Digitaal Erfgoed Nederland (DEN)opnieuw dat veel museumwebsites matig gebruik maken van de mogelijkheden vanhet internet, ondanks de congressen en discussies die hebben plaatsgevonden. Voorhet onderzoek van Hertzum zijn zeventien internationale museumwebsitesbestudeerd, het DEN onderzocht honderd websites van Nederlandse musea. Het isopvallend dat Hertzum en DEN met een tussenpose van negen jaar, grotendeels toteen gelijke conclusie komen. Ze bieden echter een andere oplossing voor hetFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.1511 Schweibenz, 1998, p. 379.12 Schweibenz, 1998, introduction13 Bowen, Bennett & Johnson, 1998. Inmiddels is de conferentie uitgegroeid tot een wereldwijdtoonaangevend evenement op het gebied van musea en nieuwe media.14 Schweibenz, 1998, introduction15 Riley-Huff, 2009, p. 82
  16. 16. knelpunt dat ze constateren. Het DEN adviseert musea om te investeren in depresentatie van hun collecties op het wereldwijde web, om zo beter aan te kunnensluiten bij de voortschrijdende digitalisering van de samenleving.16 In de huidigesamenleving is een museumwebsite namelijk een belangrijke bron van informatievoor het publiek.17 Hertzum verlegt de aandacht van de collectie naar het publiek enpleit voor museumwebsites die meer gericht zijn op de wensen en behoeften van degebruiker.Met name Hertzums argumentatie vormt een belangrijk uitgangspunt in dezescriptie omdat zijn bevindingen uit 1998 nog steeds actueel blijken te zijn. Hertzumstelt een aantal knelpunten vast, die hij samenvat in drie karakteristieken. Deze zijnvolgens hem terug te vinden in alle museumwebsites die hij onderzocht. Allereerstconstateert Hertzum dat de meerderheid van de museumwebsites is ontwikkeldzonder dat een heldere doelstelling is geformuleerd waaruit duidelijk wordt wat dewebsite zou moeten opleveren. Ten tweede concludeert Hertzum dat er een gebrek isaan evaluatie van museumwebsites. Dit is nodig om bijvoorbeeld te kunnenachterhalen hoe gebruiksvriendelijk ze zijn en of beoogde doelen worden behaald. Alslaatste stelt Hertzum, net zoals het DEN, dat museumwebsites weinig vernieuwendzijn doordat ze nog matig gebruik maken van de mogelijkheden van het internet:“e material on the sites tends to duplicate material in the pysical museums rather than torethink it, given the possiblities provided by the new medium”18Alvorens gebruiksvriendelijke websites ontwikkeld kunnen worden, moeten dezekarakteristieken overstegen worden. De drie karakteristieken die Hertzum noemtvormen een leidraad in deze scriptie.2.2. Hoe vernieuwend is het nieuwe?Anno 2012 lijken de meeste musea het belang van internet en digitale toepassingenniet langer te ontkennen. Veel grote kunstmusea in Nederland denken op ditmoment actief na over hun digitale presentatie. Op websites, blogs en conferenties iser veel aandacht voor dit ‘nieuwe’. Reflectie op het oude en een schets van dehistorische ontwikkeling van het digitaliseringsproces in musea, ontbreekt echterFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.1616 Stevens, 2009, p. 1517 Idealiter dient de website ter oriëntatie voorafgaand aan het museumbezoek. Echter, ook tijdens enna het museumbezoek kan deze een belangrijke rol spelen, bijvoorbeeld voor de meer geïnteresseerdebezoeker die op de website allerlei extra informatie kan raadplegen.18 Hertzum, 1998, A review of museum web sites: in search of user-centerd design, p. 127.
  17. 17. vaak. In mijn ogen is dit belangrijk omdat we ons kunnen afvragen hoe nieuw al hetnieuwe feitelijk is.19Al in 1992 gaf Hoptman een beschrijving van het virtuele museum, dieverrassend goed overeenkomt met wat musea vandaag de dag nastreven met hunonline collectie. In Hoptmans virtuele museum staan verbindingen tussen media enkunstobjecten centraal, wat moet leiden tot een op maat gesneden, interactievemuseumbeleving voor de bezoeker:“In a nutshell the Virtual Museum provides mulitple levels, perspectives and dimensions ofinformation about a particular topic: it provides not only multimedia (print, visual imagesthrough photographs, illustrations or video and audio), but, more important, it providesinformation that has not been filtered out through these traditional methods. e ‘virtualmuseum’ is a logically related collection of digital objects composed in a variety of media,and, because of its capacity to provide connectedness and various points of access, it lendsitself to transcending traditional methods of communicating and interacting with the visitorbeing flexible toward their needs and interests; it has no real place or space, its objects andthe related information can be disseminated all over the world.”20Volgens Hoptman biedt het ‘virtuele museum’ een platform voor ongefilterdeinformatie, waarmee hij naar mijn mening bedoelt dat allerlei soorten media samenkunnen komen en elkaar aanvullen. Informatie is daarmee niet louter beschikbaar inde ‘pure’ vorm van beeld, geluid of tekst, maar eerder in een combinatie hiervan. Ditidee komt overeen met wat web 3.0 technologie mogelijk maakt.Wanneer Schweibenz in 1992 Hoptmans typering van het ‘virtuele museum’aanhaalt, stelt hij dat deze opvatting ook toen niet geheel vernieuwend was. VolgensSchweibenz werden vergelijkbare ideeën in 1968 al gepresenteerd door AllonSchoener op de Conference on Computers and their Potential Application in Museums.21Het verschil met 1968 is volgens Schweibenz dat de mogelijkheden die toen werdenbeschreven, dankzij de komst van het internet nu realiseerbaar zijn.22Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.1719 Michael Edson van het Smithsonian Institution maakte dit treffend inzichtelijk tijdens zijnpresentatie op DISH, die in december 2011 werd gehouden in Rotterdam. Hierin toonde Edson aanhoe verschillende auteurs vijf tot tien jaar geleden al spraken over de samenleving en de toekomst en demogelijkheden van het internet. Die toekomst is nu aangebroken, maar binnen de verschillendeculturele organisaties er nog weinig veranderd. Edsons presentatie Let Us Go Boldly Into the Present, isna te lezen op: http://www.slideshare.net/edsonm/michael-edson-let-us-go-boldly-into-the-present-text-version20 Hoptman, 1992, p. 146 In: Schweibenz, 199821 Deze conferentie werd in 1968 georganiseerd door het Metropolitan Museum of Art van 15 tot 17april. De presentaties die zijn gehouden werden gebundeld en zijn uitgeven door Arno Press (NewYork).22 Schweibenz, 1998
  18. 18. Deze gedachtegang is typerend voor de het vraagstuk van ‘vernieuwing’ doorde komst van nieuwe media. Het lijkt er op dat de mogelijkheden van media,computers en het internet altijd goed begrepen werden door technici en anderenbuiten het museale veld,23 maar een goede uitwerking van deze ideeën binnen hetmuseale veld laat tot op de dag van vandaag op zich wachten. Dit wordt vaaktoegeschreven aan een gebrek aan de juiste technische middelen. Uit bovenstaandeanalyse kun je het omgekeerde afleiden: de techniek ontwikkelt zich in hoog tempo,maar de ideeën uit de jaren ’70 en ’90 gaan vandaag de dag nog prima op.Door een gebrek aan historisch inzicht in de manier waarop demogelijkheden van nieuwe media werden ingezet in het museale veld, wordeninitiatieven en mogelijkheden steeds als ‘nieuw’ en ‘vooruitstrevend’ gepresenteerd,terwijl ze dat feitelijk niet zijn. Hoewel musea over de hele wereld de afgelopen jarenflink hebben geïnvesteerd in hun website, sociale media en digitalisering van huncollectie, lijken ze vast te zitten in een soort vooruitstrevendheidsdenken, zonderwerkelijk vooruit te gaan.2.3. Doelstellingen: wat willen musea online?Koven Smith, Director of Technology in het Denver Art Museum (USA)24, sprak inapril 2011 tijdens de Ignite Smithsonian25 conferentie over het doel vanmuseumwebsites. Smith ergert zich aan het feit dat er steeds nieuwe websites wordengemaakt, maar dat er feitelijk weinig vernieuwing in te zien is.26 Bovendien is erFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.1823 Schweibenz constateert bijvoorbeeld in 1998 dat bibliotheken al veel verder zijn in het digitaliserenen online ontsluiten van hun collecties, terwijl ze over dezelfde mogelijkheden beschikken. (p. 378).24 Koven Smith is ‘digital content strategist’ voor culturele erfgoed instellingen. Momenteel is hijwerkzaam als Director of Technology in het Denver Art Museum. In deze functie richt Smith zich ophet structureren, organiseren en presenteren van interessante content met behulp van digitalemiddelen. Bekijk zijn website en weblog op: http://kovenjsmith.com/. Smith’s korte presentatie tijdensde Ignite Smithsonian conferentie is terug te zien op: http://www.ustream.tv/recorded/13933930/highlight/16604125 Ignite is een event met sprekers die elkaar in hoog tempo opvolgen. Het is opgericht door BradyForrest, Techonologie Evangelist voor O’Reilly Media en Bre Pettis van Makerbot.com, het voormaligeMAKE Magazine. Tijdens een Ignite avond hebben sprekers elk twintig powerpoint pagina’s en vijfminuten om te spreken. Dit resulteert in korte, krachtige, inspirerende presentaties. De eerste Ignitevond plaats in 2006 in Seattle. Sindsdien is het een internationaal fenomeen geworden metbijeenkomsten in onder andere Helsinki, Parijs, New York en Amsterdam. In April 2011 organiseerdehet Smithsonain Institution een Ignite met musea en technologie als onderwerp.26 Door de aard van de Ignite-conferentie (elke spreker krijgt slechts vijf minuten), gaat Smith nietdieper in op praktische voorbeelden. Ik denk dat Smith bedoeld dat de mogelijkheden van het interneten met name web 3.0 nog niet optimaal benut worden. Sommige digitale collectiepresentaties zijn nietmeer dan een virtuele vertaling van wat we al kennen uit oudere media, zoals publicaties en collectie-catalogi. Smith: “We’re building a huge wagon, while we actually need an automoblile” Zie http://www.ustream.tv/recorded/13933930/highlight/166041 voor een filmpje van zijn presentatie.
  19. 19. volgens hem nog onvoldoende onderzoek gedaan naar het nut van museumwebsites.Welke doelen streven musea hiermee na? Wie bedienen ze ermee?Het is haast ironisch dat Smiths ‘vernieuwende’ constatering van een gebrekaan vernieuwing, zelf weinig vernieuwend is. Zoals eerder aangegeven, deed Hertzumin 1998 in zijn beschrijving van de karakteristieken van museumwebsites, eenvergelijkbare constatering. Volgens hem werd het merendeel van de museumwebsitestoen ter tijd opgericht, zonder dat musea wisten wat ze met die website wildenbereiken. Daarnaast wijst Hertzum op een gebrek aan inzicht en evaluatie vanmuseumwebsites. Uit Smiths presentatie blijkt dat dit nog altijd een actueel vraagstukis.27Zowel het gebrek aan visie als de oproep voor de evaluatie van doelstellingen,komen in verschillende onderzoeken en publicaties tussen 1998 en 2012 aan bod.Tien jaar geleden, in 2002, bracht het Ministerie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap een publicatie uit genaamd Inventarisatie Infrastructuur Digitaal Erfgoed.Hierin komt opnieuw naar voren dat het in de erfgoedsector ontbreekt aan eenheldere visie voor het toekomstig gebruik van informatie- encommunicatietechnologie.28 Drie jaar later, in 2005 bevestigt Lotte Meijer29 het ideedat veel musea als een kip zonder kop zijn gaan ‘digitaliseren’ toen eenmaal duidelijkwerd dat dit van belang was voor ‘de toekomst’. Ze schrijft in New Media! NewMuseums? dat technologie geen doel op zich is, maar een middel om een bepaald(educatief) doel te bereiken. Musea moeten heldere doelen formuleren, voordat zeeen medium kiezen om deze boodschap te communiceren.30 De vragen waaropmusea een antwoord moeten vinden zijn: wie willen we bereiken, wat willen webereiken en waarom is juist dit medium daar geschikt voor?3. Het onderzoekMijn onderzoek heeft als doel om de veranderingen in kaart te brengen die zichhebben voorgedaan in de internationale museumwereld met de komst vanFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.1927 Hertzum, 1998, A review of museum web sites: in search of user-centerd design, p. 127.28 Velthausz & Bruinsma (red), 2002, p. V29 Lotte Meijer schreef in 2005 haar masterthesis New Media! New Museums? voor de Universiteit vanAmsterdam. In 2007 en 2008 werkte Meijer op de Digitale Media afdeling van het MoMA in NewYork, waar ze werkte aan de prijswinnende website smarthistory, een mulitmediaal kunsthistorischwebboek. http://smarthistory.khanacademy.org/ Ook heeft ze bijdragen geleverd voor een aantalonline initiatieven voor het Museum Boijmans Van Beuningen. Momenteel is ze werkzaam als fellowbij het Exploratorium in San Francisco, waar ze actief is in de New Media Studio. http://www.lottemeijer.com/site2009/index.php en http://www.lottemeijer.com/site2012/index.html30 Meijer, 2005, pp. 15-16
  20. 20. informatie- en communicatietechnologie. Hierin staat het ontstaan en deontwikkeling van de museumwebsite centraal. Museumwebsites zijn veelomvattenden daarom te uitgebreid om als geheel te kunnen onderzoeken. Ze informeren degebruiker onder andere over de collectie, tijdelijke tentoonstellingen en bevattennieuwsberichten, archiefmateriaal, blogs van curatoren en links naar sociale mediazoals Facebook en Twitter, waar een heel nieuw scala aan informatie te ontdekkenvalt. Het Stedelijk Museum Amsterdam zal als casestudy dienen om de huidigeontwikkelingen in kaart te brengen. De nadruk ligt op de kerntaken van hetmuseum: het verzamelen, presenteren, onderzoeken en beheren van kunstobjecten.Dit is terug te vinden op de website onder de sectie online collectie. Deonderzoeksvraag luidt:Op welke manier benut het Stedelijk Museum Amsterdam de mogelijkheden vanhet web in het online ontsluiten van zijn collectie op de museumwebsite?Hiertoe zal ik de websites bestuderen die sinds 1996 op de domeinnaamwww.stedelijk.nl zijn verschenen. Born-digital kunst uit de collectie van het Stedelijkzal buiten beschouwing worden gelaten omdat de omgang hiermee een geheel eigenvraagstuk is. Daarnaast zullen ook sociale media niet nader worden bestudeerd. Naaraanleiding van bovenstaande probleemschets zal in het beantwoorden van deonderzoeksvraag worden ingegaan op twee aspecten.Ten eerste zal worden bekeken hoe het web zich ontwikkelde, welkemogelijkheden dit heeft geboden voor het presenteren en ontsluiten van de collectieen in hoeverre die mogelijkheden zijn benut. Voortbouwend op Hoptmans eerderbeschreven idee van het virtuele museum zal in het bijzonder aandacht uitgaan naarde mogelijkheid voor het presenteren van gerelateerde informatie en de mate vaninteractie met het publiek. Door de historische ontwikkeling van de online collectievan het Stedelijk Museum in kaart te brengen (1996-2012), zal ik achterhalen hoehet Stedelijk zich verhoudt tot de ontwikkeling van het web. Tevens zal hiermeeinzichtelijk worden hoe het Stedelijk Museum de mogelijkheden van web door dejaren heen heeft benut en of dit als vernieuwend kan worden gezien. Ten tweede zalik aan de hand van het strategisch plan 2011-2014 bestuderen welke doelstellingenaan de nieuwe website (2012) van het Stedelijk Museum ten grondslag liggen en hoedeze kunnen worden geëvalueerd.Het Stedelijk Museum vormt een interessante casestudy omdat het museumsinds 2003 gesloten is voor een verbouwing. Tot september 2008 heeft het museumeen tijdelijke locatie gehad in het voormalige postkantoor nabij het Centraal StationFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.20
  21. 21. in Amsterdam.31 Daarna zijn er verschillende projecten geweest zoals Stedelijk in deStad en Temporary Stedelijk I, II en III. Het museum was bijna tien jaar gesloten. Opverschillende fysieke locaties liet het van zich horen, maar een echt ‘thuis’ was er niet.Idealiter zou de museumwebsite kunnen dienen als een ontvangstruimte waar hetpubliek wordt geïnformeerd over de collectie, activiteiten en tijdelijketentoonstellingen op externe locaties. Nu de heropening nadert heeft het museumhard gewerkt aan een nieuwe website, welke vlak na afronding van het onderzoek isgelanceerd. Deze website kon toch in de analyse worden betrokken dankzij een beta-versie. Op 23 september 2012 heeft het Stedelijk Museum opnieuw haar deurengeopend.324. WerkwijzeDeze scriptie is een onderzoek naar moderne kunst, het Stedelijk Museum, nieuwemedia en het internet, en begeeft zich daarom op het grensgebeid vankunstgeschiedenis, museologie, cultuurwetenschappen en mediastudies. Daarom zaleen interdisciplinaire methode worden toegepast. Zienswijzen uit verschillendevakgebieden worden samengebracht om beter grip te krijgen op de huidigeinternationale ontwikkelingen en om zo tot interessante inzichten te kunnenkomen.33 Middels literatuuronderzoek en interviews met mensen uit het veld, zal deonderzoeksvraag worden beantwoord.Op verschillende internationale conferenties34 worden nieuwe initiatievengepresenteerd en geëvalueerd. Onderwerpen die hier worden besproken hebbenbijgedragen aan het in kaart brengen van de huidige ontwikkelingen. Daarnaastvinden veel interessante en open discussies tussen museumprofessionals plaats opblogs. Hier presenteren zij op persoonlijke titel individuele inzichten en opvattingen,waarbij veel ruimte wordt gelaten voor discussie. In deze scriptie zal in het bijzonderaandacht uitgaan naar ideeën van Koven Smith, Director of Technology van hetDenver Art Museum (www.kovenjsmith.com) en Susan Cairns, PhD studentkunstgeschiedenis aan de Universiteit van Newcastle in AustraliëFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.2131 Van der Meulen, 2009, Museum communication 2.0., p. 19.32 Dit blijkt uit een aankondiging op de homepagina van de museumwebsite. www.stedelijk.nl33 Ik pas deze methode toe in navolging van Martijn Stevens (Radboud Universiteit Nijmegen). “Doorzienswijzen uit verschillende vakgebieden bijeen te brengen, wordt de reikwijdte van dergelijkeontwikkelingen beter zichtbaar. Dit argument geldt mijns inziens ook voor het proces van digitalisering, datonbetwistbaar heeft geleid tot grote veranderingen in de samenleving. Inzicht in de samenhang van dezeomwentelingen vereist een disciplineoverstijgend perspectief.” Stevens, 2009, p. 17.34 Zoals eerder aangegeven gaat het hierbij onder andere om conferenties zoals: Museums and theWeb, MuseumNext, Museum Computer Network en DISH.
  22. 22. (www.museumgeek.wordpress.com).35 Mijns inziens stellen zij relevante vragen enopperen ze interessante ideeën en mogelijke oplossingen.Om een beeld te krijgen van het brede veld van digitalisering en onlineontsluiten van museale collecties, vormde het proefschrift van Martijn Stevens (2009,Radboud Universiteit Nijmegen)36 , een dankbare leidraad. Daarnaast boden demasterscripties van Matthijs van der Meulen (2009, Universiteit Maastricht)37 ,Maarten van Mechelen (2007-2008, Vrije Universiteit Brussel)38 en Lotte Meijer(2005, Universiteit van Amsterdam)39 veel houvast.Verder is de Nederlandse overheid een belangrijke opdrachtgever voorverschillende onderzoeken naar digitalisering van cultureel erfgoed. Hierin wordt metname aandacht besteed aan de omvang ervan en de kosten die digitalisering met zichmee brengt. De onderzoeken trachten het rendement van gedane initiatieven enprojecten in kaart te brengen.Voor de analyse van de websites van het Stedelijk Museum heb ik gebruikgemaakt van de Way Back Machine van het Internet Archive. Hiermee kunnenwebsites uit het verleden, die niet meer online staan, worden teruggehaald. Daarnaastheb ik gesproken met Matthijs van der Meulen, webmaster van het StedelijkMuseum. Om meer te weten te komen over de inhoudelijke keuzes voor het onlineontsluiten van bepaalde weken uit de collectie, sprak ik met Suzanna Héman, curatorin het Stedelijk Museum. Zij was in 1996 betrokken bij het online publiceren van deeerste kunstwerken uit de collectie.Om mijn kennis over het belang van heldere doelstellingen en de evaluatiedaarvan te vergroten, heb ik gesproken met Rui Guerra. Hij is mede-oprichter vanFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.2235 Andere interessante blogs zijn bijvoorbeeld: Museum Mobile (Nancy Proctor), Museum 2.0 (NinaSimon), Geoff’s Museum Posts (Geoff Barker) en e Museum of the Future (Jasper Visser).36 Stevens promoveerde in 2009 aan de Radboud Universiteit Nijmegen met zijn proefschrift VirtueleHerinnering. Kunstmusea in een digitale cultuur. Momenteel is hij werkzaam als universitair docent.“Martijn Stevens is geïnteresseerd in de invloed van digitale technologie op de hedendaagse cultuur. Hij doetvooral onderzoek naar kunst, erfgoed en populaire cultuur.” http://www.ru.nl/acw/wie_wat_waar/medewerkers_0/stevens/37 Matthijs van der Meulen, 2009, Museum Communication 2.0. e pros and cons of using social mediain a museum environment. Master thesis Media Cultuur aan de Universiteit van Maastricht.38 Maarten van Mechelen, 2007-2008, Kunsteducatie in de netwerkruimte. Onderzoek naar het potentieelvan online kunstcollecties voor educatieve doeleinden. Master scriptie Vrije Universiteit Brussel, Faculteitder Letteren en Wijsbegeerte.39 Lotte Meijer, 2005, New Media! New Museums? An exploration into the opportunities and demandsnew media bring to museums. Master thesis Department of Media and Culture: New Media Studies,University of Amsterdam.
  23. 23. INTK40 en ontwikkelde het online platform Museum Analytics. INTK doetonderzoek naar webstrategieën voor de culturele sector en ontwikkelt deze tevens.Verder sprak ik met Sophie Ham, Peter de Bode en René Voorburg van deKoninklijke Bibliotheek (KB). In 2007 is de KB een begonnen met het archiverenvan het Nederlandse digitale erfgoed. Museumwebsites vallen hier ook onder. In ditgesprek kwamen overwegingen voor de selectie van objecten, het digitaliseren vandocumenten en objecten, en het archiveren van online collectiedatabases aan bod.Om een beter inzicht te krijgen in de ruimere context van dit onderzoek,sprak ik met Cécile van der Harten van het Rijksmuseum. Zij is manager van deafdeling Beeld en is verantwoordelijk voor het systematisch digitaliseren van alleobjecten uit de collectie. Verder heb ik via email een vraaggesprek gehad met SusanCairns. Zij onderzoekt als PhD student aan de Universiteit van Newcastle inAustralië hoe musea hun kennis over kunst via de online collectie naar buitenbrengen. Met haar besprak ik algemene theoretische en filosofische overwegingen metbetrekking tot digitale collecties, hoe deze zich verhouden tot het fysieke museum ende veranderende rol van het publiek en curator.5. DoelstellingMet dit onderzoek wil ik reageren op een gebrek aan kritische reflectie op de huidigestand van zaken betreffende musea en hun aanwezigheid op het web. Door dehuidige ontwikkelingen in een historisch perspectief te plaatsen tracht ik huidigeontwikkelingen in een brede context te plaatsen. Dit lijkt me nodig omdat het hier inde door mij geraadpleegde literatuur en in het museale werkveld veelal aan ontbreekt.Vanuit technologisch en software oogpunt is er veel gepubliceerd over deontwikkeling van het internet en de mogelijkheden voor de toekomst. Daarnaast is ervanuit kunstgeschiedenis en museumstudies veel geschreven over de fysiekecollectiepresentaties van musea, maar er zijn nauwelijks studies bekend die reflecterenop virtuele presentaties. Doorgaans worden huidige ‘digitale activiteiten’ bestudeerdmet nadruk op hun ‘vernieuwende’ aspecten, terwijl een historisch perspectiefontbreekt. Dit onderzoek draagt aan de hand van een bestudering van de website vanhet Stedelijk Museum bij aan een beter begrip van het digitaliseringsproces en hetonline ontsluiten van museale collecties.Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.2340 INTK staat voor It’s Not at Kind. INTK is oorspronkelijk opgericht als kunstcollectief datinterventies in de publieke ruimte uitvoerde, welke door gemeentelijke gezaghebbenden vaak alsongewenst en illegaal werden bestempeld. Dit weerhield INTK er echter niet van hun projecten uit tevoeren, wat leidde tot de naam ‘It’s Not at Kind’. INTK realiseert nog steeds kunstprojecten en wasonlangs met Uncloud te zien in de tentoonstelling ‘Yes we’re open’ van het Nederlands Instituut voorMediakunst (NiMk) in Amsterdam. De laatste jaren richt INTK zich voornamelijk op het adviserenvan culturele instellingen op het gebied van media en ontwikkelen ze software speciaal voor musea.
  24. 24. Verder ben ik van mening dat de kwaliteiten van het web benut kunnenworden om de virtuele en de fysieke wereld beter op elkaar aan te laten sluiten. Ikgeloof niet dat het fysieke museum in de toekomst volledig vervangen zal wordendoor het ‘virtuele museum’. Wel kunnen er op het web diverse relaties worden gelegdtussen verschillende informatiebronnen en kunnen dialogen tussen personenontstaan, die in de fysieke wereld niet mogelijk zijn. Om het beste uit beide wereldente kunnen combineren, is een kritische reflectie op het digitale domein noodzakelijk.6. OpzetHet is zinvol om stil te staan bij de sociale, culturele en technologischeontwikkelingen waartoe het Stedelijk Museum zich vandaag de dag verhoudt, ombeter te kunnen doorgronden op welke manier het museum de mogelijkheden vanweb benut in het online ontsluiten van de collectie. Hoofdstuk één geeft daarom eenalgemene schets van de eCultuur waarin we leven. Het doel is om de huidigeontwikkelingen weer te geven en te definiëren. Omdat het internet een leidende rolspeelt in de eCultuur, zal er ook aandacht worden besteed aan het ontstaan van hetinternet. De typeringen van web 1.0, 2.0 en 3.0 die hierbij aan bod komen, zullentevens van pas komen in hoofdstuk drie.In hoofdstuk twee zal in worden gegaan op de algemene problemen omtrenthet digitaliseren en online ontsluiten van een museale collectie. Onderwerpen als demythe van het internet als archief, auteursrecht en een angst voor een verlies aanautoriteit door de toenemende aandacht voor de wensen van het publiek, komenhierbij aan bod.Hoofdstuk drie is een reactie op een gebrek aan inzicht in de historischeontwikkeling van museumwebsites. De online collectiepresentaties die tussen 1996en 2012 op de museumwebsite zijn verschenen, worden in kaart gebracht. Aan dehand van een casus, toegespitst op het Stedelijk Museum Amsterdam, zal een analyseplaatsvinden op inhoudelijke gronden, de visuele presentatie, de beschikbareinformatie over de gepresenteerde collectiestukken en de mate van interactie met degebruiker. Dit laatste aspect is nauw verbonden met de ontwikkeling van het web.Hiermee is te achterhalen in hoeverre de website van het Stedelijk Museumvernieuwend is en op welke manier deze de mogelijkheden van web benut.Welke doelstellingen aan de museumwebsite van het Stedelijk Museum tengrondslag liggen en hoe het behalen van deze doelstellingen geëvalueerd kan worden,zal aan bod komen in het vierde hoofdstuk. Tevens zal worden bekeken wie dezeFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.24
  25. 25. doelstellingen formuleert en wat een goede digitale strategie inhoudt.41 Hoofdstukvijf maakt tenslotte de balans van dit onderzoek op. De conclusies worden op eenrijtje gezet en er zal antwoord worden gegeven op de onderzoeksvraag.Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.2541 Hoofdstuk drie en vier kunnen ook in omgekeerde volgorde worden gelezen. Idealiter zouden museaeerst heldere doelen moeten formuleren en vervolgens een website realiseren. In de praktijk gaan dezetwee zaken echter gelijk op. De analyse van de website komt eerst, omdat de lezer hiermee een beterbeeld heeft van de mogelijkheden online, waar in de doelstellingen naar wordt verwezen.
  26. 26. Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.26
  27. 27. Hoofdstuk 1: eCultuur is meer dan ‘iets met computers’“(…) Museums, those nineteenth-century monuments to culture and civic pride, also havebecome community assets, learning centers and institutional archives. Much of thistransformation has been stimulated by the digital revolution of the past ten years.”(Selma omas)421. InleidingOm te kunnen doorgronden hoe en in hoeverre musea gebruik maken van demogelijkheden van het web bij het ontsluiten van hun collectie op het internet, is hetnoodzakelijk stil te staan bij sociale, culturele en technologische ontwikkelingenwaartoe dit vraagstuk zich verhoudt. Het doel van dit hoofdstuk is om dezeontwikkelingen weer te geven en te definiëren. Dit is belangrijk omdat verschillendeauteurs uiteenlopende termen gebruiken om de huidige samenleving te typeren.Soms wordt deze een netwerkmaatschappij genoemd, dan weer eenbeleveniseconomie of eCultuur. Wat houden deze termen in? Hoe zijn ze aan elkaargerelateerd?Een onderzoek uit 2003, uitgevoerd door van de Raad van Cultuur, biedtinzicht. Dit onderzoek is nog steeds accuraat en beschrijft de manier waaropverschillende begrippen zoals digitalisering, medialisering, kennissamenleving,netwerkmaatschappij, en beeld- en beleveniseconomie, zich tot elkaar verhouden. Alseen paraplu overdekt de term eCultuur de zojuist genoemde begrippen.Omdat het internet een leidende rol speelt in de eCultuur, zal ik hierFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.2742 omas, 2007, In: Din & Hecht, 2007, e Digital Museum. A ink Guide. p. 1.
  28. 28. allereerst op ingaan. Inzicht in het ontstaan van het internet zal aangeven hoe onzeomgang met informatie en communicatie tot stand is gekomen. De ontwikkeling vanhet web kan worden ingedeeld in drie fases (web 1,0, 2.0, en 3.0). In dit hoofdstukzal ik vanuit theoretisch oogpunt aandacht besteden aan deze fases. In hoofdstuk driezal op basis van de informatie uit dit hoofdstuk worden bekeken hoe deze fases zichin de praktijk van de website van het Stedelijk Museum hebben ontwikkeld.2. Ontstaan van het internetDe komst van het internet heeft ons leven drastisch veranderd. Vandaag de dagkunnen we elk moment van de dag, waar we ook zijn, alle denkbare informatieopvragen via het internet. Het ontstaan van het internet werd mogelijk gemaakt doorhet samenkomen van ontwikkelingen in computertechnologie encommunicatietechnologie. Deze combinatie is belangrijk want zonder deontwikkelingen in de computertechnologie was het internet technisch niet mogelijkgeweest. Zonder ontwikkelingen op het gebied van media en communicatiedaarentegen, was het internet nooit zo succesvol geworden.43De basis voor het internet werd rond 1960 gelegd in Amerika. Tijdens deKoude Oorlog wilden de technische militairen van het ‘US Defence DepartmentAdvanced Research Projects Agency’ (ARPA), een communicatie systeemontwikkelen dat ongevoelig zou zijn voor een nucleaire aanval van de Soviet Unie.Het resultaat was ARPANET, een netwerk gebaseerd op ‘packet-switching’technologie. Hierdoor was het ARPANET onafhankelijk van een centraalbeheerpunt. Het netwerk bestond uit duizenden autonome computernetwerken dieop verschillende manieren met elkaar verbonden konden worden. Berichten kondendaardoor via verschillende routes hun weg vinden binnen het netwerk. HetARPANET ging online op 1 september 1969.44Later maakte technologie het mogelijk om meerdere soorten berichten ‘in tepakken’. Niet alleen tekst, ook geluid, beelden en andere data konden wordenomgezet in een universele digitale taal met een codering van nullen en enen. Deuniversaliteit van deze digitale taal, gecombineerd met een netwerksysteem dat geen‘control center’ nodig had, creëerde de technologische condities voor een horizontale,Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.2843 Manovich, 2001, p.4844 Castells, 2000, pp. 6,7, 45
  29. 29. wereldwijde communicatie.45 De uitvinding van e-mail in 197146 en de toenemendecommunicatiekracht van het internet in de jaren ’90, maakte het internet tot eenmiddel om allerlei soorten informatie te verbinden en uit te wisselen.473.1. Ontstaan van het webNaast deze ontwikkeling van het internet was de uitvinding van het ‘world wideweb’ (afgekort: www of web) in 1990 door Tim Berners-Lee belangrijk. Hierdoorwerden digitale data op relatief eenvoudige wijze toegankelijk voor een breed publiek.Het internet en het web worden vaak als hetzelfde gezien, maar er is een belangrijkverschil. Het internet is het netwerk van computers die gegevens in pakketjes op hetnetwerk kunnen plaatsen en die pakketjes via verschillende netwerken naar hunbestemming kunnen brengen. Het web is daarentegen een netwerk van gekoppeldewebpagina’s.48 Het web is de grafische interface van het internet, waarmee men metbehulp van een web browser, zonder restricties van tijd of plaats, digitale informatiekan raadplegen.49 Digitale informatie is zo op eenvoudige en goedkope wijzetoegankelijk geworden.50Van meet af aan had men hoge verwachtingen van het web als interactiefplatform voor het verkrijgen en delen van informatie. Helaas was het publiceren vanbijvoorbeeld afbeeldingen, audio en video nog niet zo makkelijk. Enige vaardigheidop het gebied van programmeren was daarvoor noodzakelijk.51 De populariteit en hetgebruik van het internet nam toe toen het publiceren van informatie makkelijkerFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.2945 Castells, 2000, pp. 6,7, 45. Meer gedetailleerde informatie over het ontstaan van het Internet entechnologische computer innovaties die daaraan ten grondslag lagen, zijn te vinden in H1: eInformation Technology Revolution, pp. 28-76.46 De mogelijkheid om data te versturen via een computer was niet voldoende om een wereldwijdcommunicatieweb te laten ontstaan. Computers moesten ook met elkaar kunnen communiceren.Daarom was de uitvinding van e-mail in 1971 door Ray Tomlinson een grote doorbraak. Castells,2000, pp. 47-4947 “(…) ese devices, many of them portable, can communicate among themselves, without needing theirown operating system. us, computing power, applications, and data are stored in the servers of thenetwork, and computing intelligence is placed in the network itself: websites can communicate with eachother, and have at their disposal the necessary software to connect any appliance to a universal computernetwork. (…) e network logic epitomized by the Internet became applicable to every domain of activity,to every context, and to every location that could be electronically connected.” Castells, 2000, p. 52.48 Een webpagina is een pagina op het world wide web (www). Websites bestaan over het algemeen uitverschillende aan elkaar gekoppelde webpagina’s.49 Inleiding in de communicatie technologie: Open Universiteit, p. 27. Raadpleeg dit document vooreen uitgebreide en toegankelijke beschrijving van het ontstaan van het internet en de ontwikkeling vanhet world wide web (www).50 Meulen, van der, 2009, p. 851 Meulen, van der., 2009, p.9
  30. 30. werd dankzij ontwikkelingen in het web in 1996. Toen telde het internet 20 miljoengebruikers. In 2000 was dat al uitgegroeid naar meer dan 300 miljoen gebruikers.Volgens het DEN52 was in 2009 tussen de 15 en 22 procent van dewereldbevolking online. Het DEN geeft echter aan dat er verschillende manieren zijnom dit percentage te berekenen, waardoor totaalcijfers erg van elkaar kunnenverschillen. Volgens ‘Internet World Stats’53, één van de bedrijven wiens cijfers hetDEN gebruikte, maakte in 2011 meer dan 32 procent van de wereldbevolkinggebruik van het internet.54 Deze percentages (zie grafiek) zijn niet absoluut, maartonen dat het aantalinternetgebruikers nogaltijd gestaag stijgt. Perland kunnen er echtergrote verschillen zijn.Verder ontkracht degrafiek de over hetalgemeen Westerseopvatting dat ‘de helewereld’ anno 2012 onlineis. Vooral in Azië, Europaen Amerika hebben mensen makkelijk toegang tot het internet. Op basis van cijfersvan het CBS55 had ongeveer 88 procent van de Nederlanders in 2009 toegang tot hetinternet,56 een van de hoogste percentages in Europa.3.2. web 1.0 en 2.0In 2004 stond het web aan het begin van een nieuw tijdperk met de komst van het‘nieuwe web’. Om de consequenties hiervan te doorgronden hielden Dale Dougherty(web pionier bij de firma O’Reilly)57 en Media Live International eenAfbeelding 1: http://www.internetworldstats.com/stats.htmFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.3052 Stichting Digitaal Erfgoed Nederland.53 Internet World Stats is een internationale website die ‘up-to-date’ data verstrekt over hetinternetgebruik wereldwijd, evenals gegevens over de totale wereldbevolking. http://www.internetworldstats.com/stats.htm Met de kanttekening die DEN maakte, acht ik deze bronwaardevol voor een indicatie.54 Van der Vliet, 2009, 1 miljard digitale wereldburgers.55 Centraal Bureau voor Statestiek.56 Van der Vliet, 2009, 1 miljard digitale wereldburgers.57 O’Reilly is een succesvolle uitgever van boeken over computers en online media. Sinds hetuitbrengen van zijn artikel over web 2.0 vragen mensen hem de oren van het hoofd om hierover uit tewijden. Hij spreekt regelmatig op congressen en symposia. Bezoek zijn website voor meer informatie:http://oreilly.com/
  31. 31. brainstormsessie voor een conferentie die over dit nieuwe web zou gaan. Tijdens diebrainstorm kwam Dougherty met de term ‘web 2.0’ als naam voor de conferentie.Deze term heeft daarna breed aanhang gekregen en werd gezien als typering voor het‘nieuwe’ web.58 Web 2.0 wordt gekenmerkt door de gebruiker die niet langer eenpuur consumerende lezer is, maar uitgroeit tot actieve producent van content.“Web 2.0 is a set of economic, social and technology trends that collectively form the basisfor the next generation of the Internet – a more mature, distinctive medium characterized byuser participation, openness, and network effects.”59Met deze duiding van web 2.0, wordt het web van vóór 2004 automatischgezien als web 1.0. Een belangrijk verschil tussen web 1.0 en web 2.0 is de mate vaninteractiviteit. Web 1.0 wordt gezien als het read only-web, dat wordt gekenmerktdoor statische HTML websites. Hierop is vooral tekstuele informatie te vinden. Web2.0 gaat over user-generated content en wordt omschreven als het read-write-web. Denadruk ligt op informatie-uitwisseling tussen gebruikers.60 Dit wordt gekenmerktdoor open communicatie met een decentralisatie van autoriteit en het in vrijheidgebruiken en delen van informatie.61Cormode & Krishnamurthy beschrijven drie punten waarop web 2.0 verschiltvan web 1.0. Allereerst is er een technologisch aspect. Door verbeterde technologie isinteractie tussen gebruikers mogelijk. Ten tweede is er een verandering waar te nemenin de structuur van websites, samenhangend met het doel en de layout. Websites zijnniet langer puur tekstueel, maar tonen een combinatie van tekst, beeld, video enaudio. Doordat elke gebruiker gemakkelijker informatie kan delen op het webverandert ook het doel van websites. Hierbij komen we bij het derde, sociologischeaspect.62 Communities en Sociale Media zoals Facebook, Hyves, Twitter, YouTube,Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.3158 O’Reilly, 2006, p. 459 O’Reilly, 2006, p. 4. Naar aanleiding van zijn uitgebreide teksten over web 2.0 vroegengeïnteresseerden O’Reilly om een compacte definitie van web 2.0. Deze meer technische uitleg plaatstehij in 2005 op zijn website:“Web 2.0 is the network as platform, spanning all connected devices; Web 2.0 applications are those thatmake the most of the intrinsic advantages of that platform: delivering software as a continually-updatedservice that gets better the more people use it, consuming and remixing data from multiple sources, includingindividual users, while providing their own data and services in a form that allows remixing by others,creating network effects through an "architecture of participation," and going beyond the page metaphor ofWeb 1.0 to deliver rich user experiences.” http://radar.oreilly.com/archives/2005/10/web-20-compact-definition.html60 Yiwen Wang et al, 2009, p. 14261 McArthur, 2007, Can Museums Allow Online Users to Become Participants? In: Din & Hecht,2007, e Digital Museum a ink Guide, p. 58.62 Cormode & Krishnamurthy, 2008, pp. 1-2.
  32. 32. Flickr en LinkedIn, waar gebruikers hun mening en content (inhoud) met anderenkunnen delen, spelen een belangrijke rol in web 2.0.633.3. web 3.0Het portable-personal web 3.0 wordt gezien als de derde en meest recente fase in deontwikkeling van het web. Een exact jaartal dat het ontstaan van web 3.0 markeert, islastig te geven. In de door mij geraadpleegde literatuur worden nauwelijks jaartallengenoemd als men spreekt over web 3.0. Bovendien zijn de jaartallen die wel wordengenoemd, lastig te verifiëren. Om toch een indicatie te geven, plaats ik het ontstaanvan web 3.0 tussen 2008 en 2010.64Vasthoudend aan de eerder beschreven aspecten van technologie, structuur ensociologie, kunnen we de volgende verandering waarnemen ten opzichte van web 2.0:door technische verbeteringen zijn er intelligente zoekfuncties ontstaan. Deze kunnenrelaties leggen tussen data die voldoen aan specifiek ingevoerde zoektermen, enverwante data die voor de gebruiker mogelijk interessant zijn.65 Wanneer je ‘ParisHilton’ als zoekterm ingeeft, kan de intelligente zoekfunctie het verschil zien tussende celebrity Paris Hilton en haar vaders hotel-keten in de stad Parijs. Indien je hetlaatste bedoelde, kan web 3.0 zelfs verwijzen naar vliegtickets of busshuttles van hetvliegveld in Parijs naar het hotel. Deze intelligente zoekfunctie wordt ook wel hetsemantische web genoemd. Er bestaat veel onduidelijkheid over de verhouding tussenweb 3.0 en het semantische web. In sommige opvattingen is het semantische web eenonderdeel van web 3.0, dan worden ze weer aan elkaar gelijk gesteld.66 In dezescriptie zal de term web 3.0 worden gehanteerd.Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.3263 Zie bijlage 1 voor een overzicht van de opkomst van verschillende sociale media platformen. Dezegrafiek toont alleen de opkomst (tot 2006). Wanneer bepaalde platform buiten werking raakten is nietgeregistreerd.64 Volgens Radar Networks, een Amerikaans computerbedrijf, begon web 3.0 omstreeks 2010. In 2007ontwierpen zij een grafiek waarin ze de ontwikkeling van het web (tot en met web 4.0) voorspelden. Indiezelfde grafiek staat aangegeven dat web 2.0 omstreeks 2000 begon, terwijl uit de door mijgeraadpleegde literatuur blijkt dat dit pas omstreeks 2004 was. Hoewel de betrouwbaarheid van RadarNetworks’ grafiek lastig te verifiëren is, verschijnt hij op verschillende blogs die zich uitlaten over web3.0 ontwikkelingen. http://novaspivack.typepad.com/nova_spivacks_weblog/2007/02/steps_towards_a.html Frank Watching, een Nederlands, “onafhankelijk cross media platform voormarketing, social media, user experience en nieuwe media,” deelt kennis over nieuwe ontwikkelingenmet professionals en heeft als doel een discussie op gang te brengen. Frank Watching plaatste in 2008een blogpost over de definitie van web 3.0 en de verhouding tussen web 3.0 en het semantische web.http://www.frankwatching.com/archive/2008/04/11/de-betekenis-van-web-30-en-het-semantic-web/65 Dit wordt in sommige literatuur ook wel interoperabiliteit van het web genoemd. Interoperabiliteitbetekent dat systemen (of apparatuur) in staat zijn onderling eenheden uit te wisselen en/of tecommuniceren. De systemen kunnen als het ware ‘met elkaar praten’ en zijn ‘compatibel’.66 Blogpost Frank Watching, 11 april 2008. http://www.frankwatching.com/archive/2008/04/11/de-betekenis-van-web-30-en-het-semantic-web/
  33. 33. Welke invalshoek je ook kiest, zowel het semantische web als web 3.0kenmerken zich door een integratie van verschillende media. Volgens Martijn Stevensworden digitale archieven op internet niet gekenmerkt door hiërarchie, maar doorrelationaliteit en virtualiteit dankzij interoperabiliteit.67 Web 3.0 kan eenvoudigdwarsverbanden leggen, waardoor er mogelijk nieuwe relaties en visies op hetverleden en de lineair chronologische ordening van de kunstgeschiedenis kunnenontstaan.68 Stevens:“De digitalisering van kunstcollecties draait echter niet zo zeer om de correcte representatievan kunstwerken of een betrouwbare weergave van de kunstgeschiedenis, maar eerder omhet aanboren van creatief potentieel en het verkennen van onbekende ruimtes en relaties.(…) Zij [de website van V2_ en Tate: Tate Online] verzetten zich tegen de eenzijdige kijk opkunst, die dikwijls voortvloeit uit een lineair chronologische ordening van de geschiedenis. Inplaats daarvan openen ze verschillende perspectieven tegelijkertijd.”69Relationaliteit van een digitale collectiepresentatie betekent dus datkunstobjecten dankzij web 3.0 niet op zichzelf hoeven te staan, maar voortdurend inverband gebracht kunnen worden met andere kunstwerken en gerelateerdeinformatie. Virtualiteit gaat volgens Stevens over de onbeperkte mogelijkheden vanhet internet en de kracht van de verbeelding, die gericht is op wat mogelijk is en watmogelijk zou kunnen zijn.70 Dit vertaalt zich dankzij web 3.0 idealiter naar hetsamenbrengen van verleden, heden en toekomst in de online collectie, doordat hetmogelijk is om verschillende objecten met elkaar in verband te brengen, die historischen geografisch ver van elkaar verwijderd zijn.71 Web 3.0 kent geen begin of eind.Tekst, beeld, audio, video, 3D animaties en applicaties voor smartphones: alles komtsamen, staat met elkaar in verband en vult elkaar aan. Hierdoor verandert ook destructuur (het doel en de layout) van websites. Omdat de techniek het mogelijkmaakt heel gericht informatie aan te bieden, die afgestemd is op de individuelegebruiker, wordt het web 3.0 gekenmerkt door een hoge mate van personalisatie. Ditis een sociaal verschil ten opzichte van web 2.0.72Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.3367 Interoperabiliteit houdt in dat systemen (of apparatuur) in staat zijn tot onderlinge communicatie ofuitwisseling van informatie. De systemen kunnen als het ware ‘met elkaar praten’ en zijn in zekere zin‘compatibel’.68 Stevens, 2009, pp. 173-175.69 Stevens, 2009, pp. 173-174.70 Stevens, 2009, p. 85.71 Stevens, 2009, p. 96, 177.72 Cormode & Krishnamurthy, 2008, pp.1-2.
  34. 34. Het is lastig om sluitende definities te geven van web 1.0, 2.0 en 3.0 omdatde grenzen tussen de verschillende fases niet zo helder af te bakenen zijn.73 Hetkarakteriseren van een website als typisch web 1.0 of typisch web 2.0 is daarommoeilijk. Niet alleen zijn er binnen websites verschillende aspecten uit deverschillende stadia van het web te ontdekken, ook binnen het web zelf is er geenstrikte scheiding.74 De komst van het web 2.0 in 2004 betekende niet dat er vanaf datmoment geen web 1.0-sites meer te vinden waren. De komst van het individueelgerichte web 3.0 betekent niet dat daarmee het ‘socialere’ web 2.0 met haar socialemediaplatforms, er niet meer toe doet. Integendeel zelfs. Hoewel er heldereverschillen zijn, bestaan web 1.0, 2.0 en 3.0 naast elkaar.4. eCultuurDe komst en het succes van het internet en technologische innovaties, hebben ertoegeleid dat musea zich op de één of andere manier tot die nieuwe ontwikkelingenmoeten verhouden. Vóór 2003 werd in beleidsnotities veelal de term ‘ict en cultuur’gebruikt, als er werd gesproken over de digitalisering in de kunst- en cultuursector.75In 2003 hanteerde de Raad voor Cultuur het begrip eCultuur, dat staat voorelektronische cultuur, om te verwijzen naar:“(…) alle culturele en artistieke ontwikkelingen en veranderingen in het culturele domeinonder invloed van de nieuwe media (onder andere het internet) en opkomende technologieën(ICT), met een duidelijk sociaal belang en impact. eCultuur gaat over vernieuwendeproductie, verspreiding en consumptie van cultuur en kunst.”76Zoals deze beschrijving van de Raad voor Cultuur aangeeft, is eCultuur eenveelomvattend begrip.77eCultuur gaat niet alleen over het benutten van technologischemogelijkheden, maar ook over een nieuwe digitale dimensie van de cultuur die isontstaan. eCultuur kan daarom het best worden gezien als een overkoepelende termdie verwijst naar een breder maatschappelijk complex van ontwikkelingen. De Raadvoor Cultuur onderscheidt vier aan elkaar gerelateerde ontwikkelingen: medialisering,Fransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.3473 Meulen, van der., 2009, p. 974 Cormode & Krishnamurthy, 2008, p.6.75 Raad voor Cultuur, 2003, eCultuur: van i naar e, inleiding.76 Virtueel Platform, 2011, Sectoranalyse eCultuur, p. 577 Sommige auteurs in de door mij geraadpleegde literatuur hanteren hiervoor het begrip Cybercultureof Cybersociety. Ik hanteer het begrip eCultuur omdat ik de definitie van de Raad voor Cultuur ergtreffend en werkbaar vind.
  35. 35. kennissamenleving, netwerksamenleving en beeld- en beleveniseconomie.78 Graag wilik hier het begrip digitalisering aan toevoegen. Het is lastig om aan te geven hoe dezeontwikkelingen zich exact tot elkaar verhouden, aangezien ze elkaar niet opvolgen. Zebestaan naast elkaar, beïnvloeden elkaar en lijken elkaar soms gedeeltelijk teoverlappen, zoals bijvoorbeeld kennissamenleving en netwerksamenleving. Je kunthet zien als een gigantisch spinnenweb, waarbij het centrum afhankelijk is van deinvalshoek die je kiest.5. DigitaliseringVandaag de dag beschikken bijna alle musea over een website en zijn ze bezig met hetdigitaliseren van informatie en het digitaal ontsluiten hun van collecties.79 Volgenshet Van Dale woordenboek staat digitalisering voor het “in een digitale codeoverbrengen”.80 Digitalisering is echter meer dan dat. Het kenmerkt zich door eenwisselwerking tussen digitale technologie en cultuur. De Raad voor Cultuur gaf in2003 de volgende treffende omschrijving van digitalisering:“Digitalisering is tegelijk een technologische en een maatschappelijke ontwikkeling. Mogelijkgemaakt door de opkomst van de computertechnologie en telecommunicatienetwerken, ligtde werkelijke betekenis van digitalisering in de manier waarop nieuwe media eninformatietechnologie in maatschappelijke praktijken worden ingepast en gebruikt. Nietalleen de technische infrastructuur raakt gedigitaliseerd, maar ook de maatschappij en decultuur.”81Recenter onderzoek uit 2006 in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuuren Wetenschap, bevestigt deze omschrijving. Hieruit blijkt opnieuw dat digitaliseringmeer is dan het omzetten van analoog naar digitaal materiaal. Zo moeten museakeuzes maken in wat ze willen digitaliseren en nadenken over de toepasbaarheid enFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.3578 Raad voor Cultuur, 2003, eCultuur: van i naar e. Het advies werd voorbereid door de ad hoc-commissie eCultuur, waarvan Michael Schwartz (raadslid media) voorzitter was. Andere leden warenIneke Schwartz (commissielid beeldende kunst en vormgeving), Riemer Knoop (raadslid musea), BartLootsma (raadslid stedenbouw & architectuur, tot 1 januari 2003) en Dick Rijken (externdeskundige). Het secretariaat werd gevoerd door René Asselbergs (tot 1 januari 2003), Hans vanNieuwpoort en Marit Vochteloo.79 De Haan et al, 2006, Bezoek onze site, p.7.80 Hiermee worden de binaire getallen bedoeld: de computertaal van nullen en enen. Van Dale Grootwoordenboek van de Nederlandse taal, 2005.81 Raad voor Cultuur, 2003, eCultuur: van i naar e., p. 9.
  36. 36. het mogelijke gebruik van het gedigitaliseerde materiaal.82De digitalisering van cultureel erfgoed is in twee fases op te delen, waarbij dezojuist genoemde typeringen uit 2003 en 2006 de tweede fase vertegenwoordigen. Deeerste fase wordt aangeduid met “gedigitaliseerd cultureel erfgoed”, kortweg “digitaalerfgoed”. Hiermee wordt de informatisering van het collectiebeheer bedoeld, waarinkaartsystemen plaatsmaken voor digitale databases met behulp vancollectieregistratiesystemen.De tweede fase betreft de “diepe” ontsluiting van de objecten zelf. Dit kanverschillende vormen aannemen. Zo wordt er tekstuele, visuele en indien vantoepassing, audiovisuele informatie over een object verzameld en gedigitaliseerd.Digitale afbeeldingen van een object kunnen op hoge kwaliteit genomen worden ensoms met meerdere beeldlagen (zichtbaar licht, UV, infrarood-, Röntgen-, ofstrijklichtopnamen). Daarnaast worden voor objecten relevante (wetenschappelijke)bronnen gescand en gedocumenteerd.83 Het is met name deze tweede fase waarmusea vandaag de dag hard aan werken en waarvoor web 3.0 veel mogelijkhedenbiedt.6.1. MedialiseringDe Raad voor Cultuur volgt de algemene opinie dat onze waarneming van dewerkelijkheid in toenemende mate gemedialiseerd raakt. Media, zoals de krant, radioen tv beïnvloeden wat mensen weten en vinden van gebeurtenissen die buiten huneigen gezichtsveld plaatsvinden.84 Media dienen daarmee als een raam waardoor wede wereld waarnemen. Dat raam is in onze ervaring vaak zo transparant dat wenauwelijks beseffen dat we de wereld via een medium waarnemen.Het gedachtegoed van mediatheoretici zoals de Franse socioloog,mediawetenschapper en filosoof Jean Baudrillard, is van grote invloed geweest op hetdenken over de realiteit in het digitale tijdperk.85 Baudrillard heeft uitvoerigFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.3682 Bezoek onze site (2006) is een onderzoek in opdracht van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur enWetenschap dat de vraag en het aanbod van digitale culturele informatie in de erfgoed- en kunstsectorinzichtelijk maakte. Hieruit bleek dat de meeste musea keuzes maken in wat ze wel en niet willendigitaliseren. Sommige musea digitaliseren bijvoorbeeld alleen materiaal rondom bepaalde thema’s.Bovendien is digitaliseren alleen niet voldoende. Nadat het materiaal digitaal beschikbaar is, moet menmetadata toevoegen om de vindbaarheid van de digitale informatie te waarborgen. Daarnaast moetenmusea zorgen voor een duurzame archivering en bedenken voor wie ze de informatie willen ontsluiten.De Haan et al, 2006, Bezoek onze site, p. 13-43.83 Dit blijkt uit het onderzoek Inventarisatie Infrastructuur Digitaal Erfgoed. Hierin wordt de visie opde digitalisering van cultureel erfgoed anno 2002 en de nabije toekomst, in beeld gebracht. Zie:Velthausz & Bruinsma, 2002, p. 22.84 Raad voor Cultuur, 2003, eCultuur: van i naar e., p. 9.85 Stevens, 2009, p. 81.
  37. 37. geschreven over het menselijk idee van de werkelijkheid, dat we volgens hemconstrueren naar aanleiding van beelden die we in de media zien.86 Baudrillard vreestdat de toenemende medialisering van de samenleving zal leiden tot een verlies aanrealiteitszin. De media wordt onze werkelijkheid.Baudrillards tijd- en landgenoot, mediatheoreticus Paul Virilio, houdt er eenoptimistischere opvatting op na. Hij stelt dat de werkelijkheid nooit kan verdwijnendoordat zij niet uniform is, zoals Baudrillard aanneemt, maar juist veranderlijk.Volgens Virilio leidt de toenemende medialisering van de samenleving totverschillende visies op ‘de werkelijkheid’ en kunnen er verschillende werkelijkhedennaast elkaar bestaan.87 Online collecties proberen in veel gevallen dit laatste tebewerkstelligen, door een breed scala van informatie en invalshoeken te presenteren,dat dankzij web 3.0 mogelijk is.In het digitale tijdperk, de eCultuur, is het dankzij de komst van nieuwemedia steeds gemakkelijker geworden om (digitale) afbeeldingen via het internetwereldwijd te verspreiden. Door de komst van het internet is de medialisering van desamenleving dan ook sterk toegenomen.88 In de eCultuur zijn nieuwe media debelangrijkste media waarmee we kennis nemen van gebeurtenissen en informatie uitde wereld. Het internet kan worden gezien als het belangrijkste ‘nieuwe medium’.89Maar wat is er zo nieuw aan ‘nieuwe media’, waarin verschilt zij van ‘oude media’ enFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.3786 Volgens Baudrillard staan media een directe ervaring met de werkelijkheid in de weg, waardoor alleswat wij als werkelijk en waar beschouwen, feitelijk een gemedialiseerde constructie van dewerkelijkheid is. Zie voor Baudrillards simulacrum-theorie zijn boek Simulacra and simulation (1994).University of Michigan Press.87 Stevens, 2009, p. 8588 Een onderzoek in 2011 van comScore (een bedrijf dat marktonderzoeken uitvoert toegespitst op hetdigitale veld), toont aan dat een gemiddelde bezoeker per maand 24 uur op het internet doorbrengt.Dit komt neer op 6 uur per week. Engeland neemt in dit onderzoek de eerste plaats in, met eengemiddeld internet gebruik van 8,9 uur per week. Nederland staat op de tweede plaats met 8,35 uur,gevolgd door Turkije met 8,05 uur. In maart 2012 berichtten Trouw, het Parool en De Volkskrant overeen ANP persbericht waaruit blijkt dat het gemiddeld internetgebruik in Nederland tussen 2010 en2011 gestegen is met 18 procent. In 2010 bracht de gemiddelde Nederlander 8,3 uur door op hetinternet. In 2011 was dit 9,8 uur. Dit aantal wordt fors overschreden door mensen in de leeftijd tussende 13 en 35 jaar. Hun gemiddelde ligt op 14,6 uur. De genoemde cijfers zijn lastig te verifiëren, maardienen als indicatie om aan te geven dat het internetgebruik wereldwijd stijgt en dat Nederland tot eenvan de landen behoort waar het internet veelvuldig wordt gebruikt. Dit bevestigt het idee dat eengroeiend internetgebruik de medialisering van de samenleving bevordert. Zie http://www.comscore.com/dut/Press_Events/Press_Releases/2011/11/comScore_Releases_Overview_of_European_Internet_Usage_in_September_2011 en http://www.trouw.nl/tr/nl/5133/Media-technologie/article/detail/3229070/2012/03/21/Internetgebruik-in-Nederland-met-18-procent-gestegen.dhtml89 Volgens het onderzoek eCultuur: van i naar e, kunnen we het internet zien als een nieuw mediumvoor informatie, communicatie en ontspanning. Raad voor Cultuur, 2003, eCultuur: van i naar e., p.9.
  38. 38. hoe heeft haar komst de medialisering van de samenleving versterkt?Deze eerste vraag onderzocht Lev Manovich90, professor Visual Arts aan deUniversiteit van California, in zijn boek e Language of New Media (2001). Mediawerden volgens Manovich nieuwe media, toen de ontwikkeling van de computersamen kwam met die van media. Op dat moment konden alle bestaande mediaomgezet worden in binaire getallen, de computertaal van nullen en enen. Hiermeezijn allerlei bestaande media toegankelijk geworden voor gebruik met de computer.Deze vertaalslag van analoog naar digitaal is dus volgens Manovich het moment datmedia, nieuwe media werd.91Maarten van Mechelen besteedde in zijn master scriptie voor de VrijeUniversiteit Brussel (2007-2008) aandacht aan de verschillende opvattingen over hetbegrip media en ‘nieuwe’ media.92 Evenals Manovich, blijkt David Hesmondhalgh93,hoogleraar Media Industries aan de Universiteit van Leeds, te concluderen dat het‘nieuwe’ van nieuwe media gelegen is in het feit dat allerlei vormen van expressie(woord, beeld, muziek, etc) omgezet kunnen worden in binaire getallen. Dit isvolgens Hesmondhalgh een belangrijke verandering omdat communicatie daardoormakkelijk transportabel is en bovendien gemanipuleerd kan worden. Hetbelangrijkste is echter nog dat verschillende media hierdoor eenvoudig aan elkaar tekoppelen zijn. Daardoor zijn ze met elkaar in verband komen te staan.94De verbindingen tussen verschillende media zorgen ervoor dat we een verhaaleenvoudig vanuit verschillende uitgangspunten kunnen bekijken. De verspreidingvan informatie gaat bovendien steeds sneller doordat zij dankzij het internetonafhankelijk is geworden van tijd en plaats. In plaats van één raam waardoor we dewerkelijkheid zien, zoals Baudrillard stelt, sluit ik me aan bij Virilio. Dankzij demedialisering van de samenleving zijn er veel verschillende ramen die onze ervaringFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.3890 Lev Manovich is professor bij de ‘visual arts department’ van de Universiteit van California, SanDiego. Hij heeft les op het gebied van digitale kunst, geschiedenis en theorie van digitale cultuur endigitale Geesteswetenschappen. Zie zijn website voor meer biografische gegevens en artikelen van zijnhand. http://manovich.net/91 Manovich, 2001, e Language of New Media, p. 48.92 Allereerst hanteert Van Mechelen de typering van Lev Manovich. Verder haalt hij Jensen Dehaes’Scouting a new media ecology (2005) aan om nieuwe media te typeren als “een groep van (relatief)recente massamedia gebaseerd op informatietechnologie”. Andere opvattingen over de term mediahebben te maken met het idee dat media een middel zijn tot (massa)communicatie. Er zijn echterverschillende manieren waarop media communiceren met een publiek. (one-to-one, one-to-many, ofmany-to-many). Van Mechelen, 2007-2008, pp. 12-14.93 Professor David Hesmondhalgh is verbonden aan de Universiteit van Leeds (Groot-Brittannië) alshoofd van het Media Industries Research Centre, Faculty of Performance, Visual Arts andCommunications. In 2002 publiceerde hij het boek Cultural Industries. Londen.94 Van Mechelen, 2007-2008, p. 14.
  39. 39. van de werkelijkheid kunnen beïnvloeden. Daarmee is ons beeld van de werkelijkheidvluchtiger geworden, omdat het internet over het algemeen (met name bijnieuwsfeiten), up-to-date informatie verstrekt. Verder is ons idee van de werkelijkheidpluriformer geworden doordat we gemakkelijker op de hoogte zijn van verschillendevisies, die naast elkaar kunnen bestaan.6.2. RemediationHoewel het begrip ‘nieuwe media’ door verschillende auteurs op gelijke wijze wordtgeduid,95 kan de term als problematisch worden gezien. Soms wordt daarom liever deneutralere term ‘digitale media’ gehanteerd. ‘Nieuwe media’ is volgens Hesmondhalghproblematisch omdat de term vaak wordt gebruikt om te verwijzen naar eentechnologie die in feite oud is.96Media theoretici Bolter & Grusin geven in hun boek Remediation.Understanding New Media (2000) een verklaring voor Hesmondhalghs constatering.Bolter & Grusin stellen dat geen enkel medium op zichzelf kan staan, geïsoleerd vanandere media. Het nieuwe van nieuwe media is volgens hen dan ook gelegen in demanier waarop nieuwe media oudere media moderniseren. Ook de manier waaropoudere media zichzelf moderniseren om aan de uitdagingen van nieuwe media tevoldoen valt onder het begrip nieuwe media.97 De term remediation wordt gehanteerdom aan te geven dat de inhoud van een nieuw medium altijd wordt gevormd dooreen voorgaand (oud) medium.Deze opvatting bouwt voort op de visie die Marshall McLuhans’ in 1964ontvouwde. McLuhan onderzocht in Understanding New Media de werking vannieuwe media en concludeerde dat de inhoud van elk medium altijd terug te voerenis op een ander medium.98 Bolter & Grusin borduren verder op dit uitgangspunt enFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.3995 Bovenstaande definitie van nieuwe media wordt verder nog gedeeld door Jan Simons Interface enCyberspace: Inleiding in de Nieuwe Media (2000) Amsterdam University Press, p.53. “New Mediadistinguish themselves from older media, because they integrate forms of information, which originally werespread over different and separated carriers and channels, within one medium, the computer. Informationthat in older media was recorded in varying forms and different materials, can be encoded into the languageof the computers, shich is built up from ‘binary digits’ or bits which are usually represented in ones and zeros.(…) In a digital object, not only can texts, still or moving images and sound exist next to and through eachother, but all these different objects of expression are coded into the same languages of zeroes and ones.” In:Meijer, 2005, p. 40.95 Van Mechelen, 2007-2008, p. 14.96 Van Mechelen, 2007-2008, pp. 12-14.97 Bolter & Grusin, 2000, Remediation, p. 15.98 Zo is de inhoud van schrijven het gesproken woord, geschreven tekst is vervolgens de inhoud voorgedrukte tekst en gedrukte tekst vormt weer de basis voor de krant. Bolter & Grusin, 2000,Remediation, p. 45.
  40. 40. stellen een paradox vast. Remediation definieert het unieke van de digitale wereld,maar ontkent tegelijkertijd de mogelijkheid tot een uniek nieuw medium. Volgens deauteurs zal elk nieuw medium een aspect van oude media in zich dragen.99 Nieuwemedia streven daarbij veelal naar een verbetering van oude media of een combinatievan verschillende oude media.Dit neemt echter niet weg dat een nieuw medium geen nieuwemogelijkheden met zich mee kan brengen. Daarom is het ‘nieuwe’ is mijn ogengelegen in de vraag welke mogelijkheden een ‘nieuw’ medium met zich mee brengt enof die mogelijkheden worden benut. Hoewel er nooit aan een zekere mate vanremediation te ontsnappen valt, is het opvallend dat museumwebsites nog nauwelijksgebruik lijken te maken van de nieuwe mogelijkheden die het web met zich heeftmeegebracht. Matthijs van der Meulen constateert in zijn masterscirptie voor deUniversiteit Maastricht dat de meeste musea in 2009 op het web vertegenwoordigdwaren, maar slechts op eenvoudige wijze:“(…) In general, most of their [museum] websites are rather simplistic, brochure style pages,not taking full advantage of the new possibilities of the medium. ey basically apply the‘rules’ of and old medium, print, to a new medium, the Internet, something we callremediating.”100Hoewel het begrip remediation eerder een constatering is dat het streven naarpure vernieuwing onmogelijk is, lijken sommigen, onder wie Van der Meulen enHertzum,101 het musea kwalijk te nemen. Dat is niet vreemd, aangezien veel museanadrukkelijk streven naar vernieuwing in hun virtuele aanwezigheid, terwijl dit nietaltijd naar voren blijkt te komen in hun museumwebsites. Het vraagstuk vanvernieuwing dat remediation oproept, zal nader bestudeerd worden in hoofdstukdrie. Hierin wordt bekeken in hoeverre museumwebsites, in het bijzonder die van hetStedelijk Museum Amsterdam, de mogelijkheden van het web benutten, om zo tekunnen bepalen in welke mate deze als vernieuwend kunnen worden gezien.7.1. KennissamenlevingIn de kennissamenleving spelen kennisnetwerken en open structuren voor het delenFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.4099 Bolter & Grusin, 2000, Remediation, p. 50.100 Van der Meulen, 2009, Museum communication 2.0. e pros and cons of using social media in amuseum environment. p.5. Van der Meulen maakte in zijn scriptie een case study van het StedelijkMuseum en is daar nu werkzaam als webmaster.101 Zoals in de inleiding aangegeven, stelt Hertzum dat: “e material on the sites tends to duplicatematerial in the physical museums rather than to rethink it, given the possibilities by the new medium.”
  41. 41. van kennis een belangrijke rol.102 (zie 1.7). In 2002 constateerde de publicatieInventarisatie Infrastructuur Digitaal Erfgoed een overgang van musea alstentoonstellingscentrum naar kenniscentrum.103 Dat betekent dat kennisuitwisselingvoor musea steeds belangrijker is geworden. Daarbij heeft zich een veranderingvoorgedaan in de opvatting hoe het museum zijn kennis zou moeten communicerennaar zijn publiek. Niet langer wordt het publiek gezien als een passieve ontvanger vangefixeerde informatie, kennis is pluriform en kan op verschillende manieren wordengecommuniceerd en geïnterpreteerd. Juist een interdisciplinaire benadering vankennis staat centraal in de eCultuur, waarbij er ruimte is voor meerdere verhalen enperspectieven. Hieruit voortkomend is er ook meer aandacht voor de stem van een‘actief’ museumpubliek.104 Deze visie wordt internationaal gedeeld, zoalsbijvoorbeeld blijkt uit Changing Values in the Art Museum. Rethinking Communicationand Learning van Hooper-Greenhil (2004).In de kennissamenleving staat kennisuitwisseling over kunst tussenverschillende personen (individuen) en instituten (onder andere musea enuniversiteiten) centraal. Musea hebben veel ervaring met het delen van kennis doorhet organiseren van tentoonstellingen en bijbehorende publicaties. Kennis is echterook neergeslagen in de totstandkoming van de collectie, evenals in de manier waaropzij wordt beschreven en beheerd.105 Het digitale domein biedt voor musea veelmogelijkheden om kennis, die voorheen aan de staf was voorbehouden, met eenbreed publiek te delen. Omdat musea doorgaans slechts een klein percentage van huncollectie op zaal kunnen tonen, biedt het online plaatsen van de collectie uitkomst.Online kunnen niet alleen meer objecten worden getoond, ook kaninformatie over de collectie op een andere manier worden gepresenteerd dan in demuseumzaal. Daar is de informatie vaak beknopt en afgestemd op de interesse vaneen algemeen publiek. De museumwebsite kan echter verschillende soorteninformatie toegankelijk maken voor verschillende soorten gebruikers. Een meergeïnteresseerd publiek kan online bijvoorbeeld diepgaandere informatie over decollectie raadplegen aan de hand van digitale artikelen. Bovendien maakt web 3.0 hetmogelijk om verschillende soorten informatie (beeld, tekst, audio en video), metFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.41102 Raad voor Cultuur, 2003, eCultuur: van i naar e, p. 18.103 Velthausz & Bruinsma, 2002, p. 21.104 Hooper-Greenhill in: Carbonell, 2004, Museum studies: an anthology of contexts, pp. 563-568.105 Velthausz & Bruinsma, 2002, p. 21.
  42. 42. elkaar in verband te brengen en beschikbaar te stellen.106 Idealiter creëren museaonline een platform dat een inhoudelijke dialoog mogelijk maakt.1078.1. NetwerkmaatschappijAls gevolg van de digitalisering is onze samenleving in toenemende mategeorganiseerd rondom netwerken. Verschillende auteurs,108 onder wie de Spaansesocioloog Castells, hebben onze samenleving getypeerd als eennetwerkmaatschappij.109 Netwerken vergemakkelijken het ‘horizontaal’ uitwisselenvan kennis en informatie tussen individuen en organisaties. Horizontaal houdt in datwe niet meer afhankelijk zijn van tijd, plaats of zelfs nationale grenzen voor hetuitwisselen van deze kennis en informatie.Was er voorheen sprake van eenrichtingsverkeer in informatiestromen vanorganisaties naar individuen, de netwerkmaatschappij is vrij van hiërarchische relaties.Iedereen kan informatie aan een netwerk toevoegen mede dankzij web 2.0 en socialemedia.110 Netwerken kenmerken zich door een open structuur en kunnen zicheindeloos uitbreiden.111 De netwerksamenleving wordt voor een groot deel bepaalddoor het internet, dat continu aan verandering onderhevig is en het eenvoudig leggenFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.42106 Raad voor Cultuur, 2003, eCultuur: van i naar e, p. 18.107 Velthausz & Bruinsma, 2002, p. 60.108 Raad voor Cultuur, 2003, eCultuur: van i naar e., p. 10. De Raad voor Cultuur noemt de volgendeauteurs: Castells (1996), e Rise of the Network Society., Shapiro, A. (1999) e Control Revolution.How the Internet is putting individuals in charge and changing the world. Public Affairs/CenturyFoundation. Dijk, J.A.G.M. van (1997). De netwerkmaatschappij: sociale aspecten van nieuwe media.Houten/Diegem. Bohn Stafleu Van Loghum. Infodrome (2001). Controle geven of nemen. Een politiekeagenda voor de informatiesamenleving. Amsterdam.Opvallend is dat al deze publicaties dateren van voor 2004, terwijl de ‘open structuur’ enhiërarchieloze netwerkmaatschappij pas echt goed mogelijk werd met de komst van web 2.0 en socialemedia in 2004. Ondanks dit gegeven voldoen de typeringen van deze auteurs nog prima voor dezetijd. Voor dit onderzoek hanteer ik Castells opvatting van de netwerkmaatschappij. Castells’ opvattingis helder en accuraat. Bovendien wordt hij het meest aangehaald in de literatuur die ik hebgeraadpleegd.109 Castells geeft de volgende definitie van een netwerk: “A network is a set of interconnected nodes. Anode is the point at which a curve intersects itself. What a node is, concretely speaking, depends on the kindof concrete networks of which we speak. (…) Within a given network, flows have no distance, or the samedistance between nodes. us, distance (physical, social, economic, political, cultural) for a given point orposition varies between zero (for any node in the same network) and infinite (for any point external to thenetwork). (…) Networks are also open structures, able to expand without limits, integrating new nodes alslong as they are able to communicate within the network. (…) A network-based social structure is a highlydynamic, open system, susceptible to innovating without threating its balance. (…) At a deeper level, thematerial foundations of society, space and time are being transformed, organized around the space of flowsand timeless time.” In: Castells, 2000, e Rise of the Network Society, vol 1., pp. 500-507.110 Raad voor Cultuur, 2003, eCultuur: van i naar e., p. 10.111 Stevens, 2009, p. 34.
  43. 43. van verbanden tussen verschillende soorten informatie mogelijk maakt (web 3.0).112Het is opvallend dat veel theorieën over de netwerkmaatschappij dateren vanvoor 2004, toen het internet zich in de web 1.0 fase bevond. Niettemin zijn detyperingen van de netwerkmaatschappij nog prima van toepassing op de huidigesamenleving. De ontwikkelingen van het internet hebben de karakteristieken van denetwerkmaatschappij eerder versterkt en bevestigd, dan afgezwakt.9.1. Beeld- en beleveniseconomie113Onze huidige maatschappij is erg visueel georiënteerd. Beelden van televisie, film enreclame domineren. We kunnen daarom spreken van een beeldcultuur. De Raad voorCultuur beschrijft in eCultuur, van i naar e i (2003), dat parallel aan dezeontwikkeling van de beeldcultuur, een opkomst van de beleveniseconomie waar tenemen is.114 In de beleveniseconomie zijn consumenten erop gericht te betalen vooreen belevenis, waarbij de ervaring van die belevenis strikt persoonlijk is. Daarbij is hetbelangrijk dat mensen niet zo zeer voor de belevenis zelf betalen, maar voor de waardeervan: voor de herinnering die ze aan de belevenis over houden.115Mensen hebben in toenemende mate behoefte aan een spannende ervaring,een spannend verhaal en een snelle afwisseling van prikkels.116 Musea besteden steedsmeer aandacht aan de wensen van hun publiek, die kunst niet langer wil waarnemenals passieve toeschouwer, maar actief wil participeren. Daarnaast moet eenmuseumbezoek vooral leuk zijn. Dit vloeit onder andere voort uit de aanname dateen museumbezoek in de beleveniseconomie wordt gezien als een vorm vanvrijetijdsbesteding, die moet concurreren met andere vormen van vermaak.117In de museumwereld lopen de meningen uiteen over de geschikte mate vanbetrokkenheid van het publiek. Tegenstanders vrezen dat musea door al dezeaandacht voor de wensen van het publiek, andere belangrijke taken zoals hetverzamelen, presenteren en beheren van kunst, uit het oog verliezen. Bovendienvrezen zij voor een verlies van autonomie van het museum als instituut. Voorstanders,zoals Tate Modern directeur Chris Dercon, zien juist mogelijkheden voor hetpresenteren van informatie die beter aansluit bij het niveau en de interesses van hetFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.43112 Müller, 2002. Article Museums and Virtuality.113 Sommige auteurs kiezen voor het begrip Spektakelcultuur of Culture of the Spectacle.114 Raad voor Cultuur, 2003, eCultuur, van i naar e., p.10.115 Pine & Gilmore, 1999, pp. 30, 31 Pine & Gilmore hebben gericht op het museumpubliek, eenmodel ontwikkeld dat verschillende manieren van beleven beschrijft.116 Raad voor Cultuur, 2003, eCultuur, van i naar e., p.10.117 Stephen, 2001, p. 297. In: Museum Management and Curartorship.
  44. 44. publiek. Hiertoe proberen sommige musea (inter)actief de dialoog met hun publiekaan te gaan, waarvoor onder andere sociale media dankbaar worden ingezet.Er is echter veel onduidelijkheid en discussie over de vraag hoe de actieveparticipatie van het publiek exact gerealiseerd zou moeten worden, in zowel hetfysieke museum als op de museumwebsite. Hoofdstuk twee zal dieper in gaan op dezeproblematiek. De twee aan elkaar gerelateerde begrippen die hierbij een belangrijkerol spelen, worden nu nader besproken.9.2. Interactie en ParticipatieAl voor de komst van de digitale technologie die communicatie wereldwijd heeftvergemakkelijkt, streefden sommige musea naar interactie met hun publiek. Van1945 tot 1962 was Willem Sandberg directeur van het Stedelijk Museum. Hij zag derelatie tussen museum en publiek toen ter tijd al als een dialoog. Sandberg keerdezich tegen het idee van het ‘alleswetend museum’ dat zijn informatie via eeneenzijdige informatiestroom (top-down lecture) overbrengt op een ‘onwetendpubliek’.118 Waar ‘oude’ media zoals televisie en film voorheen het publiek vooral alstoeschouwer hadden, kan men met nieuwe media reageren op de inhoud en ook intoenemende mate participeren.119“Het museum is niet meer ter lering en vermaak alleen. Van de bezoeker wordt actieverwacht. (…) Van passieve waarnemer, naar actieve onderzoeker.”120Ook op het internet worden interactie, participatie en dialoog gestimuleerd. Wanneerwe het hebben over de bezoekers van een website, is de term ‘gebruikers’ daarommeer op zijn plaats.121Beide begrippen (interactie en participatie) zijn problematisch. Striktgenomen zijn lang niet alle nieuwe media ‘interactief’ te noemen, omdat niet elknieuw medium om een actieve houding van de gebruiker vraagt. Bovendien vraagtelk medium om een zekere mate van interactiviteit. Letterlijk gezien is er namelijkaltijd sprake van een fysieke interactie (zonder een muisklik kun je geen websiteopenen). De interactie met gebruikers waar musea veelal op doelen, is dan ook eenFransje Pansters, Masterscriptie Kunstgeschiedenis: Museumcollecties online, Vrije Universiteit Amsterdam 2012.44118 Tallon & Walker, 2008, p.x.119 Meijer, 2005, p.42.120 Pontzen, 2011, Spektakel Cultuur, in: De Volkskrant, 2 december 2011. In het artikel bekritiseertPontzen de huidige situatie in musea die zijn gericht op participatie en vermaak. Hij vraagt zich af inhoeverre musea zijn doorgeslagen in hun virtuele vertellingen. Daarbij richt hij zich op de interactie enbeleving binnen de muren van het museum.121 Van Tuijn, 2010, pp. 68-69. Van Tuijn is Nieuwe Media coördinator in het Gemeentemuseum inDen Haag.

×