Uploaded on

Identiteit 3.0 is een bachelorscriptie van Reinwardt Academie student Hugo van de Poel. In zijn scriptie wordt getracht twee ontwikkelingen aan elkaar te koppelen. Aan de ene kant wordt er de opkomst …

Identiteit 3.0 is een bachelorscriptie van Reinwardt Academie student Hugo van de Poel. In zijn scriptie wordt getracht twee ontwikkelingen aan elkaar te koppelen. Aan de ene kant wordt er de opkomst van internetgebruikers, en vooral sociale netwerkers, geconstateerd. Het sociale netwerken gaat verder dan het delen van alledaagse ontwikkelingen, het gaat in vele gevallen om het ontwikkelen van autobiografische verzamelingen. Al deze verzamelingen samen vormen een (alternatief) collectief geheugen en/of collectieve identiteit. Het behoudt van collectief geheugen en collectieve identiteit is een van de kerntaken van musea. Hier bevindt zich dan ook de tweede ontwikkeling: een groep musea dat zich openstelt voor wat haar publiek te zeggen heeft.

More in: Education
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Be the first to comment
    Be the first to like this
No Downloads

Views

Total Views
2,560
On Slideshare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
0

Actions

Shares
Downloads
53
Comments
0
Likes
0

Embeds 0

No embeds

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
    No notes for slide

Transcript

  • 1.  
  • 2.                     Identiteit 3.0   Metamusea als knooppunt in sociale netwerken  Afstudeerscriptie door Hugo van de Poel  Reinwardt Academie, juni 2009                         
  • 3.           ‘In the absence of the forum, the museum as a temple stands  alone as an obstacle to change. The temple is destroyed and the  weapons of its destruction are venerated in the temple of  tomorrow‐but yesterday is lost. In the presence of the forum  the museum serves as a temple, accepting and incorporating  the manifestations of change. From the chaos and conflict of  today’s forum the museum must build the collections that will  tell us tomorrow who we are and how we got there. After all,  that’s what museums are all about.’  D. Cameron  The Museum, a Temple or the Forum                                 
  • 4.                                         Ik wil Theo Meereboer graag bedanken voor zijn hulp en  inzet bij de totstandkoming van deze scriptie.  
  • 5. Inhoudsopgave  Samenvatting            6  Summary            7  Inleiding             10  Verantwoording            11  0_Plaatsbepaling           12  1_Publieksontwikkeling          18  2_Productontwikkeling          22  3_Duurzame ontwikkeling          28  4_Professionele ontwikkeling        31  5_Het museum als bouwsteen in sociale netwerken   35  6_Toekomstvisie           38  Conclusie            41  Literatuurlijst            43  Bijlage I:   Interview met Arnoud Odding    46  Bijlage II:  Interview met Valentijn Byvanck    47  Bijlage III:  Scriptievoorstel        48                       
  • 6. Samenvatting  Identiteit 3.0 beschrijft twee ontwikkelingen. De eerste ontwikkeling is die van een maatschappij die steeds  intensiever gebruikt maakt van het internet. Nederland bestaat voor 82,9% uit internetgebruikers. De  activiteiten van deze gebruikers vallen uiteen in verschillende categorieën. Een categorie is sterk in opkomst,  het sociale netwerken. Gebruikers van deze netwerken zijn hier zo actief in dat ze (bewust of onbewust) verder  gaan dan het delen van profielinformatie en autobiografisch aan het verzamelen zijn. De mate van  professionaliteit van deze verzamelingen loopt uiteen van goed onderhouden dagboeken tot volledig  doordachte tentoonstellingen. Door op deze manier bezig te zijn met betekenisgeving aan objecten, verhalen,  herinneringen of meningen krijgen de verzamelingen een karakter dat sterk op dat van museale collecties lijkt.   Al deze verzamelingen samen vormen een collectief geheugen en een collectieve identiteit. Het behoudt van  collectief geheugen en collectieve identiteit is een van de kerntaken van musea. Om aan te kunnen sluiten op  dit nieuwe erfgoed zullen veel musea wel eerst van houding moeten veranderen. Verzamelingen op internet  bestaan niet uit het soort authentieke objecten waar musea zich gewoonlijk mee willen associëren. Ook  hebben de verzamelingen een hoog subjectief gehalte, een subjectiviteit die in musea vaak wordt vermeden.  Om aan te kunnen sluiten moeten musea meer gaan denken vanuit het publiek dan vanuit objecten. Het doel is  het vertellen van een verhaal of liever nog het in gesprek gaan over een verhaal, en het object is daar een  slechts middel voor.  Op dit gebied vallen musea in twee groepen uiteen. De eerste groep, de romantische musea, leggen hun focus  op het object en gaan uit van begrippen als historische sensatie en authenticiteitsbeleving. Deze groep gelooft  (vaak succesvol) in de aantrekkingskracht die ‘echte’ objecten op het publiek hebben. De tweede groep, de  deconstructivistische (meta)musea, zien het museum als een plek waar erfgoed, identiteit en het museum zelf  ter discussie moeten staan. Deze musea bewegen zich bewust richting het publiek. Dit is dan ook de groep die  succesvol zou kunnen participeren in sociale netwerken en collecties op internet. Door middel van deze  participatie kunnen musea de verzamelaars handvatten aanbieden voor het behoud  van hun collecties.  Daarnaast kunnen ze de verzamelaars ook bewust maken van het belang van dit behoud. Deze aspecten zijn bij  de verzamelingen over het algemeen onderontwikkeld. Door te communiceren met verzamelaars die een  zelfde aandachtsgebied hebben kunnen musea hun eigen kennis delen en kennis van de verzamelaars  gebruiken in hun eigen praktijk.     1 Figuur 1: Opbouw sociale netwerken                                                               1  http://nform.ca/publications/social‐software‐building‐block (pagina over de bouwstenen van sociale netwerken)   6   
  • 7.   Als de kerneigenschappen van sociale netwerken worden vergeleken met die van de metamusea blijkt dat er  veel overeenkomsten en aansluitingpunten zijn. Vanuit de kern, identiteit, heeft ieder sociaal netwerk haar  eigen aandachtspunten. Al deze aandachtspunten kunnen bij participatie van musea van belang zijn. Het  museum gaat in gesprek met een groep, voor een tandenstokermuseum zou dit bijvoorbeeld een groep  verzamelaars of kenners van tandenstokers zijn. Het museum deelt kennis met deze groep. Door relaties aan te  gaan met de verzamelaars zet het museum haar reputatie op het spel om beter aanwezig te zijn in de  maatschappij. Deze aanwezigheid stelt musea in staat om aansluiting te houden met het publiek, haar  identiteit en haar erfgoed.  Deze ontwikkeling zal het metamuseum in de toekomst van vorm doen veranderen. Het concept dat ten  grondslag ligt aan het museum is niet meer hetzelfde als dat waarmee musea ooit begonnen. Het gaat niet  meer om het tonen van schatten en rariteiten, deze wereld is slechts een paar muisklikken van ons verwijderd.  Het gaat om het museum dat onderdeel is van de maatschappij. Het museum dat zich ten doel stelt  onderzoeker, verzamelaar en bewaarder te zijn van identiteit en erfgoed.                                           7   
  • 8. Summary  Identity 3.0 describes two developments. The first development is that of a society depending on the internet  more and more. 82,9% of the Netherlands uses the internet. One of the fastest growing uses of the internet is  social networking. Users of these networks use them to such an extent that they (deliberately or  undeliberately) go beyond sharing just profile information. Instead they are building autobiographical  collections. The professionalism of these collections varies from well maintained diaries to cleverly designed  exhibitions. By adding meaning to objects, stories, memories or opinions in this way the collections have  features very much like museum collections.  These collections combined form a collective memory and a collective identity. The study and preservation of  which is at the very core of museums. However, to connect with this new heritage museum are forced to  change their attitude. Collections on the internet do not consist of the kind of authentic objects museums are  used to work with. The collections also have a high level of subjectivity which museums tend to avoid. To  connect with this heritage museum have to focus more on their audience and less on their collection. The  primary goal has to be storytelling and having conversations about those stories. Objects are merely the tools  to tell this story.  When it comes to objects versus the audience there are two different kinds of approaches. The first approach,  the romantic museology, focuses on objects. This approach believes in historical sensation and the experience  of authenticity. These museums (successfully) believe in the lasting appeal of ‘real’ objects on an audience. The  second approach, the deconstructivist (meta)museology, uses the museum to question identity, heritage and  the museum itself. These are the museums who are taking an increasing interest in audiences. Therefore these  museums can successfully interact with social networks and collections on the internet. Through this  interaction museums can offer collectors tools to help them preserve their collections. They can also make  collectors aware of the importance of their collections. These aspects are usually underdeveloped in collections  on the internet. By communicating with collectors museums can get in touch with groups of people who share  the interests of the museum. The result of which will be an exchange of knowledge on both sides.    2 Figuur 2: Opbouw sociale netwerken                                                                 2  http://nform.ca/publications/social‐software‐building‐block (pagina over de bouwstenen van sociale netwerken)   8   
  • 9. On comparison, social networks share many focus areas with the metamuseums. This makes the interaction  between both fields much easier. The core of each social network is identity. From that core each social  network has its own focus. All these focuses can be of importance for museum when interacting with social  networks. The museum starts a dialogue with a group. In the case of a toothpick museum, the group would  consist of toothpick collectors or people with great knowledge of toothpicks. The museum shares knowledge  with this group and risks its own reputation for relationships with their audience. Through these relationships  museum will become more present in society. This presence will ensure the connection between museums and  the identity and heritage of their audience.  This development will transform the metamuseums in the future. The ground rules for these museums are no  longer be like those of the first museums. The focus is no longer on displaying treasures or oddities for this  world is only a few mouse clicks away. It is about the museum as a part of society. The museum as a  researcher, collector and preserver of identity and heritage.                                            9   
  • 10. Inleiding  3 ‘The universe is big. Really big. You won’t believe how vastly mindboggingly big it really is. And so on.’   In dit eindeloze universum hebben mensen zich ontwikkeld tot een wezen dat tot rede in staat is. In onze  eeuwenoude zoektocht naar onze plaats in het geheel bestuderen wij ons eigen verleden en trekken wij hieruit  lering over ons ontstaan. Daarnaast zoeken we in het verleden naar informatie die ons kan helpen de toekomst  te decoderen. Dit gebeurt niet alleen door wetenschappers in laboratoria. Iedereen vraagt zich af waar hij of zij  vandaan komt en wat zijn plek is. Deze mensen gebruiken ook hun eigen verleden om deze vragen voor zover  mogelijk te beantwoorden.  Als er een instelling is die zich toespitst op het vertellen van (historische) verhalen is het wel het museum. Voor  veel mensen dient het museum als spiegel van het verleden. Maar het gezicht van deze spiegel kan in de nabije  toekomst danig veranderen. Als hetgeen nu het heden is verandert in geschiedenis zal men andere informatie  hebben over deze tijd dan slechts informatie die gehaald kan worden uit gevonden objecten of enkele basale  culturele uitingen (bouwkunst, infrastructuur enz.). Sinds de opkomst van het internet en voornamelijk het  web2.0 is het in stijgende mate gebruikelijk geworden om intensief autobiografisch bezig te zijn. Mocht iemand  toch zijn ontkomen aan het web2.0, gaat zijn of haar leven nog steeds niet onopgemerkt voorbij. Het is moeilijk  te ontkomen aan het oog van de camera. Van de in ieders broekzak rustende telefoon tot  in het plafond van  iedere winkel tot op de hoek van vrijwel iedere straat tot talloze satellieten ver buiten de aarde, overal word je  vastgelegd. Deze ontwikkeling beïnvloedt de wijze waarop wij de geschiedenis in gaan. Ook beïnvloedt het  onze kijk op erfgoed. Nu het erfgoed van vandaag voor het oprapen ligt zullen musea een andere houding  richting dit erfgoed aan moeten nemen. Musea zijn niet meer de verkondigers van een objectieve geschiedenis,  zoals ze zich ooit lijken geprofileerd te hebben. Musea zijn eerder een spin in het web, een kruispunt van  informatiestromen, verzamelingen, identiteiten.  Ik ben een collectie. De herinneringen die ik bij me draag vertellen verhalen over de tijd waarin ik leef. Door  deze herinneringen vast te leggen en te archiveren kan ik mijn identiteit vereeuwigen en verander ik in een  autobiografische collectie. Ik ben niet de enige met deze behoefte. Met mij begeven miljoenen mensen zich op  de wereld en op het web, allen bezig met het bouwen aan een verzameling, of eigenlijk eindeloos veel  verzamelingen. Willen wij onze verzamelingen ook duurzaam kunnen bewaren, dan hebben wij behoefte aan  een gids. Dé instelling met kennis over verzamelingen is het museum, maar in hoeverre zijn musea bereid zich  open te stellen voor deze ontwikkeling en wat krijgen ze er voor terug?  In mijn onderzoek zal ik zowel de beweging van het publiek richting het museum beschrijven als de beweging  van het museum naar het publiek. Beide velden zijn in ontwikkeling, maar waar vindt de ontmoeting plaats en  hoe krijgt deze vorm? Ik zal toewerken naar een toekomstvisie die publiek en museum definitief aan elkaar  verbindt, een toekomstvisie waarin het museum zich eens te meer bevestigt.                                                                          3  D. Adams, The hitchhikers guide to  the galaxy (Londen 1979), p.80  10   
  • 11. Verantwoording  ‘This paper is written in the belief that one of the contributions which museology can make to the actual  operation of museums in practice is the development of theories about the nature and potential scope of  4 museum collections, and of the ways in which these can be regarded.’  Om het potentiële bereik van museale  collecties te onderzoeken is het van belang verder te kijken dan het museum. Niet alleen zijn musea  verantwoordelijk voor het toegankelijk maken van hun collecties, ook zijn ze verantwoordelijk voor degenen  die ze willen bereiken: het publiek. Mijn onderzoek werkt daarom twee kanten op: van het publiek naar het  museum en van het museum naar het publiek. De hoofdstukken ‘publieksontwikkeling’, ‘productontwikkeling’  en ‘duurzame ontwikkeling’ beschrijven ontwikkelingen binnen het publiek. In deze hoofdstukken worden  musea bewust zo min mogelijk betrokken om te benadrukken dat de ontwikkelingen voor een groot deel los  staan van musea. De manier waarop musea in kunnen of moeten spelen op deze ontwikkelingen wordt  beschreven in de hoofdstukken ‘professionele ontwikkeling’, ‘het museum als bouwsteen binnen sociale  netwerken’ en ‘toekomstvisie’.  Het eerste hoofdstuk ‘plaatsbepaling’ dient als inleiding op de verdere  hoofdstukken. In dit hoofdstuk worden enkele relevante kernbegrippen uit de museologie verklaard, om het  overzicht in latere hoofdstukken te bewaren.  Omdat mijn onderzoek voor een groot deel over recente ontwikkelingen gaat, ontwikkelingen die nog weinig  zijn onderzocht en beschreven, heb ik naast gevonden literatuur ook enkele erfgoedprofessionals benaderd die  kennis hebben van en een visie op de besproken onderwerpen. Deze professionals heb ik enkele vragen gesteld  die de grondbeginselen zijn van mijn onderzoek. Door hun reacties te verbinden aan mijn eigen bevindingen  hoop ik tot een beter onderbouwd geheel te komen. Mijn vragen zijn beantwoord door Valentijn Byvanck,  inhoudelijk directeur van het Nationaal Historisch Museum en Arnoud Odding, directeur van het Glasmuseum.  Beiden proberen in hun musea het publiek op een nieuwe manier te bereiken en te betrekken. De gestelde  vragen komen terug in enkele hoofdstukken en zijn terug te vinden in de bijlage.                                                                                        4  P. van Mensch, Methodological museology; or, towards a theory of museum practice, ‘Objects of Knowledge’ (Londen 1990), p.141  11   
  • 12. 0_Plaatsbepaling  Het object  Het object staat centraal in het onderwijs op de Reinwardt Academie. Objecten zijn de kern van museale  collecties en de reden waarom musea ooit zijn ontstaan. De huidige positie van objecten binnen musea staat  vaak ter discussie. Moeten musea uitgaan van hun objecten of van hun publiek? Binnen de omgang met  objecten zijn twee duidelijke kampen te onderscheiden.    5 Het object in de romantische museologie   De romantische museologie beschouwd het object als de basis waar een museum, tentoonstelling of collectie  omheen wordt gemaakt. Deze manier van kijken naar het object staat in direct contact met het ontstaan van  musea. In vroege tijden ontstonden musea als middel om waardevolle en bijzondere schatten en vondsten uit  exotische gebieden te laten zien. Dit waren objecten die bezoekers van deze musea nog nooit hadden gezien,  dus het spreekt voor zich dat deze collecties een hoog sensatiegehalte hadden. De romantische museologie  gaat nog altijd uit van deze sensationele waarde van objecten. Centraal staat het object, dat door zijn  authenticiteit een onbetwistbare waarde heeft. ‘Dit was dé Sandaal van Christus’. Deze historische sensatie  heeft volgens de romantische museologen een eindeloze impact op bezoekers. Mensen willen deze  authentieke stukken zien. Het zien van de objecten inspireert, en spreekt tot de verbeelding. Hier zit volgens de  romantische museologen de grote kracht van het museum. Wij hebben immers de echte dingen!    6 Het object in de deconstructivistische (meta)museologie   De deconstructivistische museologie is het hier niet mee eens. Grote kritiek op de romantische museologie is  het uit gaan van het ‘authentieke object’. Wat maakt een object authentiek en in hoeverre moeten wij hier van  uit gaan? Vroeger werden objecten snel benoemd tot dé … van … zonder dat hier bewijs voor was. Als  voorbeeld kan worden aangedragen de boekenkist van Hugo de Groot. De boekenkist heeft een sensationele  en inspirerende geschiedenis, maar krijgen wij wel de echte te zien? Ja, volgens het Rijksmuseum. Maar ook  volgens het Prinsenhof in Delft en ook volgens het Slot Loevestein, waar Hugo de Groot gevangen werd  gehouden. Er zijn dus verschillende ‘authentieke’ boekenkisten, dus in zekere zin is er géén authentieke  boekenkist.   Deze zelfreflecterende kijk op de museologie staat centraal in de deconstructivistische museologie. Een  simpelere term is misschien meta‐museologie. Het museum als plek waar het museum als concept ter discussie  staat.       Authenticiteit  Een van de grote verschuivingen binnen musea ten opzichte van het object is de manier waarop wordt gedacht  over authenticiteit. Bij een onderzoek dat gaat over collecties op internet is het belangrijk stil te staan bij  authenticiteit. Authenticiteit is een begrip dat op het internet moeilijk toe te kennen is. De vraag is of dit musea  moet belemmeren zich bezig te houden met deze internetcollecties. Dit staat centraal in verdere hoofdstukken.                                                              5  P. van Mensch, oratie Erfgoedarena, 18 maart 2009  6  P. van Mensch, oratie Erfgoedarena, 18 maart 2009  12   
  • 13.  ‘The New Museology specifically questions traditional museum approaches to issues of value, meaning,  7 control, interpretation, authority and authenticity.’  Musea hebben ‘de … van …’, dit zijn meestal de  authentieke objecten. Dit zijn de objecten waar een verhaal aan vastzit. De authentieke objecten zijn  rekwisieten uit bekende (historische) verhalen. Deze authenticiteit is volgens veel museumprofessionals  belangrijk omdat authentieke objecten een gevoel van historische sensatie geven. Het gaat hier om de  authenticiteitsbeleving van de objecten, of in moderne termen de experience van de objecten. Deze beleving is  in feite de kern van het objectieve imago van musea. ‘Dit is immers dé sandaal van Christus’. Als het een replica  van de sandaal van Christus zou zijn zouden de mensen het mogelijk niet interessant of sensationeel vinden.  Maar stel nou dat het niet het object is dat ze zeggen dat het is, wat zich natuurlijk veel voordoet, doet dit dan  af aan het verhaal dat er wordt verteld? Richt het museum zich op sensatiezoekers? Willen musea een Indiana  Jones‐gevoel opwekken of willen ze een goed verhaal vertellen?  De vragen over authenticiteit zijn niet alleen van toepassing op objecten die we in het verleden hebben  verzameld. Deze hebben de voorsprong dat ze al verzameld zijn. We kunnen niet terug gaan en zeggen ‘ik heb  toch liever die blauwe’. We moeten roeien met de authentieke riemen die we hebben. Voor het verzamelen  van het contemporaire leven is dit ingewikkelder. In een maatschappij waar eindeloos veel wordt  ge(re)produceerd is het moeilijk tot de (materiële) kern te komen. Welke objecten moeten wij nu behoeden  voor verval en beschermen met het oog op komende generaties? Zijn dit nog altijd sensationele objecten van  grote artistieke waarde, of moeten we ons richten op objecten of andere bronnen met een hoge persoonlijke  waarde? Objecten die iets vertellen over het leven van zomaar iemand in deze tijd. Want ook deze mensen  produceren authentieke objecten. Deze ‘objecten’ zullen in latere hoofdstukken verder worden bescheven.  Door de enorme groei van het aantal objecten dat wordt geproduceerd verandert de betekenis van het begrip  authenticiteit. Er zijn eerder gradaties van authenticiteit dan dat objecten helemaal of helemaal niet authentiek  zijn. Vrijwel alle objecten (inclusief kunstobjecten) worden in veelvoud vervaardigd. Is het eerst vervaardigde  object in een serie authentieker dan een latere uitgave? Is een herdruk van een boek minder authentiek dan de  eerste druk? Of is het authentieke object het tekstbestand op de computer van de auteur? In een tijd waarin  ontwikkelingen zichzelf en elkaar met de dag vernieuwen moet er ook anders worden gekeken naar het begrip  authenticiteit.      Het proces van musealiseren  Om authenticiteit toe te kennen aan collecties op internet moet er worden gekeken naar het ontstaan van  dergelijke collecties. Het ontstaan daarvan staat dicht bij de kern van het ontstaan van museale collecties. Niet  alleen gaat het om het verzamelen, maar ook om het betekenis geven aan objecten. Iets wordt verzameld  omdat het een speciale waarde heeft voor een persoon of een groep. Dit maakt een object authentiek. Een  privéverzamelaar besluit dat hij zijn objecten, verhalen of meningen belangrijk genoeg vindt om te delen. Dit  proces werkt voor musea niet veel anders. Wel is het verder onderzocht.  Het museum is een instituut. Als instituut is het verantwoordelijk voor het beschikbaar maken, interpreteren,  behouden, documenteren en verzamelen van erfgoed. Duidelijk mag zijn dat het museum er als instituut niet  geweest zou zijn zonder dit erfgoed. Maar om dit erfgoed te kunnen gebruiken moet het eerst worden  opgenomen in het museum. Dit proces wordt musealisering genoemd. Het begrip ‘Musealiserung’ werd door  Hermann Lübbe geïntroduceerd, allereerst in de beperkte betekenis van de wonderbaarlijke groei van het                                                              7  D. Stam, The Informed Muse: the implications of “the New Museology” for museumpractice, ‘Museum Management and Curatorship 12’   (1993) 2, 267‐283  13   
  • 14. aantal nieuwe musea, maar ook meer omvattend als term voor de institutionalisering van historische  8 belangstelling.   Voordat er verder ingegaan kan worden op het musealiseren is het van belang dat er bepaald wordt wat er  gemusealiseerd kan worden. Musealisering hoeft zich niet te beperken tot het eerder gedefinieerde culturele  erfgoed. Voor het vertellen van een compleet verhaal kan het museum namelijk ook kijken naar  informatiedragers buiten dit segment. Een van de voornaamste doelen van de omgang met museale objecten  is het destilleren van informatie uit de objecten. De eerste les van de Reinwardt Academie is immers ook een  gesprek aangaan met een object. Je kunt dus stellen dat alles waar informatie aan te onttrekken is, een  potentieel museaal object is. Dan valt er te concluderen dat alles, zelfs het universum, een potentieel museaal  object is.  Het begrip musealiseren is verbonden aan het begrip museum. Musealisering is dus plaatsgebonden, ook al  staat dit ter discussie met de groeiende nadruk op activiteiten buiten het museumgebouw. Dit wil niet zeggen  dat al wat gemusealiseerd is zich in musea bevindt, maar dat het wel aan een museum verbonden is.  Musealiseren is niet iets dat iedereen op zijn zolderkamer kan doen, het vereist een zekere professie en een  zekere autoriteit. Zo zijn er nog meer randvoorwaarden voor musealisering. Waar echter geen voorschiften  voor zijn is de kwantiteit van musealisering. Pim de Boer schrijft in Bezeten van Vroeger: ‘De snelheid van de  9 modernisering werd ook onlosmakelijk verbonden geacht met de musealisering.’  Wil dit dan ook zeggen dat  de musealisering met de modernisering mee moet groeien? Is er sinds de opkomst van de  consumptiemaatschappij aanzienlijk meer gemusealiseerd? Het lijkt voor de hand liggend dat er een  kwantitatieve voorwaarde aan musealisering zit. Bij een drastische toename van authentieke of unieke  objecten zou je ook een toename in gemusealiseerde objecten verwachten.  Museum Authentieke  objecten Maatschappij   figuur 3: maatschappij, authentieke objecten & museum  In het bovenstaande schema wordt dit proces verbeeld. De buitenste laag is de maatschappij. Deze  maatschappij is verantwoordelijk voor het produceren van potentieel cultureel erfgoed. Uit dit potentiële  culturele erfgoed filtert het museum wat het van belang acht voor komende generaties. Maar dit proces is niet  uit te drukken in procenten. Het is niet zo dat musea gezamenlijk hebben afgesproken 1 procent van de  geproduceerde unieke objecten te musealiseren. Musea verzamelen slechts wat zij van belang achten voor                                                              8  R. van der Laarse (red), Bezeten van vroeger (Amsterdam 2005), p.41  9  R. van der Laarse (red), Bezeten van vroeger (Amsterdam 2005), p.41  14   
  • 15. zichzelf en voor toekomstige museumbezoekers. De gemiddelde collectiegroei is overigens wel onderzocht. Zo  10 zouden museale collecties iedere 5 jaar gemiddel 1 tot 10 procent groeien.   Door op deze manier te verzamelen gunnen musea zichzelf een positie die eigenlijk tegen onze democratie in  gaat. Doordat musea de enige instellingen zijn die in staat zijn tot het musealiseren van objecten, waren zij  lange tijd de enige die bepaalden hoe het heden vastgelegd wordt en hoe wij het verleden zien. Het gevaar is  dat als musea veel door de maatschappij gecreeërd erfgoed links laten liggen, ze geen juiste afspiegeling meer  van de maatschappij zijn. Dit probleem staat in latere hoofdstukken centraal.  Nu er bepaald is wat er gemusealiseerd kan worden, en welke randvoorwaarden er aan worden gesteld kan er  ingegaan worden op het proces. Wat gebeurt er daadwerkelijk als een object wordt gemusealiseerd? Wordt  het object bij binnenkomst in het museum in een machine gezet, om er uit te komen als museumobject? Nee.  Het object wordt verzameld, en vanaf dat moment is het gemusealiseerd. Het object krijgt een make‐over, het  zit in een ander jasje, een andere context. In deze museale context heeft het object verschillende waarden,  afhankelijk van het gebruik van het object. Wordt het bijvoorbeeld voor onderzoek gebruikt, dan wordt er  gekeken naar de oorspronkelijke betekenis en context van het object. Er wordt gezocht naar informatie die het  object met zich meedraagt. Deze waarde ligt nog het dichtste bij het oorspronkelijke object. Maar wordt het  object tentoon gesteld, dan verandert het object in een symbool. Een symbool voor een tijd, een plaats, een  gebeurtenis of het oorspronkelijke object. In een tentoonstelling krijgt een object een nieuwe kunstmatige  omgeving en een nieuwe kunstmatige functie. Op dit moment is het object een symbool geworden. Het  verwijst naar een museumrealiteit. Een realiteit die er nooit is geweest.   De levensloop van het object begint nog voor het stadium van ‘simulatie’. In feite begint de vervorming van een  object eigenlijk al bij vervaardiging. De maker heeft een concept dat hij uitgevoerd wil hebben. Dit zal nooit  perfect gebeuren, en er zal dus al betekenis van het object verloren gaan. Zeker bij gebruiksvoorwerpen wordt  dit door gebruik nog lange tijd voortgezet. Een object raakt steeds verder verwijderd van het originele concept.  Bij de eerste stap, simulatie, zit een object dan ook al in een nieuwe context. Het object heeft op dat moment  de functie van een verwijzing aan het oorspronkelijke concept. Wanneer dit object wordt gemusealiseerd gaat  nog meer van de context en conceptinformatie verloren. Op dit moment is het object slechts nog een symbool  voor het oorspronkelijke object.                                                              10  P. van Mensch, uit de reader Theorie van het verzamelen (Reinwardt Academie Amsterdam 2003), p.32  15   
  • 16.   11 figuur 4: Het proces van musealiseren   In figuur 2 wordt de beperking van waarde van een object tot symbool getoond. Het object gaat vanuit de  primaire context in een museologische context waar het een museale waarde krijgt. Hier zou een object dus  nog kunnen dienen als middel voor onderzoek. Vanuit deze context wordt het object getransformeerd naar een  toeristische context. Het object wordt dus ook hier slechts getoond als symbool.  Deze interventie in objecten is uniek. Je neemt een object en alle informatie om dit object en bevriest dit in de  tijd. Het probleem is dat het onmogelijk is om alle omgeving ook te musealiseren. Je ziet het originele object in  een artificiële context. Het probleem van vervorming is lastig te omzeilen. Als alle objecten die nu  gemusealiseerd zijn in hun originele context bewaard zouden zijn gebleven zouden ze waarschijnlijk beschadigd  of zelfs vernietigd zijn. Het is dus aan musea om te overwegen of een object nog steeds waardevol zal zijn in  een museale presentatie. Ook is het aan musea om te bepalen hoeveel contextinformatie over een object mee  verzamelt wordt.  Deze contextverschuiving van objecten is onvermijdelijk. Het is een noodzakelijk kwaad in het bestaan van  musea. Om het belang van musealiseren te onderstrepen is het interessant te kijken naar de tegenkracht van  musealiseren, naar de plek waar objecten waarde wordt ontnomen. ‘It is always a question of proving the real  through the imaginary, proving truth through scandal, proving the law through transgression, proving work  through striking, proving the system through crisis, and capital through revolution, as it is elsewhere of proving  ethnology through the dispossession of its object – without taking into account: The proof of theater through  12 antitheater. The proof of art through antiart […]’.  In deze zin kun je ook spreken over het bewijzen van musea  door antimusea. Het is deze tegenpool die het museum versterkt in haar functie. Hetgeen niet wordt  verzameld, blijft niet altijd liggen wachten. Hetgeen niet wordt verzameld wordt afval, en wordt vernietigd.                                                                11  P. van Mensch, schema afkomstig uit Powerpointpresentatie ‘Museum Audience’, 30 januari 2000    12  J. Baudrillard, Simulacra and Simulation, (The University of Michigan 1994), p.19  16   
  • 17. 13 figuur 5: Onvervreemdbaar erfgoed en vervreemdbaar afval als polen van de materiële cultuur                                                                                               13  R. van der Laarse (red), Bezeten van vroeger (Amsterdam 2005), p.214  17   
  • 18. 1_Publieksontwikkeling  Het publiek, in de definitie van de maatschappij (dus losgekoppeld van musea), is een groep mensen met  uiteenlopende achtergronden en doelen. Wat ze wel gemeen hebben is een identiteit. Ze zijn allen gekoppeld  aan een zelfde plek of een zelfde land. Wat er de afgelopen decennia is veranderd binnen dit publiek is de  manier waarop de groep onderling en naar buiten communiceert. De opkomst van sociale media verandert het  gezicht van de maatschappij. Mensen hoeven niet meer de straat op om met elkaar te communiceren, en  hoeven niet meer naar het museum om collecties te bekijken. Om de aansluiting met het publiek te behouden  moeten musea zich gaan begeven in de kern van de nieuwe media, want daar zit het publiek.  Sinds de uitvinding van het internet, zo’n 40 jaar geleden, maar met name het World Wide Web project (www)  in 1989, is de wereld in een stroomversnelling geraakt. De snelheid waarmee nieuws, kennis, informatie,  sensatie en andere prikkels ons om de oren vliegen verplicht ons om begrippen als actualiteit maar ook  begrippen als identiteit en authenticiteit opnieuw te definiëren. Het internet is een universum in ons  universum. Een grenzeloze ruimte volgepakt met informatie. Om ons wegwijs te maken filteren we informatie  net zo ver door tot we tot een zekere kern komen wat van we zoeken. Het internet is onze publieke bibliotheek  en ons publieke archief.  In 2009 zit 23,8% van de wereldbevolking op internet. In Europa is dit 48,9%, en Nederland begeeft zich met  14 82,9% internetgebruikers aan de globale top.  Van de overgebleven 17,1% is ongeveer 5% onder de 9 jaar en is  15 ongeveer 5% boven de 70 jaar . Het percentage niet‐internetgebruikers tussen de 10 en 69 jaar is dus nog  geringer. Niet voor niets is internet de vervanger van vrijwel alle andere media. Kranten gaan failliet, radio en  televisie zijn online, etc. Maar hoe gedraagt deze groep zich op internet? Wat doen deze mensen, en hoe actief  zijn ze daar in?     16 Figuur 6: Dagelijkse internetactiviteiten                                                               14  http://www.internetworldstats.com/stats.htm (statistieken over internetgebruik)  15  http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/05589669‐0AF3‐46F0‐A465‐12233AC9C943/0/2003k4b15p012art.pdf (statistieken over demografie  Nederland)   16  http://pewresearch.org/assets/publications/921‐1.gif (statistieken over de internetgebruiker)   18   
  • 19. In figuur 1 staat het gedrag van internetgebruikers onderverdeeld in activiteiten. Als deze informatie toegepast  zou worden op musea zouden hun websites bezocht kunnen worden onder de kopjes ‘visiting social  networking site’, ‘surf web for fun’, ‘research hobby’, ‘online search’ en ‘email’. Het gebruik van sociale  netwerksites is nog verder onder te verdelen in drie categorieën. Dit zijn de beschouwende en participerende  gebruikers, de participerende en initiërende gebruikers en de zogeheten supergebruikers.   1% Grote  autoriteit/zeer  actief 9% Respons en  bijdragen 90% Kijken  consumeren   17 Figuur 7: Verdeling gebruikers van een community   In figuur 2 worden deze categorieën gebruikers gekoppeld aan percentages. De communities bestaan voor 90%  uit participerende gebruikers, voor 9% uit initiërende gebruikers en voor 1% uit supergebruikers. Dit zijn  gebruikers die medeverantwoordelijk zijn voor de inhoud en/of vorm van de community.   Met de opkomst van de consumptiemaatschappij is onze omgang met ons erfgoed veranderd. We zijn van ‘wie  wat heeft die bewaart dat’ naar ‘wie wat bewaart die heeft wat’ gegaan. Voor de tijd van massaproductie was  vrijwel iedere bezitting van groot belang, iets om aan je kinderen na te laten. Nu brengen wij oude inboedels in  het beste geval naar de kringloopwinkel. Deze traditie van materiële overlevering is dus sterk veranderd. Het  nadeel van deze ontwikkeling is dat we minder zichtbaar het gevoel van identiteit of afkomst hebben. Mede  hierdoor verandert onze omgeving in een ongekend tempo. Dit is reden te meer om terug te kijken in de  geschiedenis, om in contact te blijven met onze identiteit. ‘The past is everywhere […] Long uprooted and  18 newly unsure of the future, Americans and masse find comfort in looking back’.  Deze trend is een  randverschijnsel van de opkomst van zowel het internet als de consumptiemaatschappij. Enerzijds worden we  overspoeld met informatie, nieuws en trends, maar aan de andere kant biedt het internet ons ook de  mogelijkheid om terug te kijken in de geschiedenis. We kunnen gericht op zoek naar wat we maar willen  ontdekken. Eigen familiegeschiedenis, historische gebeurtenissen of verhalen van andere mensen.   19 Het verlangen om deel uit te maken van een groep die deelt en samenwerkt is een menselijk instinct.  De  komst van het World Wide Web (www) was de ontwikkeling die het mogelijk maakte om dit instinct volledig te  benutten. Dit was de ontwikkeling die het internet tot een succes maakte. Dit netwerk werd oorspronkelijk  ontwikkeld om de communicatie tussen wetenschappers makkelijker te maken. Het sociale aspect zit in het                                                              17  http://www.slideshare.net/neilperkin/harnessing‐the‐power‐of‐online‐communities‐presentation (slideshow van Neil Perkin)  18  D. Lowenthal, The past is a foreign country (Cambridge 1985), p.15  19  C. Shirky, Here comes everybody (New York 2008) p.54  19   
  • 20. web ingebakken. Dit sociale aspect floreert sinds enkele jaren door de komst van sociale netwerken in internet.  De mate waarin deze netwerken worden gebruikt laat duidelijk zien dat mensen een sterke interesse in elkaar  hebben. Steeds verder wordt het leven van de internetgebruiker open gelegd voor de rest van de wereld.  Communities als Twitter, die oorspronkelijk werden gezien als speelgoed voor narcisten, bestaan nu uit  miljoenen gebruikers. Het centrale punt in de community is de vraag ‘wat ben jij nu aan het doen?’, waar  mensen het liefst zo vaak mogelijk op antwoorden in maximaal 140 tekens. Bij de actieve gebruikers vormt zich  hierdoor een patroon door hun dagen, dat door volgers wordt bekeken, gedeeld en/of becommentarieerd.  Overigens zijn het niet de (alleen) werkloze, verveelde huismussen die dit tot levensinvulling kiezen, maar tot  de veelgebruikers behoren ook prominente figuren als Barack Obama, Lance Armstrong en onze eigen Maxime  Verhagen. Naast Twitter zijn er nog talloze sociale netwerksites en communities, met ieder hun eigen  invalshoek of gebruik. Enkele grootheden zijn MySpace met ruim 250 miljoen gebruikers, LinkedIn met 40  20 miljoen gebruikers, Facebook met 200 miljoen gebruikers.  In toenemende mate belangrijk zijn de afgeleide  applicaties of samengevoegde functionaliteiten; mash‐ups.  De invloed die dergelijke communities op ons leven hebben is niet te onderschatten. Netwerken is zowel op  privé als op professioneel niveau een leidraad in ons bestaan geworden, en het internet is het prominente  middel. Zo schrijft de Engelse krant The Guardian over plannen om het gebruik van websites als Twitter en  21 Wikipedia in Engeland onderdeel te maken van het basisonderwijs.  Op deze manier zouden kinderen meer  vrijheid krijgen in wat ze leren, en docenten meer vrijheid in wat ze doceren. Hiermee bewijzen dergelijke  communities zich groter dan een hype, eerder als een opstapje naar de toekomst.  Het resultaat van deze ontwikkeling is dat er onder meer een verschuiving heeft plaatsgevonden tussen  objectieve en subjectieve media. Enkele decennia geleden vertrouwden wij op de kranten en de televisie om  ons het nieuws te brengen en ons te informeren over gebeurtenissen in de wereld. Wij vertrouwden erop dat  deze media ons een zo objectief mogelijk beeld geven van wat er om ons heen gebeurt. Nu de meeste  informatie binnenkomt via het web, wordt de objectiviteit kleiner, in ruil voor snellere communicatie. Op  internet kan iedereen zijn waarheid verkondigen. Berichten worden geplaatst, beoordeeld, besproken, bewerkt  en weer opnieuw geplaatst.   Deze vrijheid in informatieverspreiding heeft ook zijn terugslag op andere terreinen. Nu iedereen de  mogelijkheid heeft zich (anoniem) uit te spreken, worden veel meer stemmen gehoord dan ooit te voren. Een  goed voorbeeld hiervan is de blogrevolutie in Iran. Het land dat onder druk van haar conservatieve regering  wordt beperkt in voorkomen, uiting en vrijheid. Iran heeft 70 miljoen inwoners, waarvan meer dan de helft  onder de 25 is. Deze generatie groeit op in een andere wereld dan hun ouders. Zij vinden een uitlaatklep in het  schrijven op blogs. Iran heeft met meer dan 700.000 blogs in 2005 het op 2 na hoogste aantal blogs in de  wereld. Op deze blogs kunnen de voornamelijk jonge inwoners van het land vrijuit spreken over door hun  22 regering verboden onderwerpen.  Op deze manier creëert deze generatie haar eigen erfgoed. Ze uiten waar ze  zich verbonden mee voelen, en niet waar ze verplicht aan zijn.  De invloed van het interactieve web heeft ook invloed op ons erfgoed. De miljoenen mensen die persoonlijke  verhalen, ervaringen, meningen etc. delen, bouwen (bewust of onbewust) aan een collectief geheugen en een  collectief archief. In dit geheugen bepalen de mensen zelf welke informatie ze van groot belang achten en  welke van minder belang doormiddel van pageviews, waarderingen en commentaren. Als dit fenomeen in  vergelijking wordt getrokken met musea zou je kunnen stellen dat iedereen een conservator is of kan zijn.  Iedereen kan zijn eigen verzamelingen aanleggen, zijn eigen erfgoed delen, en zijn eigen publiek zoeken. In zijn                                                              20  http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_social_networking_websites (overzicht van grote sociale netwerken)   21  http://www.guardian.co.uk/education/2009/mar/25/primary‐schools‐twitter‐curriculum (website The Guardian)  22  http://www.youtube.com/watch?v=MChlT0GvFPM (video over het bloggen in Iran)  20   
  • 21. boek ‘We‐think: The power of mass creativity’ beschrijft Charles Leadbeater deze ontwikkeling. ‘In the past you  23 were what you owned. Now you are what you share.’                                                                                                                   23  http://www.youtube.com/watch?v=qiP79vYsfbo (Video bij het project We Think van Charles Leadbeater)  21   
  • 22. 2_Productontwikkeling  In het vorige hoofdstuk werd beschreven hoe de maatschappij massaal op het internet terecht is gekomen. Een  duidelijk motief van de internetgebruiker is het werken aan sociale netwerken. Om deel uit te kunnen maken  van deze netwerken moet de gebruiker persoonlijke informatie uitwisselen. Veel sociale netwerken zijn  gebouwd rondom het delen van ervaringen, meningen en ideeën. Dit uit zich in tekst, beeld en geluid.  Naarmate gebruikers intensiever opgaan in dit sociale netwerk wordt hun bijdrage ook groter. Deze gebruikers  laten een spoor achter in of rondom een netwerk van persoonlijke informatie en documentatie. Bewust of  onbewust zijn deze gebruikers aan het verzamelen. Verzamelingen die interessant zijn voor henzelf, hun  netwerk of een grotere gemeenschap. Deze gelaagdheid is te benoemen als verzamelingen op nano‐, micro‐ en  macroniveau.   Nano  Verzamelingen op nanoniveau zijn de meest persoonlijke verzamelingen. Hierbij kan gedacht worden aan  persoonlijke websites en weblogs of profielen op overkoepelende websites. Voor de hand liggend is ook dat  deze verzamelingen het kleinste bereik hebben. Omdat ze toegespitst zijn op de meningen en ervaringen van  één persoon, zijn ze voor een kleinere doelgroep direct toegankelijk. Deze verzamelingen hebben een  subjectief karakter, ze zijn immers door één persoon samengesteld.  Jonathan Harris is een bekende conceptontwikkelaar voor websites. Met verschillende projecten probeert hij  interactie met de mens aan te gaan, door deze te bestuderen of op interactieve wijze te integreren in een  24 project. Zijn project ‘The Whale Hunt ’ heeft een andere insteek. Hier laat hij de walvisjacht in Alaska zien,  door een groep lokale jagers te volgen. Hij documenteert zijn reis door iedere vijf minuten een foto te maken.  Deze foto’s zijn verzameld op een website en kunnen door bezoekers bekeken worden.     Figuur 8: Screenshot van The Whale Hunt  Er zijn verschillende manieren om de foto’s te bekijken. De eerste optie is te kiezen uit een mozaïek van  afbeeldingen. Andere opties zijn een tijdlijn en een cyclische weergave.    Figuur 9: Screenshot van The Whale Hunt                                                              24  http://thewhalehunt.org (project van Jonathan Harris)  22   
  • 23. De tijdlijn ziet er uit als een grafiek doordat er uitschieters in de hoogte van de lijnen zitten. Deze weergave  verwijst naar een andere manier om door de foto’s heen te zoeken. Alle foto’s zijn (buiten het zich van de  bezoeker) bestempeld met enkele kenmerken. Door kenmerken te selecteren filter je de 3200 foto’s tot  hetgeen je graag wilt zien. Zo kun je kiezen uit een van de leden van de cast. Deze kun je combineren met een  concept, bijvoorbeeld voertuigen, gereedschap, spellen of eten. Dit kan worden gefilterd in een context. Zo is  er het dorpje waar de walvissen worden gevangen of het huis van de jagers. Als laatste kan er nog gefilterd  worden op hartritme. Één hartje betekent een rustig moment en vijf hartjes betekenen een spannend of  intensief moment.  Door deze interactie kunnen bezoekers het verhaal vanuit verschillende perspectieven beleven. Daarnaast is de  bezoeker vrij te kijken door de gehele fotoverzameling.    Figuur 10: Screenshot van Classics in Lego  Naast websites als The Whale Hunt, die zich autonoom op het internet presenteren, zijn er ook verzamelingen  op sociale netwerksites. Door middel van profielen kan iedereen zijn of haar content op het web delen en deel  25 uitmaken van een groter netwerk. Zo is de verzameling ‘Classics in Lego ’ van fotograaf Mike Balakov een  verzameling op heel persoonlijk niveau, dat toch een breed publiek bereikt. De fotograaf speelt met enerzijds  het nabootsen van fotoklassiekers in LEGO, en anderzijds van maken van kwalitatief hoogstaande foto’s.  26 Een ander soort nanoverzameling is Rechthoek.nl . Op dit blog over kunst, filosofie, wetenschap en  maatschappij werd tot voor kort dagelijks een nieuwe video geplaatst. De ontwikkelaar van deze website,  kunstenaar Daniel Dennis de Wit, gebruikt de website om door het plaatsen van andermans video’s dingen te  delen die hij interessant acht. De geplaatste video’s komen van bijvoorbeeld Google Video, YouTube, Vimeo en  TED. Door zelf veel video’s tot zich te nemen cureert de auteur op deze wijze zijn eigen verzameling. Hij bepaalt  wat hij interessant vindt, en deelt dit met zijn publiek. Een recentelijke ontwikkeling op de website is dat deze  zijn bereik probeert te vergroten door van een privénetwerk (een eigen webdomein) naar een groter netwerk  te verhuizen. Zo zijn de dagelijkse updates vervangen door updates op bookmarkwebsite Del.icio.us en het  sociale netwerk FriendFeed. Op deze manier koppelt de website zich aan het microniveau.     Micro                                                              25  http://www.flickr.com/photos/balakov/sets/72157602602191858/ (Flickrprofiel van Mike Balakov)  26  http://www.rechthoek.nl/ (blog over kunst, filosofie, wetenschap en maatschappij)  23   
  • 24. In vergelijking met nanoniveau zijn verzamelingen op microniveau minder subjectief. Verzamelingen op  microniveau zijn ofwel verzamelingen met een gesloten karakter (waar bezoekers niet zelf een profiel aan  kunnen maken), ofwel netwerken van verzamelingen met een hoog persoonlijk karakter die een groter bereik  hebben. Dit zijn websites die zich richten op een beperkte groep, of hebben (nog) een beperkt bereik. Wat alle  microverzamelingen met elkaar gemeen hebben is dat er meer de mening van een groep wordt  vertegenwoordigd, dan de mening van een individu.  Een interessante verzameling op microniveau die is voortgekomen uit de museologie is het Geheugen van  27 Oost . Deze website werd opgezet door het Amsterdams Historisch Museum ter voorbereiding op de  tentoonstelling ‘Oost, Amsterdamse buurt’. Op de website worden verhalen verzameld uit het stadsdeel Oost.  Om deze verhalen te documenteren gaan vrijwilligers uit de buurt op zoek naar mensen, plaatsen en verhalen.  Het succes van de website zit in het concept dat het door de buurt in leven wordt gehouden, maar toch ook  beschikbaar is voor een breder publiek. Dit succes is op te maken uit het feit dat de tentoonstelling al lang  geweest is, maar de website nog steeds verder ontwikkelt.    Figuur 11: Logo van Museum 2.0  Niet alleen museologische projecten, maar ook zelfs de museologie op zich vormt collecties op internet. Zo is  28 het in museologische kringen bekende weblog van Nina Simon’s ‘Museum 2.0 ’ een verzameling aan  geschreven materiaal over museologie en museale activiteiten. Simon gebruikt het weblog als kanaal om haar  mening te uiten, en vindt hier ook een publiek. Haar teksten worden becijferd en becommentarieerd. Doordat  Simon een gerespecteerd figuur is in de museale gemeenschap tilt zij haar weblog boven het nanoniveau uit en  bereikt ze een groter publiek.  Een website die verband houdt met de werkwijze van musea, maar niets met musea te maken heeft is de  29 website As‐Found . De website exposeert verzamelingen die samengesteld worden door de ‘curatoren’ van de  website. Het concept achter de website, zoals de titel al verraadt, is gevonden content. De tentoonstellingen  bestaan uit op thema gerangschikte verzamelingen gevonden afbeeldingen. De thema’s van de  tentoonstellingen lopen uiteen, van een verzameling handshakes tot een verzameling foto’s van mensen die in  de geschiedenis de Amerikaanse presidentsverkiezingen hebben verloren.                                                               27  http://www.geheugenvanoost.nl/ (website van een project van het Amsterdams Historisch Museum)  28  http://museumtwo.blogspot.com/ (weblog van Nina Simmons)  29  http://www.as‐found.net (website met online tentoonstellingen)  24   
  • 25.   Figuur 12: Afbeelding uit de tentoonstelling Anonymous  De tentoonstelling ‘Anonymous’ laat een serie foto’s zien van mensen die anderen of zichzelf op foto’s  onherkenbaar hebben gemaakt.  De variëteit aan verzamelingen op microniveau is eindeloos. Enkele andere opmerkelijke voorbeelden zijn:    Figuur 13: Schilderij door ‘Stijn’  30 De Hyvespagina van ‘Stijn ’. Deze kunstenaar maakt schilderijen van de profielfoto’s van Hyvesgebruikers.  Deze schilderijen zet hij dan weer op zijn pagina. Zo gaat hij een vreemde relatie aan met nieuwe media en  sociale netwerken.                                                              30  http://fulloffolly.hyves.nl/ (Hyvesprofiel van ‘Stijn’)  25   
  • 26.   Figuur 14: Screenshot van We Feel Fine  31 We Feel Fine  is een ander project van Jonathan Harris, waar hij tracht de gevoelens van de wereld in kaart te  brengen. Dit doet hij doormiddel van een blogfilter die alle zinnen waarin ‘I feel’ in staat automatisch aan zijn  website toevoegt. Dit spinnenweb van uitspraken over de gevoelens van de wereld is verder te filteren op soort  gevoel, geslacht van de auteur, plaats, leeftijd van de auteur, weersomstandigheid en datum.     Figuur 15: Logo van het Scientology video kanaal  De geestelijke beweging Scientology gebruikt haar website als propagandamiddel om nieuwe leden te werven.  Dit doen ze door de website te gebruiken als videokanaal. Een verzameling video’s belicht de mening van  Scientology over uiteenlopende onderwerpen. Als reactie op deze website zijn er ook verzamelingen die enkel  32 tot doel hebben Scientology in een negatief daglicht te zetten. ‘Operation Clambake ’ is een kenniscentrum  aan informatie waarom mensen zich niet aan moeten sluiten bij Scientology.    Macro  De toegevoegde waarde van verzamelingen op macroniveau is een zekere autoriteit. Deze verzamelingen  hebben (net als musea) een objectieve uitstraling doordat het bekende overkoepelende organisaties zijn. Dit  zijn ofwel de sociale netwerksites met de meeste gebruikers, ofwel instanties als musea die zich  vertegenwoordigen op het web. Deze verzamelingen zijn het minst persoonlijk, maar hebben vaak het grootste  bereik.  33 Zo is de overtreffende trap van het Geheugen van Oost het Geheugen van Nederland . Deze website is een  initiatief van de Koninklijke Bibliotheek. Op de website kunnen bezoekers duizenden beelden bekijken uit  verschillende (museale) collecties. Daarnaast zijn er ‘webexpo’s’, online tentoonstellingen met hoogtepunten  uit de collecties. De presentatie, inhoud en vormgeving maken de website tot een aantrekkelijk geheel dat  dicht bij een museale presentatie komt.                                                              31  http://wefeelfine.org/ (project van Jonathan Harris)  32  http://www.xenu.net/ (‘Operation Clambake’, over de geheimen van Scientology)  33  http://www.geheugenvannederland.nl/ (website van het Geheugen van Nederland)  26   
  • 27. Een museale collectie kan ook op een andere manier verbonden worden aan sociaal netwerken. Het project  34 ‘Tag! You’re it’ van het Brooklyn Museum  nodigt bezoekers van de website uit de collectie van het museum  van tags te voorzien. Op deze manier helpen bezoekers elkaar in de collectie te vinden wat ze interessant  vinden. Het voordeel van deze manier van inventarisatie op de website is dat bezoekers hoogstwaarschijnlijk  toegankelijke tags gebruiken, waar het museum al snel in jargon zou vervallen. Dit maakt de collectie dus  laagdrempeliger. Ook bevordert dit de interactie met de collectie, waardoor bezoekers meer van de collectie  bij zal blijven.    Figuur 16: Logo van TED  35 Het educatieve aspect van verzamelingen staat centraal in het online archief van de website TED . TED is een  organisatie die jaarlijks een conferentie organiseert met ’s werelds grootste en meest vooruitstrevende  denkers in uiteenlopende gebieden. De conferenties, die al sinds 1984 plaatsvinden, zijn online toegankelijk  voor geïnteresseerden. Iedere spreker krijgt 18 minuten om zijn of haar ideeën te delen. Doordat deze  speeches toegankelijk worden gemaakt voor een breed publiek ontstaat er een imposante verzameling grootse  ideeën die toch een persoonlijk karakter hebben.  36 Een macrocollectie die het sociale netwerken direct koppelt aan museale uitgangspunten is Memory Archive .  Deze dochter van Wikipedia heeft als motto: You’ve got a story? make it history. Centraal staan herinneringen.  Herinneringen van die deze maar wil delen. Iedereen kan een profiel aanmaken en tekst, afbeeldingen of  andere media gebruiken om zijn of haar geschiedenis te delen. Op deze manier is Memory Archive een sociaal  netwerk in de meest toegankelijke zin. Vergelijkbare netwerken als het Geheugen van Oost en het Geheugen  van Nederland zijn niet voor iedereen toegankelijk. Het Geheugen van Oost werkt met geselecteerde  vrijwilligers, en het Geheugen van Nederland zorgt alleen zelf voor content.  Memory Archive gaat uit van de gedachte dat iedereen onderdeel is van een collectieve geschiedenis. Van de  geschiedenis van het universum tot de geschiedenis van een land, stad of  familie. Andere mensen zijn  geïnteresseerd in deze geschiedenis, en delen deze misschien wel met je.  Op deze manier koppelt Memory Archive een macrocollectie, een collectie die onderdeel uitmaakt van een van  de grootste internetbedrijven, aan nanocollecties. Dit zijn de afzonderlijke ervaringen die mensen op de  website delen. Deze gelaagdheid maakt de collecties het interessantst. Veel sociale netwerken zijn op dit  principe gebaseerd. Mensen kunnen een persoonlijk profiel aanmaken, dat wordt opgenomen in een groter  geheel. Dit stimuleert interactie tussen personen en collecties, die de drijfveer is achter de meeste collecties.  Mijn eigen bookmarkverzameling van verzamelingen is te vinden op http://del.icio.us/anotherhugo.                                                                    34  http://www.brooklynmuseum.org/opencollection/tag_game/start.php (onderdeel van de website van het Brooklyn Museum)  35  http://www.ted.com (website van de organisatie TED)  36  http://www.memoryarchive.org (website van Memory Archive)  27   
  • 28. 3_Duurzame ontwikkeling    37 Figuur 17: The Virtuous Circle   De groei van sociale netwerken is een cyclisch proces. Dit proces wordt beschreven in de ‘Virtuous Circle’ van  Neil Perkin. De komst van meer bezoekers heeft als gevolg dat de naamsbekendheid van een netwerk groter  wordt. Hoe meer mensen je product (netwerk) kennen, hoe meer autoriteit en aanzien je krijgt. Dit aanzien  verhoogt de mate waarin de leden van het netwerk actief zijn, en het aantal bezoeken dat ze aan de website  brengen. Door dit herhalingsbezoek is er meer ruimte voor actie en reactie. Mensen kunnen meningen delen  en in discussie gaan, en hier weer reacties op krijgen. Op deze manier gaat de bruikbaarheid van het netwerk  voor nieuwe bezoekers omhoog. Als er veel relevante informatie beschikbaar is, is het een goed netwerk om je  bij aan te sluiten.   Met deze groei in gebruikers groeit ook de content mee. Zo wordt er aan de database van YouTube per minuut  38 10 uur aan videomateriaal toegevoegd.  Het is vrijwel onmogelijk om over zo’n snel groeiende collectie  overzicht te houden. De content managers van YouTube, zijn verantwoordelijk voor de omgang met honderden  jaren aan videomateriaal, dat alleen maar verder groeit. Hierbij leggen deze geen nadruk op het behoud. Het  behoud is voor zover mogelijk de verantwoordelijkheid van de gebruiker. Om het behoud van de collectie te  waarborgen is hier behoefte aan professionalisering. Handvatten en hulpmiddelen voor gebruikers om hun  collectie te conserveren. Hierbij is nog een probleem buiten beschouwing gelaten: de vergankelijkheid van  bestandsformaten. Alle computergerelateerde verzamelingen hebben te maken met bestandsformaten.  Bestandsformaten die steeds worden verbeterd en herzien. Nu al zijn er problemen met het openen van  bestanden van tien jaar geleden. Om collecties op lange termijn te bewaren is het dus van belang dat hier ook  over na wordt gedacht. Gelukkig voor de verzamelaars proberen instanties als Digitaal Erfgoed Nederland dit  probleem op te lossen.                                                              37  http://www.slideshare.net/neilperkin/harnessing‐the‐power‐of‐online‐communities‐presentation (slideshow van Neil Perkin)  38  http://www.youtube.com/t/fact_sheet (informatiepagina van YouTube)  28   
  • 29. Een lastige overweging is overigens de scheidingslijn tussen aan de ene kant sociale netwerken en aan de  andere kant collecties op internet. Niet iedereen die actief is in sociale netwerken is aan het verzamelen, en  niet iedere verzamelaar is actief op een sociaal netwerk. De scheiding tussen profielinformatie en een  verzameling is in sommige gevallen lastig te definiëren. Een serie verhalen op een persoonlijk blog, een  fotoalbum van een vakantie en dergelijke zijn onder beide noemers te plaatsen. Wel is de verschuiving duidelijk  die dergelijke netwerken ondergaan.      39 Figuur 18: Opbouw sociale netwerken   Zoals figuur 16 laat zien hebben sociale netwerksites vaste kernbegrippen. Het centrale begrip in het figuur is  identiteit. Niet alleen zijn sociale netwerken een afspiegeling van de identiteit van iedere individuele gebruiker,  ook dragen de netwerken bij aan een lokale, nationale of globale identiteit. De eerder genoemde  verschuivingen binnen de netwerken zijn duidelijk inzichtelijk te maken in het bovenstaande figuur. Het  netwerk Flickr staat hier omschreven als een netwerk dat als centraal punt ‘sharing’ heeft. Door de toename  van professionaliteit op het netwerk is deze nadruk aan het verschuiven. Steeds meer (semi‐ )amateurfotografen gebruiken Flickr als manier om hun werk te tonen of hun portfolio te delen. Dit is duidelijk  te zien in het voorbeeld ‘Classics in Lego’ in het hoofdstuk productontwikkeling. Het netwerk verschuift op deze  manier van ‘sharing’ naar ‘reputation’. Met deze verschuiving neemt ook het gehalte profielinformatie af en  het aantal verzamelingen toe. Bij deze verzamelingen ligt de nadruk op het converseren, waar het conserveren  vanuit museologisch oogpunt ook centraal zou moeten staan.  In sociale netwerken is het gebruikelijk dat al het verzamelde materiaal beschikbaar wordt gesteld. Het  toegankelijk maken voor publiek is ook voor musea een centraal punt. Het verschil is dat musea ook nadenken  over hoe materiaal bewaard kan worden zodat het langdurig beschikbaar blijft. In de zee van informatie op  sociale netwerken is het vrijwel onmogelijk om onderscheid te maken tussen waardevolle informatie en minder                                                              39  http://nform.ca/publications/social‐software‐building‐block (pagina over de bouwstenen van sociale netwerken)   29   
  • 30. waardevolle, of overcomplete informatie. Om te voorkomen dat de servers van de netwerken overbelast raken  kan het voor netwerken interessant zijn een systeem te ontwikkelen waarbij een gebruikersprofiel (met  content) wordt verwijderd wanneer de gebruiker een bepaalde tijd niet ingelogd heeft. Als dit wordt  vergeleken met musea zou het betekenen dat wanneer een depot vol dreigt te raken de collectiestukken die  het langst niet opgesteld zijn onvoorwaardelijk worden afgestoten. Dit afstoten gebeurt dan niet door  collectiestukken over te dragen aan een andere collectie, maar door collectiestukken definitief te verwijderen.  Dit is uiteraard niet wenselijk. Het is daarom belangrijk om op zoek te gaan naar andere manieren om content  te filteren en op te slaan. Hierbij is het ook nog van belang te weten wie zeggenschap heeft over de content.  Hebben sociale netwerksites rechten over op hun netwerk gepubliceerd materiaal? In hoeverre doen  gebruikers afstand van hun recht op het materiaal door het te plaatsen? Een van de grootste netwerksites,  Facebook, paste onlangs hun gebruikersvoorwaarden aan waardoor ze alle rechten op geplaatste content  40 overnemen, zelfs na het sluiten van een account.   Om het verlies van content te voorkomen is het een noodzaak dat ofwel sociale netwerken professionaliseren  op het gebied van verzamelbeleid, of dat een instituut met professionele kennis op dit gebied zich over dit  probleem ontfermt. Dit dan vooral in de rol van moderator. Kernwoorden als ‘sharing’ en ‘identity’ moeten  worden verbonden aan duurzame collectieontwikkeling om te voorkomen dat een belangrijk nieuw deel van  ons erfgoed verloren gaat.  Bij sociale netwerken ligt het initiatief tot behoud bij de beheerders van de content. Er is ook nog een grote  groep verzamelingen die geheel of gedeeltelijk los staan van sociale netwerken. Deze verzamelingen komen  wel voort uit dezelfde behoeftes: de behoefte om identiteit te delen en hier een gesprek over aan te gaan. Het  behoud van deze verzamelingen ligt in de handen van de verzamelaars zelf. Ook voor deze verzamelaars geldt  dat ze zelf in de hand hebben wat ze bewaren en wat niet. Besluiten ze hun verzameling van het internet af te  halen dan hebben ze daar uiteraard het recht toe, maar zijn ze beter geïnformeerd over het belang van hun  verzameling, of wordt hun het alternatief geboden hun verzameling op andere wijze te vereeuwigen, dan  zullen zij hier misschien anders mee omgaan. Wanneer er op een duurzame manier omgegaan kan worden met  verzamelingen op internet ontstaat er een netwerk aan ego‐erfgoed dat voor een groot deel zelfonderhoudend  is, wat onder begeleiding wordt onderhouden door de gebruikers. Dit kan buitengewoon interessant zijn als  archief of als een interactieve verzameling. Om dit te bewerkstelligen zal er moeten worden geïnvesteerd in  het bewustzijn bij verzamelaars. Ook zal er naar een manier moeten worden gezocht om verzamelingen aan  elkaar, of aan instanties die kennis hebben van verzamelingen, te koppelen om het verval tegen te gaan.                                                                                40  http://www.dutchcowgirls.nl/social/1595 (actualiteitenwebsite)  30   
  • 31. 4_Professionele ontwikkeling  De ontwikkeling van ego‐erfgoed en andere verzamelingen op internet die in voorgaande hoofdstukken is  besproken heeft duidelijke parallellen met de museale praktijk. Toch maken deze collecties geen deel uit van  het museale veld en zijn er relatief weinig voorbeelden van interactie tussen beide velden. In dit hoofdstuk wil  ik de ontwikkeling bekijken vanuit het museum. Op welke gronden zou het museum zich in het ego‐erfgoed  kunnen of moeten mengen? En wat voor prioriteit krijgen zulke activiteiten, worden dit kerntaken of  zijprojecten?  Om zo snel mogelijk bij de kern van het museum te komen kan de definitie van het museum die de ICOM in  1974 formuleerde worden aangehaald. ‘Een museum is een permanente instelling zonder oogmerk op winst,  ten dienste van de gemeenschap en haar ontwikkeling, die toegankelijk is voor het publiek en die de materiële  getuigenissen van de mens en zijn omgeving verzamelt, bewaart, onderzoekt, tentoonstelt en hierover  41 informatie verstrekt ten behoeven van studie, opvoeding en vrijetijdsbesteding’.  In deze definitie staat de  gemeenschap en het publiek centraal. Het museum verzamelt en bewaart hetgeen de gemeenschap  produceert. Deze gedachte staat ook centraal in de ‘tweede museumrevolutie’. Na de eerste museumrevolutie,  die de invloed van het bestuur van musea naar conservatoren verschoof, ging de macht in de tweede  42 museumrevolutie (vanaf de jaren ’60) naar het publiek.   De mogelijkheid om gebruik te maken van deze macht was voor het publiek in deze tijd beperkt. Ook al gingen  musea het publiek als kern van hun instelling beschouwen, had het publiek nog niet de middelen waarover ze  nu beschikken. Zoals besproken in het hoofdstuk publieksontwikkeling is de opkomst van het internet en  sociale media verantwoordelijk voor een exponentiële groei aan persoonlijke verzamelingen en daardoor de  democratisering van erfgoed. De vertegenwoordiging van erfgoed gaat daarom verder dan museale  presentaties. In persoonlijke collecties deelt het publiek haar eigen erfgoed. In een proces dat gelijk staat aan  musealisering geeft het publiek waarde aan zijn eigen objecten, en presenteert deze in zijn eigen ruimte.  Om betrokken te blijven bij de ontwikkeling van erfgoed is het daarom van belang dat musea zich ook op het  internet gaan vertegenwoordigen. Dit is immers de plek waar het publiek met elkaar in gesprek gaat en dit is  waar het publiek haar eigen erfgoed deelt. Door participatie van musea op sociale netwerken verzekeren  musea hun positie als bewaarders van persoonlijk, lokaal, nationaal of globaal erfgoed in de toekomst.   Deze participatie is niet interessant voor alle musea. Het is voor de verdere uitwerking van belang de musea  onder te verdelen in twee groepen. Aan de ene kant zijn er de traditionele musea die de zoals in het hoofdstuk  plaatsbepaling omschreven romantische museologie aanhouden. Deze musea gaan uit van de uitstraling van  het klassieke museum. Deze musea begeven zich tussen het nostalgische museumbeeld wat het bijna tot  Disneyervaringen maakt en een gerespecteerd museum in. Daar tegenover staan musea die de confrontatie  aangaan met hun publiek. Deze zijn eerder omschreven als de deconstructivistische (meta)musea. Meta‐ museoloog Arnoud Odding, directeur van het Glasmuseum rekent af met de romantische museologie door te  43 stellen dat Disneyland geloofwaardiger is dan veel musea . Het mengen in verzamelingen op internet ligt  daarom dichter bij de activiteiten van de metamusea.   44 45 In Les Lieux de Mémoire  tracht Nora het nationaal geheugen van Frankrijk vast te leggen.  Dit acht jaar  durende onderzoek heeft onze kijk op begrippen als culturele biografie en cultureel geheugen veranderd. Maar  waar Nora op zoek moest, ligt het nationaal geheugen nu voor het oprapen. Het is aan musea om deze  informatie op te pikken en te gebruiken. Dit kunnen musea doen door zich op internet als kenniscentrum te                                                              41  http://www.zeelandmuseumland.nl/downloads/beleid.pdf (beleidsplan Zeeuwse musea)  42  http://www.muuseum.ee/en/erialane_areng/museoloogiaalane_ki/p_van_mensch_towar/mensch02/ (proefschrift van Peter van  Mensch)  43  Interview met Arnoud Odding, afgenomen op 9 mei 2009, zie bijlage I  44  P. Nora (red.), Les Lieux de Mémoire (Gallimard 1984‐1992)  45  N.C.F. van Sas, De metamorfose van Nederland (Amsterdam 2005),  p.524  31   
  • 32. profileren en op deze manier als knooppunt te dienen tussen het verleden, het heden en de toekomst. ‘Het  museum is een geheugen in dubbele zin: reservoir en werkplaats van het zelfbewustzijn van de gemeenschap.  Maar een goed museum weet eerstgenoemde functie in dienst te stellen van de laatste. Meer dan het archief  en de bibliotheek, de andere grote reservoirs van kennis en beelden, werkt het museum aan de collectieve toe‐ 46 eigening van ons verleden. Die collectieve toe‐eigening van het verleden schept identiteit, eigenheid.’  Het  voordeel met de toe‐eigening van het erfgoed dat op internet gevonden kan worden is dat het  zelfonderhoudend is. ‘Het archief of het museum ordent zelf niets. Het is niet meer dan een bewaarplaats. Er  moeten mensen aan te pas komen om te selecteren, ordening aan te brengen en een zinvolle presentatie te  47 bewerkstelligen.’  Deze mensen zijn de verzamelaars. Musea hoeven zich niet over registratie, standplaats en  dergelijke te bekommeren, ze hoeven alleen kennis te delen op het gebied van verzamelen, behoud en beheer.  Door deze kennis toe te passen kunnen verzamelaars zelf voor hun collectie zorgen.      48 Figuur 19: Schema van Kersti Krug   Figuur 17 is het schema dat Kersti Krug maakte ten aanzien van museummanagent. Het schema verdeelt  museale activiteiten in vier categorieën die verdeeld zijn over twee assen. De eerste as is de bijdrage van een  activiteit aan de missie van een museum en de tweede as is de bijdrage aan inkomsten van een museum.  Activiteiten die een grote bijdrage leveren aan de missie van het museum, maar geen geld opleveren, of zelfs  geld kosten, bevinden zich in de eerste categorie. Activiteiten die zowel geld opleveren als bijdragen aan de  missie zijn de tweede categorie. Activiteiten die weinig bijdragen aan de missie maar veel geld op leveren  vallen onder de vierde categorie. De derde categorie komt in de museumpraktijk als het goed is niet voor. Door  activiteiten te meten aan dit schema kan worden bepaald of ze voor musea interessant zijn.                                                              46  W. Frijhoff, Ordelijk vergeten. Het museum als geheugen van de gemeenschap (Venlo 1992), p.17  47  W. Frijhoff, Ordelijk vergeten. Het museum als geheugen van de gemeenschap (Venlo 1992), p.6  48  K. Krug, Profit or prostitution: portfolio analysis for museum marketing, ‘MPR News 2’ (1992), 2 p.13‐19  32   
  • 33.   49 Figuur 20: Schema van Kersti Krug met museale activiteiten   Als het ondersteunen van internetcollecties in dit schema wordt geplaatst kan het zich op verschillende plekken  bevinden. Allereerst van belang is de eerste as, de bijdrage aan de missie. Hier kunnen persoonlijke  verzamelingen hoog scoren. Musea met een plaatsgebonden karakter of musea met een specialistische  collectie (bijvoorbeeld het Glasmuseum) kunnen veel expertise vinden op internet. Er zijn op vrijwel alle  gebieden kundige verzamelaars op internet, verzamelaars die op sommige gebieden meer vakkennis hebben  dan de meeste conservatoren. ‘Zoals de dokter moet leven met de wetenschap dat sommige patiënten op  details meer weten dan hij zo moeten musea er mee leren leven dat de kennis bij het publiek op nieuwe  50 manieren ontsloten wordt en dat je daar gebruik van moet maken omdat je anders de aansluiting verliest.’   Het samenwerken met die verzamelaars is dus niet alleen een toevoeging, maar ook een noodzaak. Om het  verhaal van een museum zo goed mogelijk te vertellen kunnen persoonlijke verzamelingen een toevoeging zijn.  Op de eerste as zouden die dus hoog scoren. Het bijdragen aan verzamelingen op internet staat hierin op een  zelfde hoogte als onderzoek en conservering.  De tweede as, de kosten of inkomsten die zijn verbonden aan deze activiteit zijn nog nader vorm te geven. Dit  hangt af van de mate waarin een museum zich aan het web2.0 bindt, en welke mogelijkheden worden benut.  Wil een museum collecties op internet slechts gebruiken als inhoudelijk klankbord bij het ontwikkelen van een  tentoonstelling dan staat dit op het gebied van kosten gelijk aan onderzoek, een activiteit die zich in de eerste  categorie van figuur 17 bevindt.   Wil een museum zich verder binden aan een sociaal netwerk dan doen zich ook mogelijkheden voor om  inkomsten te werven. Een mogelijkheid is ruimteverhuur. Ruimteverhuur is een relatief nieuwe museale  activiteit en bevindt zich in het schema van Krug in de vierde categorie, een activiteit die veel geld oplevert,  maar weinig bijdraagt aan de missie. Als dit begrip van fysieke ruimte wordt vertaald naar abstracte ruimte  zouden musea ruimte aan kunnen bieden op sociale netwerken. Dit zou bijvoorbeeld kunnen door een                                                              49  K. Krug, Profit or prostitution: portfolio analysis for museum marketing, ‘MPR News 2’ (1992), 2 p.13‐19  50   http://www.linkedin.com/groupAnswers?viewQuestionAndAnswers=&gid=1160637&discussionID=2849782&split_page=1&goback=.anh_1 160637 (Arnoud Odding in een discussie op LinkedIn)  33   
  • 34. evenement of activiteit te verbinden aan de naam of het domein van een museum. Op deze manier kan het  delen van informatie, kennis, meningen, digitale objecten etc. worden gekoppeld aan een instelling met  expertise en ervaring, die weer terug kunnen koppelen aan het publiek. Zo kunnen musea zich betrekken in de  ontwikkeling van erfgoed en kunnen ze wellicht ook nog iets meepikken van het geld dat in sociale netwerken  omgaat door middel van sponsoring en andere tegemoetkomingen. Andere mogelijkheden voor musea om  inkomsten te verwerven op internet zijn ook in ontwikkeling. Richard Rinehart, conservator digitale kunst bij  51 het Berkeley Art Museum, geeft zelfs workshops over dit onderwerp.  Op deze manier kan het participeren in  sociale netwerken en persoonlijke verzamelingen bijdragen aan de missie van een museum én inkomsten  genereren. Dit is de tweede categorie in het schema van Krug, die uiteraard het meest wenselijk is.  Er zijn verschillende redenen voor musea om zich bezig te houden met persoonlijke verzamelingen en sociale  netwerken. Allereerst is het aan het museum om ontwikkelingen in de maatschappij te volgen en te  verzamelen. Wanneer een meerderheid van de mensen zich via sociale media uit moeten musea zich geroepen  voelen dit te documenteren. Deze activiteiten zijn niet nieuw bij musea, al decennia en zelfs eeuwen lang toont  het museum interesse in de maatschappij. Zelfs tot het punt waar het publiek voor de collectie wordt gesteld.  52 ‘In the new museum the observation of the masses has replaced the study of things’ . Het schema van Kersti  Krug laat ook zien dat uitwisseling met de verzamelaar op internet past tussen andere kerntaken van het  museum. Het publiek toont initiatief en het is aan musea om hierin te participeren, faciliteren en initiëren.                                                                                                51  http://www.archimuse.com/mw97/mw97work.htm#rinehart (informatie over workshops van Richard Rinehart)  52  J. Appleton, Museums for ‘The People’? (Londen 2001), p.23  34   
  • 35. 5_Het museum als bouwsteen in sociale netwerken  Om de trend bij het publiek om ego‐erfgoed te delen en de trend bij musea om steeds meer activiteiten buiten  de deur en de traditionele kerntaken te doen aan elkaar te koppelen moeten musea zich verdiepen in de plek  waar deze ontwikkelingen elkaar ontmoeten. Deze plek is het web. De omgeving schept enkele  randvoorwaarden die wanneer musea hier goed mee om gaan kunnen leiden tot een verdieping van de  museale praktijk. Een van de belangrijkste randvoorwaarden is de mate van subjectiviteit die aan collecties  verbonden is. Zoals in het hoofdstuk publieksontwikkeling besproken is, hebben collecties met een hoog  persoonlijk karakter ook een hoge mate van subjectiviteit. Dit gaat in tegen het imago dat veel musea hebben.  Het vaak objectieve imago van musea werkt overigens twee kanten op. Aan de ene kant zijn er veel  museumbezoekers die een objectief verhaal verwachten voorgeschoteld te krijgen: zij zullen dus alles voor  waar aannemen. Aan de andere kant zijn er ook veel musea die graag willen dat bezoekers denken dat ze  53 objectieve kennis delen.  Ook al is er een zekere tendens die het woord ‘objectief’ als verkeerd bestempelt (‘er  54 bestaat geen objectieve geschiedenis’ ) neigen musea toch nog veel naar het verzamelen van authenticiteit, in  de verwrongen betekenis van ‘echte’ oude objecten.  Om zich open te stellen voor persoonlijke verzamelingen moeten musea de machtsverschuiving uit de ‘tweede  museumrevolutie’, van de conservator naar het publiek, verder doorvoeren. Door het streven naar een  objectieve presentatie los te laten kunnen musea zich beter koppelen aan persoonlijke verzamelingen. Het is  uiteraard aan het museum of haar conservatoren om te bepalen in welke mate hun eigen collectie subjectief is,  en hoe zich dit tot een specifieke internetverzameling verhoudt. Hierbij kan het helpen om het begrip  authenticiteit opnieuw te definiëren, om het begrip objectiviteit te vermijden. ‘Alles wat mensen uit eigen  55 beweging en met overtuiging doen is authentiek’ . Als musea een dergelijke interpretatie van het begrip  accepteren, zal de brug tussen het ego‐erfgoed en hun eigen verzameling ook kleiner worden.    56 Figuur 21: Het Hyvesprofiel van het Rijksmuseum                                                               53  J. Appleton, Museums for ‘The People’? (Londen 2001), p.15‐16   54  Interview met Valentijn Byvanck, afgenomen op 11 mei 2009, zie bijlage II  55  Interview met Arnoud Odding, afgenomen op 9 mei 2009, zie bijlage I  56  http://rijksmuseum.hyves.nl/ (Hyvesprofiel van het Rijksmuseum)  35   
  • 36. Een belangrijke vraag is hoe het museum zich op sociale netwerken gaat profileren. Een vrij recente trend bij  musea om profielen aan te maken op sociale netwerken maakt het nog geen goede of representatieve bijdrage  aan het netwerk of aan het museum. Een goed voorbeeld van hoe het niet moet is de Hyvespagina van het  Rijksmuseum. De pagina is vrij voor bezoekers om content op te plaatsen, zonder enige beschrijving of  verantwoording. De fotogalerij zit dan ook vol met kunst gemaakt door bezoekers. Uiteraard is dit een leuk  initiatief, maar wanneer hierover geen verdere uitleg gegeven wordt is de intentie van het Rijksmuseum niet  duidelijk en gaat de mogelijke boodschap verloren. Hetgeen nu op het profiel te zien is, is een  ongeorganiseerde verzameling. Bij de zorg die het Rijksmuseum steekt in haar representatie in het museum  lijkt dit een vergeten experiment. Er was een inzet tot het mengen met de doelgroep, maar door hier geen  duidelijke vorm aan te geven is dit jammerlijk mislukt.  Het uitgangspunt voor musea om deel te nemen aan sociale netwerken moet niet zijn het meedoen met een  trend, maar het inspelen op een behoefte bij het publiek. Facebook‐oprichter Mark Zuckerberg beaamt deze  aanpak. ‘Communities already exist. Instead, think about how you can help that community do what it wants to  57 do.’  In dit geval wil het publiek verzamelen, dus moeten participerende musea het zich ten doel stellen in  gesprek te gaan met deze mensen en ze te helpen met verzamelen en het geven van betekenis aan hun  verzamelingen. Musea moeten het zich hier in eerste instantie niet ten doel stellen een platform te bieden  waar verzamelingen getoond kunnen worden (dit zijn de sociale netwerken al). Uiteraard zou dit (als  beschreven in het hoofdstuk duurzame ontwikkeling) kunnen, maar dit is niet de kern. De kern is het  observeren, participeren en initiëren.     58 Figuur 22: Basisfuncties musea   Deze drie termen zijn te verbinden aan de drie basisfuncties van het museum. Voordat musea toe zijn aan de  initiërende fase zullen ze eerst de markt moeten bestuderen. Wat voor verzamelingen zijn er en welke  verzamelingen zijn interessant voor onze collectie? Dit kan worden gezien als onderzoek. Door te participeren  kunnen musea het gesprek aangaan met andere verzamelaars, en dus communiceren. Het museum profileert  zichzelf als verzamelaar door haar eigen collectie te delen en toegankelijk te maken. Op deze manier worden                                                              57  http://www.flickr.com/photos/will‐lion/2595051813/ (citaat van Facebook‐oprichter Mark Zuckerberg)  58  P. van Mensch, schema afkomstig uit Powerpointpresentatie ‘Museum Audience’, 30 januari 2000  36   
  • 37. andere verzamelaars benaderd of aangetrokken, die hun collectie koppelen aan die van het museum. De  laatste kerntaak is behoud en beheer. Hier is bij verzamelingen op internet weinig oog voor. Door verzamelaars  bewust te maken van het belang van hun bijdrage aan het erfgoed kunnen musea door het delen van kennis  omtrent collectieontwikkeling en beheer bijdragen aan het behoud van dit erfgoed.  Het is aan musea te bepalen welke combinatie van de basisfuncties voor hen het meest relevant zijn, en welke  de gewenste resultaten opleveren. Een voorbeeld waarbij dit al is toegepast is het eerder genoemde  Glasmuseum onder leiding van Arnoud Odding. ‘Het Glasmuseum zoekt bewust samenwerking met  particulieren. Wij zullen zelfs onze database voor hen openstellen. Onze database wordt er waardevoller door  als wij onze database verknopen met die van particulieren. Niet bezit is langer zaligmakend maar vooral het  59 beschikking hebben over... ’ Door het openstellen van de database van het museum voorkomt het museum  eenrichtingsverkeer. Het is altijd goed het publiek te betrekken bij een museum, maar krijgt het publiek hier  ook iets voor terug? Op deze manier wel. Deze verschuiving van musea als autonome instellingen naar een  museum dat deelt, in gesprek gaat met groepen en individuen en daar relaties mee aangaat en haar reputatie  op het spel zet om aanwezig te zijn in de maatschappij wordt interessant wanneer dit wordt teruggekoppeld op  de bouwstenen van het sociale netwerk.    Figuur 23: Bouwstenen van sociale netwerken toegepast op musea  Musea kunnen er voor kiezen actief te worden in iedere bouwsteen. Het voorbeeld van het Glasmuseum is een  duidelijk voor beeld van een museum dat zich richt op groepen. Het museum deelt kennis met groepen  kenners en verzamelaars op het gebied van glas. In het eerder genoemde voorbeeld van Het geheugen van  Oost richt het Amsterdams Historisch Museum zich voornamelijk op relaties. Relaties tussen buurtbewoners en  relaties van de buurtbewoners met hun buurt. Dit is het verbindende element in het netwerk. Zo zijn er voor  iedere bouwsteen voorbeelden te noemen die hier gebruik van maken. Uiteindelijk lopen al deze lijnen naar   de kern: identiteit. Deze harmonie tussen beide velden staat open voor nieuw gebruik en interpretatie. Hier  liggen nieuwe kansen voor heel veel musea.                                                                  59  Interview met Arnoud Odding, afgenomen op 9 mei 2009, zie bijlage I  37   
  • 38. 6_Toekomstvisie  Om de in vorige hoofdstukken beschreven ontwikkelingen en mogelijkheden optimaal te implementeren lijkt  het me goed om in dit hoofdstuk te kijken naar het mogelijke resultaat. Dit wil zeggen het resultaat in de  toekomst. Hierin worden de tussenstappen, de ongemakkelijke eerste ontmoetingen tussen museum en ego‐ verzamelaar overgeslagen en ligt de nadruk op het resultaat. Een resultaat dat ook wordt beschreven in ‘Het  gedroomde museum’.     ‘De uitdaging van het Gedroomde Museum is de rol van  het museum in de netwerksamenleving te definiëren. In  die definitie is het museum niet langer de bevestiger  van 'gestolde waarheden' maar een vrijplaats voor de  interpretatie van informatie. Een plek waar culturele en  wetenschappelijke inzichten worden gegenereerd,  gepresenteerd en publiekelijk ter discussie gesteld. Wil  het museum een voor toekomstige generaties  relevante instelling blijven, dan moet het zijn plek  opnieuw veroveren in het permanent wijzigende,  maatschappelijke netwerk.    Finaal gaat het er om de zekerheden van kunst, cultuur,  wetenschap en al ons andere weten op de ontleedtafel  te leggen. Niet om die zekerheden per se te  ontmaskeren maar wel om ze nog eens goed de maat  te nemen. In het Gedroomde Museum wordt geen  antwoord geaccepteerd als er geen nieuwe vragen aan  verbonden zijn. Evenzeer als tentoonstellingsruimte is  het Gedroomde Museum laboratorium, studio, atelier,  processor en polemisch brandpunt. In het Gedroomde  Museum gaat het om presentatie, analyse, debat en  plezier. En dat leidt tot interpretatie en uiteindelijk een  nieuwe relevantie voor musea. Het museum als  denktank voor wetenschappers, kunstenaars, filosofen  en natuurlijk 't gemeen publiek; een plek waar iedereen  60 een twijfelachtige rol kan spelen. ’  ‘Het gedroomde museum’ beschrijft een deconstructivistisch (meta)museum. Een museum dat zichzelf zo ver  ter discussie stelt dat het haar eigen bestaansrecht bekritiseert en verandert in het instituut dat het wel wil  zijn. Wat dit museum wil zijn is een ontmoetingsplek. Een plek waar gedachten, meningen, verzamelingen en  identiteiten elkaar ontmoeten. Om in deze positie te komen past het museum haar activiteiten en idealen aan  die van het publiek. Door te versmelten met de netwerksamenleving laat het museum een oude waarde  helemaal achter zich: de (eveneens gedroomde) objectiviteit.                                                               60  http://www.odd.nl/odd/uploaded/project/58/file1/gedroomd.pdf (artikel ‘Het gedroomde museum’ door Arnoud Odding)  38   
  • 39. Museum Objectiviteit Maatschappij   Figuur 24: Oude situatie  Museum Maatschappij   Figuur 25: Nieuwe situatie  ‘Musea moeten grenzen opzoeken. Geen objectiviteit claimen als je weet dat deze niet bestaat,   61 geloofwaardigheid spaarzaam op het spel zetten […]’  deze nuance tussen objectiviteit en geloofwaardigheid  kan doorslaggevend zijn in het nieuwe museum. Het museum wil nog altijd het imago behouden van een  kenniscentrum, want dit is en blijft het ook. Het feit dat het museum een kenniscentrum is maakt het voor het  publiek interessant. Waarom delen mensen hun erfgoed met een museum en waarom gaan ze hier over in  gesprek? Omdat het publiek iets hoopt te leren en bij te dragen. Door de nieuwe positie van het museum ten  opzichte van haar publiek voelt dit publiek zich ook betrokken bij de ontwikkeling van erfgoed. Het publiek  denkt mee en deelt mee. Op deze manier ontstaat er een alternatieve social inclusion. Niet langer hoeven  musea buiten hun kerntaken om op zoek te gaan naar nieuwe doelgroepen om hun verhalen aan te vertellen,  maar het museum begeeft zich structureel in de doelgroepen en is hier een moderator in het vertellen van  verhalen. Het zijn niet alleen meer verhalen van het museum, het zijn ook de verhalen van het publiek. In het  nieuwe museum moet niet alleen het museum als plek ter discussie staan, maar ook de interne en externe  activiteiten en prioriteiten van het museum. Wat is de kern van de collectie van een museum, en in hoeverre  komt deze collectie overeen met andere collecties? Wat willen we nu eigenlijk bewaren, en welke verhalen  willen we een plaats geven? Welke plaats heeft erfgoed in de toekomst, en in de ontwikkelingen die er in deze  toekomst plaats zullen vinden? Hoe gaan musea om met het feit dat ons grootste museum, de aarde zelf,  onvermijdelijk ten onder zal gaan? Welk erfgoed nemen wij mee als wij (of wat de evolutie dan ook van ons  maakt) de aarde moeten verlaten?   Al deze overwegingen zullen een plaats moeten krijgen in het museum van de toekomst. Het museum stelt zich  immers ten doel erfgoed te bewaren voor komende generaties. Het is dus aan musea om na te denken over dit  behoud met oog op de verre toekomst. Dus hoe zou het nieuwe museum er uit kunnen zien?  Het nieuwe museum is een gecentraliseerd erfgoedorgaan dat als een overheid verantwoordelijkheid draagt  voor het erfgoed. Binnen dit orgaan zijn er verschillende afdelingen en kerntaken. Het museum is het  themagerichte uitgangspunt overstegen en richt zich in plaats daarvan uitsluitend op doelgroepen. Het  museum is samen met deze groepen verantwoordelijk voor het erfgoed van deze groep. Het museum biedt                                                              61  Interview met Valentijn Byvanck, afgenomen op 11 mei 2009, zie bijlage II  39   
  • 40. advies, ondersteuning en gereedschappen voor verzamelaars, participanten en andere betrokkenen. Als  beheerder van het lokale, regionale, nationale of globale erfgoed heeft het museum haar door de samenleving  gekozen conservatoren. Deze conservatoren zorgen dat er bewaard wordt wat het publiek vindt dat er  bewaard moet worden. Door samen te werken met netwerkbeheerders, bedrijven en andere instanties is het  museum een financieel onafhankelijk instituut geworden. Door deze financiële onafhankelijkheid stellen musea  zich in staat erfgoed optimaal te verzorgen. Zowel materieel als immaterieel erfgoed floreert in verschillende  tentoonstellingsruimtes die beheerd worden door musea. Hier worden tentoonstellingen georganiseerd door  museumprofessionals als wel door andere (gekozen) verzamelaars. Het nieuwe museum draait om het delen  van kennis, ervaringen, meningen en vooral identiteit. Een identiteit die wij na willen laten aan onze nazaten.                                                40   
  • 41. Conclusie  In de inleiding constateerde ik twee ontwikkelingen. De eerste ontwikkeling is die van een maatschappij die  steeds intensiever gebruikt maakt van het internet. Nederland bestaat voor 82,9% uit internetgebruikers. De  activiteiten van deze gebruikers vallen uiteen in verschillende categorieën. Een categorie is sterk in opkomst,  het sociale netwerken. Gebruikers van deze netwerken zijn hier zo actief in dat ze (bewust of onbewust) verder  gaan dan het delen van profielinformatie en autobiografisch aan het verzamelen zijn. De mate van  professionaliteit van deze verzamelingen loopt uiteen van goed onderhouden dagboeken tot volledig  doordachte tentoonstellingen. Door op deze manier bezig te zijn met betekenisgeving aan objecten, verhalen,  herinneringen of meningen krijgen de verzamelingen een karakter dat sterk op dat van museale collecties lijkt.   Al deze verzamelingen samen vormen bijzonder collectief geheugen en een collectieve identiteit. Het behoud  van collectief geheugen en collectieve identiteit is een van de kerntaken van musea. Om aan te kunnen sluiten  op dit nieuwe erfgoed zullen veel musea wel eerst van houding moeten veranderen. Verzamelingen op internet  bestaan niet uit het soort authentieke objecten waar musea zich gewoonlijk mee willen associëren. Ook  hebben de verzamelingen een hoog subjectief gehalte, een subjectiviteit die in musea vaak wordt vermeden.  Om aan te kunnen sluiten moeten musea meer gaan denken vanuit het publiek dan vanuit objecten. Het doel is  het vertellen van een verhaal of liever nog het in gesprek gaan over een verhaal, en het object is daar een  slechts middel voor.  Op dit gebied vallen musea in twee groepen uiteen. De eerste groep, de romantische musea, leggen hun focus  op het object en gaan uit van begrippen als historische sensatie en authenticiteitsbeleving. Deze groep gelooft  (vaak succesvol) in de aantrekkingskracht die ‘echte’ objecten op het publiek hebben. De tweede groep, de  deconstructivistische (meta)musea, zien het museum als een plek waar erfgoed, identiteit en het museum zelf  ter discussie moeten staan. Deze musea bewegen zich bewust richting het publiek. Dit is dan ook de groep die  succesvol zou kunnen participeren in sociale netwerken en collecties op internet. Door middel van deze  participatie kunnen musea de verzamelaars handvatten aanbieden voor het behoud en het belang van het  behoud van hun collecties, dit aspect is bij de verzamelingen over het algemeen onderontwikkeld. Daarnaast  kunnen musea door te communiceren met verzamelaars die een zelfde aandachtsgebied hebben hun eigen  kennis delen en kennis van de verzamelaars gebruiken in hun eigen praktijk.     62 Figuur 26: Opbouw sociale netwerken                                                                 62  http://nform.ca/publications/social‐software‐building‐block (pagina over de bouwstenen van sociale netwerken)   41   
  • 42. Als de kerneigenschappen van sociale netwerken worden vergeleken met die van de metamusea blijkt dat er  veel overeenkomsten en aansluitingpunten zijn. Vanuit de kern, identiteit, heeft ieder sociaal netwerk haar  eigen aandachtspunten. Al deze aandachtspunten kunnen bij participatie van musea van belang zijn. Het  museum gaat in gesprek met een groep, voor een tandenstokermuseum zou dit bijvoorbeeld een groep  verzamelaars of kenners van tandenstokers zijn. Het museum deelt kennis met deze groep en gaat ermee in  gesprek. Door relaties aan te gaan met de verzamelaars zet het museum haar reputatie op het spel om beter  aanwezig te zijn in de maatschappij. Deze aanwezigheid stelt musea in staat om aansluiting te houden met het  publiek en haar identiteit.  Deze ontwikkeling zal het metamuseum in de toekomst van vorm doen veranderen. Het concept dat ten  grondslag ligt aan het museum is niet meer hetzelfde als dat waarmee musea ooit begonnen. Het gaat niet  meer om het tonen van schatten en rariteiten, deze wereld is slechts een paar muisklikken van ons verwijderd.  Het gaat om het museum dat onderdeel is van de maatschappij. Het museum dat zich ten doel stelt  onderzoeker, verzamelaar en bewaarder te zijn van identiteit en erfgoed.                                           42   
  • 43. Literatuurlijst  Literatuur  Adams, D., The hitchhikers guide to  the galaxy (Londen 1979)  Appleton, J., Museums for ‘The People’? (Londen 2001)    Baudrillard, J., Simulacra and Simulation, (The University of Michigan 1994)    Cameron, D., The Museum, a Temple or the Forum, ‘Reinventing the Museum’ (Oxford 2004)    Frijhoff, W., Ordelijk vergeten. Het museum als geheugen van de gemeenschap (Venlo 1992)    Krug, K., Profit or prostitution: portfolio analysis for museum marketing, ‘MPR News 2’ (1992), 2     Laarse, R. van der (red), Bezeten van vroeger (Amsterdam 2005)  Lowenthal, D., The past is a foreign country (Cambridge 1985)    Mensch, P. van, Methodological museology; or, towards a theory of museum practice, ‘Objects of Knowledge’  (Londen 1990)  Mensch, P. van, uit de reader Theorie van het verzamelen (Reinwardt Academie Amsterdam 2003)  Nora, P. (red.), Les Lieux de Mémoire (Gallimard 1984‐1992)    Sas, N.C.F. van, De metamorfose van Nederland (Amsterdam 2005)    Shirky, C., Here comes everybody (New York 2008)    Stam, D., The Informed Muse: the implications of “the New Museology” for museumpractice, ‘Museum  Management and Curatorship 12’  (1993), 2      Websites    http://en.wikipedia.org/wiki/List_of_social_networking_websites     http://fulloffolly.hyves.nl/     http://museumtwo.blogspot.com/     http://nform.ca/publications/social‐software‐building‐block     http://pewresearch.org/assets/publications/921‐1.gif     http://rijksmuseum.hyves.nl/     http://wefeelfine.org/   43   
  • 44.   http://thewhalehunt.org     http://www.archimuse.com/mw97/mw97work.htm#rinehart     http://www.as‐found.net     http://www.brooklynmuseum.org/opencollection/tag_game/start.php     http://www.cbs.nl/NR/rdonlyres/05589669‐0AF3‐46F0‐A465‐12233AC9C943/0/2003k4b15p012art.pdf    http://www.dutchcowgirls.nl/social/1595     http://www.flickr.com/photos/balakov/sets/72157602602191858/     http://www.flickr.com/photos/will‐lion/2595051813/     http://www.geheugenvanoost.nl/     http://www.geheugenvannederland.nl/     http://www.guardian.co.uk/education/2009/mar/25/primary‐schools‐twitter‐curriculum     http://www.internetworldstats.com/stats.htm     http://www.linkedin.com/groupAnswers?viewQuestionAndAnswers=&gid=1160637&discussionID=2849782&s plit_page=1&goback=.anh_1160637     http://www.memoryarchive.org     http://www.muuseum.ee/en/erialane_areng/museoloogiaalane_ki/p_van_mensch_towar/mensch02/     http://www.odd.nl/odd/uploaded/project/58/file1/gedroomd.pdf     http://www.rechthoek.nl/     http://www.slideshare.net/neilperkin/harnessing‐the‐power‐of‐online‐communities‐presentation     http://www.ted.com     http://www.xenu.net/     http://www.youtube.com/t/fact_sheet     http://www.youtube.com/watch?v=MChlT0GvFPM     http://www.youtube.com/watch?v=qiP79vYsfbo     http://www.zeelandmuseumland.nl/downloads/beleid.pdf     44   
  • 45.   Geïnterviewde personen    Byvanck, V., 11 mei 2009     Odding, A., 9 mei 2009      Andere bronnen  Mensch, P. van, oratie Erfgoedarena, 18 maart 2009  Mensch, P. van, schema afkomstig uit Powerpointpresentatie ‘Museum Audience’, 30 januari 2000    Illustratie titelblad: http://datamining.typepad.com/gallery/blogosphere‐hi‐res1‐scale1.png                                          45   
  • 46. Bijlage I: Interview met Arnoud Odding  Dit korte interview is afgenomen op 9 mei 2009. Het doel van het interview was het vragen van de mening van  een professional ten opzichte van enkele aspecten mijn onderzoek. Hoe denken professionals over deze  onderwerpen, en sluiten deze aan bij hetgeen de professional zich ook mee bezig houdt?  Veel musea zijn ontstaan uit persoonlijke verzamelingen. Gebruikers/bezoekers leggen tegenwoordig zelf in  toenemende mate (op internet) persoonlijke verzamelingen aan.  1.       Vindt u dat musea een rol moeten hebben in de ontwikkeling van zulke individuele collecties op internet?  Zo ja, welke rol en hoe kan dat worden vormgegeven?  Voor musea biedt de particuliere verzamelaar enorme kansen. Als je als museum de ambitie hebt om een  netwerkinstelling te zijn en een knooppunt in het netwerk van, bijvoorbeeld, glasliefhebbers, dan zijn die  particuliere collecties bijzonder interessant. Het glasmuseum zoekt bewust samenwerking met deze  particulieren. Wij zullen zelfs onze database voor hen openstellen. Onze database wordt er waardevoller door  als wij onze database verknopen met die van particulieren. Niet bezit is langer zaligmakend maar vooral het  beschikking hebben over...  2.       Is er een wezenlijk onderscheid te maken tussen de verzamelingen van objecten zoals in museale collecties en  de genoemde online verzamelingen? Waarin uit zich dat? Vraagt dat van musea een andere benaderingswijze  en verandert daardoor de toekomst van musea?  Die collecties verschaffen vooral een bredere context aan de eigen collectie. De broertjes en zusjes van de  objecten die je zelf in de collectie hebt. En dat het musea wezenlijk zal veranderen lijkt me een  understatement. Hoe is moeilijk te zeggen, dat zal op vele manieren gebeuren. Bezoekers die je "eigen  collecties" laat samen stellen uit je eigen collectie en uit die van particulieren. Sites als delicious. Het museum is  op het internet op zijn best (en dat bedoel ik positief) een facilitator en een moderator.  3.       In hoeverre vindt u een persoonlijk weblog, al dan niet in combinatie met een online verzameling foto’s en/of  video’s, meer of minder authentiek dan een eeuwen geleden gemusealiseerde memoires en waarom vindt u  dat?  Zucht, authentiek wat is dat ook alweer. Zo'n modewoord dat je de suggestie geeft dat je dichter bij een  vermoede waarheid komt? Alles wat mensen uit eigen beweging en met overtuiging doen is authentiek.  4.       Mogen musea (hun) objectiviteit en geloofwaardigheid ondergeschikt maken aan bijvoorbeeld de  ‘belevingswaarde’ om een beter verhaal te kunnen vertellen?  Objectiviteit bestaat niet. Echt niet! Alleen een discours van wetenschappers die elkaar menen te begrijpen en  een aantal afspraken hebben gemaakt hoe ze de werkelijkheid wensen te interpreteren. Het is altijd een keuze  en iedere keuze is subjectief. Het gaat er alleen om welke subjectieve keuze waardevol of relevant is voor een  bepaalde groep mensen in een bepaalde tijd. Ennuh, Disneyland is geloofwaardiger dan veel musea.  5.       Weegt in de huidige museumpraktijk de inbreng van het publiek zwaarder dan de feitelijke  (wetenschappelijke) kennis omtrent de collectie? Hoe zou dit zich tot elkaar moeten verhouden?  De wetenschap dient zich bezig te houden met de vraag welke vragen relevant zijn voor het publiek in het hier  en nu. Ze kunnen hun eigen vermeende objectiviteiten blijven nastreven en dat is prima, maar als het publiek  zich van hen afkeert dan moeten ze niet verbaasd zijn. Voor mij draait alles om de vraag wat relevant is en voor  wie. Relevant voor de wetenschap? Relevant voor het algemene publiek? Relevant voor verzamelaars?  Relevant voor de politiek? Voor nieuwe Nederlanders? Voor vormgevers?      46   
  • 47. Bijlage II: Interview met Valentijn Byvanck  Dit korte interview is afgenomen op 11 mei 2009. Het doel van het interview was het vragen van de mening  van een professional ten opzichte van enkele aspecten mijn onderzoek. Hoe denken professionals over deze  onderwerpen, en sluiten deze aan bij hetgeen de professional zich ook mee bezig houdt?  Veel musea zijn ontstaan uit persoonlijke verzamelingen. Gebruikers/bezoekers leggen tegenwoordig zelf in  toenemende mate (op internet) persoonlijke verzamelingen aan.      1.       Vindt u dat musea een rol moeten hebben in de ontwikkeling van zulke individuele collecties op internet?  Zo ja, welke rol en hoe kan dat worden vormgegeven?    Wat verstaat u onder een Internet collectie? Musea moeten alle collecties in de gaten houden, maar invloed  uitoefenen? Het lijkt me dat ze beter iedereen vrij kunnen laten verzamelen, dan weten ze wat er speelt.      2.       Is er een wezenlijk onderscheid te maken tussen de verzamelingen van objecten zoals in museale  collecties en de genoemde online verzamelingen? Waarin uit zich dat? Vraagt dat van musea een andere  benaderingswijze en verandert daardoor de toekomst van musea?    zie hierboven      3.       In hoeverre vindt u een persoonlijk weblog, al dan niet in combinatie met een online verzameling foto’s  en/of video’s, meer of minder authentiek dan een eeuwen geleden gemusealiseerde memoires en waarom  vindt u dat?    Ik vind dat een moderne memoire en fotoboek en zie dus alleen onderscheid in medium.      4.       Mogen musea (hun) objectiviteit en geloofwaardigheid ondergeschikt maken aan bijvoorbeeld de  ‘belevingswaarde’ om een beter verhaal te kunnen vertellen?    Musea moeten hierin grenzen opzoeken. Geen objectiviteit claimen als je weet dat deze niet bestaat,  geloofwaardigheid spaarzaam op het spel zetten, en ook zelden vragen aan de bezoeker om te geloven als je  niet het verhaal verschaft dat hem kan doen geloven.       5.       Weegt in de huidige museumpraktijk de inbreng van het publiek zwaarder dan de feitelijke  (wetenschappelijke) kennis omtrent de collectie? Hoe zou dit zich tot elkaar moeten verhouden?    Ik geloof dat u een wat ouderwetse tegenstelling tussen museum/wetenschap/objectiviteit en  publiek/memoire/subjectiviteit hanteert. De gebieden lopen door elkaar, en de term objectiviteit helpt hier  niet (er bestaat geen objectieve geschiedenis).            47   
  • 48. Bijlage III: Scriptievoorstel  Toen ik mijn voorstel schreef was ik van plan een concept te schrijven voor een website gericht op  autobiografisch verzamelen. In de vroege stadia van mijn onderzoek kwam ik er al achter dat dit soort websites  al veel bestaan. Ook al hebben weinig van deze websites een bewuste link met de museologie zijn ze  buitengewoon interessant voor musea. Daarom heb ik er voor gekozen deze ontwikkeling te onderzoeken, in  plaats van het maken van een eigen product. Het idee achter de scriptie is wel hetzelfde gebleven.    Inleiding:  Ik ben een museum. De herinneringen die ik bij me draag vertellen verhalen over de tijd waarin ik leef. Door  deze herinneringen vast te leggen en te archiveren kan ik mijn identiteit vereeuwigen, en verander ik in een  autobiografische collectie.  Dit uitgangspunt speelt in op de behoefte van de moderne mens om zijn identiteit te delen met anderen.  Online profielen, forums en communities zoals Hyves, Facebook, Second Life en dergelijke zorgen ervoor dat  iedereen steeds meer informatie (over zichzelf) kan delen. Als bijna volledig museoloog zie ik in deze  ontwikkeling een kans om de herinneringen van een generatie te archiveren, zonder enige interventie van  musea.  Door een applicatie toe te voegen aan een online programma als Google Maps, of door een geheel nieuwe  website te creëren, zouden mensen met behulp van een persoonlijk profiel de wereld in kunnen vullen met  hun eigen herinneringen, gekoppeld aan een specifieke plek. Compleet met beeldmateriaal, bijschriften,  muziek of wat die herinnering ook zo bijzonder maakt. Zo ontstaan er collectieve ‘Lieux de Mémoires’ die  mensen kunnen bezichtigen, en waar ze zelf aan kunnen bijdragen. De keuze voor het uitwerken van een  bestaande applicatie of het maken van een nieuwe website zal in het vooronderzoek worden gemaakt op basis  van vergaarde kennis.  Dit voorstel staat in contact met verschillende onderdelen van de theoretische museologie. Een leidende draad  in het voorstel is het proces van musealiseren: het toekennen van waarde aan in dit geval herinneringen en er  voor kiezen deze te bewaren. Deze toekenning is een afweging die in mijn scriptie ook besproken zal worden.  Volgend op de musealisering is de vraag op welke manier je al wat gemusealiseerd is mag gebruiken. Welke rol  spelen musea hier (nog) in, en wat maakt iets tot een museale collectie? Sinds het internet naar het zogeheten  ‘2.0’ is overgegaan zijn de mogelijkheden zo uitgebreid geworden dat vrijwel iedereen ergens een profiel heeft.  Het resultaat is dat er overal nieuwe soorten verzamelingen ontstaan. Hoe ver ligt een weblog of een foto‐ of  videojournaal van een egodocument? En hoe ver ligt een verzameling herinneringen van een museale  collectie?  De trend van nieuwe verzamelingen op internet heeft in stijgende mate invloed op het verzamelen an sich.  Zoals Pierce in On Collecting verklaard, heeft wat er nu veel verzameld wordt invloed op onze kijk op wat er van  het verleden verzameld moet worden. Deze gegevens met elkaar verbindend kan er dus gesteld worden dat er  een sterke democratisering is van het toekennen van waarde. Met mijn website kan ik inspelen op deze  ontwikkeling en kan ik bijdragen aan de kwaliteitshandhaving van verzamelingen.    Doelstelling:  Met dit project wil ik de drempel van museologie verlagen door mensen op een interactieve manier bewust te  maken van hun eigen museologische waarde.  48   
  • 49.   Vraagstelling:  Hoofdvraag:  In hoeverre kan ik het beginsel leggen voor een interactieve manier van autobiografisch verzamelen?  Deelvragen:   In hoeverre bestaat er al een dergelijke applicatie/website?    Welke opties moet de applicatie/website bieden?   Hoe kunnen deze opties worden vormgegeven?   Hoe verhoudt deze community zich tot het proces van musealisering?   Welke resultaten levert een dergelijke community op?   Welke ethische vraagstukken levert een dergelijke verzameling op?    Methodologie:  Dit onderzoek bestaat voornamelijk uit theoretische onderdelen. Het maken van een webapplicatie is niet mijn  vakgebied, en hier zal ik mij dus ook niet aan wagen. Het uitgangspunt is het leggen van een basis voor een  dergelijk project, waarna het eigenlijk alleen nog maar gemaakt hoeft te worden. Ik zal me dus voornamelijk  richten op de onderliggende conceptuele theorie.  Hierbij zal ik alle onderdelen op een museologische, maar ook op een commerciële manier benaderen en  overwegen.  Het vooronderzoek voor deze scriptie zal voornamelijk bestaan uit het bestuderen van bestaande applicaties  en projecten. Hierover verwacht ik weinig in boeken te vinden, omdat het onderzoek gebaseerd zal zijn op vrij  nieuwe ontwikkelingen. In plaats daarvan zal ik waarschijnlijk een internetonderzoek als uitgangspunt nemen.  Op theoretisch gebied zal ik mij inlezen in de mooiste neusjes van de beste zalm, die als handvatten zullen  dienen bij het overreden van de inhoud. In de keuze van literatuur zal ik mij laten adviseren door kenners op  het gebied van theoretische museologie, nieuw erfgoed en e‐cultuur.  Op praktisch, uitvoerbaar gebied zal ik de kansen, bedreigingen, mogelijkheden en onmogelijkheden voor een  website/applicatie onderzoeken doormiddel van een interview met Nick Koning. Deze geeft les aan de  kunstacademie St. Joost in Breda als leraar Interaction Design, en profileert zich daarnaast als Media Designer  Deluxe. Nick Koning heeft veel kennis van internetontwikkelingen en veel ervaring met het maken van  websites.               49