Module 1 ecoreizen def 2
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×
 

Module 1 ecoreizen def 2

on

  • 6,096 views

 

Statistics

Views

Total Views
6,096
Views on SlideShare
6,096
Embed Views
0

Actions

Likes
1
Downloads
15
Comments
0

0 Embeds 0

No embeds

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

CC Attribution-NonCommercial-ShareAlike LicenseCC Attribution-NonCommercial-ShareAlike LicenseCC Attribution-NonCommercial-ShareAlike License

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

Module 1 ecoreizen def 2 Module 1 ecoreizen def 2 Document Transcript

  • Colofon ECOreizen Module 1, ECOreizen, vormt samen met module 2, ECObrandstoffen, een geheel. Samenwerking ECOreizen is tot stand gekomen in samenwerking met de SLO en de Technische Universiteit Delft. Vormgeving T2 Ontwerp, Den Haag (www.t2ontwerp.nl) © 2010 Technische Universiteit Delft te Delft/ © 2009 Stichting leerplanontwikkeling (SLO), Enschede Het auteursrecht op dit onderwijsmateriaal voor Nieuwe Scheikunde berust bij de SLO en de TU Delft. SLO en de TU Delft zijn derhalve de rechthebbenden zoals bedoeld in de hieronder vermelde creative commons licentie. SLO, de TU Delft en door hen ingehuurde auteurs hebben bij de ontwikkeling van de modules gebruik gemaakt van materiaal van derden. Bij het verkrijgen van toestemming, het achterhalen en voldoen van de rechten op teksten, illustraties, enz. is de grootst mogelijke zorgvuldigheid betracht. Mochten er desondanks personen of instanties zijn die rechten menen te kunnen doen gelden op tekstgedeeltes, illustraties, enz. van een module, dan worden zij verzocht zich in verbinding te stellen met SLO of met de TU Delft. Hoewel het onderwijsmateriaal met zorg is samengesteld, is het mogelijk dat deze onjuistheden en/ of onvolledigheden bevatten. De SLO en de TU Delft aanvaarden derhalve geen enkele aansprakelijkheid voor enige schade, voortkomend uit (het gebruik van) dit materiaal. Voor dit onderwijsmateriaal geldt een Creative Commons Naamsvermelding-Niet- Commercieel-Gelijk delen 3.0 Nederland licentie http://creativecommons.org/licenses/by-nc-sa/3.0/nl/ Aangepaste versies hiervan mogen alleen verspreid worden indien het in het colofon vermeld wordt dat het een aangepaste versie betreft, onder vermelding van de naam van de auteur van de wijzingen. Delft, juni 2010.
  • 1. Inleiding van de module 4 1.1 Inleiding 5 1.2 Artikelen over groen en duurzaam reizen 6 1.3 De contextvraag 10 1.4 Opstellen van deelvragen en het maken van een planning 12 1.5 De activiteiten 13 1.6 Toetsing 15 2. Het Broeikaseffect 16 2.1 De oorzaken van het broeikaseffect 17 2.2 De gevolgen van het broeikaseffect 21 2.3 De Oplossingen 22 3. Duurzaamheid 28 3.1 Begrip “Duurzaam” 29 3.2 Voorbeelden van duurzame ontwikkelingen 32 4. Rekenen met atomen 38 4.1 Inleiding 39 4.2 Periodiek Systeem 40 4.3 Bouw van het atoom en atoommassa 42 4.4 Een indeling van stoffen 45 4.5 Soorten bindingen 47 4.5.1 De metalen 49 4.5.2 De moleculaire stoffen 50 4.5.3 De zouten 54 4.6 Atoommassa en molecuulmassa 59 4.7 De mol 62 4.8 Het volume van 1 mol gas 68 4.9 Molariteit 72 5. De reis 79 5.1 De wedstrijdvoorwaarden 80 6. De experimenten per continent 84 6.1 Experiment Europa 87 6.2 Experiment Azië 89 6.3 Experiment Afrika 91 6.4 Experiment Noord-Amerika 944 6.5 Experiment Zuid-Amerika 96 6.6 Experiment Australië 998
  • 1. Inleiding van de module View slide
  • ECOreizen 5 1.1 Inleiding ECOREIZEN BV is een nieuw beginnend reisbureau dat graag in wil spelen op de vraag naar groene en duurzame reizen. Om zich te profileren als groen en duurzaam reisbureau heeft ECOREIZEN BV een wedstrijd uitgeschreven. Zie de reclame hieronder. ECOREIZEN BV SCHRIJFT WEDSTRIJD UIT!!!! ECOREIZEN BV is een reisbureau in oprichting en wil groen en duurzaam reizen onder jongeren stimuleren. ECOREIZEN BV wil jongeren de kans geven om goedkoop en toch verantwoord groen en duurzaam te reizen! ECOREIZEN BV looft een prijs uit voor de meest groene en duurzame reis! ECOREIZEN BV nodigt jongeren uit om als potentiële consultants een plan in te dienen voor een groene en duurzame wereldreis. (Zie de voorwaarden). Voorwaarden: 1. Gedurende de wereldreis, welke reis start in je woonplaats, moet elk continent bezocht worden. 2. De reis duurt 30 dagen inclusief verplichte rustdagen. 3. Op drie continenten moet onderzoek gedaan worden naar enkele relevante ecologische situaties. 4. Het plan moet worden gepresenteerd voor een door ECOREIZEN BV samengestelde jury, waarbij de volgende vragen aan bod moeten komen: Welke route is het meest groen en duurzaam, welke vervoermiddelen worden daarbij gebruikt, welke soort brandstof is vanuit duurzaamheid het meest voor de hand liggend, wat is nodig om de belasting van de natuur en het milieu tengevolge van deze reis te compenseren en hoeveel is daarvan nodig? 5. De presentatie en de gemaakte keuzes moeten gemotiveerd worden door middel van inhoudelijke technische en chemische argumenten en voorzien zijn van uitgewerkte berekeningen. 6. De prijs is een “alternatieve” wereldreis. De voorwaarden voor deze wedstrijd staan nader uitgewerkt bij hoofdstuk 5. View slide
  • ECOreizen ECOre 6 Een wereldreis is niet goedkoop; niet in geld, maar ook niet in grondstof. Is bioethanol te verkiezen boven benzine van fossiele oorsprong, of reis je zuiniger op glucose (de brandstof voor je fiets)? Toon je een energie en milieubewuste reiziger in een dertigdaagse reis om energie- de wereld! Lees ter oriëntatie de onderstaande drie artikelen en maak de opdrachten. 1.2 Artikelen over groen en duurzaam reizen Artikel 1 Laat het klimaat niet op hol slaan: plant een boom! Bomen nemen het broeikasgas CO2 op en maken er zuurstof (O2) van. Bouw mee aan een groenere wereld en hou het broeikaseffect in toom. Trees for Travel biedt Figuur 1: logo de mogelijkheid om voor een bescheiden bedrag de uitgesto een uitgestoten broeikasgassen te compenseren. Ieder bedrijf, consument, overheid of reisorganisatie gebuikt fossiele brandstoffen. Als u rijdt, vliegt, verwarmt, kookt of werkt. Compenseer via Trees for Travel en investeer in duurzam ontwikkeling in duurzame ontwikkelingslanden. U maakt zo de aanleg en het behoud van bossen mogelijk. ontwikkelings Bossen die extra inkomsten opleveren voor de lokale bevolking en bijdragen aan herstel van natuur en milieu. Ook hebben we projecten voor duurzame energie, natuur- die uitstoot van CO2 voorkomen. Onze lijnen zijn kort en de kosten daarom laag. Uw bijdrage moet immers daar terechtkomen en niet hier. Trees for Travel heeft al meer dan 170.000 ton aan CO2- -compensatie gerealiseerd en meer dan 1 miljoen bomen geplant. Help mee en geef de wereld weer lucht. Doe mee en vlieg, rij, werk of ontspan lieg, klimaatneutraal! Bereken je CO2-uitstoot Om snel de uitstoot van broeikasgassen te kunnen bepalen heeft Trees for Travel een Klimaatcalculator ontwikkeld. Vul je energieverbruik of reisgegevens in en je weet binnen een tel hoeve CO2-equivalenten je (per jaar) moet compenseren. hoeveel equivalenten Klik op de categorie van je keuze. Vul vervolgens alleen die onderdelen in die van toepassing zijn. Druk daarna op de knop 'berekenen'. De uitkomst wordt disclaimer daaronder weergegeven. Wil je de berekende waarden compenseren, klik dan op de onderste knop 'CO2 uitstoot compenseren' en volg de instructies. Je kunt dan Figuur 2: disclaimer Trees for ook nog andere compensaties toevoegen. Wil je alleen vliegreizen compenseren, Travel gebruik dan het rode invulveld hier boven: 'vul in en compenseer'. Bron: Trees for Travel
  • ECOreizen 7 Opdracht 1 Ga via het huisje in de disclaimer naar de website van “Trees forTravel” en voer de volgende berekeningen uit: a. Een huishouden verbruikt 4000 m3 aardgas per jaar. Bereken hoelang een boom moet groeien om de CO2 uitstoot te compenseren. b. Voer ook een aantal berekeningen uit voor de andere drie pictogrammen. Artikel 2 Compensatie van CO2-uitstoot Groen vliegen, groene creditcard, groen gas? Is het echt mogelijk om je uitstoot van broeikasgassen te compenseren door bomen te planten? Er zijn veel bedrijven die dit beloven, maar hoe zit het nu eigenlijk? Wat is CO2-compensatie? Of je nu op vakantie gaat, boodschappen doet, televisie kijkt of kookt, bij alles wat je doet worden broeikasgassen uitgestoten. Soms veel, zoals bij vliegen, soms weinig. Een gemiddeld Nederlands huishouden stoot 10.460 kilo CO2 per Het ClimaCount CO2 jaar uit. Compensatie Programma Om je bijdrage aan klimaatverandering te verminderen, is het in de eerste plaats biedt gebruikers van een belangrijk om zoveel mogelijk energie te besparen. Op die manier bespaar je al aan een ClimaCount heel veel uitstoot van CO2. Tweede stap die je kunt zetten is om de gekoppelde creditcard de onvermijdelijke uitstoot van broeikasgassen te compenseren. Je zorgt er dan voor keuze uit vier programma’s dat op een andere plek in de wereld CO2-uitstoot voorkomen wordt. Evenveel als om hun CO2 uitstoot te je hier zelf veroorzaakt. compenseren. In elk Twee bekende manieren om dit te doen zijn: programma zijn effectieve,  Het ontwikkelen van duurzame energie elders in de wereld, vaak in de betrouwbare projecten ontwikkelingslanden. Door energie op te wekken met bijvoorbeeld zon of opgenomen die zich op wind, wordt er geen extra uitstoot van broeikasgassen veroorzaakt die er wel verschillende manieren met zou zijn geweest als deze energie in bijvoorbeeld een kolencentrale opgewekt CO2 compensatie bezighou- zou zijn. den. Ofwel door de CO2  De aanplant van bomen. Bomen zetten immers CO2 om in zuurstof. uitstoot te verminderen of door CO2 aan de atmosfeer Als je dus zoveel mogelijk energie bespaart en vervolgens de resterende uitstoot te ontrekken. compenseert, leef je in feite klimaatneutraal. Zie www.climacount.nl Dit klinkt natuurlijk heel mooi, maar er zijn helaas ook kanttekeningen te zetten bij compensatie, vooral bij compenseren door aanplant van bomen. Er is namelijk erg weinig toezicht of controle op bomenaanplant. Er is geen keurmerk dat garandeert dat de betaalde bomen ook daadwerkelijk een aantal (bijvoorbeeld minimaal 30 jaar) blijven staan. Soms sponsor je alleen het onderhoud van bestaand bos, waardoor er natuurlijk niet meer CO2 uit de lucht gehaald wordt.
  • ECOreizen 8 Compensatie van CO2-uitstoot (vervolg) In veel landen wordt eerst bos gekapt, het tropisch hardhout voor veel geld verkocht en worden er vervolgens weer bomen aangeplant. Maar de diversiteit (hoeveelheid verschillende soorten planten en dieren) van natuurlijk bos is vele malen hoger dan in aangeplant bos. Bovendien komt er ook steeds meer wetenschappelijk bewijs dat het planten van bomen buiten tropische gebieden averechts werkt voor het klimaat. Bomen in koude streken absorberen veel zonlicht en bevorderen ook nog eens de vorming van wolken. Hierdoor wordt de warmte op aarde vastgehouden in plaats van teruggekaatst. Een ander meer principieel tegengeluid komt vanuit de milieubeweging. Compenseren stimuleert mensen niet om na te denken over hun leefwijze en om te kiezen voor een energiezuinige levensstijl. In die zin is compenseren een moderne vorm van 'aflaten': je doet iets klimaatonvriendelijks (zoals vliegen) Figuur 3: affiche maar met een paar tientjes zorg je dat er wat bomen geplant worden en is je Trees for Travel geweten weer gesust. Hoeveel CO2 kan een boom eigenlijk omzetten? Volgens Trees for Travel kun je de kerosine-uitstoot van een retourtje Mexico compenseren door de aanplant van 180 bomen. De bomen moeten dan wel een eeuw blijven staan. Hiervoor betaal je 51 euro. Dergelijke berekeningen zijn omstreden. Het is niet uit te rekenen hoeveel CO2 een boom omzet naar zuurstof, dit is per soort, leeftijd en locatie verschillend.  Grote, duizend jaar oude bomen met veel takken en bladeren nemen uiteraard meer CO2 op dan nieuwe jonge aanplant. Sommige boomsoorten kunnen wel drieduizend jaar oud worden. Stadsbomen zijn eigenlijk meer een soort kamerplanten. Hun wortels worden door bestrating soms ingeperkt waardoor de wortels als bij een soort Bonsai klein blijven. Ze worden niet oud. Bomen in de vrije natuur die eeuwenlang blijven staan zetten meer CO2 om.  Ook is de CO2 omzet afhankelijk van de plaats. Rondom de evenaar zetten bomen meer CO2 om dan in koude gebieden. Het tropisch regenwoud wordt niet voor niets de longen van de aarde genoemd. Het kappen van eeuwenoud tropisch woud kan niet gecompenseerd worden met een zelfde aantal jonge 12 april 2007 bomen elders. Als men werkelijk alle vliegreizen wil compenseren en al die bomen inderdaad een eeuw wil laten staan, komen we toch echt ruimte te kort. Ondertussen gaat de kap van onvervangbaar eeuwenoud woud gewoon door, voorlopig met een snelheid die vele malen hoger is dan dat wij aanplanten. Bron: http://www.milieudefensie.nl/klimaat/visie/heikele-klimaatissues/compensatie-van-co2- uitstoot/
  • ECOreizen 9 Opdracht 2 Geef aan de hand van het artikel drie argumenten voor compensatie door bomenaanplant en drie argumenten tegen compensatie door bomenaanplant. Artikel 3 Bioethanol Rijden op alcohol? In landen als Brazilië, Zweden en de VS kijken ze er niet meer van op. We hebben het dan over bio-ethanol. Dat is alcohol afkomstig van de vergisting van gewassen als maïs, tarwe, suikerriet, bieten of aardappelen. Bio-ethanol behoort met biogas en biodiesel, gemaakt uit plantaardige olie, tot de groep van biobrandstoffen. De ‘alternatieve’ brandstoffen worden steeds populairder. Daar zijn twee redenen voor. Ten eerste de hoge olieprijs, gekoppeld aan het vooruitzicht van slinkende olievoorraden. En daarnaast de wereldwijde roep om de uitstoot van schadelijke broeikasgassen nu eindelijk eens aan te pakken. Vergeleken met benzine leidt gebruik van biobrandstoffen tot een verminderde uitstoot van broeikasgassen. Dat komt omdat biobrandstof wordt gemaakt van gewassen die zelf net zoveel koolstofdioxide opnemen als er bij de verbranding vrijkomt. Figuur 4: Bio-ethanol, CO2 En dus pleiten steeds meer politici voor het gebruik van bio-ethanol. De EU heeft neutraal als doel om in 2010 5,75 procent van de traditionele brandstof bij te mengen met biobrandstof. De Verenigde Staten ook, maar daar zijn ze in praktijk al een stuk verder mee dan Europa: in 2004 werd al zo’n 2 procent bio-ethanol bij de benzine gemengd. De productie van bio-ethanol neemt dan ook snel toe. Volgens het Amerikaanse ministerie van Landbouw produceerden bio-boeren vorig jaar ongeveer 19 miljard liter ethanol, voor het grootste gedeelte uit maïs. Dit jaar komt de productie een derde hoger uit, maar voor 2008 wordt al op ruim 37 miljard liter gerekend. In Europa is de productie – de grote producenten zitten vooral in Duitsland, Spanje en Frankrijk – een stuk lager. Een aantal autoproducenten speelt al in op een doorbraak van bio-ethanol met de productie van zogeheten ‘flexauto’s’. Die kunnen op verschillende mengsels van ethanol en conventionele brandstof rijden. Volvo kwam al met de zogeheten Flexi-Fuel modellen, auto’s die rijden op de alternatieve brandstof E85, een mengsel van 85 procent ethanol en 15 procent benzine. De hebben een 70 tot 80 procent lagere uitstoot van CO2 Figuur 5: Biobrandstof logo dan auto’s die op benzine rijden. Volkswagen, General Motors, Ford en Saab kwamen al eerder met Flexi-Fuel modellen, vooral gericht op de Amerikaanse en Zweedse markt. Precies de landen waar je gemakkelijk bio-ethanol kunt tanken. In Nederland moet deze markt nog helemaal op gang komen. Figuur 6: Saab Flex-Fuel model Bron: http://www.biogas.nl/bioethanol/
  • ECOreizen 10 Wil een auto op E85 – 85 procent bio-ethanol en 15 procent benzine – kunnen rijden, dan moet de motor enigszins zijn aangepast om tegen de ethanol (alcohol) te kunnen. Dat geldt onder meer voor onderdelen als de carburateur, de brandstofinspuiting en de brandstofslangen. Motoren die op E85 kunnen draaien, kunnen ook zonder mankeren op gewone E85 is nu ook toegestaan benzine lopen. Maar dat wil niet zeggen dat het voor het rijden geen verschil voor bepaalde klassen maakt welke brandstof er in de tank zit. E85 levert een hoger vermogen; een wedstrijdmotoren. vermogen dat zich ook vertaalt in grotere prestaties. Neem bijvoorbeeld de Saab 9-5 2.0t BioPower. Rijdt die op E85, dan stijgt het motorvermogen van 150 naar 180 pk en loopt het koppel op van 240 naar 280 newtonmeter. De topsnelheid gaat omhoog van 210 naar 225 km/h en de tijd nodig om van nul naar honderd te Koppel: het maximaal accelereren zakt van 9,8 naar 8,5 leverbare koppel is een seconden. Dat is leuk, maar bio- kenmerk van de kracht van ethanol heeft ook een minder sterke de motor. Een auto met een kant. De brandstof heeft een lagere motor met een groot koppel energie-inhoud dan benzine. Waar het kan sneller op topsnelheid op neer komt, is dat je tien liter bio- komen. ethanol nodig hebt, om even ver te komen als op zeven liter benzine. Tank je E85, dan moet je vaker naar de pomp. Figuur 7: Volvo Flex-Fuel model Bron: http://www.groenopweg.nl/energiebronnen/55/107/Bio-ethanol-en-techniek Opdracht 3 Maak een korte samenvatting van de artikelen en geef hierin de voor- en nadelen van bio-ethanol aan. 1.3 De contextvraag Jullie besluiten je in te schrijven voor de wedstrijd van ECOREIZEN BV. Contextvragen 1. Hoe organiseer je een duurzame reis? 2. Hoeveel hectares eikenbomen zou je moeten planten om alle CO2 te compenseren die je tijdens je reis hebt uitgestoten? Na inschrijving krijgen jullie van ECOREIZEN BV de reisopdracht toegestuurd waarin alle voorwaarden en eisen van deze wedstrijd beschreven staan. Hieronder staat ede reisopdracht kort samengevat. De uitgebreide beschrijving staat in hoofdstuk 5.
  • ECOreizen 11 Je gaat in deze module werken in groepjes van drie of vier personen. Kleinere groepjes zijn onhandig omdat tijdens een aantal activiteiten verschillende dingen tegelijkertijd moeten gebeuren. Hoe je het best in groepjes kunt werken staat in de map Studeeraanwijzingen die je bij de deze module krijgt. Nieuw in deze module is dat je mag kiezen in welke volgorde je een aantal van de activiteiten plant. Nodig is wel dat je alle activiteiten uitvoert. Je hoeft slechts op drie continenten een experiment te doen. ECOREIZEN BV reisopdracht De eisen en voorwaarden waaraan jullie inzending moet voldoen staan hieronder kort samengevat. 1. De reis moet duurzaam zijn • Je moet proberen om zoveel mogelijk duurzame brandstoffen te gebruiken. Figuur 8: Organiseer je reis zo 2. Jullie wereldreis uitstippelen milieuvriendelijk als mogelijk is • Je hebt maximaal 30 dagen om rond de wereld te reizen. Je vertrekt uit de plaats waar je school staat en na 30 dagen kom je hier weer terug na een reis rond de gehele aardbol. • Je moet bij de reis rond de wereld 6 werelddelen bezoeken: Europa, Afrika, Azië, Australië, Noord- en Zuid-Amerika. • In elk werelddeel bezoek je in elk geval één grote stad, waar je minimaal 1 dag blijft rondkijken, je blijft dus één extra dag in die stad. Dit betekent een onderbreking van 24 uur tussen aankomst en vertrek. • Je moet minimaal 3 verschillende vervoermiddelen gebruiken. • Je berekent je reis op basis van 1 persoon (ook al zit je daar met zijn drieën of met zijn vieren aan te rekenen)
  • ECOreizen 12 1.4 Opstellen van deelvragen en het maken van een planning Relevante deelvragen stellen • Als je de opdracht hebt bekeken, wat weet je dan al? • Wanneer is een reis groen en duurzaam? • Welke duurzame brandstoffen kun je gebruiken • ……….. Als je de wedstrijd wilt winnen moet je onderzoek doen en kennis vergaren over een groot aantal onderwerpen. In opdracht 1 ga je met je groep zoveel mogelijk relevante deelvragen bedenken. Deze deelvragen moeten ervoor zorgen dat je een antwoord kan geven op de contextvraag. Opdracht 1 Inventariseer in jullie groep wat je allemaal moet onderzoeken en moet weten om een duurzame reis te kunnen maken en wat je moet weten om de vereiste berekeningen te kunnen maken. Doe dit op de volgende wijze: a. Iedereen schrijft individueel op wat hij/zij zou willen onderzoeken en te weten zou willen komen. b. Als iedereen klaar is geef je jouw papier door aan je buurman/buurvrouw. Deze leest door wat er geschreven staat en vult aan met eigen ideeën. Liefst met een andere kleur pen. c. Dit doe je nog twee keer, zodat je uiteindelijk je eigen blaadje weer terug hebt. d. Als het goed is heeft nu iedereen hetzelfde op papier staan. Maak nu gezamenlijk een lijst met vragen die jullie willen onderzoeken. Deze lijst komt in het groepslogboek te staan. Opdracht 2: Maak nu een planning met je groep. Dit doe je door de verschillende activiteiten door te lezen in paragraaf 1.5 van de inleiding. Activiteit 1 en 2 moeten eerst worden uitgevoerd en dan mogen jullie zelf bepalen hoe jullie activiteit 3 en 4 willen uitvoeren. Deze mag je dus in een willekeurige volgorde doen. Houd daarbij rekening met de onderzoeksvragen die je in opdracht 1 bedacht hebt. Deze onderzoeksvragen moeten allemaal aan bod komen in je onderzoeksplanning. Als er vragen zijn die volgens jullie niet aan de orde komen in de geformuleerde activiteiten, maak dan een plan hoe je deze vragen zou kunnen beantwoorden. Ga nu de activiteiten doorlezen in paragraaf 1.5
  • ECOreizen 13 Opdracht 3 Kijk in je studiewijzer in welke weken je de experimenten uit moet voeren en de reis moet samenstellen, maak hier een planning voor. Voeg deze experimenten- en reisplanning bij je planning uit opdracht 2. Elk groepje is verplicht om drie van deze experimenten uit te voeren. Een experiment voer je uit in Australië, Zuid-Amerika of Azië en de overige twee experimenten voer je uit in Europa, Noord-Amerika of Afrika. Je moet er wel rekening mee houden dat niet iedereen hetzelfde experiment kan doen. De beschrijving van de experimenten vind je in hoofdstuk 6. Zorg voor een gedegen werkplan als je een experiment gaat doen en laat dat ook door je docent of de TOA goedkeuren. De vragen en berekeningen op de werkbladen bij deze experimenten lever je na het uitvoeren van het experiment in bij de docent. Opdracht 4 Lever je planning in bij de docent. Kijk in de studiewijzer wanneer de planning moet worden ingeleverd. Na inleveren wordt de planning met jullie besproken door je docent. Tot slot Het reisdeel van module 1 wordt afgerond met een presentatie in de vorm van een reisverslag. Na de beoordeling van het reisverslag wordt de prijs uitgereikt. Veel succes en zorg dat je de wedstrijd wint!!! De groep met de route, die om de CO2 uitstoot te compenseren zo weinig mogelijk bomen moet aanplanten, verdient 1 vol bonuspunt bij de presentatie. Figuur 9: de prijs is een bonuspunt 1.5 De activiteiten Lees eerst met je groepje de onderstaande omschrijving door van alle activiteiten die je deze module moet doen en ga dan je planning maken. Activiteit 1 en 2 liggen vast in de studiewijzer, maar activiteit 3 en 4 plan je zelf. Kijk in de studiewijzer hoeveel weken je daar voor hebt. Activiteit 1 De reis moet duurzaam zijn Om een duurzame reis te organiseren moet je eerst weten wat bedoeld wordt met duurzaam. Je gaat daarover kennis verzamelen met behulp van de teksten en de vragen en opdrachten uit de hoofdstukken 2 en 3. Opdracht 1: Het broeikaseffect Bij de wedstrijdopdracht van ECOREIZEN BV is het van belang zo min mogelijk CO2 te produceren. CO2 is een van de grote veroorzakers van het broeikaseffect.
  • ECOreizen 14 Hoofdstuk 2 gaat over het broeikaseffect. Bestudeer de teksten in hoofdstuk 2, beantwoord de vragen en maak de opdrachten die in de tekst van dit hoofdstuk staan. Bij de teksten horen ook een aantal opgaven. Kijk in je studiewijzer welke opgaven je moet maken en wanneer je deze moet maken. Opdracht 2: Duurzaamheid Voor deze reisopdracht moet je je ook verdiepen in het begrip duurzaamheid. Duurzaamheid is het onderwerp van deze tijd. Maar wat verstaan we onder duurzaamheid en hoe kunnen we duurzaam reizen. Informatie hierover vind je in hoofdstuk 3. Bestudeer de teksten in hoofdstuk 3 en beantwoord de vragen die in de tekst van dit hoofdstuk staan. Bij de teksten horen ook een aantal opgaven. Kijk in je studiewijzer welke opgaven je moet maken. Activiteit 2 In de opdracht voor de reis worden verschillende brandstoffen genoemd. Je moet ook rekenen aan deze brandstoffen en daarvoor zijn een aantal nieuwe begrippen nodig. Je gaat je dan ook in activiteit 2 verdiepen in de nieuwe begrippen. Bestudeer de teksten in hoofdstuk 4 en maak alle opgaven in dit hoofdstuk. Activiteit 3 In deze activiteit gaan jullie de reis uitstippelen en je gaat bepalen welke vervoermiddelen je gaat gebruiken. In hoofdstuk 5 staan de uitgewerkte voorwaarden van de reisorganisatie. Gebruik de genoemde sites en denk aan de rustdagen op de continenten. Bij deze activiteit en bij activiteit 4 doe je niet allemaal hetzelfde. Je moet hier dus gebruik maken van de expertmethode en zorgen dat je tijd reserveert om informatie en kennis in je groepje uit te wisselen. Geef in je planning aan in welke les je hiervoor tijd wil reserveren Activiteit 4 Tot deze activiteit behoren de experimenten die jullie moeten uitvoeren. Deze experimenten vinden jullie in hoofdstuk 6. Voer de door jullie gekozen experimenten uit en maak de bijbehorende vragen op het aangeleverde werkblad. Dit werkblad lever je na de proef in bij de docent.
  • ECOreizen 15 Activiteit 5 Kijk in je planning welke les je gereserveerd hebt voor het uitwisselen van kennis. Je gaat in die les alle kennis die je verkregen hebt inventariseren en dan met elkaar uitwisselen. Aan het eind van de module moet iedereen hetzelfde weten en begrijpen. • Kijk naar je eigen deelvragen die je in opdracht 1 van paragraaf 1.4 hebt opgesteld. Zijn alle vragen beantwoord? Zo ja, dan kun je nu ook de contextvraag beantwoorden. • Bespreek met elkaar de experimenten en vooral het rekenwerk bij de experimenten. • Bespreek de verschillende berekeningen die gedaan zijn bij het samenstellen van de reis. Activiteit 6 Schrijf met je groepje een reisverslag. Daarin moeten de volgende onderdelen voorkomen: • Een toelichting waarin je uitlegt waarom jullie reis duurzaam is. • Een wereldkaart met daarin getekend jullie reis. • Een tabel waarin jullie: o de gebruikte vervoermiddelen vermelden o de met het vervoermiddel afgelegde afstand o de tijd die jullie met elk vervoermiddel gereisd hebben o de hoeveelheid verbruikte brandstof o de rustdagen • De reactievergelijkingen van de verbrandingen van alle brandstoffen • Het chemisch rekenwerk zoals vermeld in onderdeel 4 van de door ECOREIZEN BV geformuleerde reisopdracht 1.6 Toetsing Voor deze module zijn 3 cijfers te behalen; • een groepscijfer voor de experimenten met een weging 1. Denk eraan dit is een groepscijfer, dat wil zeggen dat ook de experimenten meetellen die je niet zelf gedaan hebt maar die andere leden van je groep hebben gedaan. Je bent gezamenlijk verantwoordelijk voor de experimenten • een groepscijfer voor de uitvoering van de reis met een weging 2. • een individueel cijfer voor de toets over de gehele module met een weging 4
  • 2. Het Broeikaseffect
  • ECOreizen 17 “Toenemende smelt van gletsjers kan voor smeltwatertunnels zorgen, die de ijskappen instabiel maken. Ook kan smeltwater als glijmiddel tussen het ijs en het vaste gesteente belanden, waardoor de stroomsnelheid van gletsjers hoger wordt en de afkalving van ijs door de zee toeneemt.” 2.1 De oorzaken van het broeikaseffect De afgelopen 100 jaar steeg de temperatuur op aarde 0,6 graad Celsius. Dat lijkt weinig maar daardoor is bijvoorbeeld de zeespiegel 10 tot 20 centimeter gestegen. Wetenschappers zijn er nog niet over uit hoe dat precies werkt. Misschien is de stijging natuurlijk geweest, maar veel klimaatonderzoekers denken dat het klimaat verandert, doordat we fossiele brandstoffen (aardgas, steenkool en aardolie) gebruiken. Wat is het broeikaseffect? Het broeikaseffect is het opsluiten van hitte in de atmosfeer. De hitte wordt opgesloten door broeikasgassen; met name koolstofdioxide (CO2), methaan (CH4) en de damp van water (H2O). Deze gassen vormen rondom onze planeet een soort "deken". Zonder deze deken zou er geen leven op aarde mogelijk zijn. Het beschermt ons onder andere tegen de kou van het heelal. Zonder de broeikasgassen zou het ongeveer -18°C zijn, nu is het gemiddeld 15 graden op aarde. Op Venus zijn er te veel broeikasgassen, daardoor is er geen leven mogelijk. Bij Mars is de atmosfeer te dun en zijn er vrijwel geen broeikasgassen en daardoor is er ook geen leven mogelijk. Figuur 1: atmosfeer van verschillende planeten
  • ECOreizen 18 De stralen van de zon gaan door verschillende atmosfeerlagen om uiteindelijk het aardoppervlak te bereiken. Een deel van die zonnestraling wordt weerkaatst, een ander deel wordt geabsorbeerd waardoor de aarde opwarmt. Een deel van die geabsorbeerde warmte wordt later terug afgestaan aan de atmosfeer als infraroodstraling. Dit gebeurd met name 's nachts. Normaal gesproken is er een evenwicht in de hitte die overdag door de zon naar de aarde wordt gebracht en de hitte die 's nachts terug de ruimte in wordt gestraald. Maar bij het terug stralen van de hitte wordt een gedeelte tegengehouden door de broeikasgassen. Hoe dikker de deken van broeikasgassen, hoe minder infraroodstraling uit de laagste atmosfeerlaag, de troposfeer, kan verdwijnen. De hitte zit dus opgesloten. Het plaatje hieronder illustreert dit. Vragen 1. Wat verstaan we precies onder het broeikaseffect? 2. Leg uit waarom de warmte wordt vastgehouden? Figuur 2: het broeikaseffect Toename broeikasgassen De mensen voegen koolstofdioxide aan de atmosfeer toe wanneer zij iets verbranden waar koolstof in zit. En dat zit bijna overal in. Het verbrandingsproces voegt niet alleen CO2 toe aan de atmosfeer, maar produceert ook hitte, die voor een gedeelte niet uit de atmosfeer kan, omdat het wordt tegengehouden door de deken van broeikasgassen.
  • ECOreizen 19 Precies het omgekeerde van het proces van de verbranding is de fotosynthese (foto = licht; synthese = aanmaak). Dit betekent dat groene planten en algen zonlicht gebruiken als energiebron om water en koolstofdioxide om te zetten in glucose en zuurstof. Het water nemen planten op uit de bodem met hun wortels. De koolstofdioxide en zuurstof worden via huidmondjes in het blad met de lucht uitgewisseld. En de glucose wordtin de plant omgezet in cellulose. Deze stof zorgt voor de groei van de plant. Wordt de plant vervolgens gegeten door mensen of dieren, dan komt bij de verbranding met zuurstof van de plantendelen de opgeslagen energie weer vrij, wordt de kooldioxide weer uitgeademd en is de kringloop rond. Hoe meer planten en bomen er zijn, hoe meer koolstofdioxide in de natuur zit opgesloten en hoe minder er in de atmosfeer zit. Door de verwarming van je huis, de productie van elektriciteit en het rijden met auto's wordt de deken van broeikasgassen steeds dikker. Hierdoor kan er minder warmte het heelal in ontsnappen en neemt de opwarming van de aarde dus toe. Vragen 3. Schets de kringloop van kooldioxide zoals hierboven beschreven. Figuur 3: cartoon smelten ijskappen 4. Noem drie oorzaken van de toename van broeikasgassen? Natuurlijk en versterkt broeikaseffect Er wordt onderscheid gemaakt tussen het natuurlijk broeikaseffect en het versterkt broeikaseffect. Zoals hiervoor beschreven zijn er gassen in de atmosfeer die er voor zorgen dat warmte op aarde vastgehouden wordt. Dit effect, het natuurlijk broeikaseffect, is vernoemd naar de kassen die tuinders gebruiken voor het verbouwen van groente, bloemen en planten. De gassen in de atmosfeer hebben dezelfde werking als de glazen of plastic overkapping op broeikassen; namelijk de warmte tegenhouden en zo de temperatuur in de broeikas op laten lopen of de temperatuur constant houden. Het versterkte broeikaseffect wordt in tegenstelling tot het natuurlijk broeikaseffect door de mens veroorzaakt. Dit doet de mens door verschillende gassen uit te stoten, die meer warmte op de aarde vasthouden. De grootste oorzaak daarvan is de industriële revolutie en de enorme toename van het verkeer. Door het gebruik van fossiele Figuur 4: Gevolgen van het brandstoffen is de hoeveelheid koolstofdioxide in de atmosfeer sterk smelten van de ijskappen. toegenomen. Daarnaast vermindert de mens de natuurlijke mogelijkheden om koolstofdioxide op te sluiten in de natuur; door het kappen van bossen komt de CO2 vrij die door de natuur was opgeslagen.
  • ECOreizen 20 Figuur 5: schematisch overzicht van wereldklimaatsysteem De afgelopen 100 jaar is het klimaat op aarde 0,6 graad Celsius warmer geworden. Dat lijkt weinig maar zelfs een kleine stijging van de gemiddelde temperatuur wereldwijd kan al problemen geven voor mensen, dieren en planten. Bovendien is een veel grotere toename in temperatuur voorspeld voor deze eeuw. Figuur 7: In verband met het stijgen van de zeespiegel een nieuw schoenontwerp voor deze zomer. Figuur 6:Waargenomen temperatuurstijging tussen 1880 en 2005 (Bron: NASA) Een extra gevaar voor het broeikaseffect bij een opwarmende aarde is, dat er op dit moment op de bodem van de oceanen en onder de permanent bevroren bodem in Canada en Rusland (dit wordt permafrost genoemd) aardlagen aanwezig zijn, waarin veel methaan (CH4) ligt opgeslagen. De uitstraling hiervan wordt tegengehouden door de permafrost. Deze zogenaamde gashydraten zouden vrijkomen als de bodem niet meer permanent bevroren is en zo zou het broeikasgas CH4 in grotere hoeveelheid in de atmosfeer komen. Vragen 5. Leg duidelijk uit wat het verschil is tussen het natuurlijke en het versterkt broeikaseffect? Opdracht 1 Bekijk de animatie over het broeikaseffect op de volgende site: http://www.my-nrg.nl/mynrg/jsp/MyWorld/broeikas.swf
  • ECOreizen 21 2.2 De gevolgen van het broeikaseffect Wetenschappers denken dat de gemiddelde temperatuur op aarde deze eeuw zal stijgen met 1,4 tot 6,4 graden Celsius. Zo’n snelle toename is de afgelopen 10.000 jaar niet voorgekomen. De grote marge in de voor- spellingen komt doordat de klimaatmodellen niet perfect zijn en omdat er gerekend is met verschillende emissiescenario's. Het is tenslotte niet bekend welke hoeveelheid broeikasgassen in de toekomst uitgestoten zal gaan worden. De opwarming van de aarde zal boven het land sneller gaan dan Figuur 8: uitdroging van boven de oceanen. Daarnaast zal de stijging het grootst zijn op hogere gebieden breedtegraden in de winter. Als het klimaat verandert, zal dat voor de mensen, dieren en planten grote gevolgen hebben. Problemen door droogte In ons land zullen veel mensen het fijn vinden als het wat warmer wordt. Het brengt echter aardig wat problemen met zich mee. Sommige gewassen groeien minder goed door een tekort aan water. De kans op mislukte oogsten neemt daardoor toe. Er zijn verschillende gewassen die slecht tegen hitte kunnen. Andere gewassen zullen juist meer kans hebben om te groeien in ons land. Zo is men laatst begonnen met het planten van olijfbomen in Nederland. Klimaatverandering gaat dus gepaard met verschuiving van klimaatzones. Sommige planten en dieren kunnen zich hieraan niet snel genoeg aanpassen en worden met uitsterven bedreigd. Daarnaast neemt de Figuur 9: het ontstaan en verder kans op bosbranden toe. Met name in Portugal, Spanje en Griekenland heeft uitbreiden van woestijnen men daar de laatste jaren veel meer last van gekregen. Ook zullen woestijngebieden groter worden. Problemen door water Een belangrijk gevolg van het broeikaseffect is de stijging van de zeespiegel. Dit komt doordat water uitzet als het warmer wordt. Daarnaast wordt de stijging veroorzaakt door het smelten van gletsjers en poolijs. Gletsjers zijn grote platen ijs op het land. In de Alpen is duidelijk te zien dat de gletsjers smelten. Het smeltwater gaat via rivieren naar zee. De oceanen worden dus groter. Over de hele wereld genomen is de zeespiegel in de afgelopen 100 jaar 10 tot 15 centimeter gestegen. Voorspellingen over de komende 100 jaar verschillen sterk, maar liggen tussen de 30 en de 90 centimeter extra. Hierdoor kan zout zeewater op plekken komen waar het schade aan planten en dieren kan veroorzaken. Figuur 10: smelten van poolijs Ook kan het problemen geven voor het drinkwater in kustgebieden. Daarnaast maakt het hoge water de kust kwetsbaarder voor overstromingen. Het gaat miljarden euro's kosten om de kusten met bijvoorbeeld dijken te versterken. Ook in de oceanen zelf levert het broeikaseffect problemen op. Diverse diersoorten en ook koraal komt in de problemen doordat zeewater te warm wordt. En doordat de polen kleiner worden, wordt het leefgebied van diersoorten zoals ijsberen en pinguïns kleiner.
  • ECOreizen ECOre 22 Vraag Vra 6. Noem minstens twee oorzaken, van de stijging van de zeespiegel? Figuur 11: dijkdoorbraak in Nederland Figuur 12 gevolgen stijging waterspiegel 12: Volksgezondheid Klimaatverandering is zeker van invloed op de gezondheid van de mensen. Vooral oudere mensen kunnen slecht tegen hitte. Naar schatting sterven er alleen in Europa nu al tienduizenden mensen per jaar extra door de hitte (door uitdroging). Ook kunnen ziektes zoals malaria voorkomen in gebieden uitdroging). waar dat nu niet het geval is. Vooral in arme landen is het broeikaseffect een groot probleem voor de volksgezondheid. Zij hebben geen geld om water uit andere gebieden te halen, waardoor de tekorten aan drinkwater tekorten verder toenemen en het nog moeilijker wordt om voedsel te verbouwen. Vraag 7. Noem nog minstens 5 gevolgen van het broeikaseffect als je kijkt naar de oceanen, naar de hoeveelheid neerslag en naar de volksgezondheid 2.3 De Oplossingen Als we het versterkte broeikaseffect succesvol willen bestrijden ls moeten er nu maatregelen genomen worden. De uitstoot van CO2 bij de opwekking en verbruik van energie kan gemakkelijk worden verminderd. Maar het heeft alleen zin als het op grote schaal toegepast toegepast wordt. Het broeikaseffect bedreigt alle mensen op de wereld. Daarom moet er samen worden gekeken hoe het
  • ECOreizen 23 broeikaseffect het beste opgelost kan worden. We bespreken hieronder een aantal maatregelen die wereldwijd genomen kunnen worden en een aantal nieuwe ideeën. Internationale maatregelen: Het Kyoto-protocol Regeringen kunnen maatregelen nemen. In 1997 was er in Kyoto een klimaatbijeenkomst. De industrielanden hebben daar een verdrag gesloten, het Kyoto-protocol. Met het verdrag zijn industrielanden overeengekomen om de uitstoot van broeikasgassen in 2008-2012 met gemiddeld 5% te verminderen ten opzichte van het niveau in 1990. De reductiepercentages verschillen van land tot land, afhankelijk van de economische kracht. Economisch zwakkere landen kregen lagere reductiepercentages. Beperking van de uitstoot van broeikasgassen kan op verschillende manieren bereikt worden. Een van de mogelijke maatregelen is het gebruiken van alternatieve energie, zoals bijvoorbeeld kernenergie. Hier zitten echter weer andere nadelen aan. Greenpeace is een sterk tegenstander van nucleaire energie, omdat er grote gevaren voor het milieu aan zitten. Daarnaast ontstaat er nucleair (radioactief) afval, dat de mens voor duizenden jaren op zal moeten slaan. Er komt echter geen CO2 vrij bij de opwekking van deze energie en is dus een oplossing voor het broeikaseffect. Maar de mens kan ook duurzame energie gebruiken. Dit ontstaat uit natuurlijke dingen zoals bijv. de wind en de zon. Hierbij ontstaan helemaal geen schadelijke bijproducten. Maar het zal nog een tijd duren voordat deze vormen van energie opwekking zover zijn ontwikkeld dat fossiele brandstoffen overbodig zijn. Windenergie kan bijvoorbeeld alleen in windrijke gebieden worden opgewekt, niet midden in de stad. Daarnaast moeten we de natuur meer ruimte geven. Bomen en planten zetten koolstofdioxide om in zuurstof. Veel mensen verzetten zich daarom tegen het kappen van bomen. Zij willen verdragen waarin staat dat voor elke gekapte boom er ook weer één geplant moet worden. Dagelijks worden Figuur 13: voorbeelden van echter hectares regenwoud gekapt. duurzame energie, een windmolenparken en Vraag zonnepanelen 8. Noem 5 maatregelen die volgens het Kyoto-protocol genomen moeten worden om het versterkt broeikaseffect tegen te gaan. Opslag van CO2 Nederland moet in 2012 een afname van de CO2 uitstoot gerealiseerd hebben van 6% vergeleken met de uitstoot in 1990. Behalve door het inzetten van duurzame energie en door het tegengaan van energieverlies, probeert men dat ook te realiseren door het afvangen van koolstofdioxide bij energieproductie gevolgd door ondergrondse opslag.
  • ECOreizen 24 Opslagmogelijkheden CO2 kan in verschillende ondergronden, poreuze lagen, worden geïnjecteerd. De ondergrond is bepalend voor de eindtoestand van het geïnjecteerde gas en daardoor voor de risico’s die aan de opslag zijn verbonden. Op dit moment is opslag mogelijk in lege gasvelden, in aquifers (grondwaterdoorlatende lagen), olievelden en steenkool. Injectie in gasvelden en olievelden Koolstofdioxide kan geïnjecteerd worden in gasvelden en olievelden die economisch niet meer interessant zijn voor de gaswinning. Injectie in diepe aquifers Diepgelegen watervoerende lagen bevatten zout water en komen daardoor meestal niet voor de waterwinning in aanmerking. Als zij aan de bovenkant en van opzij door een ondoorlatende laag worden afgesloten, zijn zij wel Figuur 14: vergelijking van de verschillende geschikt voor CO2 opslag. opslagmogelijkheden Injectie in steenkool Injectie in steenkool is een nieuwe techniek. CO2 wordt in de steenkoollaag geïnjecteerd en hecht zich daarbij aan de steenkool. Het is dan niet meer in de gasvorm, waardoor een afsluitende toplaag om weglekken van het gas te voorkomen niet nodig is. Figuur 15: opslag in de ondergrond CO2 voor kassen Koolstofdioxide dat wordt afgevangen uit verbrandingsgassen kan gebruikt worden om kassen te bemesten. In de tuinbouw is het van belang dat er zuiver CO2 in de lucht zit. Dit bevordert de plantengroei door de fotosynthese efficiënter te laten verlopen. Bij de fotosynthese wordt CO2 en water omgezet in glucose.
  • ECOreizen 25 Figuur 16: CO2 voor paprikateelt in de kassen Opdracht 2 Er is onlangs veel publiciteit geweest over opslag van CO2 onder de gemeente Barendrecht. Zoek een artikel op internet over deze opslag en beantwoord de volgende vragen; a. Leg aan de hand van een illustratie uit over welke vorm van opslag het gaat in Barendrecht? b. Noem drie argumenten voor en drie argumenten tegen opslag onder Barendrecht. Vraag 9. Geef de reactievergelijking van de fotosynthese, waarbij CO2 en water worden omgezet in glucose en nog een andere stof. Alternatieve ideeën • Kunstmatige bomen. CO2 weer uit de lucht halen zou een mogelijkheid zijn om het broeikaseffect te verminderen. Een professor uit New York denkt echter een manier te hebben gevonden om het huidige bovenmatige gebruik van fossiele brandstoffen aan te pakken. Hij heeft een synthetische boom ontworpen, een machine die de functie van natuurlijke bomen nabootst. Via bladeren waar lucht overheen stoomt, wil hij koolstofdioxide (CO2) uit de lucht trekken. Vervolgens zou de CO2 Figuur 17: kunstmatige bomen die op deze wijze uit de atmosfeer verwijderd wordt, diep onder de grond opgeslagen kunnen worden. Hier zou het voor goed op een veilige manier kunnen blijven. • Wolkenmakers. Er is een professor die een jacht heeft ontworpen, die fijne deeltjes zeewater de wolken in pompt. Hierdoor worden de wolken dikker en worden meer zonnestralen terug de ruimte in geketst. De schepen die de professor heeft bedacht, zijn onbemand en worden door de wind aangedreven. Zij produceren razendsnel een nevel van het zeewater. De schepen zijn van afstand bestuurbaar, waardoor ze naar die plaatsen gestuurd kunnen worden, waar het effect het grootste is. Dit zou een manier kunnen zijn om het broeikaseffect tegen te gaan. Figuur 18: wolkenmakers • Verhoging CO2 absorptie door fytoplankton in de oceanen. Onze oceanen zitten vol met fytoplankton. Dit is plantaardige plankton; miljoenen zeer kleine planten in de zee. Zij zijn essentieel voor het ecosysteem in de zee, omdat zij daar het begin van voedselketen
  • ECOreizen ECOre 26 vormen. Het fytoplankton is niet zichtbaar met het blote oog, maar wel vanuit de ruimte. Net zoals bomen, maken zij gebruik van fotosynthese. Zij houden zichzelf in leven door zonlicht en door CO2 uit het water te halen. Daarbij laten zij zuurstof achter. Wanneer ze dood gaan, zinken zij naar de bodem van de zee en nemen ze het koolstof met hen mee. Er zijn echter gebieden waar weinig of geen fytoplankton is. Een r geleerde is daarom op het idee gekomen om ureum (één van de Figuur 19: fytoplankton componenten van urine) toe te voegen aan oceaangebieden met een gebrek aan fytoplankton. Ureum is een stikstofrijke meststof die planten helpt groeien. Het toevoegen van deze stof in de delen van de zee evoegen zonder fytoplankton, zal deze gebieden veranderen in een fytoplankton rijk gebied. Daardoor zal er meer CO2 uit de lucht gehaald worden en dus kan het meehelpen het broeikaseffect te bestrijden. Opdracht 3 Hieronder staat een huis waar al een aantal maatrege ronder maatregelen genomen zijn om het energie energieverbruik en dus indirect de CO2 uitstoot te beperken. Bekijk dit huis kritisch en bedenk dan een aantal maatregelen om het huis zo aan te passen dat het volgens jou zo min mogelijk energie gebruikt. mogelijk
  • ECOreizen 27 Wat je nu moet weten • Wat we onder het broeikaseffect verstaan. • De oorzaken van het broeikaseffect. • Natuurlijk en versterkt broeikaseffect • De gevolgen van het broeikaseffect. • Problemen door droogte en water. • Effecten op de volksgezondheid. • De oplossingen voor het broeikaseffect. • Opslag van CO2. • Alternatieven om CO2 te verwijderen.
  • 3. Duurzaamheid
  • ECOreizen 29 “Duurzaam ondernemen. Draagt jouw product, en de manier waarop het geproduceerd wordt, ertoe bij dat de wereld ook voor latere generaties een leefbare wereld is?” 3.1 Begrip “Duurzaam” We kennen allemaal het woord “duurzaam” wel, maar wat wordt daar nu precies onder verstaan. In 1987 verscheen het rapport “Our common future” van de World Commission on Environment and Development van de Verenigde Naties, waarin duurzame ontwikkeling centraal stond. Dit rapport staat ook wel bekend als het Brundtland-rapport, naar Gro Harlem Brundtland, de toenmalige voorzitster van de commissie. Veel publicaties gebruiken de volgende definitie uit het Brundtland-rapport: ‘een ontwikkeling waarin tegemoet gekomen kan worden aan de behoeften van huidige generaties zonder de mogelijkheden weg te nemen dat toekomstige generaties in hun behoeften kunnen voorzien’. Bij duurzame ontwikkeling wordt gestreefd naar een evenwichtige ontwikkeling die: 1) economisch haalbaar is, 2) goed is voor het milieu (ecologie) en 3) goed is voor de mens (sociaal/cultureel). “Duurzame chemie” Definitie duurzame chemie: Duurzame chemie is de invulling van duurzame ontwikkeling op het gebied van de chemie. Chemie is zowel een wetenschappelijke discipline als een belangrijke economische bedrijfstak. Primair is duurzame chemie gericht op de duurzame ontwikkeling van de chemie als bedrijfstak. De chemie als wetenschappelijke discipline zal echter de mogelijkheden moeten aanreiken om deze duurzame ontwikkeling mogelijk te maken. Duurzame chemie Figuur 1: Duurzame chemie houdt in dat er bij het wetenschappelijke onderzoek en alle industriële betekent onder andere activiteiten gekeken wordt hoe nadelige invloeden op mens en omgeving schonere processen en geminimaliseerd kunnen worden. verlaging van energie- en grondstofverbruik Chemische processen moeten schoner worden, minder energie en grondstof gebruiken en zuiverdere en minder gevaarlijke stoffen op leveren. Op basis hiervan zijn er 12 principes opgesteld voor duurzaam produceren, die hieronder staan weergegeven: 1. Werk preventief: het is beter afval te voorkomen dan te verwerken 2. Atoomeconomisch produceren: er moeten productiemethoden ontwikkeld worden, waarbij zo veel mogelijk van de beginstoffen in het eindproduct verwerkt zijn
  • ECOreizen 30 3. Maak gebruik van minder gevaarlijke chemische productie methoden: ontwerp productiemethoden die zo weinig mogelijk schade toebrengen aan mens en milieu 4. Ontwikkel veiligere chemische stoffen: de effectiviteit van een stof moet behouden blijven terwijl de toxiciteit moet dalen 5. Maak gebruik van veiliger oplosmiddelen: vermijd zo veel mogelijk het gebruik van oplosmiddelen en als deze toch noodzakelijk zijn gebruik dan oplosmiddelen die niet schadelijk zijn voor het milieu E-mail en internet zijn zo 6. Ontwerp de productieprocessen energie-efficiënt: dat wil zeggen vanzelfsprekend dat je bijna gebruik zo min mogelijk energie, probeer processen uit te voeren bij vergeet wat voor relatief lage temperaturen en lage druk. Probeer energie die vrijkomt te energievretende infrastructuur erachter zit. Sommigen hergebruiken in het proces. beweren dat het 7. Gebruik hernieuwbare grondstoffen (dus grondstoffen die via recycling energieverbruik door het teruggewonnen worden) wereldwijde dataverkeer 300 8. Kies reactieroutes met zo weinig mogelijk stappen: veel stappen in een miljoen ton CO2 uitstoot reactie betekent ook veel reagerende stoffen en ook meer vervuiling veroorzaakt. Sinds Google de 9. Gebruik katalysatoren: reacties waarbij gebruik wordt gemaakt van een videosite Youtube heeft aangeschaft kreunen ze onder katalysator verlopen efficiënter dan niet gekatalyseerde reacties de maandelijkse energiere- 10. Ontwikkel chemische producten zodanig dat deze na gebruik niet in het kening. milieu blijven maar afgebroken worden tot onschadelijke producten Computer en internetbedrijven 11. Ontwerp nieuwe analysemethoden die tijdens het productie proces zijn daarom begonnen met controleren of er schadelijke bijproducten ontstaan, zodat tijdig Green Touch, een ingegrepen kan worden in het proces onderzoeksinitiatief om het energieverbruik van het 12. Ontwerp veilige chemische processen zodat het risico van ongevallen internet met 99,5 % te zoals explosies, brand en uitstoot van schadelijke stoffen zo klein reduceren in het jaar 2015. mogelijk wordt Bron: C2W mei 2010 In 2002 vond de Wereldtop voor duurzame ontwikkeling plaats in Johannesburg, Zuid-Afrika. Er werd in dezelfde tijd een schaduwconferentie gehouden in Zuid-Afrika en onderstaande spotprent geeft wel aan dat nog niet iedereen de toekomst op het gebied van duurzame ontwikkeling met vertrouwen tegemoet ziet. Figuur 2: Cartoon van Zapiro (Mail & Guardian) Internetbron: http://www.kennislink.nl/web/show?id=119643&showframe=content&venster id=811&prev=119641
  • ECOreizen 31 Een voorbeeld van duurzaamheid Trein schoon en duurzaam De trein is in vergelijking met de meeste andere vervoermiddelen schoon en duurzaam. Dit betreft bijvoorbeeld het geringe beslag van treinvervoer op de ruimte (voor sporen, wegen en parkeer- plaatsen), de minimale uitstoot van fijnstof en de relatief geringe uitstoot van het broeikasgas CO2. Gezien de problematiek van luchtvervuiling in en rondom de grote steden en de ernst van de klimaat- problematiek zijn dit belangrijke aspecten. Werken aan een duurzame NS Het milieubeleid van de NS is er op gericht de trein nog milieuvriendelijker te maken. De nadruk ligt daarbij op het verbeteren van energie-efficiency en het (verder) Figuur 3: NS duurzaam Figuur 4: Voor de totale Bron: http://www.ns.nl → hoeveelheid elektriciteit die terugdringen van de uitstoot van CO2. De duurzaamheid en NS wordt gebruikt om de treinen te NS werkt nu al 16% energie-efficiënter dan laten rijden , maken de in 1997. Ons doel is om in 2010 20% Nederlandse Spoorwegen voor energie-efficiënter te werken ten opzichte meer dan 10 procent gebruik van 1997. van groene stroom De NS schaft daarvoor energiezuinige treinen aan. Ook worden Vragen bestaande treinen zo aangepast 1. Welke maatregelen ten aanzien van duurzaamheid heeft de NS dat ze remenergie kunnen getroffen? terugleveren aan het bovenleidingnet. Die energie 2. Met welk van de criteria voor duurzaamheid (zie paragraaf 3.1) heeft de kunnen treinen in de directe NS iets gedaan? omgeving dan weer gebruiken 3. Probeer ook voor auto’s een aantal maatregelen te formuleren waarbij je gebruik maakt van de criteria voor duurzaamheid? Geef aan welke criteria je gebruikt. 4. Idem voor vliegtuigen en boten?
  • ECOreizen 32 3.2 Voorbeelden van duurzame ontwikkelingen De ontbossing van vooral het tropisch regenwoud in Zuid-Amerika is een ramp voor mens en natuur. 90 Procent van alle plant- en diersoorten komen voor in het tropisch regenwoud. Veel planten zijn nog onbekend en zijn mogelijk van groot belang voor de ontwikkeling van nieuwe medicijnen of gewassen. Bossen zuiveren de lucht en zetten het broeikasgas CO2 om in zuurstof. Bovendien houden ze water en bodem vast. Ongebreidelde houtkap leidt daardoor vaak tot erosie, aardverschuivingen en verwoestijning. Daarnaast wonen wereldwijd miljoenen mensen in bossen en zijn zij voor hun voedsel en andere producten van die bossen afhankelijk. De laatste 30 jaar is het tropisch regenwoud wereldwijd met 25 procent afgenomen. Per jaar gaat 12,3 miljoen hectare bos verloren. Dit is gelijk aan drie keer de oppervlakte van Nederland. Verwacht wordt dat over in 2020 60% van het tropisch regenwoud in het Amazonegebied verdwenen zal zijn. De ontbossing wordt vooral veroorzaakt door landbouw en de handel in tropisch hout. Veel hout wordt bovendien illegaal gekapt en verhandeld. Daardoor lopen de landen waar het hout wordt gekapt niet alleen veel Figuur 5: Zuid-Amerika inkomsten mis, ze worden ook geconfronteerd met de milieugevolgen, waaronder erosie, verwoestijning en watervervuiling. Opdracht 1 SarVision uit Wageningen heeft een programma ontwikkeld waarmee de wereldwijde ontbossing gevolgd kan worden. Ga naar onderstaande website http://www.sarvision.nl/index.php?page=regional-monitoring-systems en klik de ontbossingslink aan. Bekijk de ontbossing van Sumatra in de jaren 1998 tot en met 2007. Maak een schatting van het percentage bos dat verdwenen is. Duurzaam hout is hout dat op een verantwoorde manier geproduceerd is. Bij de productie van duurzaam hout wordt rekening gehouden met: • het milieu Dat betekent onder meer: niet meer bomen kappen, dan het bos aankan. Nieuwe bomen aanplanten (herbebossing). Andere bomen en struiken zo min mogelijk beschadigen. • de economie Dat betekent onder meer, dat een eerlijk deel van de opbrengsten uit het bos ten goede komt aan de lokale economie en het in stand houden van het bos. De lokale bevolking en inheemse volken moeten een Figuur 6: logo fsc eerlijke kans hebben op werk in het bos. • de sociale omstandigheden Dat betekent onder meer: dat rekening gehouden wordt met de levenswijze en rechten van inheems volken die in het bos leven of ervan leven.
  • ECOreizen 33 Je kunt duurzaam hout herkennen aan een speciaal certificaat. Er zijn diverse internationale certificaten in gebruik. De bekendste zijn: FSC (Forest Stewardship Council) en PEFC (Programma voor de Erkenning van Bos Certificeringssystemen). Als je deze afkortingen ziet staan op het hout dat je koopt weet je zeker dat het duurzaam hout is. Vraag 5. Noem minstens 10 punten waar, bij de productie van duurzaam hout, rekening mee gehouden moet worden. Duurzaam consumeren Duurzaam consumeren is consumeren zonder dat het milieu daar ernstige schade van ondervindt en zonder dat mensen er onder lijden. Dat betekent dat je als consument rekening houdt met de manier waarop producten die je koopt tot stand zijn gekomen. Kortom, je houdt rekening met mensen, leefmilieu en economie (ook wel aangeduid als de 3 P's: people, planet en Figuur 7: Nikes, geproduceerd profit). met kinderarbeid? Duurzaam consumeren betekent bijvoorbeeld dat je geen tapijten of gympen koopt die met kinderarbeid zijn geproduceerd en bijvoorbeeld koffie drinkt waarvoor de koffieboer in de Derde Wereld een rechtvaardige prijs ontvangt. Of dat je make-up gebruikt die niet op dieren is getest en dat je geen bont draagt. Het betekent ook dat je alleen hout gebruikt uit duurzaam beheerde bossen en dat je gft, glas en bijvoorbeeld papier gescheiden inlevert en energie bespaart. Milieubewust leven is vaak makkelijker dan je denkt. En milieuvriendelijke producten zijn vaak niet eens duurder dan 'gewone' producten. Door ze te kopen help je het milieu, maar het heeft ook voordelen voor jezelf Vraag 6. Noem een aantal maatregelen die jij kunt nemen om duurzamer te consumeren Cradle to cradle (C2C) Een nieuwe visie op duurzaam ontwerpen In 2002 verscheen het boek “Remaking the Way We Make Things” van William McDonough en Michael Braungart met een nieuwe visie op duurzaam ontwerpen. De huidige methoden voor duurzame productontwikkeling, zoals o.a. een levenscyclusanalyse (LCA), richten zich op het beperken van de schadelijkheid van het product. Het product wordt hier gezien als de keten van ontstaan (winning van grondstoffen, productie), gebruik (energieverbruik en verbruik van hulpstoffen zoals waspoeder en benzine) en afdanking (hergebruik en stort). De visie van Cradle to Cradle Figuur 8: omslag van het boek wordt behandeld in de module ECObrandstoffen”. Een voorbeeld van cradle to cradle Het originele Engelstalige boek Cradle to Cradle is niet van papier maar van een recyclebare kunststof, deze kan na een eenvoudig proces opnieuw als glossy, helderwit papier worden gebruikt. In warm water lost de inkt op,
  • ECOreizen 34 zodat er schoon kunststof achterblijft. Ook de inkt kan opnieuw als inkt dienstdoen. Duurzame energie Duurzame energie is energie die opgewekt wordt uit bronnen waarbij weinig tot geen schadelijke milieu effecten optreden tijdens het opwekken. Deze bronnen raken nooit op en zijn dus onuitputtelijk. Voorbeelden zijn: zon, water, wind, biomassa en aardwarmte. Wat valt er onder duurzame energie? Figuur 9: Cartoon Er zijn drie belangrijke processen die zorgen voor allerlei duurzame bronnen op aarde: 1 Zwaartekracht (bijv. getijden energie) 2 Kernfusie in de zon (bijvoorbeeld zonne-energie) 3 Radioactief verval in de aardkorst ( bijvoorbeeld aardwarmte) Deze processen spelen zich af over miljoenen jaren en voor de mens zijn ze onuitputtelijk. Verschillende vormen van duurzame bronnen zijn: • getijdenwerking • verdamping/ neerslag • wind • golven • smelten van ijs • oceaanstromingen • biomassaproductie (groei bomen en planten) • aardwarmte (geothermische energie) Uit deze duurzame bronnen ontstaat duurzame energie. Bij het gebruik van duurzame energie komen er geen schadelijk stoffen vrij en deze duurzame energie bronnen raken nooit op. (Een uitzondering is biomassa, omdat bij deze verbranding wel schadelijke stoffen kunnen vrijkomen) Vragen 7. Wat is het verschil tussen fossiele brandstoffen en duurzame brandstoffen? 8. Wat wordt er precies verstaan onder duurzame energie? Wat je nu moet weten • Het begrip “Duurzaam” omschrijven. • Voorbeelden van duurzame ontwikkelingen geven. • Duurzaam hout • Duurzaam consumeren • Duurzame energie
  • ECOreizen 35 Informatie 1 Aardwarmte Diep in de aardbol lopen temperaturen op tot duizenden graden. Dat is een flinke voorraad energie, maar nog te duur om grootschalig gebruik van te maken. Warmte uit de bodem door zonlicht, gebruiken we al wel. Het binnenste van de aarde heeft een zeer hoge temperatuur. Een deel van die aardwarmte verwarmt via de buitenste aardlagen het grondwater. In Nederland is het grondwater op een diepte van 500 meter warm genoeg om in te zetten als verwarming. Kostbare energie Op dit moment maken energieproducenten nauwelijks gebruik van aardwarmte. Door variaties in de bodem zijn namelijk eerst dure proefboringen nodig om de technische haalbaarheid van aardwarmtewinning te bepalen. En ook de aanleg van het systeem zelf is duur. Aardwarmtewinning vergt een investering die tien keer hoger ligt dan de kosten voor een systeem voor energiewinning uit fossiele brandstoffen. Een vorm van aardwarmte die wel in Nederland wordt gebruikt is zonnewarmte die in de bodem is gedrongen. Met een Figuur 10: Aardwarmtecentrale bodemwarmtewisselaar en een warmtepomp kan deze warmte gebruikt worden voor ruimteverwarming. Een bodemwarmtewisselaar is een gesloten buizensysteem dat tot 100 meter diep de bodem in gaat. Door de buizen wordt een vloeistof gepompt, die opwarmt in de bodem. Zelfs bij een klein temperatuurverschil tussen bodem en vloeistof kan een warmtepomp deze warmte voldoende verhogen en geschikt maken voor ruimteverwarming. In het buitenland is de situatie vaak gunstiger; met name in vulkanische gebieden, waar de aardwarmte zich dicht onder het oppervlak bevindt, is een groot aantal geothermische projecten uitgevoerd. Het bekendst is waarschijnlijk IJsland, waar ruim tachtig procent van de warmtevraag wordt geleverd door aardwarmte. Bron: http://www.milieucentraal.nl/pagina?onderwerp=Aardwarmte
  • ECOreizen 36 Informatie 2 Eb en vloed: getijdencentrales In Nederland Is het verschil tussen eb en vloed maar een paar meter. Maar aan de Engelse en Franse kust kunnen deze verschillen wel oplopen tot 10 meter. Eb en vloed zijn getijden, vandaar dat de centrales om energie uit eb en vloed te halen ook getijdencentrales heten. Zulke centrales werken als volgt. Als het vloed wordt dan stroomt het water door buizen heen naar een reservoir achter de centrale. In deze buizen zitten turbines die door het stromende water worden geactiveerd. De Figuur 11: getijden turbines zetten generatoren aan die stroom leveren. Wanneer het weer eb wordt stroom het water de andere kant op en hetzelfde wordt weer herhaald. De turbines zijn zo gebouwd dat ze altijd draaien of het water nou de ene of de andere kant op stroomt. In Nederland zijn zulke centrales niet geschikt, omdat het verschil tussen eb en vloed te laag is. Ook zou de scheepvaart onmogelijk worden. Informatie 3 Kernfusie als energiebron Eén van de belangrijkste voordelen van fusie-energie is dat de brandstof zo goed als onuitputtelijk is, goedkoop, en voor iedereen toegankelijk. Bovendien is er maar zeer weinig brandstof nodig: om een elektriciteitscentrale van 1000 MW een jaar lang te laten draaien is 250 kg van een deuterium-tritium mengsel nodig. Deuterium en tritium zijn isotopen van waterstof (zie figuur 12). In een fusiereactor reageren deuterium en tritium met elkaar en worden een heliumkern, een neutron en een grote hoeveelheid energie gevormd. Figuur 12: waterstof, deute- rium en tritium. Figuur 13: De fusiereactie tussen deuterium en tritium.
  • ECOreizen 37 Deuterium komt op aarde in de natuur voor. Zo'n 0,015% van alle waterstof op aarde is deuterium; een liter water bevat 33 milligram. Dat maakt deuterium zeer overvloedig beschikbaar: de hoeveelheid deuterium in de wereldzeeën wordt geschat op 4,6*1013 ton. Deuterium kan worden gewonnen via elektrolyse van water. Tritium komt niet in de natuur voor, maar het kan eenvoudig worden gemaakt door het element lithium-6 met neutronen te bestralen. Het radioactieve tritium wordt dus in de fusiecentrale gemaakt, en wordt daarna onmiddellijk als brandstof verbruikt. Lithium is een metaal dat overvloedig beschikbaar is, en onder andere wordt gebruikt in de bekende lithiumbatterijen en in antidepressiva- medicijnen. De bekende voorraden bedragen ongeveer 15 miljoen ton in erts, en 200 miljard ton opgelost in zeewater. Wanneer uit dit lithium tritium wordt gemaakt, ontstaat er voldoende tritium om voor 12 miljoen jaar het gehele wereldenergiegebruik te kunnen dekken op het niveau van het jaar 2002. De hoeveelheid benodigde energie om lithium te winnen is verwaarloosbaar ten opzichte van de energie die vrijkomt in de fusiereactie. Helaas zijn fusiereactoren op dit moment nog niet beschikbaar. Met behulp van een model is uitgerekend hoe de energievoorziening er in Nederland uitziet in het jaar 2100. Kernfusie neemt dan al en belangrijke plaats in. Bron: http://www.fusie-energie.nl/
  • 4. Rekenen met atomen
  • ECOreizen 39 “Voordat het mogelijk is om met bijvoorbeeld een vliegtuig te reizen moet er veel gerekend worden. Hoeveel brandstof kan je meenemen om ver te komen zonder dat het gewicht te groot wordt. Rekenen in de chemie is ook op talloze andere gebieden van groot belang.” 4.1 Inleiding We hebben in hoofdstuk 2 en 3 naar stoffen gekeken. Welke stoffen verantwoordelijk zijn voor het broeikaseffect en welke stoffen duurzaam zijn. Om echter te kunnen berekenen hoeveel eikenbomen je straks moet planten om je koolstofdioxide uitstoot van jouw reis te compenseren, moet je kunnen rekenen aan scheikundige reacties. We moeten dus van het niveau van een hoeveelheid stof ( het macroniveau) naar de kleinste deeltjes van de stof (het microniveau). Het macroniveau is dus waarneembaar en het microniveau niet. macro micro Figuur 1: van macro naar micro Om chemische reacties te begrijpen moet je je iets kunnen voorstellen bij moleculen en atomen. In klas 3 heb je al kennis gemaakt met moleculen en atomen. Stoffen hebben ook verschillende eigenschappen omdat de interacties tussen de deeltjes, waaruit een stof bestaat, kunnen verschillen. Het zou handig zijn om stoffen in groepen met overeenkomstige eigenschappen te kunnen indelen.
  • ECOreizen 40 Over atomen, moleculen, de indeling van stoffen in groepen en rekenen aan chemische reacties gaan de volgende paragrafen. 4.2 Periodiek Systeem In deze eeuw weten we al heel veel van atomen, maar hoe heeft zich dat in de loop der eeuwen ontwikkeld. Het oudst bekende idee over atomen kwam van de Griekse filosoof en wetenschapper Democritus. Hij leefde van 460 tot 370 voor Christus en hij dacht dat de wereld was samengesteld uit hele kleine deeltjes, die niet meer kleiner konden worden gemaakt. Democritus noemde deze deeltjes “ atomoz” of atomen en hij dacht dat tussen deze kleine onzichtbare deeltjes lege ruimtes zaten. Het verschil in eigenschappen van stoffen verklaarde hij door het verschil in grootte van de deeltjes en het verschil in de ruimtes Figuur 2: Democritus tussen de deeltjes. Na de dood van Democritus werd zijn theorie verworpen door de grote filosoof Aristoteles (384-322 BC). Aristoteles dacht dat de aarde was samengesteld uit materie die gemaakt was van de vier elementen: aarde, lucht, vuur en water. En hij verklaarde het verschil in eigenschappen van stoffen uit het verschil in afmeting, vorm en kwaliteit waarin de vier elementen in een stof voorkwamen. Het idee van Aristoteles heeft lang stand gehouden maar uiteindelijk zijn de wetenschappers weer terug gegaan naar het idee van de atomen. Figuur 3: Aristoteles en zijn voorstelling van de vier elementen aarde, vuur, lucht en water.
  • ECOreizen 41 Het atoom is opnieuw geïntroduceerd door John Dalton in 1808. Hij beweerde dat alle stoffen waren samengesteld uit kleine deeltjes, de atomen, die varieerden in grootte en gewicht. Een element is een deeltje dat maar uit een soort atomen bestaat en de atomen van het ene element zijn verschillend van de atomen van een ander element. Door de eigenschappen van de verschillende elementen te bestuderen probeerden scheikundigen in de negentiende eeuw om de elementen in een systeem te rangschikken. Het was de Rus Dimitri Mendelejef die de toen bekende elementen rangschikte naar opklimmende atoommassa. Bovendien Figuur 4: Dimitri Mendelejef heeft hij elementen die chemisch op elkaar lijken onder elkaar gezet. De tabel die zo ontstond is de basis geweest voor wat wij nu kennen als Het Periodiek Systeem der Elementen. In figuur 5 staat het huidige Periodiek Systeem weergegeven. De horizontale regels worden perioden genoemd en de verticale kolommen groepen. Om het systeem niet al te breed te laten zijn, zijn van de perioden 6 en 7 een aantal elementen onder het systeem gezet. Figuur 5: het Periodiek Systeem
  • ECOreizen 42 Vragen 1. Bekijk het beeldfragment over het periodiek Systeem met onderstaande URL http://www.schooltv.nl/beeldbank/clip/ 20090623_periodieksysteem01 Vraag je docent naar de video over het Periodiek Systeem. 2. Bekijk op onderstaande Engelstalige sites het Periodiek Systeem. Zoek 5 verschillende elementen op en noteer de gegevens van deze elementen. http://www.ptable.com/?lang=nl http://www.webelements.com/ 3. Hoeveel groepen zijn er in het periodiek Systeem en hoeveel perioden? Alkalimetaal De term alkalimetaal komt van 4. Geef de namen van de alkalimetalen. het Arabische woord al kalja voor potas. Potas is de oude 5. In klas 3 heb je de formules geleerd van de halogenen. Geef nog eens benaming voor kaliumcarbonaat, dat gewonnen werd uit houtas de formules van de stoffen die tot de halogenen behoren. (potas). Door uit potas kaliumhydroxide te bereiden en 6. Mendelejef begon met het rangschikken van de elementen naar dit kaliumhydroxide te opklimmende atoommassa, maar dat bleek uiteindelijk niet overal te elektrolyseren, werd in 1807 kloppen. voor het eerst het element a. Geef met behulp van Binas tabel 99 een voorbeeld waaruit blijkt kalium verkregen. Een verwijzing hiernaar vindt men in dat dit niet in alle gevallen klopt. het Engels en Frans waarin b. Waarop berust de uiteindelijke rangschikking dan wel? kalium potassium wordt genoemd. 7. Voor het oefenen met het Periodiek Systeem kun je ook naar de volgende site gaan http://v1.chemieoveral.epn.nl/ ga naar “de bouw van stoffen” en dan naar onderdeel 1.3 Het Periodiek Systeem Op de volgende site vind je een profielwerkstuk over Mendelejef http://home.wanadoo.nl/crep/ 4.3 Bouw van het atoom en atoommassa Door onderzoek in de vorige eeuw heeft men vastgesteld dat een atoom is opgebouwd uit een positief geladen kern, opgebouwd uit protonen en neutronen, en een wolk van negatief geladen elektronen die rond de kern bewegen. De positieve lading van een proton, 1+, is even groot als de negatieve lading van een elektron, 1–. De lading van een neutron is 0. Figuur 6: model van een atoom Het aantal protonen (positieve deeltjes in de kern) is gelijk aan het aantal elektronen (negatieve deeltjes rond de kern)
  • ECOreizen 43 Iedere atoomsoort wordt gekenmerkt door een atoomnummer. Het atoomnummer van een element is het rangnummer van het element in het periodiek systeem. Het atoomnummer geeft het aantal protonen in de kern aan en het aantal elektronen rond de kern. Het massagetal geeft de massa aan van het atoom. De massa van een proton en een neutron is vrijwel gelijk namelijk 1 u. Het symbool u staat voor de atomaire massa-eenheid, 1 u = 1,66*10 –27 kg = 1,66*10-24 g (Binas tabel 7). Aangezien de elektronen een verwaarloosbare massa (9,22*10 –31 kg) hebben, is de atoommassa dus de som van de massa van de kerndeeltjes (protonen + neutronen). Bijvoorbeeld: Helium heeft atoomnummer 2. Dit betekent dus dat He 2 protonen in de kern heeft. Het betekent ook dat He 2 elektronen rond de kern heeft. Het massagetal van He = 4,00 Dit betekent dat de kern 4 deeltjes bevat. Aangezien het atoomnummer reeds aangeeft dat er 2 protonen in de kern zitten, moeten er ook nog 4 – 2 = 2 neutronen zijn. Figuur 7: vergelijking van de massa’s van een proton, een De notatie van een atoom neutron en elektronen Teneinde deze gegevens per atoom weer te geven kun je als volgt te werk gaan: voor het symbool van het element noteer je bovenaan het massagetal en onderaan het atoomnummer. bijv. voor Helium wordt dit dan Figuur 8: atoomnotatie Helium en voor Titanium wordt dit dan Figuur 9: atoomnotatie Titaan
  • ECOreizen 44 Isotopen Een bepaald element heeft een bepaald aantal protonen in de kern. Dit is voor ieder element onveranderlijk. Als je het aantal protonen verandert krijg je een ander element, maar het aantal neutronen kan wel verschillen. Dus de atomen van een bepaald element hebben altijd hetzelfde atoomnummer, maar het massagetal, dat de som is van het aantal protonen en neutronen, kan wel verschillen. Atomen met een gelijk atoomnummer en met verschillend massagetal worden isotopen genoemd. Isotopen zijn hebben dezelfde chemische eigenschappen, maar verschillende fysische eigenschappen. Voorbeelden: Helium komt voor in de vorm van 2 isotopen: He met massagetal 3 (2 protonen + 1 neutron) en Helium met massagetal 4 (2p + 2n). Figuur 10: Heliumisotopen Een andere notatie voor deze twee heliumisotopen is He-3 en He-4. Vragen 8. Leg uit hoeveel neutronen er in de volgende atomen zitten: a. 31 15 P, 56 Fe , Zn-64 26 9. Een atoomsoort heeft atoomnummer 16 en massagetal 32. Een werknemer van IBM, Don a. Hoeveel protonen, neutronen en elektronen bevat een atoom van Eigner, heeft op een dun dit element? plaatje koper 48 ijzeratomen in b. Hoe groot is de massa van dit atoom? een kring geplaatst. c. Om welk element gaat het? De diameter van deze kring is 14 nanometer, dit is 14*10 -9 10. Om te oefenen met atoomnummers en massagetal ga je naar meter of uitgeschreven 0,000000014 meter www.curie-online.nl. Kies daar leerling. Daarna VWO1, onderdeel 3 atoombouw en periodiek systeem. Doe 5 oefeningen. 11. Van chloor komen in de natuur 2 isotopen voor. Bereken met behulp van tabel 25 wat de gemiddelde atoommassa van chloor is.
  • ECOreizen 45 12. Om te oefenen met atoombouw kun je gebruik maken van de Engelstalige site: http://www.learner.org/interactives/periodic/basics_interactive.html Doe 10 oefeningen op deze site en noteer je score. 13. Bij onderzoek naar afwijkingen in de werking van de schildklier wordt I- 131 gebruikt. Deze atoomsoort zendt daarbij β-straling uit. Bij β-straling splitst in de kern van het joodatoom één neutron zich in een proton en Kernenergie mag dan een elektron. Het ontstane proton blijft in de kern en het elektron niet. onderwerp van veel debat zijn, a. Wat gebeurt er met het atoomnummer als β-straling optreedt? er is één kernreactor die buiten b. Wat gebeurt met het massagetal als β-straling optreedt? Als in een die discussie blijft: de nieuw te I-131 atoom één neutron splitst, ontstaat een nieuw atoom. bouwen Pallas Reactor. Deze reactor moet, met steun van het c. Geef van het atoom dat ontstaat het elementsymbool, het kabinet, de 50 jaar oude Hoge atoomnummer en het massagetal. Flux Reactor gaan vervangen. De reden is begrijpelijk: de Pallas Reactor gaat zogeheten medische isotopen produceren, Wat je nu moet weten stoffen zoals I-131, die in • De opbouw van het Periodiek Systeem ziekenhuizen veelvuldig worden • Waar staan de metalen en waar de niet-metalen. gebruikt voor de diagnose van • Waar staan de halogenen kanker en hartziekten. Aan medische isotopen bestaat een • Waar staan de edelgassen acuut wereldwijd tekort. Onlangs bleek weer dat • De bouw van het atoom patiënten om die reden niet • Met behulp van het atoomnummer en het massagetal de bouw kunnen worden geholpen. van het atoom beschrijven • Kunnen toelichten wat isotopen zijn Bron: vpro/argos/22 mei 2010 4.4 Een indeling van stoffen Als je stoffen wilt indelen in groepen kun je bijvoorbeeld gebruik maken van het elektrisch geleidingsvermogen van een stof. Met behulp van een stroombron en twee elektroden leidt je stroom door stoffen en kijkt dan of ze wel of niet geleiden. Je onderzoekt daarbij zowel de vaste fase als de vloeibare fase van een stof. Hieronder staat een tabel waarin de resultaten van zo’n onderzoek vermeld staan. De tabel is maar gedeeltelijk ingevuld. Met behulp van het onderstaande experiment ga je de tabel verder invullen. Demonstratieproef 1 : Welke stoffen geleiden elektrische stroom? 1. We gaan van een aantal vaste stoffen onderzoeken of deze de elektrische stroom geleiden: keukenzout, kaarsvet, zink, zwavel, koper en suiker. 2. We bepalen nu het geleidingsvermogen van kwik. Figuur 11: Opstelling voor 3. We smelten kaarsvet en zwavel en bepalen het geleidingsvermogen. demoproef 1.4 4. We smelten zinkchloride in een hardglazen buis en onderzoeken of dit stroom geleidt. Gebruik de resultaten van deze proef om de tabel verder in te vullen.
  • ECOreizen 46 Tabel 1: elektrisch geleidingsvermogen van een aantal stoffen Elektrisch geleidingsvermogen Naam Formule Vaste fase Vloeibare fase keukenzout NaCl + natriumnitraat NaNO3 – + kaarsvet C18H36O2 zink Zn + zwavel S koper Cu + zinkchloride ZnCl2 – suiker C12H22O11 – kwik Hg + Als je kijkt naar de resultaten in tabel 1 dan kun je de stoffen verdelen in drie groepen: Glucose, C6 H12O6 , een • Groep 1: stoffen die in vaste en in vloeibare toestand de elektrische moleculaire stof. stroom niet geleiden. • Groep 2: stoffen die in vaste en in vloeibare toestand de elektrische stroom geleiden. • Groep 3: stoffen die in vaste toestand de elektrische stroom niet geleiden, maar in vloeibare toestand wel. Als we nu gaan kijken naar de formules van de stoffen die in de drie groepen horen die we net samengesteld hebben dan zien we het volgende: IJzer, Fe, een metaal. • In groep 1 hebben de formules uitsluiten symbolen van niet-metalen. • In groep 2 staan alleen symbolen van metalen. • In groep 3 staan formules waarin symbolen van niet-metalen en van metalen voorkomen Op grond van deze waarnemingen delen we in het vervolg de stoffen in drie groepen in namelijk: 1. Moleculaire stoffen Deze stoffen zijn opgebouwd uit niet-metaalatomen. Moleculaire stoffen bestaan uit moleculen. Een molecuul is dus een groep niet- metaalatomen die bij elkaar horen. 2. Metalen Deze stoffen zijn alleen opgebouwd uit metaalatomen. Calciumcarbonaat, CaCO3, een 3. Zouten zout. De zouten zijn opgebouwd uit metaalatomen en niet-metaalatomen. Figuur 12: voorbeelden van stoffen uit de verschillende Elektrische stroom beschouwen we als een transport van geladen deeltjes. groepen. Indien er stroomgeleiding plaats vindt, moeten er in de stof dus geladen
  • ECOreizen 47 deeltjes aanwezig zijn en deze deeltjes moeten ook vrij kunnen bewegen. Als we dit toepassen op de drie groepen van stoffen betekent dat het volgende: • moleculaire stoffen bestaan in vaste en vloeibare fase uit ongeladen deeltjes. • metalen bestaan uit geladen deeltjes die in de vaste en in de vloeibare fase voldoende bewegingsvrijheid hebben om de elektrische stroom te geleiden. • zouten bestaan uit geladen deeltjes die in de vaste fase geen bewegingsvrijheid hebben, maar in de vloeibare fase wel. Vragen 14. Geef van onderstaande stoffen aan of ze de stroom zullen geleiden. Licht je antwoord toe. a. een druppeltje paraffine olie (C24H50) b. een stukje tin (Sn) c. een druppel zuiver water (H2O) d. een stukje krijt (CaCO3) e. een stukje lood (Pb) f. een kristal kopersulfaat (CuSO4) 15. Brons is een legering. Een legering is een mengsel van twee of meer metalen. a. Zoek op uit welke twee metalen brons bestaat. b. Zal brons ook de elektrische stroom geleiden? Zo ja, in welke fase. 4.5 Soorten bindingen Als we de stroomgeleiding uit de vorige paragraaf willen verklaren zullen we moeten kijken naar de bindingen tussen de atomen in de verschillende stoffen. Om ons een voorstelling te kunnen maken van die bindingen maken we gebruik van een atoommodel. In klas 3 is het atoommodel van Rutherford besproken. Volgens dit model is een atoom opgebouwd uit een positieve kern en rond de kern bevinden zich, op relatief grote afstand, de elektronen. Figuur 13: Atoommodel van Met het atoommodel van Rutherford kunnen we echter geen verklaring Rutherford. Een kern en in geven voor het verschil in stroomgeleiding. Om dat te kunnen verklaren willekeurige banen elektronen rond de kern moeten we naar een uitgebreider atoommodel, het atoommodel van Bohr.
  • ECOreizen 48 Atoommodel van Bohr Niels Bohr was een Deense natuurwetenschapper, die zich heeft beziggehouden met de bouw van de elektronenwolk. Aan het begin van de vorige eeuw ontwikkelde hij zijn atoommodel, waarbij het atoom wordt voorgesteld als een soort zonnestelsel, waarin de elektronen cirkelvormige en elliptische banen rond de kern doorlopen. Er is slechts een beperkt aantal banen (Bohr noemde deze banen schillen) waarin de elektronen kunnen bewegen en elke schil kan een bepaald maximum aantal elektronen bevatten. Hiervoor stelde Bohr regels op die hieronder vereenvoudigd zijn weergegeven. Het dichtst bij de kern zit de K-schil, die maximaal 2 elektronen kan bevatten. Iets verder zit de L-schil, die maximaal 8 elektronen kan bevatten. Dan volgt de M-schil met maximaal 18 elektronen en zo verder. Wij beperken ons tot de atoomsoorten, die maximaal 20 elektronen hebben, dus de eerste drie periodes van het Periodiek Systeem. Daarboven worden de regels ingewikkelder. Bohr kreeg voor zijn theorie in 1922 de Nobelprijs voor natuurkunde. De bouw van de elektronenwolk, de elektronenconfiguratie, wordt gevonden door de elektronen zo dicht mogelijk bij de kern te plaatsen, waarbij het maximum aantal elektronen in een schil niet mag worden overschreden. Stofeigenschappen kan je nu verklaren door dit schillen model toe te passen op de atomen waaruit de stof is opgebouwd. De waarneembare Figuur 14: het atoommodel van Bohr eigenschappen van een stof (het macroniveau) worden dus bepaald door de bouw van de kleinste deeltjes van die stof (het microniveau). De atomen in één periode van het Periodiek Systeem hebben hun buitenste elektronen in dezelfde schil. De edelgassen zijn in dit opzicht bijzonder, ze hebben in hun buitenste schil precies 8 elektronen (He heeft er twee, de schil is dan vol). Bij sommige chemische reacties is het mogelijk dat atomen hun elektronen uit de buitenste schil verliezen, terwijl andere atomen er elektronen bij krijgen. De atomen kunnen hun buitenste schil “volmaken” of “leegmaken”. Daarbij bereikt het atoom een elektronenverdeling, die je ook aantreft bij de edelgassen. Dit is een heel stabiele situatie, we noemen dit de edelgasconfiguratie. Met behulp van dit model gaan we nu kijken naar de bindingen tussen de atomen in de drie groepen stoffen (zie § 4.4).
  • ECOreizen 49 4.5.1 De metalen Metalen geleiden de elektrische stroom zowel in vaste als in vloeibare toestand. Figuur 15: stroomgeleiding in een metaal De spanningsbron kun je je voorstellen als een elektronenpomp. Aan de ene kant van het metaal worden voortdurend vrij bewegende elektronen in het metaal gepompt, terwijl de pomp aan de andere kant weer elektronen aanzuigt. Metalen moeten dus een structuur hebben, waarin de elektronen vrij kunnen bewegen. Metaalatomen hebben volgens het atoommodel van Bohr weinig elektronen in de buitenste schil. Deze elektronen worden bovendien niet erg stevig vastgehouden, omdat ze ver van de kern verwijderd zijn. Je kunt de binding tussen de metaalatomen dan ook als volgt omschrijven: De metaalatomen zijn in de vaste stof netjes gerangschikt in een metaalrooster. Deze metaalatomen zijn daarbij elektronen uit de buitenste schil kwijt geraakt, zodat er positief geladen metaalatomen overblijven. Figuur 16: een metaal met vrije elektronen De elektronen, die vrij door het metaalrooster kunnen bewegen houden de positief geladen metaalatomen bijeen: de metaalbinding. De metaalbinding is een sterke binding, metalen hebben dan ook een hoog smelt- en kookpunt. Vragen 16. De bovenleiding van spoorwegen is van koper.
  • ECOreizen 50 a. Welke eigenschap van koper maakt dit metaal geschikt om bovenleidingen van te maken? b. Leg uit welke deeltjes in koper verantwoordelijk zijn voor deze eigenschap. 17. Zink wordt al eeuwenlang gebruikt. In Palestina en het vroegere Transsylvanië zijn objecten gevonden die tot 87% zink bevatten en dateren uit 1400 v.Chr. Rond het jaar 1000 was men in India al in staat zink te smelten en gedeeltelijk te zuiveren. a. Leg uit wat er met de metaalbinding gebeurt tijdens het smelten van zink. b. Leg uit wat er met de zinkatomen gebeurt. Figuur 17: zink 4.5.2 De moleculaire stoffen Moleculaire stoffen hebben een heel ander type binding dan metalen. Ze geleiden zowel in vaste als in vloeibare toestand geen elektrische stroom. Er zijn dus geen vrije elektronen aanwezig. In vaste toestand zitten de moleculen netjes gerangschikt in een molecuulrooster. In zo’n molecuulrooster heb je te maken met twee soorten bindingen: 1. De bindingen tussen de moleculen onderling: de vanderwaalsbinding. Dit is een zwakke binding die gemakkelijk verbroken kan worden. Bij het verbreken van de binding blijven de moleculen intact. De sterkte van de binding hangt vooral af van de grootte van het molecuul: moleculen met een grotere massa hebben een sterkere vanderwaalsbinding dan moleculen met een kleinere massa. 2. De binding tussen de atomen in de moleculen: de atoombinding. Dit is juist een sterke binding, het kost veel moeite deze te verbreken. Hoe moeten we ons deze binding tussen de atomen in een molecuul voorstellen? We kunnen hiervoor het atoommodel van Bohr gebruiken. De atoombinding Een atoombinding ontstaat als atomen één of meer elektronen met elkaar delen. Dat doen ze om de edelgasconfiguratie te bereiken. Als de buitenste schil van een atoom nog niet vol met elektronen zit, "deelt" deze soms een elektron met een ander atoom om daarmee de buitenste schil een edelgasconfiguratie te geven. Het zuurstofatoom in figuur 18 heeft in zijn buitenste schil 6 elektronen, maar er kunnen volgens het atoommodel van Bohr 8 elektronen in deze schil. Figuur 18: zuurstofatoom O (8 protonen en 8 elektronen) H2 is het eenvoudigste molecuul dat bestaat. Het is immers opgebouwd uit de kleinste atoomsoort, waterstof H. Het atoomnummer van H is 1. Dit betekent dat een waterstofatoom uit een proton en een elektron bestaat.
  • ECOreizen 51 Waterstofgas, H2 (g), bestaat uit 2 atomen waterstof die aan elkaar gebonden zijn. Elk waterstofatoom "deelt" een elektron met een ander waterstofatoom. Beide atomen bezitten door dit delen 2 elektronen in de K-schil en hebben op dat moment de edelgasconfiguratie. Het molecuul H2 is elektrisch neutraal, er zijn immers 2 protonen en twee elektronen. De twee gedeelde elektronen houden de kernen bij elkaar, dit noemen we een gemeenschappelijk elektronenpaar. Figuur 19: een model van een waterstofmolecuul met een gemeenschappelijk elektronenpaar We geven een gemeenschappelijk elektronenpaar aan met een streepje. We kunnen het waterstofmolecuul in een zogenaamde structuurformule als volgt weergeven: H – H. Twee of meer atomen die een of meer elektronen met elkaar delen, hebben een binding gevormd en zo is er een molecuul gevormd. Een atoombinding komt dus tot stand door vorming van één of meerdere gemeenschappelijke elektronenparen. Covalentie. De molecuulformule voor water is H2O. Het waterstofatoom (H) heeft een elektron in de buitenste schil en wil dit delen om de K-schil helemaal te vullen. Een waterstofatoom heeft een elektron beschikbaar voor een binding. Het zuurstofatoom (O) heeft 6 elektronen in de buitenste schil en wil er twee delen om de buitenste schil (L-schil) tot 8 te vullen. Een zuurstofatoom heeft twee elektronen beschikbaar om te delen en kan dus twee gemeenschappelijke elektronenparen vormen. Het aantal elektronen dat een atoom beschikbaar heeft voor de atoombinding noemen we de covalentie van een atoom. De covalentie van een waterstofatoom is 1, de covalentie van een zuurstofatoom is 2. De covalentie van een atoom is gelijk aan het maximum aantal elektronen dat een atoom kan delen. Om de covalentie te bepalen, bepaal je het aantal elektronen dat er te weinig is ten opzichte van de dichtstbijzijnde edelgasconfiguratie. Dit aantal is af te leiden uit de plaats van het atoom in het Periodiek Systeem.
  • ECOreizen 52 Figuur 20: waterstofatoom H en een zuurstofatoom O Een zuurstofatoom (O) kan een binding vormen met twee waterstofatomen (H) en zo een watermolecuul (H2O) vormen. Figuur 21: de vorming van een molecuul water De structuurformule van H2O is: Vragen 18. In onderstaand schema staan een aantal stoffen. Stoffen Formule Atoombinding Vanderwaals- binding waterstof (g) ijzer (s) jood (s) koperchloride (s) CuCl2 alcohol (l) C2H5OH a. Schrijf de ontbrekende formules van de moleculen van de stoffen in het schema. b. Geef in het schema aan of in de moleculen van deze stoffen atoombindingen en/of vanderwaalsbindingen voorkomen. c. Leg uit waarom je het schema op jouw manier hebt ingevuld.
  • ECOreizen ECOre 53 19. Bij schrikdraad krijg je een schok als je de draad aanraakt. De ijg elektriciteitsdraden in huis zijn omgeven door een plastic laagje. Je krijgt geen schok als je deze vast pakt. Leg uit tot welke groep van stoffen het plastic behoort. 20. Waterstofchloride is een chemische verbinding met de molecuulformule: erbinding HCl. HCl werd in de tijd van de alchemie ook wel geest van zout (esprit de sel) genoemd, omdat het in zuivere vorm een gas is dat ontwijkt wanneer geconcentreerd zwavelzuur over keukenzout wordt geschonken. Gassen werden in de alchemie vaker als geest beschreven, n zoals bijvoorbeeld spiritus. Het woord spiritus komt uit het Latijn en betekent geest. HCl is bij kamertemperatuur een gas. a. Tot welke groep van stoffen behoort waterstofchloride. Figuur 22: een molecuul b. Welke bindingen komen voor in de moleculen van de stof n waterstofchloride waterstofchloride. c. Hoeveel elektronen hebben waterstof en chloor beschikbaar voor de atoombinding d. Teken de structuurformule van waterstofchloride. 21. a. Geef van de onderstaande atomen aan wat de covalenties zijn zijn. Atoomsoort Covalentie H, F, Cl, Br, I O, S N, P C, Si b. Leg uit hoe je aan je antwoorden bent gekomen. c. Wat zal de covalentie van seleen (Se) zijn? d. Seleen kan reageren met waterstof. Leg uit wat de molecuulformule zal zijn van de moleculen van d stof, die dan de ontstaat. e. Teken de structuurformule van een molecuul van deze stof. 22. De stof ammoniak, NH3, is bij kamertemperatuur een kleurloos gas met een zeer scherpe geur. Het gas is sterk irriterend/ r. irriterend/corrosief voor de huid, de ogen en de luchtwegen en heeft giftige eigenschappen. Ammoniak egen wordt gebruikt in koelinstallaties van bijvoorbeeld grote veilingen en ijsbanen. a. Leid uit de formule van ammoniak af wat de covalentie is van stikstof. b. Teken de structuurformule van ammoniak. Figuur 23: veiligheids- c. Welke bindingen zijn er in ammoniak in de gasfase en in de pictogrammen van vloeibare fase? ammoniak
  • ECOreizen ECOre 54 23. Geef de structuurformules van de hieronder staande stoffen. Leid de covalenties af met behulp van Binas tabel 99. a. Propaan, C3H8 b. Alcohol, C2H5OH c. Zuurstof, O2 Bij zuurstof moet er tussen de twee atomen twee bindingen getekend worden om aan de covalentie te voldoen. Men noemt dit een dubbele atoombinding of gewoon een dubbele binding. 24. Etheen is een stof die in planten voorkomt. In planten heeft etheen verschillende effecten. Een ervan is dat etheen wordt geproduceerd door sommige rijpende vruchten, zoals bijvoorbeeld bananen, appels en tomaten. Doordat bananen van nature al veel etheen afscheiden, werden ze vroeger in fruitkoelhuizen gebruikt om het rijpingsproces van andere vruchten te versnellen. Als je thuis bananen en peren op een fruitschaal legt worden de peren Figuur 24: een molecuul etheen veel sneller rijp, wat niet altijd de bedoeling is. De formule van etheen is C2H4. a. Teken de structuurformule van etheen. b. Leg uit hoe je tot deze structuurformule bent gekomen ormule 25. Hieronder staan een aantal structuurformules. Deze zijn niet volledig, de atoombindingen zijn niet aangegeven. Teken het juiste aantal atoombindingen op de juiste plaats. Formaldehyde Glycine Koolstofdisulfide 4.5.3 De zouten 5.3 In vaste toestand geleiden de zouten geen elektrische stroom, zouten bevatten in vaste toestand dus geen vrij bewegende geladen deeltjes. In gesmolten toestand geleiden zouten wel. Soms kan een atoom een elektron afstaan of opnemen. Natriu en chloor Natrium zijn daar voorbeelden van. Het natriumatoom heeft één elektron in zijn buitenste schil en wil er dus één afstaan om zo de gewenste edelgasconfiguratie te verkrijgen. Daartegenover wil het chloor atoom er een opnemen, het bezit immers 7 elektronen in zijn buitenste schil. elektronen
  • ECOreizen 55 Figuur 25: een Na atoom en een Cl atoom Als een atoom een elektron, dat negatief is, verliest krijgt het hele atoom een positieve lading. Andersom krijgt een atoom dat een extra elektron opneemt een negatieve lading. Figuur 26: natriumatoom staat een elektron af aan het chlooratoom, er ontstaat de stof natriumchloride Ionen zijn atomen die niet elektrisch neutraal zijn, maar positief of negatief geladen zijn. Deze ionen kunnen zich vrij in de vloeistof bewegen. Een positief geladen atoom noemen we een positief ion, een negatief geladen atoom noemen we een negatief ion. Figuur 27: een natriumion met een 1+ lading en een chloride-ion met een 1- lading
  • ECOreizen ECOre 56 Het aantal elektronen dat een atoom kan opnemen of afstaan noemen we de elektrovalentie. Voor de elektrovalentie geldt, net als bij de covalentie, dat een atoom streeft naar een edelgasconfiguratie. De ionen zijn in de vaste stof netjes gerangschikt in een ionrooster. Zouten hebben een hoog smeltpunt, dit wijst e erop dat de ionbinding een sterke binding is. Zoutformules zijn verhoudingsformules, ze geven de kleinste verhouding aan waarin de ionen in het ionrooster voorkomen. Bijvoorbeeld: NaCl : verhouding Na+ : Cl¯ = 1 : 1 CaCl2 : verhouding Ca2+ : Cl¯ = 1 : 2 Figuur 28: vorming van een ionrooster van natriumionen en chloride 28: chloride-ionen Vragen 26. Hiernaast staat een model van het ionrooster van natriumjodide. a. Leg uit welk bolletje het natriumion is en welk het jodide jodide-ion is. b. Hoeveel elektronen bevat het natriumion en hoeveel elektronen atriumion bevat het jodide-ion? c. Geef de notatie voor het jodide-ion. d. Zoek in Binas tabel 42A het smeltpunt op van kaliumjodide en leg uit waarom de stof een hoog smeltpunt heeft. Figuur 29: model van het e. Leg uit waarom kaliumjodide in de vaste fase de elektrische stroom ionrooster van natriumjodide niet geleidt en in de vloeibare fase wel. 27. Het ionrooster van calciumoxide is opgebouwd uit calciumionen en zuurstofionen. De zuurstofionen worden oxide-ionen genoemd. ionen a. Leid met behulp van Binas tabel 99 af wat de lading van het calciumion is en wat de lading van het oxide alciumion oxide-ion is. b. Leg uit wat de verhoudingsformule van calciumoxide is? 28. Tin hoort bij de metalen, is bij kamertemperatuur een vaste stof en heeft een relatief laag smeltpunt namelijk 505 K. We gaan tin smelten. a. Leg uit op welke manier het metaal tin de stroom kan geleiden. Figuur 30: model van het b. Wat gebeurt er met de tinatomen tijdens het smelten? ionrooster van calciumoxide c. Leg uit wat er met de metaalbinding gebeurt tijdens het smelten.
  • ECOreizen 57 d. Leg uit of je, uit het feit dat tin vast is bij kamertemperatuur, kunt afleiden dat de metaalbinding in tin een sterke binding moet zijn. Tinchloride is een stof die in vaste vorm geen stroom geleidt. In gesmolten toestand geleidt tinchloride de stroom wel. e. Tot welke groep stoffen zal tinchloride horen? 29. Als calcium en zuurstof met elkaar in contact komen, treedt de volgende Calciumoxide, de oude naam reactie op: is ongebluste kalk, is een wit poeder en het wordt gemaakt 2 Ca (s) + O2 (g) → 2 CaO (s) door het element calcium te laten regeren met zuurstof of door de thermolyse van a. Geef de naam van de stof die ontstaat. calciumcarbonaat (CaCO3), b. Geef voor iedere stof precies aan welke bindingen bij deze reactie waarbij CaO + CO2. ontstaat.. worden verbroken of gevormd. Dit laatste proces was al in de De eigenschappen van de stoffen die bij deze reactie zijn betrokken Romeinse tijd bekend en uit die zijn heel verschillend. tijd dateren de eerste kalk- c. Neem onderstaande tabel over en vul hem verder in. ovens (zie figuur) waarin calciumoxide uit schelpen werd gewonnen. Stof Kookpunt Geleiding in geleiding in naam van de Calciumoxide wordt nog steeds vaste toestand gesmolten deeltjes die in grote hoeveelheden toestand stroom geleiden geproduceerd en kent vele Ca 1757 K toepassingen. Calciumoxide wordt O2 90 K bijvoorbeeld toegepast als CaO 3123 K warmteleverancier in militaire gevechtsrantsoenen. Door water aan het calciumoxide toe te voegen, treedt een 30. De stof met formule SOCl2 is een kleurloze vloeistof. De stof lost op in exotherme reactie op waardoor het oplosmiddel benzeen. het rantsoen wordt verwarmd. Het wordt tegenwoordig ook Als je de stof met water mengt, treedt er een reactie op. Hierbij toegepast door ontstaan zwaveldioxide en waterstofchloride (HCl). begrafenisondernemers. Een a. Waarom reken je SOCl2 tot de moleculaire stoffen? overledene wordt in een bad In SOCl2 heeft zuurstof de covalentie 2 en chloor de covalentie 1. van ongebluste kalk In SOCl2 zijn het zuurstofatoom en de chlooratomen direct aan het (calciumoxide) geplaatst. zwavelatoom gebonden. Daardoor lost het lichaam op tot de bouwstenen waaruit het b. Teken de structuurformule van SOCl2 en leid af, dat zwavel in SOCl2 is gemaakt, namelijk water met niet de covalentie kan hebben, die je op grond van de plaats in het aminozuren, kleine peptides, Periodiek Systeem zou verwachten. suikers, zouten, en as dat puur c. Als SOCl2 oplost in benzeen, welke soort binding(en) wordt calciumfosfaat is. Deze as kan (worden) dan verbroken? aan de nabestaanden terug d. Als SOCl2 gemengd wordt met water, welke soort binding(en) wordt gegeven worden. Het water met de bouwstenen wordt (worden) dan verbroken? geloosd om op die manier zijn e. Stel de reactievergelijking op voor de reactie tussen SOCl2 en weg in de natuur weer te water. Lees daarvoor de informatie uit het begin van de opgave vinden. nog eens door.
  • ECOreizen 58 31. Volgens de tekst zijn de atomen in een molecuul N2 zeer sterk aan elkaar gebonden. Dit hangt samen met de covalentie van N atomen. De covalentie van een atoom is het aantal elektronen van dat atoom dat gebruikt kan worden voor atoombindingen. Koken met vloeibare stikstof Stikstof splitsbaar bij lage temperatuur De twee atomen die een stikstofmolecuul vormen, zijn zeer sterk aan elkaar gebonden. Dit is één van de sterkste bindingen in de natuur. Stikstofatomen zijn daardoor niet zo makkelijk beschikbaar voor chemische processen en producten. Verbindingen van stikstof, bijvoorbeeld kunstmest, kunnen momenteel alleen bij hoge druk en hoge temperatuur en met behulp van Koken met vloeibare stikstof katalysatoren worden geproduceerd. In de jaren zestig werd ontdekt wordt ook wel cryogeen koken genoemd. Mega koud en niet dat bacteriën in de grond wel in staat zijn om stikstof uit de lucht af te ongevaarlijk. De vloeibare breken waardoor de atomen bindingen kunnen aangaan met andere stikstof heeft een temperatuur atomen. van - 196 ºC. Wie ermee wil Dertig jaar hebben chemici zonder veel succes geprobeerd de werken, zal moeten beschikken vaardigheid van deze bacteriën in een laboratorium na te bootsen. over een speciale stikstofemmer Onderzoekers zijn er nu in geslaagd de stikstofatomen van elkaar los te ook wel een dewar-vat genoemd. Maar het is wel een weken met behulp van een molybdeenverbinding bij normale spectaculaire methode die het temperaturen en druk. Molybdeen is een metaal dat ook aanwezig is in koksvak een lading nieuwe het enzym dat bacteriën gebruiken om stikstof te ontleden. mogelijkheden bezorgt. De meerwaarde van koken met stikstof laat zich het best a. Geef de covalentie van stikstof en geef aan hoe uit deze covalentie uitleggen aan de hand van een kan worden afgeleid dat de atomen in een molecuul N2 zeer sterk voorbeeld. Neem een mousse . aan elkaar gebonden zijn. Dompel die tien seconden onder In de tekst wordt gesproken over het „ontleden” van stikstof. De in stikstof en je krijgt een krokante buitenkant die een term ontleden is in dit geval onjuist. temperatuur heeft van - 30 ºC. b. Geef aan waarom deze term hier onjuist is. De binnenkant daarentegen is Eén van de producten van de chemische industrie waarbij stikstof een stuk warmer: 7 ºC. Dit als grondstof wordt gebruikt, is kunstmest. Een bepaalde soort veroorzaakt een heel bijzonder kunstmest bevat (NH4)2SO4. Om deze stof te maken wordt eerst mondgevoel. ammoniak (NH3) bereid uit stikstof en waterstof. De tijd dat alleen een select groepje topkoks ermee werkte c. Geef de reactievergelijking van deze ammoniakbereiding. ligt achter ons. Instellingskoks d. Welke soort bindingen komen voor in ammoniakmoleculen? die eens wat anders willen, e. Hoe wordt de binding genoemd tussen de ammoniakmoleculen in kunnen er ook mee scoren. vloeibaar ammoniak? f. Welke soort bindingen komen voor in (NH4)2SO4?
  • ECOreizen 59 Wat je nu moet weten • Hoe je op grond van stroomgeleiding stoffen in drie groepen kunt indelen • Het Atoommodel van Bohr • Metalen • Metaalbinding • Vrije elektronen • Moleculaire stoffen • Vanderwaalsbinding • Atoombinding, gemeenschappelijk elektronenpaar • Covalentie • Hoe je structuurformules moet tekenen • Zouten • Ionbinding • Elektrovalentie • Ionrooster 4.6 Atoommassa en molecuulmassa Zoals in paragraaf 4.2 is besproken, wordt de massa van het atoom bepaald door de massa van de protonen en neutronen. De eenheid is de atomaire massa-eenheid u, 1 u = 1,66*10–27 kg = 1,66*10-24 g (Binas tabel 7). Gemiddelde atoommassa Je zou verwachten, omdat de massa van elektronen te verwaarlozen is, dat de atoommassa’s altijd hele getallen zijn. In Binas tabel 99 zie je echter dat er een heleboel gebroken getallen zijn. De gemiddelde atoommassa die vermeld staat in het Periodiek Systeem (Binas abel 99), is het gewogen gemiddelde van alle in de natuur voorkomende isotopen van een bepaald atoom (voor de isotopen van de elementen zie Binas tabel 25). Broom heeft twee in de natuur voorkomende isotopen: Br met atoommassa 78,91834 u komt voor 50,5% voor in de Figuur 31: natuur en Br met atoommassa 80,91629 u komt voor 49,5% voor in de Binasnotatie van Broom natuur. De gemiddelde atoommassa van Br is: 0,505 x 78,91834 + 0,495 x 80,91629 = 79,90733 De gemiddelde atoommassa van broom is dus 79,90 u (zie BINAS tabel 99) Ionmassa Aangezien de massa van de elektronen te verwaarlozen is ten opzichte van de massa protonen en de neutronen is de massa van het ion gelijk aan de massa van het bijbehorende atoom. De massa van een Na+ ion is dus gelijk aan de massa van een Na atoom, namelijk 22,99 u
  • ECOreizen 60 Molecuulmassa De molecuulmassa is de som van de atoommassa's van de afzonderlijke atomen waaruit het molecuul is opgebouwd. Voor de berekening van de molecuulmassa gebruiken we de gemiddelde atoommassa van de atomen zoals vermeld in Binas tabel 99. De molecuulmassa van H2SO4 is dan 2 x 1,008 + 32,06 + 4 x 16,00 = 98,08 u. Massapercentage Met behulp van de atoommassa en de molecuulmassa kun je het massapercentage van een bepaald element in de stof berekenen. massa deel massapercentage = x 100 % massa geheel Rekenvoorbeeld 1: Bereken het massapercentage waterstof in ethanol, C2H6O. • de massa van 1 waterstofatoom is 1,008 u • in ethanol zitten 6 waterstofatomen, de massa daarvan is 6 x 1,008 = 6,048 u • de molecuulmassa van ethanol is 2 x 12,01 + 6 x 1,008 + 16,00 = 46,07 u • het massapercentage waterstof in ethanol is dan: massa van 6 H  atomen 6,048 u x 100%  x 100%  13,13% massa van 1 molecuul ethanol 46,07 u Rekenvoorbeeld 2: Een koolwaterstof heeft een molecuulmassa van 30,068 u. De verbinding bestaat voor 79,9% van de massa uit koolstof en voor 20,1% uit waterstof. Bepaal de molecuulformule van deze verbinding. • de massa van de C-atomen in een molecuul is 0,799 x 30,068 = 24,02 u, 24,02 • dit komt overeen met  2,00 C  atomen 12,01 • de massa van de H-atomen in een molecuul is 0,201 x 30,068 = 6,04 u, 6,04 dit komt overeen met  6,0 H  atomen 1,008 • de molecuulformule is dus C2H6 Opgaven 32. Leid met behulp van Binas tabel 99 de massa af van: a. het atoom met atoomnummer 13 b. een fluoride-ion c. een tin(II)ion
  • ECOreizen 61 33. Geef van de onderstaande deeltjes de formule en bereken de molecuulmassa a. zuurstof b. methaan c. ammoniak d. sacharose e. calciumcarbonaat, CaCO3 34. Bereken het massapercentage van het element koolstof in glucose (C6H12O6). 35. De plastic polyetheen heeft als formule (C2H4)n Deze plastic heeft een molecuulmassa van 5,0*104 u. Bereken hoe groot n is. 36. Frisdrankflessen worden gemakt van PET. De formule van deze plastic kun je voorstellen als: O O H H C C O C C O H H Figuur 32: PET flessen. n a. Zoek in Binas op wat de afkorting PET betekent. De formule van PET geeft aan dat de eenheid die tussen haakjes staat zeer vaak voor komt. Bloedarmoede (anemie, van Grieks αναιμα, b. Bereken de massa van deze eenheid van PET. bloedloos) is een toestand c. Bereken hoe groot de molecuulmassa van PET is als n = 1000. waarbij er sprake is van d. Bereken het massapercentage zuurstof in PET een te laag gehalte aan hemoglobine (Hb) in het 37. Als je last hebt van bloedarmoede, moet je “staalpillen” slikken. Deze bloed. Hemoglobine is het pillen bevatten een ijzerhoudende stof, vandaar de naam. Een rode, zuurstof- en koolstofdioxide transporte- voorbeeld van zo’n stof is ijzerascorbaat. IJzerascorbaat bevat 24,3 rende eiwit in bloed, dat massaprocent ijzer, 31,3 massaprocent koolstof, 2,6 massaprocent zich bevindt in de rode waterstof en 41,8 massaprocent zuurstof. De massa van een deeltje bloedcellen. Bloedarmoe- ijzerascorbaat is 229,8 u. Bepaal de formule van ijzerascorbaat. de is dus niet het hebben van "te weinig" bloed, zoals wel eens gedacht wordt. Wat je nu moet weten Hemoglobine bevat ijzer, • Wat we verstaan onder gemiddelde atoommassa. en een tekort aan ijzer leidt dan ook tot • Met een bekende molecuulformule molecuulmassa’s berekenen. bloedarmoede. • Het massapercentage berekenen van atomen in een verbinding. • Uit gegeven massapercentages de verhoudingsformule berekenen van een ontleedbare stof.
  • ECOreizen 62 4.7 De mol Als in de chemische industrie producten worden gemaakt is het van belang om de beginstoffen in de juiste verhouding bij elkaar te doen. Het is de bedoeling dat de beginstoffen volledig met elkaar reageren en dat er geen beginstoffen overblijven. Als we naar de vorming van ammoniak uit de niet-ontleedbare stoffen kijken: 3 H2 (g) + N2 (g) → 2 NH3 (g) dan kunnen we aan de reactievergelijking zien in welke verhouding de deeltjes met elkaar reageren, maar het is natuurlijk niet mogelijk om moleculen af te wegen. Bij de productie van ammoniak hebben we het echter over enorme aantallen moleculen. Chemici hebben daarom een nieuwe grootheid afgesproken: namelijk de hoeveelheid stof, (symbool = n). De eenheid die daarbij hoort, is mol. Deze nieuwe grootheid is ingevoerd omdat het gemakkelijk is om een hoeveelheid stof uit te drukken in een eenheid, waaraan je onmiddellijk kunt zien hoeveel deeltjes erin zitten. Afgesproken is dat 1 mol stof 6,02*1023 deeltjes bevat. We noemen dit getal de constante van Avogadro, Na . Maar waarom is er voor zo’n vreemd getal gekozen? Daarvoor moeten we even terug naar de atomaire massa-eenheid: Figuur 33: cartoon van de mol 1 u = 1,66*10-24 g. We kunnen ons ook afvragen hoeveel u zit er in 1 gram: 1 1g   6,02  10 u 23 1,66  10 24 Het getal 6,02*1023 is dus de omrekeningsfactor van de massa-eenheid gram naar de massa-eenheid u. De keuze voor 6,02*1023 als aantal deeltjes in een mol stof heeft een groot voordeel zoals uit de volgende rekenvoorbeelden blijkt. Rekenvoorbeeld 1: De massa van 1 molecuul H2 is 2 x 1,008 u = 2,016 u. De massa van 1 mol H2 is 6,02  10 x 2,016 u  1,214  10 u 23 24 Uitgedrukt in gram wordt dat 1,214  10 x 1,66  10 g  2,016 g 24 24 Rekenvoorbeeld 2: De massa van 1 molecuul N2 is 2 x 14,01 u = 28,02 u. De massa van 1 mol N2 is 6,02  10 x 28,02 u  1,687  10 u 23 25 24 Uitgedrukt in gram wordt dat 1,687  10 x 1,66  10 g  28,02 g 25 Uit de rekenvoorbeelden blijkt dat 1 mol deeltjes dus een massa (uitgedrukt in gram) heeft, die in getalwaarde gelijk is aan de massa (uitgedrukt in u) van één deeltje.
  • ECOreizen 63 Als we de massa willen weten van 1 mol stof hoeven we alleen de massa uit te rekenen van een deeltje van die stof (Binas tabel 99) en de eenheid u te vervangen door de eenheid g. De massa van 1 mol stof noemen we de molaire massa, aangegeven met M. De eenheid is dan gram per mol (g mol-1). Nu we deze nieuwe grootheid, de hoeveelheid stof met de eenheid mol, hebben kunnen we ook rekenen aan reacties. Als we nog eens naar de vorming van ammoniak uit de niet-ontleedbare stoffen kijken dan zien we het volgende: Figuur 34: de vorming van ammoniak uit de elementen Uit figuur 34 blijkt dat de coëfficiënten in een reactievergelijking ook de verhouding in mol aangeven waarin de stoffen bij de reactie betrokken zijn. De molverhouding voor de reactie uit figuur 34 is dus: H2 : N2 : NH3 = 3 : 1 : 2 In woorden betekent dat: als 3 mol waterstof reageert met 1 mol stikstof ontstaat er 2 mol ammoniak. Links en rechts van de pijl hoeven niet dezelfde aantallen mol te staan. Ter illustratie: 1 mol mollen heeft 4 mol poten Figuur 35: 1 mol mollen
  • ECOreizen 64 Informatie 1 De constante van Avogadro De constante van Avogadro, NA, volledig uitgeschreven is 6,0221367*1023. De grootte van dit getal is moeilijk te begrijpen. Om je een idee te geven: als we 6,0221367*1023 bierblikjes zouden hebben, dan zou de hele aarde bedekt zijn met een stapel van meer dan 40 km hoog. Figuur 36: bier en popcorn Als je 6,0221367*1023 stukjes popcorn neemt kun je heel Europa bedekken met een laag van 115 km hoog. Blokschema chemisch rekenen Bij het rekenen aan reacties kun je gebruik maken van een blokkenschema, waarin de diverse grootheden met de daarbij behorende eenheid staan. M = de molaire massa (g mol-1) NA = het getal van Avogadro ρ = de dichtheid (g dm-3) Bij het eenvoudige berekeningen waar je geen reactievergelijking bij nodig hebt, gebruik je de volgende strategie: 1. in welk blok staat het gegeven en reken dit om naar de eenheid die in het blok staat 2. in welk blok staat het gevraagde 3. voer de omrekenstappen uit en maak gebruik van de aanwijzingen boven de pijlen 4. reken het gevraagde om naar de gevraagde eenheid 5. let op het juiste aantal significante cijfers
  • ECOreizen 65 Rekenvoorbeeld 3 Hoeveel milliliter is 0,352 mol water? 1. blok chemische hoeveelheid; 0,352 mol 2. blok volume 3. de molaire massa van water is: M = 18,02 g mol-1 0,352 mol H2O  0,352 x 18,02 = 6,34 g H2O de dichtheid van water is: ρ = 0,998*103 g dm-3 6,34 6,34 g H2O  3  0,00636 L 0,998  10 4. 0,00636 L = 6,36 mL 5. significantie is 3 cijfers Rekenvoorbeeld 4 Hoeveel moleculen zuurstof zitten in 18,6 g zuurstof? 1. blok massa: 18,6 g O2 2. blok: aantal deeltjes 3. de molaire massa van zuurstof: M = 32,00 g mol-1 18,6 18,6g zuurstof   0,581mol O2  0,581 x 6,02  10  3,50  10 23 23 32,00 moleculen O2 4. – 5. significantie is 3 cijfers Met behulp van reactievergelijkingen kun je de hoeveelheden van de stoffen die verdwijnen en ontstaan berekenen. Daarbij moet je gebruik maken van de chemische hoeveelheid, de mol. Strategie voor deze berekening: 1. stel de reactievergelijking op 2. wat is het gegeven en wat is het gevraagde 3. leid uit de reactievergelijking de molverhouding af 4. reken de hoeveelheid gegeven stof om in mol 5. bereken via de molverhouding het aantal mol van de gevraagde stof 6. reken het aantal mol gevraagde stof om naar de gevraagde eenheid 7. denk aan de significante cijfers Rekenvoorbeeld 5: Hoeveel gram zuurstof is nodig voor de verbranding van 50,0 g waterstofsulfide, H2S. 1. 2 H2S (g) + 3 O2 (g) → 2 H2O (l) + 2 SO2 (g) 2. gegeven: 50,0 g H2S, gevraagd de hoeveelheid O2 3. molverhouding H2S : O2 = 2 : 3 4. de molaire massa van H2S: M = 34,08 g mol-1 50,0 50,0 gH2 S   1, 467 molH2 S 34,08
  • ECOreizen 66 1, 467 5. nodig aan O2 : x 3  2, 201 mol O 2 . Molaire massa van O2: M = 2 32,00 g mol-1. 6. 2,201 mol O2  2,201 x 32,00 = 70,4 g O2. 7. significantie is 3 cijfers Opgaven 38. ga naar de ondertaande site http://www.curie-online.nl/curie/pagina.asp?pagkey=42688 oefen op deze site met: a. mol en massa b. 50 opgaven met molberekening en molair volume. Voor de opgaven over het molair volume moet je eerst paragraaf 4.8 bestuderen c. Molberekeningen met kloppende reactievergelijkingen Je krijgt alleen de antwoorden te zien. Als het je niet lukt om de goede antwoorden te vinden vraag dan aan de docent extra uitleg. 39. Bereken hoeveel gram overeenkomt met: a. 0,25 mol stikstof b. 1,35 mol ijzer c. 3,82 mol propaan C3H8 d. 1,25*10-2 mol calciumoxide, CaO 40. Hoeveel moleculen bevat: a. 2,7 g zwavel b. 1,8 mol fluor c. 3,2*10-3 g natriumchloride 41. Hoeveel mol komt overeen met: a. 2,5 g zuurstof b. 50 mL alcohol, C2H5OH c. 750 kg ammoniak d. 110 L methaan, CH4 (g) 42. Ga naar de onderstaande site http://v1.chemieoveral.epn.nl/ oefen met “rekenen in chemie 1” onderdeel 2.5 –rekenen met de mol. Oefen met “rekenen in chemie 3” onderdeel 6.3 –rekenen aan reacties. 43. Calciumcarbonaat, CaCO3, ontleedt bij verwarming in calciumoxide en koolstofdioxide. a. Bereken hoeveel gram calciumoxide ontstaat uit 300 gram calciumcarbonaat. b. Bereken hoeveel dm3 koolstofdioxide is ontstaan na afkoeling tot 273 K en een druk van p = po. 44. Wanneer je 12,0 gram glucose (C6H12O6) zonder toetreding van zuurstof ontleedt, ontstaat er 4,8 gram koolstof.
  • ECOreizen 67 a. Bereken het massapercentage koolstof van glucose. b. Bereken het massapercentage ook met behulp van de molecuulformule van glucose 45. Waterstof, brandstof van de toekomst. Waterstof is een schone brandstof. Als waterstof in een waterstofbrandstofcel wordt verbrand met zuurstof ontstaat als enig reactieproduct water. De bij de verbranding van waterstof vrijkomende energie wordt gebruikt voor de aandrijving van een elektromotor. De elektromotor zorgt voor de aandrijving van de auto. Waterstof is echter lastig op te slaan. Men is bezig met het ontwikkelen van de mogelijkheid om waterstof op te slaan in ijs. Bij de vorming van ijs worden de H2O moleculen zo gerangschikt dat er holtes ontstaan. In Figuur 37: IJs met daarin de hiernaast staande figuur zie je een molecuul methaan (CH4) opgesloten CH4 molecuul. opgeslagen in een ijsstructuur, maar het is ook mogelijk om waterstof op te slaan in ijsstructuren Op elk hoekpunt van de vijfringen bevindt zich een H2O molecuul. In de waterstofauto van de toekomst zou je dus een tank gevuld met ijs hebben waar waterstof in opgeslagen is. Over deze mogelijkheid gaan de onderstaande vragen. Een auto kan 50 kg brandstof meenemen. Stel dat de verhouding tussen watermoleculen en waterstofmoleculen (opgeslagen in de ijskristallen) 5:1 is. a. Wat is de verhouding tussen de massa van de watermoleculen en de massa van de waterstofmoleculen? b. Hoeveel kg waterstof kan de auto meenemen als deze 50 kg brandstof inneemt? c. Hoeveel mol waterstof is dat? De waterstof wordt in de brandstofcel verbrand tot waterdamp. Bij de vorming van 1 mol gasvormig water (waterdamp) komt 2,42*105 J vrij. d. Geef de reactievergelijking voor de verbranding van waterstof tot water. e. Hoeveel Joule komt er vrij als de bij c) berekende hoeveelheid waterstof wordt verbrand tot water? (als je onderdeel c niet hebt berekend neem dan 503 mol voor de berekening) Bij de verbranding van 1 kg benzine komt 44 MJ vrij. f. Vergelijk de verbranding van waterstof met de verbranding van benzine en noem twee factoren die een keuze voor waterstof als brandstof ondersteunen.
  • ECOreizen 68 4.8 Het volume van 1 mol gas Lees eerst het informatieblok hieronder. Informatie 2 Lorenzo Amadeo Avogadro werd op 9 augustus 1776 in Turijn geboren. Als telg uit een bekende advocatenfamilie begon hij eerst als advocaat te werken, maar al snel gaat zijn interesse meer uit naar wiskunde en natuurkunde. In 1809 stopt hij met de advocatuur en wordt hoogleraar natuurkunde in Turijn. In 1811 publiceerde Avogadro een artikel, waarin hij het onderscheid Figuur 38:een postzegel met tussen moleculen en atomen duidelijk maakte. Hij wees erop dat Dalton de tekst van de Wet van (een andere scheikundige) de uitdrukkingen atomen en moleculen had Avogadro in het Italiaans. verward. De 'atomen' van stikstof en zuurstof zijn in werkelijkheid moleculen, die elk uit twee atomen bestaan. Zo kun je vier atomen waterstof (2 moleculen) combineren met twee atomen zuurstof (1 molecuul) om twee moleculen water te produceren. Hij formuleerde in die tijd zijn later beroemd geworden wet over volumes van gassen. Omdat in de gasfase de afstand tussen moleculen heel groot is, ging hij er vanuit dat gelijke volumina van gassen bij dezelfde temperatuur en druk een bepaalde hoeveelheid moleculen kunnen bevatten. Deze hoeveelheid moleculen is onafhankelijk van het soort gas. Volgens Avogadro bevat een bepaald volume gas dus een bepaald aantal moleculen en deze hoeveelheid is onafhankelijk van het soort gas. We kunnen dit heel eenvoudig zelf afleiden met een berekening. Als we drie glazen bollen van 1,00 L vullen met drie verschillende gassen bij een temperatuur van 273 K en een druk van 1,01*105 Pa (=1,00 bar) Figuur 39: drie bollen van kunnen we met behulp van het blokkenschema berekenen wat het volume 1,00 L met gas van 1 mol van die gassen is. Als we willen weten wat het volume van 1 mol gas is moeten we eerst berekenen hoeveel mol er 1,00 L zit. We doen dit voor het gas argon: de dichtheid van argon is 1,78 g dm-3, dus 1,00 L argon heeft een massa van 1,00 x 1,78 = 1,78 g. De molaire massa van argon is: M = 39,95 g mol-1. 1,78 g argon komt dan 1,78 overeen met  0,0446 mol argon, dus 1,00 mol argon heeft een 39,95 1,00 volume van  22, 4 L 0,0446
  • ECOreizen 69 Vraag 46. Bereken nu zelf het volume van 1 mol gas stikstof en 1 mol gas zuurstof. Zet de berekening in onderstaande tabel. Formule Volume Dichtheid Molaire Aantal Volume 1 3 -3 gas (dm ) (g dm ) massa mol mol (dm3) -1 3 (g mol ) per dm Ar 1,00 1,78 39,95 0,0446 22,4 O2 1,00 N2 1,00 Uit je berekening zal duidelijk blijken dat Avogadro gelijk had. Bij dezelfde temperatuur en druk bevatten gelijke volumina van gassen een gelijk aantal moleculen. Uit de tabel blijkt dat 1 mol gas bij standaardomstandigheden, dit is een T = 273 K en een druk po = 1,01*105 Pa (=1,00 bar), altijd een volume heeft van 22,4 dm3. Dit noemen we het molair volume, Vm. Blokschema chemisch rekenen Het blokkenschema kun je nu uitbreiden met een blok volume van gassen. De verbindende factor tussen het blok mol en het blok volume van gassen is het molair volume Vm. De waarde van Vm bij 273 K en 298 K vind je in Binas tabel 7. Denk eraan dat deze waarden in m3 per mol staan, omgerekend zijn ze 22,4 dm3 mol-1 en 24,5 dm3 mol-1. M = de molaire massa (g mol-1) Na = het getal van Avogadro Vm= het molair volume (dm3 mol-1) ρ = de dichtheid (g dm-3)
  • ECOreizen 70 Rekenvoorbeeld: Wanneer aardgas over verhit koper(II)oxide wordt geleid ontstaat er koper, koolstofdioxide en waterdamp. Men gebruikt 2,0 g koper(II)oxide. a. hoeveel liter aardgas (methaan) is er nodig om alle koper(II)oxide te laten reageren. Bij de heersende temperatuur en druk is Vm = 24 dm3 mol-1 b. hoeveel gram koper kan er maximaal ontstaan? a) 1. 4 CuO (s) + CH4 (g) → 4 Cu (s) + CO2 (g) + 2 H2O (l) 2. gegeven: CuO gevraagde : CH4 3. molverhouding is CuO : CH4 = 4 : 1 2,0 4. 2,0 g CuO  = 0,02514 mol CuO 79,55 M CuO = 79,55 g mol-1 5. molverhouding CuO : CH4 = 4 : 1 0,02514 dus er is nodig = 0,006285 mol CH4 4 6. 0,006285 mol CH4  0,006285 x 24 = 0,15 liter CH4 (Vm = 24 dm3 mol-1) b) 1. 4 CuO (s) + CH4 (g) → 4 Cu (s) + CO2 (g) + 2 H2O (l) 2. gegeven: CuO gevraagde: Cu 3. molverhouding is CuO : Cu = 4 : 4 2,0 4. 2,0 g CuO  = 0,02514 mol CuO 79,55 MCuO = 79,55 g mol-1 5. molverhouding CuO : Cu = 4 : 4 = 1 : 1 dus er ontstaat 0,02514 mol Cu 6. 0,02514 mol Cu  0,02514 x 63,55 = 1,6 g Cu MCu = 63,55 g mol-1 Vragen 47. Ga naar de onderstaande site http://www.curie-online.nl/curie/pagina.asp?pagkey=42688 en oefen de opgaven over het molair volume 48. IJzererts bestaat voor het grootste gedeelte uit ijzer(III)oxide. Hieruit kan men met behulp van koolstofmono-oxide zuiver ijzer bereiden. a. Geef voor dit proces de reactievergelijking b. Bereken hoeveel dm3 koolstofmono-oxide nodig is voor de omzetting van 1000 g ijzererts als gegeven is dat ijzererts
  • ECOreizen 71 94,0 massaprocent ijzer(III)oxide bevat. Gegeven is dat onder de omstandigheden van het proces het molair volume 38,5 dm3 mol-1. 49. Spiritus bevat o.a. 70,0 volumeprocent alcohol (C2H6O). In een spiritusbrander wordt de alcohol volledig verbrand tot koolstofdioxide en water. Bereken hoeveel dm3 zuurstof (298 K en p=po) nodig is voor de verbranding van 100 ml spiritus. Wat je nu moet weten • Wat we verstaan onder een mol stof. • De massa van een stof omrekenen naar mol. • Het volume van een stof omrekenen naar mol. • Mol kunnen omrekenen naar aantal deeltjes. • Wet van Avogadro kunnen toelichten. • Volumina van gassen rechtstreeks omrekenen naar mol via het molair volume.
  • ECOreizen 72 4.9 Molariteit Als we over concentratie spreken bedoelen we daarmee de hoeveelheid opgeloste stof in één liter oplosmiddel. Omdat we de hoeveelheid stof aangeven in mol wordt de eenheid van concentratie dan mol L-1, daar bedoelen we mee het aantal mol stof per liter oplossing. Deze concentratie aanduiding heet molariteit en we gebruiken daar meestal de aanduiding M voor. Als je dus 0,75 mol stof oplost in water tot een totaal volume van 1 liter dan is de molariteit van de oplossing 0,75 mol L-1. We zeggen ook wel dat de oplossing 0,75 molair is. In formule wordt het dan: het aantal mol stof het aantal mmol stof molariteit M) (   het aantal liter oplos sin g het aantal mL oplos sin g Voor het noteren van de molariteit gebruiken we vaak vierkante haken. Daarmee geven we dan de concentratie van de deeltjes aan die in 1,00 L oplossing aanwezig zijn. Als we dus een oplossing hebben van 0,37 mol ethanol, C2H5OH, in een liter dan kunnen we dat noteren als [C2H5OH] = 0,37 mol L-1. Maar hebben we een oplossing die per liter 0,15 mol natriumchloride bevat dan is de notatie [NaCl] niet juist, want NaCl is in opgeloste toestand gesplitst in ionen. De juiste notatie is dan: [Na+] = 0,15 mol L-1 en [Clˉ] = 0,15 mol L-1 Rekenvoorbeeld 1: Als we 1,7*10-3 mol glucose, C6H12O6 , oplossen in water tot 250 mL, dan is de molariteit: 3 1,7  10 Molariteit = = 6,8 x 10-3 mol L-1 0,250 Als we aan deze 250 mL glucose oplossing 100 mL water toevoegen wordt de nieuwe molariteit: 3 1, 7  10 mol L-1. 3 Molariteit   4, 9  10 0, 250  0,100 Gehaltes Als de concentraties erg laag zijn, gebruiken we andere, kleinere eenheden. Zo kennen we procenten (honderdste delen), promille (duizendste delen) en ppm (parts per million, miljoenste delen). Het ppm geeft aan hoeveel gram van een bepaalde stof in 1,00*106 g van een mengsel zit, we spreken dan van massa-ppm. Als we de opgeloste stof en het oplosmiddel in volume-eenheden uitdrukken spreken we van volume-ppm en daarmee bedoelen we het aantal ml opgeloste stof in 1,00*106 mL mengsel.
  • ECOreizen 73 Voorbeeld: veronderstel dat we één suikerklontje (6 gram) oplossen in een totaal volume van 0,6 liter, 6 liter, 6000 liter en 6 miljoen liter dan kunnen we het suikergehalte uitrekenen nl.: 0,6 liter 1% (procent) 6 gram suiker 1 deel per = 1% 600 mL mengsel honderd 6 liter 1‰ (promille) 6 gram suiker 1 deel per = 1‰ duizend 6000 mL mengsel 6000 liter 1 ppm (part per million) 6 gram suiker  1 ppm 1 deel per 6000 000 mL mengsel miljoen 6 miljoen liter 1 ppb (part per billion) 6 gram suiker  1 ppb 1 deel per 6000 000 000 mL mengsel miljard MAC-waarde In het milieu komen allerlei schadelijke stoffen voor. Die worden geproduceerd tijdens allerlei bezigheden waarbij stoffen met elkaar reageren. • Als een kopieerapparaat werkt ontstaat er ozon • In een zwembad is er chloor in de lucht aanwezig • Door schoonmaken met ammonia komt er ammoniak in de lucht • Al deze stoffen zijn schadelijk voor de gezondheid. Daarom heeft men bepaald hoeveel van deze stoffen maximaal aanwezig mag zijn in 1,0 m3 lucht. Dit noemt men de MAC-waarde van de stof, de maximaal aanvaardbare concentratie. In BINAS tabel 97A vind je van een aantal gevaarlijke stoffen de MAC-waarde.
  • ECOreizen ECOre 74 Rekenvoorbeeld 2: De maximaal aanvaardbare waarde, de MAC waarde, voor waterstof MAC-waarde, waterstofdisulfide is 10 volume volume-eenheid per 106 volume-ppm. Bij 1 volume-ppm gaat het om 1 volume ppm volume eenheden. 10 Dus: in 1,0 dm3 lucht mag 6 x 1,0 dm3 H2S voorkomen. Dat is dan 10 1,0*10 dm of 1,0*10 cm3 H2S per 1,0 dm3 lucht. 1,0* -5 3 -2 Informatie 3 Aceton Aceton (ook bekend onder de namen dimethylketon en 2-propanon) is een vloeistof die veel als oplosmiddel wordt gebruikt (onder andere nagellakremover in het dagelijks leven). Aceton is na glucose de tw tweede brandstof voor de hersenen en de enige die in het menselijk lichaam gevormd kan worden uit vetten. Aceton is een vluchtige en brandbare vloeistof. Het smeltpunt ligt bij Waarschuwingen en -95,4 °C en het kookpunt is 56,53 °C. In het laboratorium wordt het 95,4 veiligheidsmaatregelen soms gebruikt om glaswerk na het wassen goed te drogen (afspoelen met aceton om het water te verwijderen, en dan even wachten of droge lucht doorblazen om de aceton de kans te geven te verdampen). Alhoewel aceton giftig is, is huidcontact minder erg dan vele andere Klasse F oplosmiddelen. Aceton werkt ook desinfecterend. Bij iemand die diabetes Licht ontvlambaar heeft, kan in het lichaam ook aceton ontstaan, wat tot gezondheids gezondheids- Risico (R) R-zinnen: 11 schade kan leiden. Wanneer de hoeveelheid suiker in het bloed van een en S-zinnen: 2-9- suikerpatiënt niet goed genoeg wordt geregeld, kan men soms aceton in veiligheid 16-23-33 (S) zijn adem rui ruiken. zie Omgang veiligheidsinfor- matieblad Brandveilig. Gescheiden van Opslag sterk oxiderende Vragen stoffen. 50. Laat met een berekening zien dat de de MAC-waarde voor aceton van waarde MAC- 500 ppm; 500 ppm overeenkomt met 750 mg m-3. waarde 750 mg m-3 Figuur 40: gegevens van aceton
  • ECOreizen 75 Blokschema chemisch rekenen Het blokkenschema voor het chemisch rekenen is nu uitgebreid met een blok molariteit. Je kunt bij alle chemisch berekeningen gebruik maken van dit schema. M = de molaire massa (g mol-1) Na = het getal van Avogadro Vm= het molair volume (dm3 mol-1 ) ρ = de dichtheid (g dm-3) V = volume (dm3) Rekenvoorbeeld 3: Opgave Als je natriumthiosulfaat, Na2S2O3, oplost in water en je voegt daar zoutzuur aan toe, wordt in de oplossing thiosulfaatzuur, H2S2O3, gevormd. Dit thiosulfaatzuur ontleedt in de oplossing, de reactievergelijking van deze ontleding is: H2S2O3 (aq) → S (s) + SO2 (g) + H2O (l) Deze proef wordt uitgevoerd in de klas met 150 mL van een 0,256 M natriumthiosulfaat-oplossing. a) Hoeveel mol natriumthiosulfaat bevat 150 mL oplossing? b) Hoeveel mol thiosulfaatzuur kan daar uit ontstaan? c) Hoeveel gram zwaveldioxide ontstaat er als al het gevormde thiosulfaatzuur ontleedt? De afmetingen van het klaslokaal zijn 10,0 x 7,50 x 3,0 m. De MAC- waarde van zwaveldioxide staat in tabel 97A in de Binas.
  • ECOreizen 76 d) Laat met een berekening zien of in het lokaal de MAC-waarde van zwaveldioxide wordt overschreden. Uitwerking het aantal mol stof a) molariteit M) (  het aantal liter oplos sin g aantal mol stof 2 0, 256   0, 0384 mol  3, 84  10 mol Na2S2O3 in 150 mL 0,150 oplossing b) uit 1deeltje Na2S2O3 kan 1 deeltje H2S2O3 ontstaan, er kan dus 3,84*10-2 mol H2S2O3 ontstaan c) molverhouding H2S2O3 : SO2 = 1 : 1, er ontstaat dan 3,84*10-2 mol SO2. De molaire massa van SO2 is: M = 64,06 g mol-1. 3,84*10-2 mol SO2  3,84*10-2 x 64,06 = 2,46 g SO2 d) inhoud van het klaslokaal is 10,0 x 7,50 x 3,0 = 225 m3. De MAC- waarde van SO2 is 5 mg per m3 lucht. Er is 2,46 g SO2 ontstaan, dit is 2460 2460 mg. Per m3 lucht is er in het klaslokaal  10, 9 mg SO2 en de 225 MAC-waarde wordt dus overschreden. Vragen 35. ga naar de onderstaande site http://www.curie-online.nl/curie/pagina.asp?pagkey=42688 en oefen de opgaven met concentratieberekeningen 51. ga naar de onderstaande site http://v1.chemieoveral.epn.nl/ en oefen bij “rekenen in de chemie 2” onderdeel 4.2 –rekenen met molariteit 52. Je lost 0,30 mmol op in water tot een volume van 20 mL. Bereken de molariteit 53. Je lost 0,45 gram NaBr op in water tot een volume van 40 mL. Bereken de molariteit. 54. Bereken hoeveel gram CaCl2 je moet oplossen in water tot een oplossing van 200 ml om een concentratie Clˉ ionen van 0,46 M te krijgen. 55. Iemand heeft voor een proefje verdund zwavelzuur nodig, namelijk 2,00 liter 0,25 molair. Bereken hoeveel gram zwavelzuur (H2SO4) hij daarvoor moet afwegen. 56. In een voorraadkast staat een fles met 0,50 liter keukenzoutoplossing (NaCl). De molariteit is 0,513 molair. Je hebt een keukenzoutoplossing nodig die 7,0 gram zout per liter oplossing bevat. Bereken hoeveel liter
  • ECOreizen 77 oplossing je maximaal kunt maken als je de gehele inhoud van de voorraadfles gebruikt. 57. Je lost 190,4 mg jood (I2) op in 25 mL alcohol. Bereken de molariteit van de oplossing. 58. Vervolgens verdun je de oplossing door er 75 mL alcohol aan toe te voegen. Bereken de concentratie van de nieuwe oplossing in mol per liter. (Als je bij 57 geen antwoord hebt, neem dan 0,080 molair). 59. Als je waterstofchloride (HCl) in water oplost ontstaan er H+ ionen en Cl¯ ionen. Zo’n oplossing wordt zoutzuur genoemd. Als je zoutzuur met een natriumsulfietoplossing laat reageren, ontstaat zwaveldioxide via de onderstaande reactievergelijking: 2 H+ (aq) + SO32- (aq) → H2O (l) + SO2 (g) Een groepje leerlingen gaat deze proef doen. Ze voegen bij elkaar Formaldehyde is een 25,0 mL 0,100 M natriumsulfietoplossing en 25,0 mL 0,250 M zoutzuur kleurloos gas met een scherpe, en vangen het gas op. irriterende geur. Kleine a. Bereken hoeveel mmol natriumsulfiet en hoeveel mmol hoeveelheden van het gas zijn waterstofchloride bij elkaar gevoegd worden. al te ruiken maar het is onwaarschijnlijk dat mensen in b. Laat met een berekening zien welke van deze twee stoffen in staat zijn om hoeveelheden van overmaat aanwezig is. minder dan 0,01 mg/m3 waar c. Bereken hoeveel cm3 zwaveldioxide bij deze proef maximaal kan te nemen. Het gas is ongeveer ontstaan. Bij de reactie omstandigheden van de proef is even zwaar als lucht en zal Vm = 24,0 dm3 mol-1. daardoor niet uitzakken of opstijgen 60. Tegenwoordig is er veel discussie over het broeikaseffect. Dit ontstaat Formaldehyde kan voorkomen als er teveel CO2 (g) in de lucht zit. De MAC-waarde bedraagt voor CO2 in spaanplaat, dat zowel in de (g) 9000 mg m-3 lucht bij 273 K. bouw van het huis als in meubels wordt toegepast. Bij a. Bereken hoeveel mol CO2 (g) er in 1,00 m3 lucht aanwezig is als de de productie van spaanplaat MAC-waarde bereikt is. wordt vaak lijm op basis van b. Bereken met behulp van de dichtheid hoeveel cm3 CO2 (g) dit is. ureumformaldehydehars c. Bereken hoeveel volumeprocent CO2 (g) 1 m3 lucht bevat. gebruikt. Uit deze lijm kan d. Leg uit wat er bedoeld wordt met het broeikaseffect en hoe het formaldehyde vrijkomen. komt dat er zoveel CO2 (g) in de lucht aanwezig is. Hetzelfde geldt voor mdf. Bijna alle merken en typen spaanplaat en mdf bevatten 61. De MAC-waarde voor azijnzuurdamp (CH3COOH) bedraagt 25 mg m-3. formaldehyde a. Hoeveel gram weegt 1,0 m3 lucht? Formaldehyde lost gemakkelijk b. Bereken hoeveel massa-ppm azijnzuurdamp in lucht aanwezig is als op in water. de MAC-waarde is bereikt. Formaldehydedamp in de lucht c. Zoek via Google naar de site “Chemical safety cards”. Zoek daar wordt daardoor opgenomen door de slijmvliezen van de naar de veiligheidskaart van ethaanzuur (azijnzuur). Welke ogen, bij inademing wordt een gevarensymbolen zul je tegenkomen op een fles azijnzuur? groot gedeelte opgenomen door de slijmvliezen van neus 62. In sommige soorten spaanplaat komt formaldehydegas voor. Dit gas is en keel. Dit kan leiden tot schadelijk bij inademing. De MAC-waarde bedraagt voor formaldehyde prikkeling en irritatie van deze 6,0 mg m-3 lucht. Formaldehyde heeft als formule HCHO(g). slijmvliezen.
  • ECOreizen 78 a. Bereken hoeveel mol formaldehyde in 1,00 m3 maximaal mag voorkomen. b. Bereken met de algemene gaswet Vm bij 298 K. c. Bereken hoeveel cm3 HCHO(g) er dan bij 298 K maximaal in 1,00 m3 lucht mag zitten. d. Bereken hoeveel volumeprocent HCHO(g) dit maximaal mag zijn. e. Bereken hoeveel moleculen HCHO maximaal in 1,00 m3 lucht mogen voorkomen. Wat je nu moet weten • De molariteit van oplossingen uitrekenen. • Met behulp van molariteit rekenen aan reacties. • Het gehalte uitdrukken in ppm en percentages. • Het begrip MAC-waarde omschrijven. • Berekeningen uitvoeren met de MAC-waarde.
  • 5. De reis
  • ECOreizen 80 “Duurzaam reizen? Kies vervoersmiddelen die zo weinig mogelijk CO2 uit stoten. Kies brandstoffen die duurzaam geproduceerd zijn.” 5.1 De wedstrijdvoorwaarden In dit hoofdstuk gaan jullie de activiteiten 3 en 5 uitwerken, jullie gaan de reis samenstellen. Stel groepjes van 3 of 4 personen samen. Je doet met je groepje de experimenten en je maakt de reis met hen. Houd er rekening mee dat je reis duurzaam moet zijn. Kijk nog even in de hoofdstukken 2 en 3 en lees nog eens de artikelen uit hoofdstuk 1. Als je dat gedaan hebt ga je met je groepje de wedstrijdvoorwaarden en eisen bespreken. Let op! Je reis moet rond de wereld gaan, je steekt dus zowel de Atlantische Oceaan over als de Stille Oceaan. Naar het oosten reizen levert je geen extra reisdag op. De volledige wedstrijdvoorwaarden zoals deze door ECOreizen bv zijn geformuleerd staan hieronder. ECOREIZEN BV reisopdracht. In onderstaande opdracht staan de eisen en voorwaarden geformuleerd waaraan jullie inzending moet voldoen. 1. De reis moet duurzaam zijn • Je moet proberen om zoveel mogelijk duurzame brandstoffen te gebruiken. 2. Jullie wereldreis uitstippelen • Je hebt maximaal 30 dagen om rond de wereld te reizen. Je vertrekt uit de plaats waar je school staat en na 30 dagen kom je hier weer terug na een reis rond de gehele aardbol. • Je moet bij de reis rond de wereld 6 werelddelen bezoeken: Europa, Afrika, Azië, Australië, Noord- en Zuid-Amerika. • In elk werelddeel bezoek je in elk geval één grote stad, waar je minimaal 1 dag blijft rondkijken, je blijft één extra dag in die stad. Dit betekent een onderbreking van 24 uur tussen aankomst en Figuur 1: de opdracht vertrek. • Op www.mapquest.com vind je een uitgebreide internet atlas. Hiermee bepalen jullie je bestemmingen en print je de kaarten van je reis uit. • Op www.indo.com/distance/ berekenen jullie je reisafstanden. Voer gewoon je begin en eindplaats in en laat het programma rekenen.
  • ECOreizen 81 • Je moet minimaal 3 verschillende vervoermiddelen gebruiken. • Je berekent je reis op basis van 1 persoon (ook al zit je daar met zijn vieren aan te rekenen). • Je berekent de afstanden op de onderstaande manier: Vliegtuig: de afstand tussen twee plaatsen = afstand hemelsbreed (as the crow flies) Boot: afstand tussen 2 plaatsen = afstand hemelsbreed (tenzij je duidelijk om moet varen) Landvoertuigen: de afstand tussen twee plaatsen = afstand hemelsbreed x 1,5. 3. De vervoermiddelen • Bedenk welke vervoermiddelen je gaat gebruiken voor je reis. Let hierbij op reistijd en op het brandstofverbruik! • Je mag gebruik maken van de volgende vervoermiddelen: fiets, auto, bus, trein, boot en vliegtuig (uiteraard kun je alleen de laatste twee gebruiken om over water te komen, maar verder mag je ervan uitgaan dat overal goede snelwegen en/of spoorwegen liggen). Vervoer- Brandstof Formule Snelh.1 Verbr.2 Dichth.3 Max.h4 middel Fiets Glucose C6H12O6 15 250,0 1,58 8 Auto Bio-ethanol C2H5OH 95 15 0,80 10 Auto Benzine C7H16 95 18,3 0,72 10 Bus Diesel C8H18 75 33,0 0,82 16 Trein Kolen → C 110 32,6 3,50 20 Elektriciteit Boot Stookolie C10H22 60 61,5 0,95 20 Vliegtuig Kerosine C9H20 700 7,6 0,90 20 Figuur 2: de vervoermiddelen 1. Gemiddelde snelheid van het voertuig in km/uur 2. Verbruik van het voertuig in (pers*km)/L (aantal km dat 1 persoon kan reizen per liter brandstof) 3. Dichtheid van de brandstof in kg/L 4. Aantal uur dat je maximaal op één dag met dit vervoermiddel kunt reizen • Stel voor elke brandstof de reactievergelijking op voor de volledige verbranding, er ontstaat alleen CO2 en H2O. • Bereken hoeveel brandstof (van welke soorten) je nodig hebt voor je reis.
  • ECOreizen 82 4. Chemisch rekenwerk a. Bereken hoeveel m3 zuurstof voor de verbranding van de brandstof je gebruikt op je reis. b. Bereken hoeveel ton CO2 je produceert op je reis. c. Bereken de concentratie van die geproduceerde CO2 in de troposfeer in volume-ppm. • de troposfeer is het eerste schilletje van de atmosfeer, waar wij in leven. • de straal van de aarde is ca. 6000km, de troposfeer zit in een schil van ca. 9 km dik om de aarde. Hiermee kun je berekenen wat het volume van de troposfeer is. • Je mag er bij het berekenen van uit gaan dat de temperatuur in de hele troposfeer kamertemperatuur is en dat de druk gelijk is aan standaardomstandigheden. d. Bereken hoeveel hectare eikenbos nodig is om de CO2 uitstoot, die jullie in 30 dagen geproduceerd hebben, uit de lucht te halen. Gebruik hierbij de volgende aannames en gegevens: • Reactievergelijking fotosynthese: 6 CO2 + 6 H2O → C6H12O6 + 6 O2 • Een eikenboom neemt gemiddeld 20 m2 bosoppervlak in beslag • Neem aan dat een gemiddelde eikenboom een cilindervorm Figuur 3: hoeveel hectare heeft (met een straal van 75 cm) en volledig uit glucose eikenbos ter compensatie van (C6H12O6) is opgebouwd. je CO2 uitstoot? • De dichtheid van eikenhout kun je in BINAS vinden. • Eén eikenboom groeit gemiddeld 0,30 cm per jaar. • Vraag eens aan een aardrijkskunde docent hoeveel hectare bos in Nederland staat. Wie gaat de uitdaging aan en zet alle berekeningen en uitkomsten in een Excel-bestand? 5. Opdrachten op de continenten Op elk van de continenten is een opdracht voor een praktisch onderzoekje. De uit te voeren experimenten staan in hoofdstuk 6. Elke groep is verplicht om drie experimenten uit te voeren.
  • ECOreizen 83 6. Presentatie • Vermeld jullie namen, de datum en klas (iedere groep maakt één verslag) • Licht uitgebreid toe waarom jullie denken dat jullie reis groen en duurzaam is. • Laat je reisschema duidelijk zien. Doe dit in een tabel: • Bestemmingen + reisroutes + afstanden + vervoermiddelen + reistijden (incl. extra verblijfdagen!) + brandstof verbruik • Totale afstanden /brandstofverbruik per vervoermiddel • Verbrandingsreacties van alle brandstoffen uitwerken (ook als je ze niet gebruikt) • Licht toe welke soort brandstof vanuit duurzaamheid bekeken het beste is. • Laat je reisroute op een kaart zien • Geef de antwoorden van je ‘chemisch rekenwerk’ (laat je berekeningen ook zien!) Figuur 4: wereldkaart
  • 6. De experimenten per continent
  • ECOreizen 85 “Maak een keuze uit de experimenten in dit hoofdstuk. Kies drie experimenten en voer deze met twee personen uit. Lever de werkbladen in bij je docent.” Inleiding In dit hoofdstuk vinden jullie alle experimenten die gedaan kunnen worden. De experimenten staan in dit moduleboekje, maar zijn ook verwerkt in werkbladen. Deze werkbladen krijgen jullie van je docent. Op het werkblad vinden jullie: • een inleiding op het experiment • de onderzoeksvraag • de werkwijze, dus hoe je het experiment moet uitvoeren • eventuele tabellen waar je de resultaten in vermeldt • een aantal verwerkingsvragen • eventuele vragen bij de proef. In hoofdstuk 1 hebben jullie bij opdracht 2 een planning gemaakt, waarin je vermeld hebt welke experimenten je gaat doen. Voor een goed verloop van deze experimenten onderneem je de volgende stappen: 1. bedenk welke experimenten je hebt gekozen 2. vraag de bijbehorende werkbladen aan de docent. 3. maak een werkplan zodat je weet hoe je de experimenten uit moet voeren 4. voer het experiment uit, noteer de waarnemingen in de daarvoor bestemde tabel op je werkblad 5. voer de berekeningen uit 6. lever je werkblad aan het eind van de les in bij je docent De experimenten leveren een cijfer op. Elk experiment telt even zwaar en het gemiddelde cijfer voor deze 3 experimenten is het eindcijfer. Vraag aan je docent om een werkblad bij de experimenten en het scoreformulier voor de experimenten. Denk aan het uitwisselen van kennis en informatie bij de experimenten.
  • ECOreizen 86 Informatie 1 In Binas tabel 7 staat de waarde van het molair volume bij 273 K en bij 298 K. Als we het molair volume willen berekenen bij andere temperaturen of een andere druk kunnen we gebruik maken van de pxV Algemene gaswet: nR T Hierin is p de druk in Nm-2, V het volume in m3, n is het aantal mol gas, T is de temperatuur in K en R is de gasconstante (zie Binas tabel 7). Voor het berekenen van het molair volume bij andere temperatuur en druk gebruiken we de gaswet in een andere vorm. We vergelijken 2 situaties met elkaar. Voor situatie 1 gelden de waarden p1 , V1 , n1 en T1 en voor situatie 2 gelden de waarden p2 , V2 , n2 en T2 . p1xV1 p xV p xV p xV Er geldt nu:  R en 2 2  R en dus 1 1  2 2 n1xT1 n 2 xT 2 n1xT1 n 2 xT 2 Omdat we R nu niet meer hoeven te gebruiken mogen we ook andere eenheden gebruiken, maar wel voor allebei de situaties dezelfde eenheden. Als we nu voor situatie 1 invullen de standaardomstandig- heden p1 =po =1,00 bar, n1=1 mol, T1 =273 K en V1=22,4 dm3. Voor situatie 2 nemen we p2 =po , n2=1 mol en T2 =350 K dan kunnen we het molair volume uitrekenen bij T =350 K en p=po. 1, 00 x 22, 4 1, 00 xV2  en daaruit kunnen we berekenen dat V2 =Vm=28,2 1x 273 1x 350 dm3. Het molair volume is bij 350 K dus 28,2 dm3.
  • ECOreizen 87 6.1 Experiment Europa Inleiding Het levensritme in Europa is de afgelopen decennia steeds hoger geworden. Mensen moeten aan steeds hogere eisen voldoen. Vrouwen combineren een baan met een huishouden en een gezin. Het is dus het continent om last te krijgen van maagzuur. Het overtollige maagzuur kan worden bestreden met maagzuurtabletten zoals Rennie. Een Rennie-tablet bevat diverse bestanddelen, waaronder calciumcarbonaat en magnesiumcarbonaat. Daarnaast bevat het nog andere stoffen. Als een Rennie-tablet, na doorslikken, in contact komt met maagzuur gaat dit met het maagzuur reageren. Hierbij krijg je een gasontwikkeling. Door de Figuur 1: doosje Rennie massa-afname te meten kun je het carbonaatgehalte berekenen. Voor maagzuur nemen we een zoutzuuroplossing. De optredende reactievergelijking voor calciumcarbonaat is: CaCO3  s   2 H  aq  2 Cl  aq   CO2  g   H2 O  l   Ca 2  aq   2 Cl  aq  Een soortgelijke reactie kun je ook opstellen voor magnesiumcarbonaat Onderzoeksvraag Wat is het massapercentage carbonaat in een Rennie-tablet? Werkwijze • Breng 20 mL 6 M zoutzuur in de erlenmeyer van 100 mL. • Bepaal de massa van erlenmeyer + zoutzuur. Noteer de massa in de tabel. • Weeg 2 Rennie-tabletten nauwkeurig af. Noteer die massa ook in de tabel. • Breng de twee tabletten in de erlenmeyer. Na 10 à 15 minuten is de gasontwikkeling gestopt. Je moet tussendoor wel steeds goed schudden.
  • ECOreizen 88 • Bepaal nu weer de massa van erlenmeyer + inhoud. Noteer de massa in de tabel. Resultaten Massa (g) Erlenmeyer + 20 mL M zoutzuur Massa 2 Rennie-tabletten Massa erlenmeyer + inhoud (na afloop) Massa-afname Verwerking 1. Bereken uit de massa-afname het aantal mol CO2(g) dat ontweken is. 2. Bereken m.b.v. de reactievergelijking hoeveel mol carbonaat, CO32-, er aanwezig was. 3. Bereken nu het massapercentage carbonaat per Rennie-tablet. Conclusie Vragen bij de proef Volgens de bijsluiter bevat een Rennie-tablet 578,1 mg calciumcarbonaat en 75,5 mg magnesiumcarbonaat. 1. Bereken hoe groot volgens de fabrikant het totale massa percentage carbonaat van één Rennie-tablet moet zijn. 2. Vergelijk de berekende waarde met de door jouw gevonden experimentele waarde. Verklaar een eventueel verschil.
  • ECOreizen 89 6.2 Experiment Azië Inleiding Azië, het continent van de scherpe spijzen en dus is een onderzoek naar mondspoelmiddelen hier wel op zijn plaats. Je komt in het dagelijks leven waterstofperoxide waarschijnlijk vaker tegen dan je zou denken, bijvoorbeeld bij gebruik van mondspoelmiddelen. Mondspoelmiddelen zijn meestal oplossingen van waterstofperoxide. Waterstofperoxide wordt versneld ontleed door toevoeging van bruinsteen. Daarbij ontleedt het waterstofperoxide in water en zuurstof. Dit zuurstof ontwijkt als gas en de hoeveelheid die ontstaat kan gemeten worden. Deze hoeveelheid zuurstof is een maat voor de hoeveelheid waterstofperoxide die in het mondspoelmiddel zit. De reactie die daarbij optreedt is: 2 H2O 2 (aq)  2 H2O(l) + O 2 (g) Onderzoeksvraag Wat is het massapercentage H2O2 in het onderzochte mondspoelmiddel? Werkwijze • Meet de temperatuur in het lokaal. Noteer in de tabel. • Bepaal ook de heersende luchtdruk. Noteren! • Bepaal de massa van een lege erlenmeyer. • Meet 5 mL mondspoelmiddel nauwkeurig af, en breng het in de lege erlenmeyer. • Bepaal de massa van de erlenmeyer met 5 mL mondspoelmiddel. • Maak de opstelling compleet zoals aangegeven • Voeg nu een schepje bruinsteen toe, sluit de erlenmeyer snel af. • Tussendoor wel goed schudden zodat het geheel goed mengt. Figuur 2: proefopstelling • Als er geen gas meer gevormd wordt, ga je het waterniveau binnen en buiten de omgekeerde maatcilinder even hoog maken door voorzichtig
  • ECOreizen 90 de maatcilinder omhoog of omlaag te bewegen. Zorg dat er geen gas ontsnapt. • Daarna lees je de stand van de maatcilinder af. Noteer dit volume! Resultaten 0 Temperatuur C Luchtdruk mbar Massa lege erlenmeyer g Massa erlenmeyer + 5 mL mondspoelmiddel g Volume zuurstof(g) mL Verwerking 1. Bereken het aantal mmol zuurstof dat ontstaan is met behulp van de algemene gaswet. 2. Bereken m.b.v. de reactievergelijking hoeveel mmol waterstofperoxide er aanwezig was. 3. Bereken nu het massapercentage waterstofperoxide in het onderzochte mondspoelmiddel. Conclusie Vragen bij de proef 1. Je kunt de dichtheid van het gebruikte mondspoelmiddel berekenen aan de hand van je meetgegevens. Geef deze berekening. 2. Als je in de klas onderling gaat vergelijken zul je verschillende uitkomsten tegenkomen. Leg uit hoe dat komt.
  • ECOreizen 91 6.3 Experiment Afrika Inleiding Je kent misschien wel de reclame met het jongetje dat het over 'pitamientjes' heeft. Natuurlijk zijn vitamines noodzakelijk, maar of het nu ook een noodzaak is om het via tabletten naar binnen te krijgen, is maar de vraag. Bij een normaal eetpatroon krijg je voldoende vitamines binnen. Er zijn echter veel mensen die van mening zijn dat een extra hoeveelheid vitamine C een betere weerstand geeft. In Afrika hebben grote groepen mensen geen normaal eetpatroon, voor hen is een extra hoeveelheid vitamine C enorm belangrijk. De geneesmiddelenindustrie speelt daar natuurlijk handig op in door onder Figuur 3: vitamine C andere vitamine C-tabletten op de markt te brengen. Maar als je dan van die tabletten slikt, zit er dan wel de hoeveelheid vitamine C in die de fabrikant op de verpakking aangeeft? In deze proef zullen we het gehalte vitamine C in vitamine C-tabletten gaan bepalen. Vitamine C staat in de scheikunde ook wel bekend onder de naam ascorbinezuur.
  • ECOreizen ECOre 92 Informatie Ascorbinezuur(v. Ascorbinezuur(v. Gr. a = niet, Fr. scorbat = scheurbuik), chemische verbinding die bekend is als vitamine C. Het is een stof die goed oplosbaar is in water en bij 190 °C ontleedt. De stof komt voor in allerlei ontleedt. citrusvruchten, tomaten, verse groeten en paprika. Vroeger bereidde men het op technische schaal uit paprika's, tegenwoordig wordt het gesynthetiseerd uit glucose. Ernstig tekort aan vitamine C veroorzaakt scheurbuik, vroege een gevreesde ziekte onder Indië vroeger en Indiëvaarders. De eerste genezing van scheurbuik werd in 1535 gemeld toen een scheepsbemanning herstelde na het nuttigen van een aftreksel van Figuur 4: structuurformule groene sparrennaalden. Pas in 1932 werd vitamine C als stof van ascorbinezuur geïdentificeerd: toen pas werd bewezen dat vitamine C de formule pas C6H8O6 heeft. Onderzoeksvraag Wat is het aantal mg vitamine C in een vitamine C tablet? C-tablet? Werkwijze • Schenk ongeveer 30 mL water in een erlenmeyer van 100 mL. • Laat een vitamine C-tablet in de erlenmeyer vallen. Schu zo nu en dan tablet Schud voorzichtig. Het bindmiddel dat in het tablet aanwezig is, zal niet volledig oplossen maar dat is niet zo erg. • Voeg nu 5 mL zetmeeloplossing toe. Dat doen we om het einde van de reactie beter te kunnen waarnemen. . • Vul een injectiespuit met de joodoplossing van bekende molariteit (noteren!) en noteer het opgezogen volume zo nauwkeurig mogelijk. • Spuit nu straaltjes van circa 0,5 mL joodoplossing in de vloeistof in de erlenmeyer. • Als de oplossing begint te verkleuren, ga je voorzichtig druppel druppelsgewijs verder met toevoegen totdat de oplossing in de erlenmeyer blijvend donker (donkerblauw) kleurt. Nu is de reactie voltooid. • Noteer het totaal aantal mL joodoplossing dat je toegevoegd hebt. Reactievergelijking C6H8 O6  aq   I2  aq   C6H6 O6  aq   2 H  aq   2 I (aq) Resultaten Molariteit joodoplossing mol L-1 Beginstand injectiespuit mL Eindstand injectiespuit mL Volumeverschil mL
  • ECOreizen 93 Verwerking 1. Bereken uit het volumeverschil het aantal mmol I2 (aq) dat heeft gereageerd. 2. Bereken m.b.v. de reactievergelijking hoeveel mmol vitamine C er aanwezig was. 3. Bereken nu aantal mg vitamine C in het onderzochte vitamine C-tablet. Conclusie Vragen bij de proef 1. Leg uit welk reagens je bij deze proef hebt gebruikt. 2. Leg uit waarom je eigenlijk zou moeten weten welke andere stoffen er, naast vitamine C, in het tablet zitten.
  • ECOreizen 94 6.4 Experiment Noord-Amerika Inleiding Noord-Amerika wordt al vele jaren geplaagd door enorme processen tegen de tabaksindustrie. De schadevergoedingen lopen in de miljoenen dollars. Het is dus het continent bij uitstek om berekeningen te doen aan aanstekergas. Een samengeperst gas is een gas dat bijvoorbeeld wordt gebruikt voor het Figuur 4: aanstekergas vullen van aanstekers of een hobbybrander. Door het samenpersen wordt het gas vloeibaar gemaakt, zodat het veel minder ruimte inneemt. In het volgende experiment wordt op een eenvoudige manier de molmassa van zo'n gas bepaald. Onderzoeksvraag Welke alkanen zijn aanwezig in 1,0 L aanstekergas? Werkwijze • Meet de temperatuur in het lokaal. Noteer in de tabel. • Bepaal ook de heersende luchtdruk. Noteren! • Bouw de opstelling zoals die staat weergegeven in onderstaande figuur. • Weeg de bus, waarin het gas zich bevindt. Noteer de massa! • Vervolgens wordt er een slang aan de bus verbonden. • Vang nu 1,0 liter van het samengeperste gas op in de met water gevulde maatcilinder van 1 liter die omgekeerd in de bak staat. Zorg dat op het eind het waterniveau binnen en buiten de cilinder even hoog staat door voorzichtig de maatcilinder naar boven of beneden te bewegen. Zorg ervoor dat er geen gas ontsnapt. Figuur 5: proefopstelling • De slang wordt verwijderd van de bus. • Weeg de bus opnieuw. Noteer die massa ook!
  • ECOreizen 95 Resultaten 0 Temperatuur C Luchtdruk mbar Massa bus met gas g Massa bus met gas na afloop g Massa afname g Verwerking 1. Bereken behulp van de algemene gaswet hoeveel mol gas er in de 1,0 L gas aanwezig is. 2. Bereken nu de molmassa met behulp van de massa van de 1,0 liter gas en het berekende aantal mol gas bij 1. 3. Beredeneer of het een zuiver alkaan is of een mengsel van alkanen dat in de bus. aanwezig is. 4. Als het een alkaan is: welk alkaan is het dan? 5. Als het een mengsel moet zijn: uit welke alkanen kan het mengsel zijn samengesteld? Stel de ene alkaan x, dan is de andere alkaan (1-x). Vragen bij de proef 1. LPG is een vloeibaar gemaakt gasmengsel. Het bestaat uit propaan en butaan die in een bepaalde verhouding aanwezig zijn: 40 vol.% propaan en 60 vol% butaan. Bereken de gemiddelde molmassa van LPG.
  • ECOreizen 96 6.5 Experiment Zuid-Amerika Inleiding Zuid-Amerika met zijn enorme sloppenwijken kan wel wat extra waskracht gebruiken. Op dit continent doe je een onderzoek naar wasmiddelen. De werkzame stof in veel wasmiddelen is natriumperoxoboraat, Na2H4B2O8. Deze stof wordt toegevoegd om gekleurde vlekken in wit wasgoed beter te kunnen verwijderen. Tijdens het wasproces ontleedt natriumperoxoboraat in onder andere waterstofperoxide. Waterstofperoxide kom je in het dagelijks Figuur 6: wasmiddel leven vaker tegen dan je denkt: bij gebruik van mondspoelmiddelen, nieuwe glorix (zonder chloor), sommige wasmiddelen, gebitsreinigers, enz. Als je op de verpakking van die producten kijkt, vind je echter de naam waterstofperoxide vaak niet terug. In de volgende proef gaan we bepalen wat het massapercentage natriumperoxoboraat, Na2H4B2O8, in wasmiddelen is. Het natriumperoxoboraat lost eerst op in water en splitst daar bij in Na+(aq) en H4B2O82-(aq) ionen. De ontstane peroxoboraat-ionen ontleden in metaboraat-ionen en waterstofperoxide volgens: H4B 2 O 8 (aq)  2 BO 2 (aq) + 2 H2O 2 (aq) 2- - Het gevormde waterstofperoxide wordt daarna ontleed in water en zuurstof: 2 H2O2 (aq)  2 H2O(l) + O 2 (g) Deze ontleding kan versneld worden door toevoeging van bruinsteen. De zuurstof ontwijkt als gas en de hoeveelheid die ontstaat kan gemeten worden. Deze hoeveelheid zuurstof is een maat voor de hoeveelheid waterstofperoxide en uiteindelijk een maat voor de hoeveelheid natriumperoxoboraat in het onderzochte wasmiddel. Onderzoeksvraag Wat is het massapercentage natriumperoxoboraat in het onderzochte wasmiddel?
  • ECOreizen 97 Werkwijze • Meet de temperatuur in het lokaal. Noteer in de tabel. • Bepaal ook de heersende luchtdruk. Noteren! • Weeg ± 2 g wasmiddel zo nauwkeurig mogelijk af. Noteer de massa! Breng dit in een erlenmeyer van 100 mL. • Voeg 30 mL water toe en schud even. • Bouw de opstelling zoals die staat weergegeven in de figuur. • Voeg nu een schepje bruinsteen toe, sluit de erlenmeyer snel af. • Tussendoor wel goed schudden zodat het geheel goed mengt. • Als er geen gas meer gevormd wordt, ga je het waterniveau binnen en buiten de omgekeerde maatcilinder even hoog maken door voorzichtig de maatcilinder omhoog of omlaag te bewegen. Zorg dat er geen gas ontsnapt. Figuur 7: proefopstelling • Daarna lees je de stand van de maatcilinder af. Noteer dit gasvolume! Resultaten 0 Temperatuur C Luchtdruk mbar Massa wasmiddel g Volume zuurstof(g) na afloop mL Verwerking 1. Bereken het aantal mmol zuurstof dat ontstaan is met behulp van de algemene gaswet. 2. Bereken m.b.v. de reactievergelijking hoeveel mmol waterstofperoxide er aanwezig was. 3. Bereken nu m.b.v. de reactievergelijking hoeveel mmol natriumperoxoboraat er aanwezig was. 4. Bereken het massapercentage natriumperoxoboraat in het onderzochte wasmiddel. Conclusie Vragen bij de proef 1. Als je onderling gaat vergelijken zul je verschillende uitkomsten tegenkomen. Leg uit hoe dat komt.
  • ECOreizen 98 6.6 Experiment Australië Inleiding Een kunstgebitreiniger heeft vast niets met Australië te maken, maar het was het enige overgebleven onderzoek en dus bekijk je op dit continent de samenstelling van een gebitsreiniger. Corega reinigingstabs zijn gemakkelijk in gebruik en hebben een antibacteriële werking. De werkzame stof in veel kunstgebitreinigers is natriumperoxoboraat, Na2H4B2O8. Deze stof zorgt voor een snelle, intensieve reiniging en helpt de natuurlijke witte kleur te behouden. Tijdens het reinigingsproces ontleedt natriumperoxoboraat in Figuur 8: gebitsreiniger Corega onder andere waterstofperoxide. Waterstofperoxide kom je in het dagelijks tabs leven vaker tegen dan je denkt: bij gebruik van mondspoelmiddelen, nieuwe glorix (zonder chloor), sommige wasmiddelen, gebitsreinigers, enz. Als je op de verpakking van die producten kijkt, vind je echter de naam waterstofperoxide vaak niet terug. In de volgende proef gaan we bepalen wat het massapercentage natriumperoxoboraat, Na2H4B2O8, in een kunstgebitreiniger is. Het natriumperoxoboraat lost eerst op in water en splitst daar bij in Na+(aq) en H4B2O82-(aq) ionen. De ontstane peroxoboraationen ontleden in metaboraationen en waterstofperoxide volgens: H4B 2 O 8 (aq)  2 BO 2 (aq) + 2 H2O 2 (aq) 2- - Het gevormde waterstofperoxide wordt daarna ontleed in water en zuurstof: 2 H2O2 (aq)  2 H2O(l) + O 2 (g) Deze ontleding kan versneld worden door toevoeging van bruinsteen. De zuurstof ontwijkt als gas en de hoeveelheid die ontstaat kan gemeten worden. Deze hoeveelheid zuurstof is een maat voor de hoeveelheid waterstofperoxide en uiteindelijk een maat voor de hoeveelheid natriumperoxoboraat in de onderzochte kunstgebitreiniger.
  • ECOreizen 99 Onderzoeksvraag Wat is het massapercentage natriumperoxoboraat in de onderzochte kunstgebitreiniger? Werkwijze • Meet de temperatuur in het lokaal. Noteer in de tabel! • Bepaal ook de heersende luchtdruk. Noteren! • Maak een tablet kunstgebitreiniger fijn met behulp van een mortier en stamper. • Weeg ± 1 g zo nauwkeurig mogelijk af. Noteer de massa! • Breng dit in een erlenmeyer van 100 mL. Voeg 10 mL water toe en wacht totdat de vaste stof opgelost is en er geen gasontwikkeling meer waar te nemen is. Dit gas is CO2 dat vrijkomt bij de reactie tussen een zuur en een carbonaatzout. Beide stoffen zijn aanwezig in het tablet. • Maak nu de opstelling compleet zoals aangegeven. • Voeg een schepje bruinsteen toe en sluit de erlenmeyer snel af. • Tussendoor wel goed schudden zodat het geheel goed mengt. • Als er geen gas meer gevormd wordt, ga je het waterniveau binnen en buiten de omgekeerde maatcilinder even hoog maken door voorzichtig de maatcilinder omhoog of omlaag te bewegen. Zorg dat er geen gas ontsnapt. Figuur 9: proefopstelling • Daarna lees je de stand van de maatcilinder af. Noteer dit volume! Resultaten 0 Temperatuur C Luchtdruk mbar Massa kunstgebitreiniger g Volume zuurstof(g) na afloop mL Verwerking 1. Bereken het aantal mmol zuurstof dat ontstaan is met behulp van de algemene gaswet. 2. Bereken m.b.v. de reactievergelijking hoeveel mmol waterstofperoxide er aanwezig was. 3. Bereken nu m.b.v. de reactievergelijking hoeveel mmol natriumperoxoboraat er aanwezig was. 4. Bereken het massapercentage natriumperoxoboraat in het onderzochte wasmiddel. Conclusie Vragen bij de proef 1. Als je onderling gaat vergelijken zul je verschillende uitkomsten tegenkomen. Leg uit hoe dat komt.