Zoektocht naar een zeeklok
Rian Visser en Laura Wielders & Walter Donker
De tijd van regenten en vorsten 1600 - 1700
Chris...
1 Land in zicht
‘Land in zicht!’ klinkt het vanaf het dek.
Hendrik spuit het overloopdek schoon. Dat is zwaar werk, want h...
Eindelijk land zien, denkt Hendrik.
Maar een blik op de matroos zegt genoeg. Sammie haalt zwijgend
een hand door zijn rode...
te drinken. Omdat het water vaak bedorven was, ruilde hij zijn
rantsoen aan wijn en brandewijn in voor bier.
Ziek worden w...
kroeg. Hij dronk teveel en zonder dat hij wist wat hij deed, zette hij
een handtekening om te gaan varen bij de VOC. Hij v...
kon bewegen. Er was een klokkenmaker aan het werk geweest, die
klaagde dat de slinger telkens stilstond of haperde. Er was...
vonden en wist veel van planeten. Ook een buskruitmotor en een
waterpas had hij bedacht. Hij was dan wel een geleerd man, ...
weeshuis ze niet meer wilde hebben. Ze waren te ruw geworden,
ze vloekten en dronken bier als de grote mannen.
Ze hadden g...
Upcoming SlideShare
Loading in …5
×

Zoektocht naareenzeeklokhoofdstuk1

259 views

Published on

0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
259
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
89
Actions
Shares
0
Downloads
2
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Zoektocht naareenzeeklokhoofdstuk1

  1. 1. Zoektocht naar een zeeklok Rian Visser en Laura Wielders & Walter Donker De tijd van regenten en vorsten 1600 - 1700 Christiaan Huygens
  2. 2. 1 Land in zicht ‘Land in zicht!’ klinkt het vanaf het dek. Hendrik spuit het overloopdek schoon. Dat is zwaar werk, want hij moet gebukt staan. Op deze tussenverdieping kan zelfs een kind niet rechtop staan. Het stinkt er zo erg naar braaksel en diarree dat de ratten ervoor wegvluchten. Om te voorkomen dat er ziekten uitbreken wordt het beddengoed elke week aan dek gelucht, maar dat helpt niet echt. Het zou beter af en toe gewassen kunnen worden. ‘Land in zicht!’ klinkt het opnieuw. Hendrik gooit de brandspuit op de grond en loopt naar het trapgat. ‘Kom mee, Sammie!’ roept hij naar zijn vriend, die verderop met een bezem het vuil bijeen veegt. ‘We gaan kijken.’ ‘Hé!’ brult een matroos die in dezelfde bak zit. ‘Werk eens door, jullie!’ ‘Maar w…w…we zijn er!’ roept Hendrik. ‘Nog lang niet!’ bromt de matroos. ‘Als we straks voor anker gaan komt de inspectie aan boord. Zorg dus maar dat het dek goed schoon wordt. Ze gaan de lading bekijken en tellen met hoeveel man we teruggekomen zijn. Het duurt nog minstens een dag voordat je aan land mag.’ ‘M… mag ik wel even kijken aan dek?’ 7
  3. 3. Eindelijk land zien, denkt Hendrik. Maar een blik op de matroos zegt genoeg. Sammie haalt zwijgend een hand door zijn rode krullen en trekt zijn schouders op. Hij is tijdens deze tocht steeds stiller geworden. Het heeft ook geen zin om te protesteren. Dan krijg je alleen maar straf. Hendrik pakt de spuit op en werkt verder. Met een vloot van twaalf schepen vertrokken ze anderhalf jaar geleden. Negen maanden duurde de tocht naar Batavia. Daar bleven ze een maand en daarna voeren ze in zeven maanden terug, met een tussenstop van een maand bij Kaap De Goede Hoop. Hendrik was twaalf jaar toen de directeur van het weeshuis hem meestuurde op deze reis van de Verenigde Oost-Indische Compag- nie. Hij was oud genoeg om te werken en het betekende weer een mond minder om te voeden. Sommige jongens waren trots om te gaan varen. De schepen droegen een mooie vlag met de letters VOC door elkaar geweven. Maar Hendrik kende de gevaren. Tegelijk met hem werden nog drie jongens uit het weeshuis mee- gestuurd. Twee hebben door scheurbuik en hoge koorts de reis niet overleefd. Hendrik mist ze. Alleen Sammie en hij zijn nog over. Veel bemanningsleden zijn tijdens de reis ziek geworden. ’s Och- tends kregen ze gekookte gort, tussen de middag grauwe erwten met gezouten vlees en ’s avonds wat er nog overgebleven was van het middageten. Vaak was het eten bedorven, maar ze aten het toch. Iets anders was er niet. Ook Hendrik werd ziek. Gelukkig was hij stevig en gezond en hij zorgde ervoor voldoende 8
  4. 4. te drinken. Omdat het water vaak bedorven was, ruilde hij zijn rantsoen aan wijn en brandewijn in voor bier. Ziek worden was echter niet het ergste wat je kon overkomen. Je kon in elk geval zelf vechten voor je leven. Als het schip op een klif voer, als het zonk en de bemanning met man en muis verging… daar deed je niks aan. Met een vloot van twaalf schepen voeren ze heen en met tien kwamen ze terug. Een van de schepen uit de vloot, een groot spie- gelretourschip met een lengte van honderdvijftig voet, kreeg een lek in het kruitmagazijn. Repareren lukte niet. De bemanning probeerde het schip droog te pompen, maar in een storm is het gezonken. Een ander schip, een fregat, was langs de Afrikaanse kust op een rif gevaren. Ze moesten precies in de vaargeul blijven, maar goede kaarten waren er niet, dus niemand wist precies waar die vaargeul was. Hendrik houdt van water, maar de zee is hem te groot. Vroeger woonde hij in Delft. Zijn vader had een paard en een trekschuit. Daarmee vervoerde hij mensen tussen Delft en Leiden. Een reis over de vaart met een trekschuit is veel prettiger dan over de weg in een hobbelige koets. Veel mensen namen daarom de trekschuit. Hendrik en zijn broertje Jacob mochten dikwijls mee. Soms zaten ze in de boot, maar liever zaten ze bij de jaagknecht voor op het paard. Zo hoog kon je ver weg kijken over de weilanden. Hendrik hield van het ritmisch hobbelen van het paardenlijf en de warme geur van zijn vacht. Het was een lief paard. Maar het dier kreeg een vervelende koliek en ging dood. Geld om een nieuw paard te kopen was er niet. Vader ging naar Rotterdam om werk te zoeken en belandde in de 9
  5. 5. kroeg. Hij dronk teveel en zonder dat hij wist wat hij deed, zette hij een handtekening om te gaan varen bij de VOC. Hij verkocht zijn ziel. Later had hij spijt, maar toen was het te laat. Hij moest varen. Hun moeder leefde toen nog. Ze werkte als schoonmaakster, maar kon amper genoeg verdienen om Hendrik en zijn broertje Jacob te voeden. En vader kwam niet terug. Zijn schip was op weg naar Batavia buiten de vaargeul terechtgekomen en op een klif gelopen. Op zee had Hendrik begrepen waarom het zo moeilijk was om te weten waar je was. Overdag keek je naar de stand van de zon en ’s nachts naar de hoogte van de poolster. Zo kon je de breedtegraad bepalen. Om de lengtegraad te bepalen, moest je precies weten hoe laat het was op de plek waar je voer en hoe laat het thuis was. Maar dan moest de tijd wel precies zijn. Een paar minuten verschil maakte veel uit. En dat was het probleem. Geen enkele klok was precies genoeg. Het was daarom heel belangrijk dat iemand een goede klok zou bedenken. Prins Filips III van Spanje had ooit de uitvinder van een instru- ment om de plek op zee te berekenen elk jaar zesduizend dukaten beloofd. In Hendriks hoofd had het geduizeld toen hij dat hoorde. Zesduizend dukaten tot het eind van zijn leven! Rijke mensen hadden thuis ook klokken. De meeste waren niet heel precies. Het kon best een half uur eerder of later zijn dan ze aangaven. Tijdens de tocht was Hendrik in de kamer van de kapitein geweest. De kapitein was ziek en hij had hem moeten verzorgen. In de kamer van de kapitein hing een klok in een soort raamwerk dat 10
  6. 6. kon bewegen. Er was een klokkenmaker aan het werk geweest, die klaagde dat de slinger telkens stilstond of haperde. Er was een zee- kaart en er lag ander gereedschap. De stuurman was uren bezig met een passer, liniaal en tabellenlijst om de route te berekenen. Door de gesprekken van de klokkenmaker en de kapitein had Hendrik wel het een en ander begrepen. Een geleerde, ene Christiaan Huygens, had een slingerklok uitge- vonden die veel nauwkeuriger was dan andere, omdat de slinger er altijd even lang over deed om van links naar rechts te slinge- ren. Maar geen enkele slinger kon tegen het schommelen van een schip. Daardoor stond de klok zomaar stil of liep hij te langzaam. Ze hoopten dat die Huygens iets beters zou bedenken. Ook als de mannen aan boord naar de sterren keken, werd de naam van Huygens wel eens genoemd. Hij had telescopen uitge- 11
  7. 7. vonden en wist veel van planeten. Ook een buskruitmotor en een waterpas had hij bedacht. Hij was dan wel een geleerd man, maar toch mopperde de klokkenmaker op hem. Het werd tijd dat er een betere klok werd uitgevonden, vond hij. Desnoods deed hij het zelf. De Nederlandse Staten-Generaal hadden een hele tijd geleden al een prijs van dertigduizend gulden uitgeloofd voor degene die een goede zeeklok uitvond. Hendrik wist niet wat hij hoorde. Behalve de prijs van prins Filips III van Spanje was er dus nog een prijs te winnen! Nou, als die klokkenmaker die zeeklok niet bedacht, dan wilde hij het zelf wel doen. Dan hoefde hij nooit meer te varen. Dan haalde hij zijn broertje uit het weeshuis en gingen ze samen ergens wonen. Dan aten ze elke dag vlees en vers brood. ‘Hé, kijk uit wat je doet!’ Hendrik schrikt op. Een deel van het overloopdek staat blank, want hij heeft zomaar wat rondgespoten. Op het dek klinken voetstappen. Hendrik wil eruit. Frisse lucht inademen. Hij wil land zien. Die stomme zee. Overal water, water, water. Er leek geen einde aan te komen. Als hij doorwerkt, mag hij vast wel even naar buiten. Hij stikt hier bijna van de lucht, die zo bedorven is dat er vaak nog geen kaars wil branden. Stel je voor dat hij een goede zeeklok bedenkt en die beloning krijgt? Dan hoeft hij niet terug naar het weeshuis. Als hij al terug mag, want de kans is groot dat ze hem zo snel mogelijk weer met een schip mee laten gaan. Een paar oudere jongens aan boord voeren al voor de tweede of derde keer mee, omdat de directeur van het 12
  8. 8. weeshuis ze niet meer wilde hebben. Ze waren te ruw geworden, ze vloekten en dronken bier als de grote mannen. Ze hadden gelachen als Sammie en Hendrik naar het weeshuis verlangden, omdat ze het daar beter hadden dan op zee. Als je eenmaal gevaren hebt, is er blijkbaar geen weg terug. Als je geluk hebt overleef je een paar tochten, maar groot is die kans niet. Hendrik is onderweg veertien geworden. Zijn broertje Jacob is net twaalf. Hendrik kijkt naar de resten braaksel en diarree die hij bij elkaar spuit. Hij moet er niet aan denken dat Jacob hier ook terechtkomt. Zijn broertje was altijd vaker en langer ziek dan hij. Hij is mager en klein. Zo’n zware bootreis zal hij niet makkelijk overleven. En hijzelf? Beter is het niet naar het weeshuis terug te keren. Maar Sammie denkt daar anders over. Hij gelooft niet dat hun directeur hem nog een keer met de VOC zal meesturen. Eén keer is genoeg. Eindelijk mogen Hendrik en Sammie naar buiten. In de verte ligt een reep vlak land waarboven een paar kerktorens oprijzen. Daar- achter ligt Rotterdam, de stad waar Hendriks moeder begraven ligt. Twee jaar geleden is ze gestorven aan een zware longontste- king. Het is ook de stad waar zijn broertje in een weeshuis zit. Als hij niet teruggaat, zal hij Jacob dan ooit nog terugzien? 13

×