Afstudeerscriptie axel roeten_ master_of_environmental_science_2011

1,252 views
969 views

Published on

Een integraal wetenschappelijk onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen.

Published in: Education
0 Comments
0 Likes
Statistics
Notes
  • Be the first to comment

  • Be the first to like this

No Downloads
Views
Total views
1,252
On SlideShare
0
From Embeds
0
Number of Embeds
82
Actions
Shares
0
Downloads
5
Comments
0
Likes
0
Embeds 0
No embeds

No notes for slide

Afstudeerscriptie axel roeten_ master_of_environmental_science_2011

  1. 1. A.R.Roeten September2011 EFFECTIEVE GEMEENTELIJKE INSTRUMENTEN IN RELATIE TOT MAATWERKADVIEZEN ENERGIEBESPARING BIJ EIGENAAR-BEWONERS VAN PARTICULIERE WONINGEN
  2. 2. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 2 | P a g i n a Lege pagina
  3. 3. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 3 | P a g i n a COLOFON Titel : Een wetschappelijk onderzoek naar gemeentelijke beleidsinstrumenten die effectief zijn in combinatie met het Maatwerkadvies Energiebesparing in relatie tot eigenaar- bewoners van particuliere woningen. Auteur : Axel Roeten Jan Thijssenstraat 10 1403 LZ BUSSUM tel: 035-6936002 e-mail: axelroeten@versatel.nl Studentennummer : 131361 Opdrachtgever : Gemeenten Opleiding : Master of Environmental Science (deeltijd) Instituut : Saxion en the University of Greenwich Hoofdbegeleider : Bauke de Vries, Cobegeleider : Ricardo Cronie Datum : September 2011 Saxion Hogescholen, i.s.m. the University of Greenwich Master of Environmental Science (deeltijd) Handelskader 75 7417 DH DEVENTER Postbus 501 7400 AM DEVENTER © Copyright 2011 Deze uitgave mag uitsluitend worden gebruikt als afstudeerresultaat voor de Opleiding Master of Environmental Science aan de Saxion hogeschool in Deventer en de University of Greenwich in Engeland. Het onderzoek is met de grootst mogelijke zorg samengesteld, maar geeft geen garantie op de juistheid van de gegevens. Aansprakelijkheid naar aanleiding daarvan wordt niet geaccepteerd.
  4. 4. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 4 | P a g i n a Lege pagina
  5. 5. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 5 | P a g i n a VOORWOORD Een wetenschappelijk onderzoek op Master niveau vormt de afsluiting van de opleiding Master of Environmental Science aan de Saxion hogeschool in Deventer. Het behalen van dit diploma geeft het recht om de titel (MSc) te voeren. Het zoeken naar een geschikt afstudeeronderwerp was geen gemakkelijke opgave. Verschillende opties zijn de revue gepasseerd met telkens het centrale thema Energie. De keuze voor dit thema is gebaseerd op persoonlijke interesse en nieuwsgierigheid. Deze nieuwsgierigheid is overigens een belangrijke overweging geweest om weer terug te keren in de ‘schoolbanken’. De opleiding Master of Environmental Science bood een geschikt onderwijsprogramma. Op het gebied van de transitie naar een structureel, duurzame energiehuishouding staat Nederland aan de vooravond van grote veranderingen. De vraag naar energie neemt alsmaar toe, het aanbod is eindig. Hoe gaan we daarmee om? In dat opzicht zijn de keuzes die we nu maken essentieel voor de toekomst van onze kinderen. Ik ben vooral geïnteresseerd in de maatschappelijke dynamiek waarin de veranderingen naar een duurzame energievoorziening tot stand moeten komen. Daarin staat het energievraagstuk niet op zich. Een duurzame energetische samenleving vraagt integratie van vele andere beleidsvelden. ‘In samenwerking ligt de oplossing’, aldus Lidwien Reyn, die deze uitspraak deed tijdens een interview over Cradle to Cradle. Vooral de rol die gemeenten spelen en de verantwoordelijkheden die ze dragen, spreken mij aan. Wellicht komt dit omdat ik zelf werkzaam ben binnen een gemeentelijke overheid. Als het gaat om een energetisch duurzame toekomst zullen wij ‘out of the box’ moeten leren denken en op zoek moeten naar nieuwe manieren om ook te kunnen voorzien in de energiebehoeften van volgende generaties. Energiebesparing is de eerste stap in de goede richting. De deur naar een nieuw energetisch tijdperk staat op een kier. Ik wil een bijdrage leveren door die deur een klein beetje verder open te zetten. Als voorbereiding op dit onderzoek en tijdens het onderzoek heb ik verschillende gesprekken gevoerd en interviews gehouden met deskundigen op het gebied van energiebesparing in de gebouwde omgeving. Daarvoor wil ik mijn dank uitspreken aan: de heer H. Schotman van de gemeente Amersfoort, mevrouw B. van der Hoek van de gemeente Apeldoorn, mevrouw M. van der Woude van de gemeente Haarlem, mevrouw M. Boerbooms van Meer met Minder, de heer R. Hamer van de gemeente Hardenberg, de heer C. Egomond van AgentschapNL en de heer M. Burg van de SalecoGroep. Hun bijdrage is voor dit onderzoek van grote waarde geweest. Daarnaast bedank ik mijn begeleiders van de opleiding, Bauke de Vries, Ricardo Cronie en Harrie van Bommel en spreek ik mijn dank uit naar mijn gezin, mijn familie en vrienden. Zij hebben mij gedurende deze studie bijgestaan en ondersteund.
  6. 6. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 6 | P a g i n a Lege pagina
  7. 7. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 7 | P a g i n a INHOUD Voorwoord Inhoud Samenvatting Summary 1 Introductie.....................................................................................................................................19 1.1 Inleiding ................................................................................................................................19 1.1.1 Het Maatwerkadvies Energiebesparing ............................................................................19 1.1.2 De actoren ....................................................................................................................20 1.1.3 Het onderzoek ...............................................................................................................20 1.2 Beleidsachtergronden..............................................................................................................20 1.3 Juridisch achtergronden...........................................................................................................21 1.3.1 Besluit- en de Regeling Energiebesparing gebouwen .......................................................21 1.3.2 Klimaat- en Energieakkoord gemeenten en Rijk 2007-2011 .............................................21 1.4 Het verloop van de energiebesparingsopgave in Nederland ..........................................................21 1.5 Het niet tot stand komen van de energietransitie in relatie tot de eigenaar bewoners...............22 2 Probleemdefiniëring ........................................................................................................................23 2.1 De hoofdonderzoeksvraag........................................................................................................23 2.1.1 Begripsbepaling .............................................................................................................23 2.2 Doelstelling en doelgroep.........................................................................................................24 2.3 Subvragen .............................................................................................................................25 2.4 Projectkader, afbakening en uitgangspunten ..............................................................................25 2.4.1 Uitgangspunten .............................................................................................................26 2.5 Relevantie..............................................................................................................................27 2.6 Indeling van het onderzoeksrapport ..........................................................................................27 3 Onderzoeksmethode .......................................................................................................................29 3.1 Inleiding ................................................................................................................................29 3.1.1 Green en Kreuter ...........................................................................................................29 3.2 Onderzoeksaanpak (strategie)..................................................................................................29 3.2.1 Theoretisch deel..............................................................................................................29 3.2.2 Empirisch deel ................................................................................................................30 3.3 De casestudies .......................................................................................................................30 3.3.1 Case selectie ..................................................................................................................30 3.4 Dataverzameling.....................................................................................................................31 3.4.1 Interviews......................................................................................................................31 3.5 Het beleidsproces ..................................................................................................................32 3.5.1 Beleidsevaluatie..............................................................................................................32 3.6 Onderzoeksmodel ...................................................................................................................32 3.7 Onderzoekseenheden en proces .............................................................................................33 3.8 Interpretatie en verwerking van gegevens .................................................................................34 4 Het model van Green en Kreuter ......................................................................................................35 4.1 Inleiding ................................................................................................................................35 4.2 Gedragsmodel ........................................................................................................................35 4.2.1 Instrumententheorie ......................................................................................................35 4.2.2 Instrumentenplanner. ....................................................................................................35 4.2.3 Beschrijving model ........................................................................................................36 4.2.4 Opbouw van het model ..................................................................................................37 4.3 De gedragsbeïnvloedende factoren Willen, Kunnen en Versterken ................................................37 4.3.1 Willen (motiveren).........................................................................................................37 4.3.2 Kunnen (in staat stellend)..............................................................................................38 4.3.3 Versterken (bestendigend) .............................................................................................39
  8. 8. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 8 | P a g i n a 4.4 De vaststelling van de gedragsbeïnvloedende factoren ................................................................39 4.5 De werking van het model .....................................................................................................40 4.6 Het belang van de gedragsbeïnvloedende factoren..................................................................41 4.7 Samenvatting.........................................................................................................................42 5 Het Maatwerkadvies Energiebesparing...............................................................................................43 5.1 Inleiding ................................................................................................................................43 5.2 De doelen van het Maatwerkadvies Energiebesparing..............................................................43 5.3 Ervaringen met het Maatwerkadvies.......................................................................................43 5.4 De toekomst van het Maatwerkadvies ....................................................................................44 5.5 Het Maatwerkadvies, marketing en gedrag.................................................................................44 5.6 Gedragsaspecten van invloed op het Maatwerkadvies .............................................................45 5.6.1 Innovatie, adoptie en diffusie............................................................................................46 5.7 Samenvatting.........................................................................................................................47 6 Gedragsbeïnvloedende omgevingsfactoren.........................................................................................49 6.1 De Markt (bedrijven, adviseurs en professionals) ........................................................................49 6.1.1 Bedrijven die Maatwerkadviezen afnemen.......................................................................49 6.1.2 Bedrijven die de maatregelen uitvoeren..........................................................................49 6.1.3 Meer met Minder ...........................................................................................................50 6.2 Vraag en aanbod ...................................................................................................................51 6.3 Gemeenten ...........................................................................................................................51 6.3.1 Rol gemeenten ..............................................................................................................51 6.3.2 Gemeentelijke organisatorische aspecten als beleidsinstrument .......................................52 6.3.3 Ambitie als beleidsinstrument ...........................................................................................52 6.4 Samenvatting........................................................................................................................53 7 Kenmerken van eigenaar-bewoners in relatie tot het Maatwerk-advies Energiebesparing? .......................55 7.1 Kenmerken van eigenaar-bewoners ten opzichte van energiegebruik ............................................55 7.2 Indeling doelgroep naar mate van milieuvriendelijk gedrag .....................................................55 7.3 Indeling doelgroep op basis van sociale milieus ......................................................................57 7.4 Samenvatting.........................................................................................................................58 8 Het toetsingscriterium .....................................................................................................................59 8.1 Inleiding ................................................................................................................................59 8.2 De invulling van het model “Willen, Kunnen en Versterken” .........................................................60 8.3 Samenvatting........................................................................................................................62 9 Praktische inzichten en ervaringen....................................................................................................63 9.1 Inleiding ...............................................................................................................................63 9.2 Casestudie Haarlem...............................................................................................................63 9.2.1 De Klimaatcampagne Haarlem........................................................................................63 9.3 Casestudie Hardenberg..........................................................................................................63 9.3.1 De Klimaatcampagne Hardenberg ...................................................................................64 9.4 Case Meer met Minder ...........................................................................................................64 9.5 Resultaten toetsingscriteria ...................................................................................................64 10 De beleidsinstrumenten...................................................................................................................67 10.1 Inleiding ................................................................................................................................67 10.2 Beleidsinstrumenten ..............................................................................................................67 10.3 Overwegen van de beleidsinstrumenten en hun effecten..............................................................67 10.4 Type beleidsinstrumenten ......................................................................................................68 10.4.1 Communicatieve- en economische instrumenten .........................................................68 10.5 De instrumenten.....................................................................................................................69 10.6 Overwegingen keuze instrumentarium.......................................................................................69 10.7 Keuze van de instrumenten......................................................................................................70 11 De meest effectieve instrumenten (Synthese) ....................................................................................73 11.1 Inleiding ...............................................................................................................................73 11.2 Synthese ..............................................................................................................................73
  9. 9. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 9 | P a g i n a 11.3 Geïntegreerd model ................................................................................................................74 11.4 Analyse.................................................................................................................................75 11.4.1 Willen........................................................................................................................75 11.4.2 Kunnen......................................................................................................................75 11.4.3 Versterken.................................................................................................................75 12 Discussie .......................................................................................................................................77 12.1 Inleiding ................................................................................................................................77 12.2 Validiteit en betrouwbaarheid, interne geldigheid ........................................................................77 12.2.1 Casestudies ...............................................................................................................78 12.2.2 Externe geldigheid .....................................................................................................78 13 Conclusie.......................................................................................................................................79 13.1 De meeste geschikte instrumenten (mix)...................................................................................79 13.2 Aanvullende observaties ..........................................................................................................81 14 Lijst met afkortingen.......................................................................................................................83 15 Lijst met figuren .............................................................................................................................84 16 Lijst met tabellen............................................................................................................................84 17 Lijst van de bijlagen........................................................................................................................84 Literatuur..............................................................................................................................................87 Bijlagen ................................................................................................................................................93
  10. 10. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 10 | P a g i n a Lege pagina
  11. 11. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 11 | P a g i n a SAMENVATTING Binnen de particulier gebouwde omgeving ligt nog een aanzienlijk potentieel aan energiebesparing. Het Rijk verwacht van gemeenten dat ze zich inzetten om dit potentieel te benutten. Het Maatwerkadvies Energiebesparing is een instrument dat zich daarvoor leent. Het is een deskundig advies die de energie-efficiëntie van een gebouw beschrijft en inzicht geeft in energiebesparende maatregelen. Naar aanleiding daarvan wordt in dit onderzoek de volgende vraag gesteld: “welke beleidsinstrumenten(mix), die door gemeenten kunnen worden ingezet, zijn het meest geschikt om de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen te stimuleren?” De beantwoording van deze vraag is tot stand gekomen door de uitvoering van een kwalitatief beleidswetenschappelijk onderzoek, waarbij enkele gemeenten en marktpartijen als onderzoekseenheden zijn gehanteerd. Het onderzoek bestond uit een theoretisch deel en een empirisch deel. Er werden 7 deelvragen geformuleerd. Gedurende de beantwoording van die vragen werd vastgesteld dat de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing afhankelijk is van het gedrag van de eigenaar-bewoners. Dit gedrag is intentioneel, dat wil zeggen dat het om beredeneerd gedrag gaat. Ook spelen omgevingsfactoren een rol, bijvoorbeeld voorzieningen en diensten van gemeenten en/of marktpartijen die noodzakelijk zijn voor eigenaar-bewoners om het gewenst gedrag te kunnen vertonen. Naar aanleiding daarvan is gekozen om gebruik te maken van het gedragsmodel van Green en Kreuter (1999). In dit onderzoek is dit model toegepast conform de dissertatie van Egmond. Daarmee werd het mogelijk om gedragsaspecten, in relatie tot het Maatwerkadvies, te koppelen aan gemeentelijke instrumenten, de omgeving en de effectiviteit van het instrumentarium. Het model gaat ervan uit dat de instrumenten niet rechtstreeks op het gedrag van eigenaar-bewoners invloed uitoefenen, maar eerst op gedragsbeïnvloedende factoren. Vervolgens zijn die factoren op hun beurt weer van invloed op het gedrag van de actoren (eigenaar-bewoners). De gedragsbeïnvloedende factoren bestaan uit 3 categorieën, namelijk “Willen, Kunnen en Versterken”. “Willen” heeft te maken met de motivatie om een Maatwerkadvies uit te laten voeren en de daarin voorgestelde besparingsopties. “Kunnen” wil zeggen of eigenaar-bewoners daartoe in staat zijn. Denk hier aan financiële randvoorwaarden. Om vervolgens het gedrag voort te zetten, zijn bestendigende factoren nodig zoals positieve- en sociale feedback. In dit onderzoek zijn deze factoren uiteengerafeld in de volgende elementen, zie de tabel hieronder: Tabel: visualisatie van de gedragsbeïnvloedende factoren Factoren Willen Kunnen Versterken Awareness kennis Socialeinvloed Attitude Ingeschatte bekwaamheid Financiën Technisch inhoudelijk Organisatorisch Nieuwe vaardigheden Gelijken Experts Gezag Instrumenten
  12. 12. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 12 | P a g i n a Een beleidsinstrument heeft zijn werking op de verschillende categorieën van de gedragsbeïnvloedende factoren. De mate van deze invloed bepaalt de effectiviteit. Om de invloed van de gedragsbeïnvloedende factoren te bepalen, is normaliter onderzoek nodig onder de doelgroep. Dit bleek voor deze thesis niet haalbaar. Dit kwam door de complexiteit van de materie en het feit dat wegens privacy redenen de benodigde informatie niet beschikbaar was. Gekozen is om het belang van de gedragsfactoren via een omweg vast te stellen. Daarvoor is eerst een toetsingscriterium gedefinieerd op grond van wetenschappelijke literatuur. Dit toetsingscriterium is getoetst gedurende het empirische deel van dit onderzoek (casestudies en interviews). Dit waren de cases Haarlem en Hardenberg. Om ook vanuit de markt inzicht te krijgen, is een interview verricht met Meer met Minder. Het resultaat van deze exercitie wordt in de tabel hieronder weergegeven. De tabel geeft op kwalitatieve wijze het belang weer (gewicht) van de gedragsbeïnvloedende factoren in relatie tot het Maatwerkadvies. Tabel: het belang van de gedragsbeïnvloedende factoren Gedragsbeïnvloedingen factoren Belang (gewicht) Willen Factoren Awareness Heel belangrijk Kennis Belangrijk Sociale invloed Heel belangrijk Attitude (houding) Belangrijk De ingeschatte bekwaamheid Belangrijk Kunnen Factoren Financiën Belangrijk Technische inhoudelijk Niet erg belangrijk Organisatorisch Heel belangrijk Nieuwe Vaardigheden Belangrijk Verster- ken Factoren Gelijken (familie en vrienden) Belangrijk Experts Niet erg belangrijk Gezag Niet erg belangrijk Vervolgens is een set instrumenten samengesteld (24 stuks). Daarna is onderzocht op welke factoren deze instrumenten inwerken. Vervolgens werden de instrumenten en gedragsbeïnvloedende factoren geïntegreerd in een matrix naar analogie van Egmond. In deze matrix staan verticaal de gedragsbeïnvloedende factoren, horizontaal de instrumenten. Daar waar sprake is van een effect van het instrument (het werkzame bestanddeel) op een gedragsbeïnvloedende factor, wordt met behulp van een kleurcode het gewicht aangeduid. Uiteindelijk bepalen de werkzame bestanddelen en het gewicht van de instrumenten, op de gedragsbeïnvloedende factoren, de effectiviteit ten opzichte van het Maatwerkadvies. Deze matrix is weergegeven op de volgende pagina. Kijkend naar het instrument “Kennisoverdracht via informatieavonden”, is de matrix als volgt leesbaar. Dit instrument heeft een belangrijke invloed op de aspecten kennis, attitude en ingeschatte bekwaamheid van de factor “Willen”. Op de factor “Kunnen” heeft dit instrument zijn werking op nieuwe vaardigheden. Daarin wordt het instrument als belangrijk gezien. De overige aspecten komen niet aan de orde.
  13. 13. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 13 | P a g i n a Matrix: integratie instrumenten en gedrag Op basis van deze matrix is per hoofdcategorie, van de gedragsbeïnvloedende factoren “Willen, Kunnen en Versterken” een set instrumenten gedefinieerd die het meest geschikt lijken voor het stimuleren van de effectiviteit van het Maatwerkadvies. Dit zijn de volgende instrumenten: Factoren Willen Kunnen Versterken Legenda Heel belangrijk H Belangrijk B Niet erg belangrijk N Instrumenten Awareness Kennis Socialeinvloed Attitude Ingeschattebekwaamheid Financiën Technischinhoudelijk Organisatorisch Nieuwevaardigheden Gelijken Experts Gezag Kennisoverdracht via informatieavonden B B B B Infrarood luchtfoto, infrarood gevelfoto H H B Helpdesk Energie H B B N H B N Huis aan huis bezoeken H H B H N Ondersteuning bij het invullen van formulieren voor aanvraag subsidie/lening B H B H B N Instellen opinieleider (modelling = voorbeeldgedrag) H B B N Maatwerkadvies bij aanvraag omgevingsvergunning en WOZ H B B N N Specifiek gerichte brieven en informatie vanuit gemeente H B B H N N Websites H B B B B Promotie via krant, wijkkrant, brochures, formulieren en mailings H B B B N N Prompts zoals stickers, kaarten, labels H B B Multimedia (bijvoorbeeld Youtube-film) Maatwerkadvies H B B B B B N Demonstraties H B B B N B N Cursussen en Training voor eigenaar-bewoners B B N H B N Opleiding en inzet van Energieambassadeurs voor in de wijk B H H B B Coaching eigenaar-bewoners door ambtenaren B H B N H B N Modelwoningen ondersteund door publicaties en films H B B N H B N Expertisecentrum (energiewinkel, Klimaatbureau) H B B N H B N Zet bedrijven en eigenaar-bewoners in het zonnetje H H N N Energieprijs (prijsuitreiking) H H N N N Samenwerkingsverbanden met bedrijven via de inrichting van consortia H B B N H N N Subsidieregeling voor een gratis Maatwerkadvies H H B B B N Garantieregeling H B B N Stimuleringsfonds Volkshuisvesting Nederlandse gemeenten H B B N
  14. 14. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 14 | P a g i n a - Infrarood luchtfoto, infrarood gevelfoto. WILLEN - Huis aan huis bezoeken. - Websites. - Promotie via krant, wijkkrant, brochures, formulieren en mailings. - Multimedia (bijvoorbeeld Youtube-film) over het Maatwerkadvies. - Demonstraties. - Subsidieregeling voor een gratis Maatwerkadvies. - Helpdesk Energie. KUNNEN - Ondersteuning bij het invullen van formulieren voor aanvraag subsidie/lening. - Cursussen en Training voor eigenaar-bewoners. - Opleiding en inzet van Energieambassadeurs voor in de wijk. - Coaching eigenaar-bewoners door ambtenaren. - Modelwoningen ondersteund door publicaties en films. - Expertisecentrum (energiewinkel, Klimaatbureau). - Maatwerkadvies bij aanvraag omgevingsvergunning en WOZ. VERSTERKEN - Specifiek gerichte brieven en informatie vanuit de gemeente. - Promotie via krant, wijkkrant, brochures, formulieren en mailings. - Multimedia (bijvoorbeeld Youtube-film) over het Maatwerkadvies. - Energieprijs (prijsuitreiking). - Samenwerkingsverbanden met bedrijven via de inrichting van consortia. - Subsidieregeling voor een gratis Maatwerkadvies. Het gemeentelijk beleid zal, om effectief te zijn, een mix moeten bevatten van beleidsinstrumenten die Willen/Kunnen dan wel Willen/Kunnen/Versterken elementen dekken. Al deze onderdelen in overweging nemend kan de onderstaande mix aan gemeentelijke beleidsinstrumenten, geschikt zijn om de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing te stimuleren: - Subsidieregeling voor een gratis Maatwerkadvies gecombineerd met specifiek gerichte brieven en informatie vanuit de gemeente. - De inrichting van een website, eventueel in combinatie met een helpdesk Energie. - Promotie via krant, wijkkrant, brochures, formulieren en mailings. - Huis aan huis bezoeken en ondersteuning bij het invullen van formulieren voor aanvraag subsidie/lening. - Multimedia (bijvoorbeeld Youtube-film) over het Maatwerkadvies. - Cursussen en Trainingen voor eigenaar-bewoners. - Het instellen van een netwerk met samenwerkingsverbanden tussen bedrijven, gemeenten en adviseurs. Kijkend naar de mix van de 7 instrumenten valt op dat ze hun invloed hebben op alle gedragsbeïnvloedende factoren, wat essentieel is voor de effectiviteit. Desalniettemin is de keuze van deze instrumenten subjectief omdat het vaststellen van een instrumentarium maatwerk is. De keuze is afhankelijk van de plaatselijke (gemeentelijke) situatie. Daarnaast zullen gemeenten kiezen voor de instrumenten die het meest aansluiten bij hun organisatie, de ambitie en de beschikbare middelen. Dit onderzoek geeft een kader, in de vorm van de 21 instrumenten, van waaruit gemeenten de voor hen juiste mix kunnen kiezen. Bij die keuze is het essentieel, wil het gemeentelijk beleid effectief zijn, dat de instrumenten alle gedragsbeïnvloedende factoren dekken.
  15. 15. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 15 | P a g i n a SUMMARY Within the built up areas in the private sector there is still considerable potential for energy saving. Government expects local councils to put in an effort to use this potential. The Customized Advice on Energy Saving is a tool for this purpose. It is an expert advice which describes the energy efficiency of a building and provides insight in the energy saving measures. In this light, this thesis poses the following question: “what policy instruments (mix), to be utilized by local councils, are the most suitable to stimulate the effectiveness of the Customized Advice on Energy Saving amongst owner- residents of private homes?” The answer to this question has been found by carrying out a qualitative policy scientific research, using several municipal councils and market parties as research units. The research consists of a theoretical part and an empirical part. 7 sub questions were formulated. Whilst finding the answers to these questions, it was established that the effectiveness of the Customized Advice on Energy Saving depends on the behaviour of the owner-residents. This behaviour is intentional, i.e. behaviour based on arguments. Environmental factors play a role, too, as for instance facilities and services provided by councils and/or market parties which are necessary for owner-residents to show the desired behaviour. On this account, the behavioural model of Green and Kreuter (1999) was chosen. This model was applied in accordance with the dissertation of Egmond. Thus it became possible to link behavioural aspects, in relation to the Customized Advice, to instruments local councils have, to the environment and to the effectiveness of the instruments. The model assumes that the instruments do not influence the behaviour of the owner-residents directly, but rather the behaviour influencing factors. Consequently, these factors in turn influence the behaviour of the actors (owner-residents). The behaviour influencing factors consist of 3 categories, i.e. “willingness (predisposing), ability (enabling) and strengthening (reinforcing)”. “Willingness” (predisposing) concerns the motivation to have a Customized Advice carried out and to follow the proposed option to save energy. “Ability” (enabling) refers to whether the owner-residents are in a position to do so. Think of the financial prerequisites. And subsequently, sustaining factors (reinforcing), such as positive and social feedback, are needed to continue the achieved behaviour, In this research these factors have been dissected into the following elements, see the table below: Table: visualization of the behaviour influencing factors Factors Willingness (predisposing) Ability (enabling) Strengthening (reinforcing) awareness Knowledge Socialinfluence Attitude Estimatedskills Finance Technically Organizational Newskills Equals Experts Authorities Instruments A policy instrument influences the different categories of the behaviour influencing factors. The extent of this influence determines the effectiveness.
  16. 16. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 16 | P a g i n a To determine the influence of the behaviour influencing factors, research of the target group is usually needed. This turned out to be beyond the scope of this thesis. This was due to the complexity of the subject and the fact that for reasons of privacy the necessary information was not available. Via a roundabout way the importance of the behavioural factors were established. Firstly, a testing criterion was defined on the basis of scientific literature. This testing criterion was tested during the process of the empirical part of this research (case studies and interviews). These cases concerned Haarlem and Hardenberg. To gain also insight in to the market, an interview was held with More with Less. The results of this exercise are reflected in the table below. The table reflects in a qualitative way the importance (weight) of the behaviour influencing factors in relation to the Customized Advice. Table: the importance of the behaviour influencing factors Behaviour influencing factors Importance (weight) Willingness Factors Awareness Very important Knowledge Important Social influence Very important Attitude Important Estimated skill Important Ability Factors Finances Important Technically Not very important Organizational Very important New skills Important Strengthe ning Factors Equals (relatives and friends) Important Experts Not very important Authorities Not very important Subsequently a set of 24 instruments was composed. After that it was investigated on which factors these instruments have an effect. Then the instruments and the behaviour influencing factors were integrated into a matrix analogous to Egmond. In this matrix the behaviour influencing factors are placed vertically, the instruments horizontally. In those instances in which there is an effect of the instrument (the effective element) on a behaviour influencing factor, the weight is indicated with the help of a colour code. As a matter of fact, the active elements and the weight of the instruments on the behaviour influencing factors determine the effectiveness in relation of the Customized Advice. The matrix is included in the next page. Looking at the instrument “knowledge transfer via presentation evenings”, the matrix can be read as follows. This instrument has an important influence on the aspects of knowledge, attitude and estimated skill of the factor “willingness”. On the factor “ability” this instrument has an effect on new skills. In this sense the instrument is considered important. The remaining aspects will not be dealt with.
  17. 17. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 17 | P a g i n a Matrix: integrating instruments and behaviour Based on this matrix a set of instruments which appear to be the most suitable for stimulating the effectiveness of the Customized Advice has been defined per main category of the behaviour influencing factors “willingness, ability and strengthening”. The resulting instruments are: Factors Willingness (predisposing) Ability (enabling) Strengthening (reinforcing) Legend Very important V Important I Not very important N Instruments Awareness Knowledge Socialinfluence Attitude Estimatedskill Finances Technically Organizationa Newskills Equals Experts Authority Knowledge transfer via presentation evenings I I I I Infrared aerial photo, infrared photo outer walls V V I Energy helpdesk V I I N V I N Home visits V V I V N Help to fill in forms to apply for subsidy/loan I V I V I N Appointing opinion leader (modeling = example behaviour) V I I N Customized advice when applying for planning permission V I I N N Specific letters and information from council V I I V N N Websites V I I I I Promotion via newspaper, local paper, brochures, forms and mailings V I I I N N Prompts such as stickers, cards, labels V I I Multimedia (e.g. Youtube footage), Customized advice V I I I I I N Demonstrations V I I I N I N Courses and training to owner-residents I I N V I N Training and employing energy ambassadors in the area I V V I I Coaching owner-residents by civil servants I V I N V I N Model homes enhanced by publications and films V I I N V I N Expertise centre (energy shop, Climate agency) V I I N V I N Make businesses and owner-residents the centre of attention V V N N Energy award (award ceremony) V V N N N Joint ventures with businesses by establishing consortia V I I N V N N Subsidy scheme for free Customized Advice V V I I I N Providing Guarantees V I I N Stimulation fund Housing Dutch municipalities V I I N
  18. 18. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 18 | P a g i n a WILLINGNESS (predisposing) - Infrared aerial photo, infrared photo outer walls. - Home visits. - Websites. - Promotion via newspaper, local paper, brochures, forms and mailings. - Multimedia (e.g. Youtube footage) about the Customized Advice. - Demonstrations. - Subsidy scheme for a free Customized Advice. ABILITY (enabling) - Energy helpdesk. - Help to fill in forms to apply for subsidy/loan. - Courses and training to owner-residents. - Training and employing energy ambassadors in the area. - Coaching owner-residents by civil servants. - Model homes enhanced by publications and films. - Expertise centre (energy shop, Climate agency). STRENGTHENING (reinforcing) - Customized advice when applying for planning permission and WOZ??? - Specific letters and information from the council. - Promotion via newspaper, local paper, brochures, forms and mailings. - Multimedia (e.g. Youtube footage) about the Customized advice. - Energy award (award ceremony). - Joint ventures with businesses by establishing consortia. - Subsidy scheme for free Customized Advice. If it is to be effective, the local council’s policy must contain a mix of policy instruments which cover the elements Willingness/Ability or Willingness/Ability/Strengthening. Taking into account all of these elements, the following mix of municipal policy instruments may be suitable to stimulate the effectiveness of the Customized Advice Energy Saving: - Subsidy scheme for a free Customized Advice combined with specific letters and information from the local council. - Installing a website, possibly in combination with an Energy helpdesk. - Promotion via newspaper, local paper, brochures, forms and mailings. - Home visits and help to fill in forms to apply for subsidy/loan. - Multimedia (e.g. Youtube footage) about the Customized Advice. - Courses and training to owner-residents. - Establishing a network of joint ventures amongst businesses, local councils and advisors. Looking at the mix of the 7 instruments, it becomes evident that they influence all of the behaviour influencing factors, which is essential for the effectiveness. However, the choice of these instruments is subjective as determining a set of instruments is a matter of customization. The choice depends on the local (municipal) situation. Also, councils will choose those instruments which are most in line with their organization, their ambition and the available means. This research offers a framework in the form of the 21 instruments from which the councils may select the right mix. If the council’s policy is to be effective, it is essential that the selected instruments cover all the behavious influencing factors.
  19. 19. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 19 | P a g i n a 1 INTRODUCTIE De gemiddelde jaartemperatuur in Nederland is de laatste 30 jaar met 1,7 ºC gestegen (CBS, CPB, PBL en SCP, 2009, p. 124). Het klimaat lijkt te veranderen! Onder wetenschappers groeit de consensus dat de mens de oorzaak is. Met name door de uitstoot van CO2 (IPCC, 2007). Hoewel klimaatsverandering een globaal probleem is, zijn oplossingen nodig op lokaal niveau. Het energiezuiniger maken van de gebouwde omgeving is zo’n oplossing. Veel gemeenten ontwikkelen beleid op dat gebied en maken daarbij gebruik van het Maatwerkadvies Energiebesparing. De vraag is welke gemeentelijke beleidsinstrumenten de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energie- besparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen kunnen stimuleren? Dit hoofdstuk bevat de introductie van het probleem en komen de achtergronden van het beleidsprobleem aan de orde. 1.1 INLEIDING CO2-emissie is te relateren is aan verwarming en/of koeling van gebouwen en het gebruik van elektrische apparaten. Deze aspecten kunnen niet los van elkaar worden gezien. Het doorvoeren van energiebesparingsmaatregelen in de gebouwde omgeving staat dus gelijk met CO2-reductie (Rooijers, Leguijt en Groot, 2010, p. 7; Menkveld, M., et al, 2005, p. 7). Op dat gebied is in Nederland een groot potentieel aanwezig (Menkveld, et al, 2005, p. 27). Schattingen geven aan dat minstens 10% van de totale nationale CO2-reductie via energiebesparingsmaatregelen kunnen worden gerealiseerd (VROM, 2009b, p. 6). Zo zijn binnen de particuliere woningvoorraad bij 22 van de 100 woningen die zijn gebouwd voor het jaar 2000, kosteneffectief energiebesparings- maatregelen mogelijk tot een B-label (Bruyn, de, et al, 2005, p. 59). Dat is de reden waarom het Rijk en de provincies stellen dat de inzet van beschikbare middelen juist op dit segment gericht moeten worden (BZK, 2011, p. 1; PeGO, 2010a, p. 26). Volgens het klimaatakkoord tussen de gemeenten en het Rijk ligt een belangrijk deel van de verantwoordelijkheid bij de gemeentelijke overheid (VNG, 2007, p. 3; Gerdes, et al, 2010, p. 59). Van gemeenten wordt verwacht dat ze (VNG, 2007): - Ondersteuning bieden aan particuliere klimaatinitiatieven en marktinitiatieven. - Faciliteren bij wijkgerichte energiebesparingsaanpak en een coördinerende rol daarin spelen. - Afspraken maken met projectontwikkelaars en woningbouwcorporaties over energiebesparing. - Voorlichtingscampagnes en communicatieplannen ontwikkelen teneinde de eigenaar-bewoners van particuliere woningen aan te zetten tot energiebesparende maatregelen. Centraal binnen de aanpak van de energiebesparingsopgave bij particuliere woningen staat het Maatwerkadvies Energiebesparing (ECN, RIVM en CPB, 1999, p. 3; Tweede Kamer, 2002, p. 4). 1.1.1 Een Maatwerkadvies is een deskundig advies, op maat gemaakt, die de energie-efficiëntie van een gebouw beschrijft en inzicht geeft in mogelijke energiebesparende maatregelen, inclusief een financiële onderbouwing (Internet, BEG, 2006). Doel is eigenaar-bewoners van particuliere woningen aan te zetten tot het nemen van energiebesparingsmaatregelen (Meer met Minder, 2008a, p. 4). Dat maakt het advies een belangrijk instrument om de energiebesparingsdoelstellingen te halen (De Nationale Ombudsman, 2010, p. 9; ECN, RIVM en CPB, 1999, p. 3). Veel gemeenten maken daarom gebruik van het Maatwerkadvies als onderdeel van hun klimaatprogramma’s. HET MAATWERKADVIES ENERGIEBESPARING
  20. 20. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 20 | P a g i n a 1.1.2 De inzet van het Maatwerkadvies Energie- besparing komt tot stand binnen een drieluik van actoren. In figuur 1 is dit gevisualiseerd. Het Rijksbeleid ‘Schoon en Zuinig’ gaat uit van de ondernemer (aanbieder), de bewoner en de overheid (Boerbooms, Diepenmaat en Van Hal, 2010). Rooijers, et al (2006, p. 103) maakt onderscheid tussen de vraagkant, aanbodkant en faciliterende partijen. Beide indelingen worden gehanteerd in dit onderzoek. Aan de vraagkant staan eigenaar-bewoners van particuliere woningen. De aanbieders bestaan uit het midden- en kleinbedrijf en professionals (installateurs, energiebedrijven, gecertificeerde instellingen, architecten, tekenbureaus en bouwkundigen). De faciliterende partijen bestaan in dit onderzoek uit de gemeenten. DE ACTOREN Tussen deze drie partijen heerst een bepaalde afhankelijkheid als het gaat om de inzet en de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing. Het succes van het Maatwerkadvies is afhankelijk van de acceptatie door eigenaar-bewoners, het aanbod door de bedrijven en de inzet van instrumenten van de gemeenten en vice versa. 1.1.3 Het onderzoek gaat in op de verantwoordelijkheid van de gemeente om beleidsinstrumenten te bedenken en in te zetten, die effectief zijn in combinatie met het Maatwerkadvies Energiebesparing. HET ONDERZOEK Het onderzoek (de schaal) speelt zich af binnen het domein van de gemeentelijke overheden. Direct betrokkenen zijn: beleidsmakers, projectleiders, bedrijven en eigenaar-bewoners van particuliere woningen. Desalniettemin bestaan de onderzoekseenheden uit gemeenten en enkele marktpartijen. Het rapport is bestemd voor gemeenten. 1.2 BELEIDSACHTERGRONDEN Aan de basis van het Nederlandse klimaat- en energiebesparingsbeleid staat het Protocol van Kyoto uit 1997. Het protocol stelt regels om de uitstoot van broeikasgassen te verminderen (5,2 % ten opzichte van 1990). Voor Nederland betekent Kyoto een emissiereductie van 6% ten opzichte van 1990 (Gerdes, et al, 2010, p. 22; Bruyn, de, et al, 2005, p. 1). Kyoto stond aan de basis van het coalitieakkoord van het 4e Energiebesparing in de gebouwde omgeving is volgens dit programma één van de hoofdroutes om tot CO2-reductie te komen (VROM, 2007a, p. 10). kabinet Balkenende (PvdA, CDA en ChristenUnie uit 2007). Daarin werd een ambitieus programma neergelegd voor een duurzame energiehuishouding in Nederland. De doelen zijn het verminderen van de uitstoot van CO2 met 20% ten opzichte van 1990, het aandeel duurzame energie te laten groeien naar 20% en elk jaar een energiebesparing te realiseren van 2% ten opzichte van het voorgaande jaar (vanaf 2011) (AZ, 2007, p. 8). In het werkprogramma ‘Nieuwe energie voor het klimaat’ van het project Schoon en Zuinig (VROM, 2007a) zijn de doelen uitgewerkt. Figuur 1: de drieluik van actoren
  21. 21. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 21 | P a g i n a 1.3 JURIDISCHE ACHTERGRONDEN De Energy Performance Building Directive (EPBD) is het Europese antwoord op vermindering van energieverbruik binnen de gebouwde omgeving (E.G., 2002). De richtlijn (2002/91/EG) stelt dat alle gebouwen, op transactiemomenten (verkoop, verhuur en bouw), voorzien moeten zijn van een energieprestatiecertificaat (energielabel) (Internet, EPDB, 2002). De vertaling van de EPDB in Nederlandse wetgeving vond plaats in 2006 via het Besluit Energiebesparing Gebouwen (BEG) en de Regeling Energiebesparing Gebouwen (REG) (Internet, BEG, 2006; internet, REG, 2006; Stb, 2007). 1.3.1 In het Besluit en de Regeling Energiebesparing Gebouwen is de certificering van de energetische kwaliteit van gebouwen geregeld via het energiecertificaat. Onderdeel van het energiecertificaat is het energielabel. Dit label is vanaf 1 januari 2008 verplicht bij transacties (verkoop, verhuur) (Stb, 2007). BESLUIT- EN DE REGELING ENERGIEBESPARING GEBOUWEN Het Maatwerkadvies mag niet verward worden met het energielabel. Het label is gebouwgebonden en geeft aan hoeveel energie een gebouw nodig heeft (onder normale omstandigheden). Het label houdt verband met verwarming, warmwatervoorziening, koeling, ventilatie en verlichting. Het label gaat altijd vergezeld met een beperkt aantal standaard besparingsmaatregelen. Deze maatregelen bezitten echter geen relatie met het gebouw in kwestie, maar zijn gerelateerd aan het standaard gebruik daarvan. Uit het certificaat valt ook niet op te maken of de voorgestelde maatregelen reëel zijn voor het betreffende gebouw. Daarvoor is een Maatwerkadvies Energiebesparing nodig. Het verschil is dat een Maatwerkadvies specifiek op de situatie van het gebouw inzoomt. 1.3.2 De vraag welke beleidsinstrumenten gemeenten kunnen inzetten bij het energiezuiniger maken van de gebouwde omgeving is moeilijk te beantwoorden. Het Klimaatakkoord tussen het Rijk en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten biedt geen juridisch kader waarmee een beleidsinstrumentarium is te definiëren (KplusV, 2010, p. 60). Wel bevat het beleid een beschrijving van de rollen van de gemeenten. KLIMAAT- EN ENERGIEAKKOORD GEMEENTEN EN RIJK 2007-2011 Kijkend naar de afstand tussen burger en overheid, is het Rijk van mening dat gemeenten meer betrokken zijn bij energiebesparing in de gebouwde omgeving en vanuit die rol moeten opereren. Ze hebben een voorbeeldfunctie en zijn in staat op lokaal niveau actoren bij elkaar te brengen en aan te zetten tot concrete acties (VNG, 2007, p. 3; Gerdes, et al, 2010, p. 59). Maar daarvoor moeten gemeenten eerst een visie op het klimaat ontwikkelen, instrumenten bedenken en bij de uitvoering leiderschap tonen (Hoppe en Faber, 2011, p. 25). Gemeenten hebben ook een belangrijke voorlichtende rol (loketfunctie) en zijn de lijm tussen burgers en bedrijven (VNG, 2007, p. 3). Na ondertekening van het klimaatakkoord werden meer grootschalige klimaat- en energieprojecten gestart en is de invloed en het financieel belang van gemeenten op de energetische kwaliteit van de gebouwde omgeving toegenomen (KplusV, 2010, Pp. 59-60; Gerdes, et al, 2010, p. 57). 1.4 HET VERLOOP VAN DE ENERGIEBESPARINGSOPGAVE IN NEDERLAND Verschillende beleidsevaluaties laten zien dat de transitie naar een duurzame energiehuishouding in Nederland op problemen stuit (VROM, 2007a, p. 8; Royal Haskoning, 2010; KplusV, 2010, p. 45). Volgens de Milieubalans 2009, zijn de klimaatdoelen voor 2015 binnen bereik. Probleem wordt het als het gaat om de doelen voor 2020. Deze worden niet gehaald met het huidige beleid.
  22. 22. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 22 | P a g i n a Beleidsintensivering is nodig (PBL, 2009, Pp. 14-15). Ook uit de referentieraming wordt duidelijk dat de 2% doelstelling aan energiebesparing, tussen 2011 en 2020, niet wordt gehaald. Het energiebesparingstempo blijft steken tussen 1,1 en 1,6% per jaar, vanaf 2011 (ECN en PBL, 2010, p. 14). Een mogelijke verklaring voor het niet halen van de doelstellingen is een discrepantie tussen de visie van de Rijksoverheid en de sturingsmogelijkheden van gemeenten. In de literatuur ook wel aangeduid als ‘implementation gap’ (Van Geest en Ringeling, 1994, p. 246). Probleem is dat traditionele instrumenten van gemeenten onvoldoende beantwoorden aan de aard en de complexiteit van de huidige energetische problemen in de gebouwde omgeving (VROM, 2007a, p. 48). Een andere barrière is het ontbreken van een duidelijke consistente visie van de Rijksoverheid en (in mindere mate) de gemeenten voor de lange termijn. Het ontbreken van deze consistentie leidt tot een vermindering van het maatschappelijk draagvlak (Hoppe en Faber, 2011, p. 25). 1.5 Kijkend naar eigenaar-bewoners van particuliere woningen zijn er enkele in het oog springende factoren waardoor de 2% besparingsdoelstelling nog niet binnen bereik ligt. Wat daarbij opvalt, is dat er een discrepantie bestaat tussen de keuze, de inzet en het effect van beleidsinstrumenten in relatie tot de doelgroep, het gedrag en denkpatroon van die doelgroep (Schillemans, R.A.A., F.R. Rooijers en J.H.B. Benner, 2006). De volgende aspecten spelen een rol: HET NIET TOT STAND KOMEN VAN DE ENERGIETRANSITIE IN RELATIE TOT DE EIGENAAR BEWONERS 1. Heterogeniteit van de doelgroep en woonvormen (Daniëls, et al, 2007, p. 43; Schillemans, Rooijers en Benner, 2006, p. 14). 2. Vele individuele actoren met elk hun eigen werkelijkheid en denkpatronen (begrensde rationaliteit) (Schillemans, Rooijers en Benner, 2006, p. 5; Bruyn, De, et al, 2005, p. 9). 3. De complexiteit van de ingrepen. Deze vergen veel organisatie, geven overlast, ongemak en stress. 4. Het ontbreken van maatschappelijk belang (urgentie) (PeGO, 2010b, p. 6). 5. Het ontbreken van financieringsmogelijkheden en een beperkte interesse en motivatie (Daniëls, et al, 2007, p. 53). De gemiddelde particuliere woningeigenaar geeft de voorkeur aan andere investeringen of uitgaven dan die van energiebesparing, zelfs als de terugverdientijd van energiebesparingsmaatregelen korter is dan 5 jaar (Menkveld, et al, 2005, p. 9; PeGO, 2010b, p. 6; CDA, et al, 2010, p. 13). Verhoudingsgewijs zijn de energiekosten te laag in relatie tot het totale budget (Rooijers, Leguijt en Groot, 2010, p. 8). Kijkend naar deze aspecten wordt duidelijk dat ze ook een relatie hebben met de bereidheid tot het laten uitvoeren van een Maatwerkadvies Energiebesparing en het implementeren van de daaruit voorgestelde energiebesparingsmaatregelen. Verder lijkt het erop dat in Nederland onvoldoende wetenschappelijke grondslagen aanwezig zijn waarop het beleid kan worden gebaseerd (Boerbooms, Diepenmaat en Van Hal, 2010, p. 15). Bovendien worden in de huidige energiecampagnes de accenten vaak gelegd op technische maatregelen. Over de kennis en inzichten in het gedrag van de doelgroep, in relatie tot energiebesparing (inclusief het Maatwerkadvies), is weinig informatie voorhanden (Boerbooms, Diepenmaat en Van Hal, 2010, p. 15). Op dat gebied is nog ruimte voor wetenschappelijk onderzoek.
  23. 23. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 23 | P a g i n a 2 PROBLEEMDEFINIËRING Nederland heeft flinke ambities op het gebied van energiereductie in de gebouwde omgeving. Het Maatwerkadvies Energiebesparing kan daarin een belangrijk rol spelen. Dat het instrument is gebaseerd op vrijwillige medewerking geldt daarbij als complicerende factor. Ook over de effecten en de toepassing van het Maatwerkadvies, in relatie tot lokaal energie- en klimaatbeleid en de inzet van lokale beleidsinstrumenten, is relatief weinig informatie bekend is (Buck, de, et al, 2007, p. 1). Deze punten resulteren in dit hoofdstuk tot de formulering van de hoofdonderzoeksvraag en de operationalisering. Daarna volgt het doel van het onderzoek en komen de deelvragen aan de orde. Tenslotte gaat de aandacht uit naar de relevatie en worden de uitgangspunten beschreven. 2.1 DE HOOFDONDERZOEKSVRAAG De centrale vraag die binnen dit onderzoek moet worden beantwoord is; “welke beleidsinstrumenten(mix), die door gemeenten kunnen worden ingezet, zijn het meest geschikt om de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen te stimuleren 2.1.1 ?” De begrippen uit de centrale vraag worden in dit onderzoek uniform gebruikt en als volgt gedefinieerd: BEGRIPSBEPALING - Bressers en Hoogerwerf verstaan onder beleidsinstrumenten: alle zaken die door of namens de overheid worden gebruikt of kunnen worden gebruikt om het bereiken van één of enkele beleidsdoelen te bevorderen (Bressers, 1994, p. 126; Hoogerwerf, A., 2008, p. 22). De term ‘bevorderen’ is hier belangrijk. In dat opzicht past deze formulering bij dit onderzoek. Als resultante daarvan wordt binnen dit onderzoek onder beleidsinstrumenten verstaan: alle zaken die door gemeentelijke overheden worden ingezet en zijn bedoeld om de acceptatie en/of het effect van Maatwerkadviezen Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van bestaande particuliere woningen te bevorderen. Beleidsinstrumenten - Eigenaar-bewoners van particuliere woningen Consumenten die in het bezit zijn van een bestaande woning, daarvan eigenaar zijn en de woning gebruiken om daar zelf in te wonen. - Maatwerkadvies Energiebesparing Een op maat gemaakt advies specifiek gericht en toegesneden op een gebouw. In het advies staat het resultaat vermeld van de berekening van de hoeveelheid energie die nodig wordt geacht voor de verschillende behoeften, die verband houden met een gestandaardiseerd gebruik van dat gebouw. Hieronder vallen verwarming, warmwatervoorziening, koeling, ventilatie en verlichting, waarin referentiewaarden zijn vermeld waarmee de energieprestatie van het gebouw kan worden vergeleken en beoordeeld, en dat vergezeld gaat van aanbevelingen voor kosteneffectieve verbetering van de energieprestatie’ (Internet, BEG, 2006). In de Tijdelijke stimuleringsregeling energiebesparende voorzieningen aan woningen staat het maatwerkadvies omschreven als, een Energie Prestatie Advies, maatwerkrapport bestaande woningen als bedoeld in BRL9500, deel 2, opgesteld door een erkende adviseur met een geldig KOMO-procescertificaat (Staatscourant, 2010, p. 1).
  24. 24. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 24 | P a g i n a - Effectiviteit De effectiviteit is het succes van het Maatwerkadvies. Wanneer is een advies effectief en wanneer niet? Hoe staan die effecten in relatie tot lokaal ingezette beleidsinstrumenten? In dit onderzoek wordt de effectiviteit benaderd vanuit twee opties: 1. De effectiviteit van het Maatwerkadvies is gebaseerd op het aantal (hoeveelheid) uitgevoerde adviezen/gemeente. Hoe meer adviezen (percentueel) hoe succesvoller de beleidsinstrumenten. 2. De effectiviteit van het Maatwerkadvies wordt gedefinieerd op basis van het aantal huishoudens waar het Maatwerkadvies heeft geresulteerd in een labelverbetering (per gemeente). Hoe meer labelverbeteringen in een gemeente (percentueel) hoe succesvoller het instrumentatrium. Het succes van een Maatwerkadvies zou dan als volgt worden gedefinieerd: - Een Maatwerkadvies is effectief als de adviezen die daarin staan zijn opgevolgd; - dit vervolgens leidt tot verbetering van het energielabel, en - deze verbetering te meten is door vergelijking van de labels. Benadering 2 lijkt een betrouwbaar beeld te geven, maar het effect via de labels is een indirecte constatering. Bovendien zijn de meeste labels afgegeven in de huursector. Verder blijkt dat deze benadering op problemen stuit omdat de gegevens niet zomaar openbaar zijn. Ook laat de registratie van Maatwerkadviezen te wensen over. Tot 2003 werd het advies (toen nog EPA geheten) als indicator gebruikt, daarna is registratie gestaakt (Internet, Compendium voor de Leefomgeving, 2006). Kortom vanuit de wetenschappelijke literatuur is in beperkte mate informatie gevonden om benadering 2 te onderbouwen. Daarom is bij de selectie van de casestudies eerst gekeken in hoeverre gemeenten zelf evaluatief onderzoek hebben gedaan naar de effecten van het Maatwerkadvies. Naast het aantal afgegeven Maatwerkadviezen is het beschikbaar stellen van die informatie een belangrijk selectiecriterium geweest bij de keuze van de cases en interviews. - Geschikt De doeltreffendheid (het succes) van het beleidsinstrument (het beleid). Dat wil zeggen of de acties en inspanningen werkelijk bijdragen aan de realisatie van de doelen (succes of falen van het instrumentarium) (EEA, 2001, p. 9). - Stimuleren Onder stimuleren wordt verstaan aanmoedigen en/of bevorderen. 2.2 DOELSTELLING EN DOELGROEP Het onderzoek geeft inzicht in de effectiviteit van verschillende gemeentelijke beleidsinstrumenten die inzetbaar zijn naast het Maatwerkadvies Energiebesparing in relatie tot eigenaarbewoners van particuliere woningen. Realisatie van deze doelstelling vindt plaats door de uitvoering van een gecombineerd theoretisch en praktijkgericht wetenschappelijk onderzoek. Dit resulteert uiteindelijk in een instrumentarium (model) dat enerzijds is gebaseerd op wetenschappelijk theoretische inzichten en anderzijds op de meningen van experts over energiebesparing bij gemeenten (expert judgement). De doelgroep van dit onderzoek bestaat uit gemeenten die zich bezig houden met energiebesparing binnen de particulier gebouwde omgeving.
  25. 25. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 25 | P a g i n a 2.3 SUBVRAGEN Naar aanleiding van de hoofdonderzoeksvraag zijn 7 deelvragen geformuleerd. Beantwoording van deze vragen leidt tot het beantwoorden van de hoofdonderzoeksvraag. Hieronder worden de vragen opgesomd: 1. Volgens welk theoretisch model kunnen gedragsaspecten van eigenaar-bewoners, omgevingsfactoren en gemeentelijke beleidsinstrumenten worden geïntegreerd (hoofdstuk 4)? 2. Wat is een Maatwerkadvies Energiebesparing en welke aspecten beïnvloeden de werking (hoofdstuk 5)? 3. Welke marktfactoren en gemeentelijke factoren beïnvloeden het gedrag van eigenaar- bewoners in relatie tot de werking van het Maatwerkadvies Energiebesparing (hoofdstuk 6)? 4. Welke kenmerken van eigenaar-bewoners spelen een rol in relatie tot de werking van het Maatwerkadvies Energiebesparing (hoofdstuk 7)? 5. Welke combinatie van factoren beïnvloeden het gedrag van eigenaar-bewoners in relatie tot het Maatwerkadvies Energiebesparing (toetsingscriterium) (hoofdstuk 8)? 6. Wat zijn de praktische inzichten en ervaringen bij de toepassing van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen (hoofdstuk 9)? 7. Welke beleidsinstrumenten hebben gemeenten tot hun beschikking die kunnen worden ingezet naast het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen (hoofdstuk 10)? 2.4 PROJECTKADER, AFBAKENING EN UITGANGSPUNTEN De onderzoekseenheden bestaan uit enkele gemeentelijke overheden en marktpartijen. Het gaat dan om beleidsmakers en –ontwikkelaars die in dienst zijn van die overheden en het beleid rondom energiebesparing vormgeven of hebben vormgegeven. Hieronder vallen (beleids)ambtenaren, projectleiders en derden (bedrijven die vanuit hun expertise gemeenten ondersteunen). Daarnaast moet dit beleid betrekking hebben op de sector gebouwde omgeving. Deze sector is ingedeeld in handel, diensten en overheid en de sector huishoudens. De onderdelen van het beleid van de gemeenten moeten zich richten op de sector huishoudens en dan specifiek op de particuliere eigenaren. Uitgangspunt is dat de particuliere sector niet wordt gestuurd door een duidelijk en helder instrumentarium. Het succes van het Maatwerkadvies is daardoor mede afhankelijk van de inzet van flankerend beleid van gemeenten (VNG, 2007). De overige sectoren blijven buiten beschouwing, zoals in figuur 2 is weergegeven. Omdat het Maatwerkadvies is gebaseerd op vrijwillige medewerking, beperkt dit onderzoek zich tot het ‘zachte’ beleidsinstrumentarium. Binnen de scoop van het onderzoek is geen ruimte gevonden om een financiële afweging te maken van de inzet van het gemeentelijke instrumentarium. Er is alleen gekeken naar de werking van de instrumenten, gerelateerd aan het gedrag van eigenaar-bewoners. Inzicht in dit gedrag levert een belangrijke bijdrage aan de samenstelling van een effectief gemeentelijk instrumentarium. Tenslotte maakt de invloed van externe- en autonome ontwikkelingen op de effecten van gemeentelijke beleidsinstrumenten geen onderdeel uit van dit onderzoek.
  26. 26. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 26 | P a g i n a Figuur 2: afbakening sectoren gebouwde omgeving. Legenda: Bron: samengesteld op basis van Daniëls, et al (2007, p. 43) 2.4.1 Het onderzoek is gebaseerd op het uitgangspunt dat gemeenten een grote rol spelen of gaan spelen binnen de energiebesparingsopgave van de particulier gebouwde omgeving. Binnen deze context wordt het onderzoek gestuurd door enkele uitgangspunten: UITGANGSPUNTEN 1. Het Maatwerkadvies Energiebesparing is een belangrijk instrument geworden om energiereductie te halen binnen de particulier gebouwde omgeving. Gemeenten kunnen dit instrument moeilijk negeren bij het ontwikkelen van energiebesparingsbeleid. 2. Vanuit het perspectief van gemeenten begint het besparen van energie bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen met de uitvoering van een Maatwerkadvies Energiebesparing. 3. Het aanvaarden van een Maatwerkadvies Energiebesparing door een eigenaar wordt niet gezien als initiële aanzet tot het wijzigen van het energiebesparingsgedrag. Een bewustwordingsproces gaat daaraan vooraf. Tekst TekstValt buiten de scoop van dit onderzoek Valt binnen de scoop van dit onderzoek
  27. 27. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 27 | P a g i n a 4. Het accepteren van een Maatwerkadvies Energiebesparing, en op basis daarvan het doorvoeren van energetische verbeteringen is afhankelijk van de wijze waarop het advies wordt geflankeerd door aanvullende- gemeentelijke beleidsinstrumenten (marketing). 5. Binnen dit onderzoek wordt het beleidsinstrumentarium gekozen vanuit de optiek van de gemeentelijke overheid, gebaseerd op het gedrag van de doelgroep. 6. Het gebruik van het Maatwerkadvies en Energiebesparing in de gebouwde omgeving is gebaseerd op vrijwillige medewerking. 7. Vanuit de optiek van vrijwilligheid de keuze van sturingsfilosofie beperkt wordt tot communicatieve en/of economische instrumenten (Internet, Nederlandse Grondwet, 2011; Leroy, 1994, p. 57). 8. In dit rapport wordt ervan uitgegaan dat de lezers bekend zijn met de inhoud van het Maatwerkadvies Energiebesparing. 2.5 RELEVANTIE “Om de gestelde doelen voor energiebesparing te realiseren, is het cruciaal dat het beleid oplossingen biedt voor de praktische drempels die energiebesparing tot op heden grotendeels hebben belemmerd.” Deze stelling komt uit het Deltaplan Nieuwe Energie (CDA, et al, 2010, p. 13). De stelling impliceert dat het ontbreekt aan een effectief en praktisch gemeentelijk instrumentarium op het gebied van energiebesparing. Daar ligt dan ook het zwaartepunt als het gaat om de legitimiteit van dit onderzoek. Verder is het onderzoek relevant omdat gemeenten zich verantwoordelijk voelen voor de klimaatsveranderingen en de stijging van de energiekosten voor eigenaar-bewoners van particuliere woningen. Ten derde is het onderzoek relevant omdat vele beleidsvelden, actoren en factoren elkaar raken op het snijvlak van de verduurzaming van de energievoorziening van de particulier gebouwde omgeving. Dat maakt het energiebesparingvraagstuk binnen die doelgroep een integraal complex probleem. Door deze verschillende dimensies (integraliteit) is het onderwerp als zodanig ook relevant. 2.6 INDELING VAN HET ONDERZOEKSRAPPORT De onderdelen van dit onderzoek bestaan uit 10 hoofdstukken en 14 bijlagen. Hoofdstuk 1 bevat de introductie van het probleem. Daarin wordt kort aandacht besteed aan de achtergronden. Hoofdstuk 2 bevat de probleemstelling. Hier komt de hoofdonderzoeksvraag aan de orde. In hoofdstuk 3 komt de onderzoeksmethodiek aan de orde. In hoofdstuk 4 komt het tot de keuze van een gedragsmodel. Hoofdstuk 5 behandelt het Maatwerkadvies Energiebesparing inhoudelijk. Daarna wordt ingezoomd op factoren die bepalend zijn voor het gedrag in de hoofdstukken 6 en 7. Daaruit worden toetsingscriteria geformuleerd in hoofdstuk 8. In hoofdstuk 9 worden die criteria getoetst aan de empirie. Hoofdstuk 10 is gebruikt om het instrumentarium vast te stellen. Instrumenten en model worden in hoofdstuk 11 geïntegreerd. Hoofdstuk 12 gaat over de betrouwbaarheid en validiteit. Tenslotte wordt in hoofdstuk 13 de conclusie weergegeven.
  28. 28. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 28 | P a g i n a Lege pagina
  29. 29. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 29 | P a g i n a 3 ONDERZOEKSMETHODE In dit hoofdstuk komt de onderzoeksmethodiek aan de orde. Na de inleiding gaat de aandacht uit naar de onderzoeksstrategie, de onderzoekstechniek, de selectie van de cases, de manier van interpretatie van de empirische gegevens en de verwerking daarvan. Vervolgens bevat het hoofdstuk een beschrijving van het onderzoek aan de hand van een tweetal modellen. 3.1 INLEIDING Het onderzoek richt zich op het onderbouwen en vaststellen van een effectief gemeentelijk instrumentarium naast het Maatwerkadvies. Daarmee typeert dit onderzoek zich als een praktijkgericht beleidswetenschappelijk onderzoek, omdat sprake is van een handelingsprobleem (Driessen, 1994, Pp. 228 t/m 230; Verschuren en Doorewaard, 2007, Pp. 46 t/m 66). 3.1.1 Gedurende dit onderzoek werd duidelijk dat het laten uitvoeren van een Maatwerkadvies Energiebesparing en het treffen van maatregelen afhankelijk is van besluitvormingsprocessen (gedrag) van eigenaar bewoners en allerlei omgevingsfactoren (de rol van gemeenten en markt). Instrumenten oefenen daar invloed op uit (Bressers, 1994, p. 128). Ook de kenmerken van het Maatwerkadvies Energiebesparing bepalen de werking (dit is de manier waarop het advies in de markt wordt gezet en hoe eigenaar-bewoners daarop reageren). GREEN EN KREUTER Op basis van deze theoretische inzichten is een model geselecteerd waarmee de effectiviteit van beleidsinstrumenten kunnen worden bepaald. Die effectiviteit is een resultante van het gedrag van eigenaar-bewoners, de omgevingsfactoren en het “karakter” van het Maatwerkadvies. Dit model is gebaseerd op het planning- en evaluatiemodel van Green en Kreuter (1999). In dit onderzoek wordt dit model gebruikt volgens de dissertatie van Egmond, Focus on Change (2006a). Het model vormt de rode draad in dit onderzoek en wordt in hoofdstuk 4 nader toegelicht. 3.2 ONDERZOEKSAANPAK (STRATEGIE) Tijdens het vooronderzoek werd duidelijk dat slechts summier informatie over het Maatwerkadvies voorhanden is en dat het verkrijgen van gegevens via eigenaar-bewoners, die een maatwerkadvies hebben laten uitvoeren, op problemen stuitte op het gebied van de privacy. Daarom is de keuze gemaakt om gemeenten als onderzoeksobject te hanteren (Verschuren en Doorewaard, 2007, p. 73). Expliciet is gekozen voor een diepgaand kwalitatief onderzoek met beperkte onderzoekseenheden. Binnen deze onderzoekseenheden is een evaluatie verricht van bestaand beleid. Daarom is een beleidsevaluatief onderzoek als onderzoeksoptiek gehanteerd (Verschuren en Doorewaard, 2007, p. 81). Binnen deze context is een gecombineerde onderzoeksstrategie toegepast. Namelijk een theoretisch deel en een empirisch deel. 3.2.1 Theoretisch deel Dit deel kwam tot stand door uitvoering van een bureauonderzoek naar bestaande wetenschappelijke literatuur (Verschuren en Doorewaard, 2007, Pp. 201 t/m 207). Gezocht is naar factoren die van invloed zijn op het laten uitvoeren van een Maatwerkadvies Energiebesparing en de daaruit te treffen maatregelen. Deze factoren hebben betrekking op eigenaar-bewoners van particuliere woningen, de markt en gemeenten.
  30. 30. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 30 | P a g i n a Parallel daaraan is in de literatuur gezocht naar instrumenten die door gemeenten inzetbaar zijn naast het Maatwerkadvies. Vervolgens zijn deze instrumenten beschreven en is vastgesteld hoe ze werken (de werkzame bestanddelen). 3.2.2 Empirisch deel Voor dit deel van het onderzoek is een kwalitatieve benadering gehanteerd. Gekozen is voor een beleidsevaluatief onderzoek met behulp van casestudies (zie paragraaf 3.3). De overwegingen voor de keuze van een kwalitatief onderzoek is de hoge mate van complexiteit (Boeije, 2005, Pp. 35-36). Die complexiteit ontstaat doordat: - Bij het Maatwerkadvies veel verschillende actoren zijn betrokken met elk hun specifieke belangen. - Het advies is gericht op een doelgroep met een hoge mate van diversiteit met verschillende opvattingen, denkpatronen en gedragingen (individuele percepties). - Het advies gebaseerd is op vrijwillige medewerking waardoor een juridisch kader ontbreekt. - Het advies in de praktijk wordt geflankeerd door een diversiteit aan gemeentelijke instrumenten. Deze dynamiek maakt het Maatwerkadvies Energiebesparing, binnen de context van de particulier gebouwde omgeving, onvoorspelbaar. Dit was eveneens een overweging om te kiezen voor een kwalitatieve benadering (Baarda en De Goede, 1995, p. 138; Boeije, 2005, p. 36). 3.3 DE CASESTUDIES Om data te genereren, die inzage geeft in het hele spectrum van het handelingsprobleem, is gekozen om het empirische deel van het onderzoek te benaderen via casestudies (Swanborn, 1996, p. 21: Verschuren en Doorewaard, 2007, Pp. 183 t/m 192). Er is sprake van meerdere cases (multiple casestudy). Vervolgens zijn de cases met elkaar vergeleken (comparative method) (Swanborn, 1996, p. 23). De vergelijking vond plaats aan de hand van het model van Green en Kreuter (1999), zie hoofdstuk 4. 3.3.1 Case selectie De selectie van de cases is tot stand gekomen door in de literatuur te zoeken naar praktijkvoorbeelden van gemeenten die met succes energiebesparingsbeleid hebben geformuleerd en toegepast (Vethman en Kroon, 2010). Parallel daaraan is een WOB-verzoek (Wet Openbaarheid van Bestuur) bestudeerd met gegevens over subsidieverstrekking en aantallen afgegeven Maatwerkadviezen (BZK, 2011a). In het WOB-verzoek werd gerefereerd naar bedrijven die op grote schaal Maatwerkadviezen hebben afgenomen. Deze bedrijven zijn benaderd, zoals de Vereniging Eigen Huis, de SalecoGroep en SEGON (Stimuleringsinitiatief Energiebesparing Gebouwde Omgeving). Vooral de informatie van de SalecoGroep bleek bruikbaar voor dit onderzoek. Probleem was dat dit bedrijf alleen algemene informatie beschikbaar kon stellen wegens de privacywetgeving. De SalecoGroep heeft 14.000 Maatwerkadviezen afgegeven en daarvoor 50.000 woningen benaderd (Interview, Burg, 2011). Het bedrijf richtte zich speciaal op de particulier gebouwde omgeving en werkte op grote schaal samen met verschillende gemeenten. De gemeenten die hoog scoren voor wat betreft het aantal afgenomen Maatwerkadviezen zijn Haarlem, Apeldoorn en Amersfoort. Ook Hardenberg hoort bij dit rijtje, alleen heeft de SalecoGroep hier geen bemoeienis mee gehad.
  31. 31. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 31 | P a g i n a Daarna zijn deze resultaten vergeleken met de praktijkvoorbeelden van succesvolle gemeenten waaruit de selectie van de cases is ontstaan. Die selectie is gebaseerd op de volgende criteria: 1. Het Maatwerkadvies moet met succes zijn ingezet. 2. De gemeenten moesten de werking van hun beleid (effectiviteit), in relatie tot het Maatwerkadvies hebben geëvalueerd. 3. De evaluatie moest ook inzicht geven in het gedrag van eigenaar-bewoners. Volgens deze criteria zijn vier gemeenten geselecteerd (Amersfoort, Apeldoorn, Haarlem en Hardenberg). De gemeenten Apeldoorn en Amersfoort zijn gedurende het vooronderzoek geïnterviewd, maar beschikten niet over een evaluatie van het beleid op dat moment. Deze interviews deden vooral dienst om kennis op te doen van het onderwerp en inzicht te krijgen in het gemeentelijk instrumentarium. De uiteindelijke evaluatie vond plaats op basis van de cases Haarlem en Hardenberg. Tenslotte, om het beeld te completeren, zijn ook marktpartijen betrokken in het onderzoek (Meer met Minder en de SalecoGroep). Van deze twee partijen is gekozen om alleen het interview met Meer met Minder uit te werken. 3.4 DATAVERZAMELING Naast het verzamelen van de data via interviews, is ook gebruik gemaakt van specifieke documentatie met gegevens over de effecten van het beleid. Het gaat hier om beleidsevaluerend onderzoek, door Haarlem en Hardenberg in eigen beheer uitgevoerd. Voor dit onderzoek zijn deze gegevens beschikbaar gesteld, bestudeerd en verwerkt. 3.4.1 Interviews Bij de uitvoering van de interviews is het midden gekozen tussen een ongestructureerde en semigestructureerde interviewtechniek (open interview) (Boeije, 2005, p. 58), zie de figuur hieronder. Via deze stijl is getracht dieper inzicht te krijgen in de problematiek. Ter vergroting van de betrouwbaarheid is een standaardisatie is aangebracht in de vragenlijst (topics) en de vraagstelling (Boeije, 2005, p. 145). Tijdens de interviews zijn alle topics aan de orde gekomen. Alleen de interviews van Haarlem, Hardenberg en Meer met Minder zijn volledig uitgeschreven en als bijlagen toegevoegd. Voor de interviews met Apeldoorn, Amersfoort en de SalecoGroep is dit niet gebeurd. Figuur 3: indeling interview naar techniek Bron: (Boeije, 2005, p. 58)
  32. 32. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 32 | P a g i n a 3.5 Het beleid achter de ontwikkeling van beleidsinstrumenten wordt gedefinieerd als de beleidstheorie. De beleidstheorie is geen wetenschap op zich, maar een situatie gericht op de praktijk en daarom te beschouwen als een handelingsvorm (Van Heffen, 2008, Pp. 205-206). HET BELEIDSPROCES Het tot stand komen van een beleidsinstrumentarium staat sterk in relatie tot de doelgroep waarop de instrumenten betrekking hebben (eigenaar-bewoners van particuliere woningen) en de organisatie(s) die het beleid moeten implementeren (markt en gemeenten) (Van Heffen, 2008, Pp. 205-206). Het proces wordt bepaald door de kenmerken en de onderlinge machtsverhoudingen tussen deze actoren (Bressers, Pullen en Schuddeboom, 1990, p. 44). Wil men iets zeggen over de effectiviteit van het Maatwerkadvies, dan is het nodig daar inzicht in te krijgen. Ook daarom is gekozen voor een kwalitatieve benadering van dit onderzoek. 3.5.1 Beleidsevaluatie Via de casestudies is het beleid geëvalueerd. Dit beleid bestaat uit verschillende cyclische processen. Er bestaan 4 typen beleidsevaluatieve onderzoeken met elk unieke kwaliteitseisen (Glasbergen, 1994; Hoorens en Oortwijn, 2005, p. 5). In dit onderzoek staat de beoordeling van de effecten van het uitgevoerde beleid centraal (Glasbergen, 1994, Pp. 227-228). Daarmee bevindt dit onderzoek zich, voor wat betreft het empirische deel, in de fase van de beleidsuitkomsten (typen: ex-nunc en/of ex post). 3.6 ONDERZOEKSMODEL Het onderzoek bestaat uit 4 fasen. In figuur 4 zijn deze fasen gevisualiseerd. Allereerst het vooronderzoek (onderdeel van fase 1). In het vooronderzoek vond de probleemverkenning plaats aan de hand van de beschikbare literatuur en verschillende interviews. Figuur 4: onderzoeksfasen
  33. 33. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 33 | P a g i n a Het vooronderzoek is te beschouwen als een algemene verkenning van het beleidsveld energiebesparing in de gebouwde omgeving. Uit de resultaten van het vooronderzoek is een selectie gemaakt van de te onderzoeken gemeenten en is kennis opgedaan van specifieke instrumenten in relatie tot het energie- en klimaatbeleid. Het vooronderzoek leverde daarmee input voor de uitvoering van het theoretische deel (fase 1). Gedurende fase 1 vond een verdieping plaats van de beschikbare wetenschappelijke kennis over energiebesparing in de gebouwde omgeving en de rol van het Maatwerkadvies Energiebesparing. Op grond van de resultaten van het theoretisch deel (fase 1) is een aantal toetsingscriteria gedefinieerd over de werking van het Maatwerkadvies, de rol van de gemeenten, de markt en gedragsaspecten van eigenaar-bewoners. Vervolgens zijn deze toetsingscriteria in fase 2, aan de hand van het empirisch onderzoek, beoordeeld (beleidsevaluaties via de casestudies). Deze beoordeling vond plaats door een kwalitatieve beoordeling van de criteria. De resultaten van deze score zijn vervolgens verwerkt in het model van Green en Kreuter volgens de methodiek van Egmond (2006a). Tijdens de synthese in fase 3 ontmoeten criteria en instrumenten elkaar. De toepassing van het model van Egmond (2006a) maakt het mogelijk om gemeentelijke instrumenten te selecteren die het meest effectief zijn naast het Maatwerkadvies. Tenslotte worden daaruit conclusies getrokken in fase 4. 3.7 Binnen dit onderzoek is niet exact een scheiding aan te brengen tussen het theoretische deel en het empirische deel. Zowel het verzamelen van de data, de analyse en het bestuderen van de theorie wisselden elkaar gedurende het onderzoek veelvuldig af via iteratie. Ter verduidelijking van dit proces is figuur 5 toegevoegd. Dit figuur bevat een schematische weergave van de onderzoekseenheden. ONDERZOEKSEENHEDEN EN PROCES Figuur 5: iteratief onderzoeksmodel
  34. 34. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 34 | P a g i n a 3.8 INTERPRETATIE EN VERWERKING VAN GEGEVENS In dit onderzoek is gekozen voor een open en pragmatische onderzoeksopzet waarbij de nadruk ligt op praktische relevantie (Bosch en Boeije, 2005, p. 2). Dit komt tot uiting in de verwerking van de empirische gegevens. Die verwerking vond plaats door interpretatie van de gesproken teksten, geïnspireerd door de gefundeerde theoriemethode van Glaser en Strauss (Bosch en Boeije, 2005, p. 3; Boeije, 2005, p. 80; Verschuren en Doorewaard, 2007, Pp. 193 t/m 201). Daarvoor is gekozen omdat in dit onderzoek ruimte is gezocht voor creativiteit. Vanuit een bepaalde vooraf ontwikkelde theorie (toetsingscriterium) is gekeken naar de onderzoekseenheden (Boeije, 2005, p. 80). De onderzoeksgegevens zijn geïnterpreteerd door middel van gegevensvergelijking en “theoretische sensitiviteit”. Theoretische sensitiviteit wil zeggen “het vermogen van de onderzoeker om creatieve vindingen te maken in de onderzoeksgegevens door vanuit een bepaalde theorie naar de gegevens te kijken” (Boeije, 2005, p. 80; Bosch en Boeije, 2005, p. 9).
  35. 35. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 35 | P a g i n a 4 HET MODEL VAN GREEN EN KREUTER In hoofdstuk 3 is al even aandacht besteed aan het model van Green en Kreuter (1999) en de rol daarvan in dit onderzoek. In dit hoofdstuk wordt dit model gebruikt aan de hand van het werk van Egmond (2006a). Deze methode maakt het mogelijk om gedrag van eigenaar-bewoners in relatie tot het Maatwerkadvies, instrumenten en omgeving aan elkaar te koppelen (Egmond, 2006, Pp. 11 t/m 14; Egmond, 2006a). Door een kwalitatieve beoordeling komt het model tot een selectie van geschikte instrumenten. In dit hoofdstuk komen de overwegingen aan de orde waarom dit model is gekozen. Daarna volgt een beschrijving van het model en een uitleg hoe het model in dit onderzoek wordt gebruikt. 4.1 INLEIDING Het succes van het Maatwerkadvies is afhankelijk van het gedrag van de doelgroep en omgevingsfactoren. Dit gedrag is intentioneel. Het gaat er dus om instrumenten te definiëren die invloed uitoefenen op dit gedrag. Daarvoor is een verdieping mogelijk door toepassing van een gedragsmodel (Rooijers, et al, 2006, p. 30). Wanneer inzicht bestaat in het gedrag, is de volgende stap de juiste instrumenten te selecteren om dit gedrag te sturen. 4.2 GEDRAGSMODEL Bij de keuze van een beleidsinstrumentarium kan het instrument centraal worden gesteld (instrumentgeoriënteerde aanpak) of het besluitvormingsproces van de doelgroep. Twee volledig verschillende uitgangspunten. 4.2.1 Deze theorie is ontwikkeld door Bressers en Klok (1991) als hulpmiddel voor het vergelijken van beleidsinstrumenten. De theorie gaat uit van een vereenvoudigde weergave van de werkelijkheid door het creëren van verschillende scenario’s (Bressers, 1994, p. 129). De theorie geeft inzicht in de te verwachten effecten van de beleidsinstrumenten. De instrumententheorie wordt gebruikt bij een rationele benadering van het probleem (Baarsma en Janssen, 2007, p. 270). INSTRUMENTENTHEORIE Bij gedrag van eigenaar-bewoners in relatie tot energiebesparing is van een rationele denkwijze vaak geen sprake. Hun beslissingen zijn irrationeel omdat niet het hele speelveld kan worden overzien. Bovendien ontbreekt het vaak aan kennis en kunde. Daardoor is sprake van begrensde rationaliteit (Bressers, 1994, p. 129). Dit wordt nog eens versterkt door de fragmentatie van de doelgroep, bestaande uit vele actoren met elk hun eigen rationaliteit. Dat maakt een instrumentgeoriënteerde aanpak in dit geval onverstandig. Het instrument staat dan centraal en niet de doelstelling van het beleid waardoor een soort “trial- en error-effect” ontstaat. Op dit moment wordt deze methode veel toegepast door gemeenten in relatie tot energiebesparing (Uitdenbogerd, Egmond, Jonkers en Kok, 2007, p. 1852). 4.2.2 Gedragsveranderingen zijn het gevolg van een combinatie van individuele afwegingsprocessen en de interactie met de omgeving (sociale omgeving, fysieke omgeving). INSTRUMENTENPLANNER. Er bestaan verschillende modellen die het gedrag van consumenten proberen te verklaren. Een belangrijk model is gebaseerd op Fishbein en Ajzen (Kok en Damoiseaux, 2000, p. 44).
  36. 36. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 36 | P a g i n a Het gedrag in dit model bestaat uit twee factoren. De eerste factor is het effect van het gedrag. De tweede factor wordt bepaald door de sociale omgeving, het normatieve element (Rooijers, et al, 2006, p. 27). Een ander model is het gedragsmodel van het Sociaal en Cultureel Planbureau. In dit model wordt het gedrag beschreven aan de hand van het aanbod, de mogelijkheden en de motivatie (Rooijers, et al, 2006, p. 28). Het nadeel van deze modellen is dat de relatie tussen instrumenten en gedrag onderbelicht blijven. Daarom is gekozen voor de systematiek van Egmond (2006a) dat gedrag en instrumentarium integreert op basis van het model van Green en Kreuter (1999), zie figuur 6. Figuur 6: model van Green en Kreuter (1999) Bron: (Egmond, 2006a, p. 17) Voor dit onderzoek zijn de stappen 1, 2, 3 van belang. Stap 1 is de definiëring van de doelstelling. Stap 2 bevat de determinanten van het gedrag (gedragsbeïnvloedende factoren). Stap 3 is de keuze van het instrumentarium. 4.2.3 Het model van Green en Kreuter wordt vaker toegepast in relatie tot energiebesparing (Rooijers, et al, 2006, Pp. 28-29; Schillemans, R.A.A., F.R. Rooijers en J.H.B. Benner, 2006, p. 4; Egmond, 2010). Daarbij geldt als uitgangspunt dat het gedrag van de doelgroep in belangrijke mate wordt bepaald door het instrumentarium en vice versa. BESCHRIJVING MODEL Het model is afkomstig uit de gezondheidszorg waar het gebruikt wordt als interventiemodel ter bevordering van gezond gedrag (Burg, Assema en Lechnerd, 2007, p. 22). Het manifesteert zich in twee richtingen. Van rechts naar links wordt het gebruikt ter vaststelling van de instrumenten. Van links naar rechts is het een evaluatiemodel. Het model bewijst zijn bruikbaarheid in het proefschrift van Egmond ‘Focus on Change’ (2006a) en allerlei afgeleide onderzoeken (Egmond, 2010; Agentschap NL, 2010a). Het voordeel van dit model ten opzichte van andere gedragsmodellen is dat het niet lineair is opgebouwd, maar dat er sprake is van integratie tussen instrumentengedrag en omgevingsfactoren.
  37. 37. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 37 | P a g i n a Als omgevingsfactor kan een gemeentelijke overheid fungeren. Zij kan de voorwaarden creëren waaronder het vertonen van het gewenst gedrag, ten opzichte van het Maatwerkadvies, mogelijk wordt. 4.2.4 Het model gaat ervan uit dat de instrumenten niet rechtstreeks op het gedrag van eigenaar- bewoners invloed uitoefenen, maar op gedragsbeïnvloedende factoren. Vervolgens zijn die factoren op hun beurt weer van invloed op het gedrag van de actoren (Egmond, 2010, p. 8). In de figuur hieronder is deze denkwijze gevisualiseerd. OPBOUW VAN HET MODEL Figuur 7: vereenvoudigde weergave van de werking van het model van Green en Kreuter Bron: (Egmond, 2010, p. 8) Het model is gericht op intentioneel gedrag, ervan uitgaande dat uitvoering van het Maatwerkadvies ook intentioneel is. Dit gedrag heeft volgens Rooijers, et al (2006) de meeste betrekking op het Maatwerkadvies. 4.3 DE GEDRAGSBEÏNVLOEDENDE FACTOREN WILLEN, KUNNEN EN VERSTERKEN In stap 2 van het model worden de factoren bepaald die het gedrag van eigenaar-bewoners in relatie tot het Maatwerkadvies beïnvloeden. Dit gedrag is een uitvloeisel van allerlei ingewikkelde, op elkaar ingrijpende aspecten. Die aspecten zijn in 3 hoofdcategorieën ingedeeld: “Willen, Kunnen en Versterken.” De combinatie van deze factoren verklaren de gedragingen van de doelgroep (AgentschapNL, 2010). 4.3.1 De motiverende determinant “Willen” is te relateren aan persoonlijke kenmerken van de individuen. Ze bestaat uit de onderdelen awareness (bewustzijn), kennis, sociale invloeden, attitude (houding) en bekwaamheid. WILLEN (MOTIVEREN) “Willen” heeft te maken met de motivatie om aan energiebesparing te doen en leidt tot het voornemen om daadwerkelijk met energiebesparing aan de slag te gaan (uitvoering van het Maatwerkadvies). De component is gerelateerd aan, weten, voelen, vinden, waarderen en vertrouwen (Egmond, 2010, Pp. 11 t/m 13; AgentschapNL, 2010a, Pp. 15 t/m 17).
  38. 38. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 38 | P a g i n a Dit zijn vooral psychologisch- en sociaal-emotionele factoren (Egmond, 2010, p. 11; Van de Maele- Vaernewijck, Van Raaij en Verhallen, 1980, p. 180). Allerlei aspecten spelen daarin een rol, bijvoorbeeld het gedrag van anderen (opinieleiders,etc.) (Woerkum, Van, 1999, p. 87), maar ook waarden en normen, consumptiepatroon, inkomen, opleiding. Zo neemt milieuvriendelijk gedrag toe naarmate het inkomen en het opleidingsniveau stijgen. 4.3.1.1 Awareness bepaalt of iemand op de hoogte is van het gewenste gedrag. Met andere woorden de eigenaar-bewoner heeft notie van het feit dat hij zijn gedrag kan beïnvloeden door uitvoering van een Maatwerkadvies. Kortom er is aandacht voor het Maatwerkadvies. Awareness (bewustzijn) 4.3.1.2 Het kennisaspect bepaalt in hoeverre de eigenaar op de hoogte is van het belang van het advies. Kennis 4.3.1.3 Sociale invloed heeft te maken met de beïnvloeding van de eigenaar-bewoner door de sociale omgeving waarin hij of zij verkeert. Mensen zijn daar gevoelig voor, bijvoorbeeld voor de gedragingen van een invloedrijk persoon (opinieleider). Sociale invloed 4.3.1.4 Dit betreft de houding van de eigenaar-bewoner ten opzichte van het gewenste gedrag. Deze houding ontstaat doordat men in staat zijn gedrag te evalueren. Die houding is beïnvloedbaar door de waarde die men hecht aan voor- en nadelen van het gedrag. Attitude 4.3.1.5 De ingeschatte bekwaamheid Dit wil zeggen dat eigenaar-bewoners een inschatting maken of ze in staat zijn (het vermogen) en/of de vaardigheden hebben om het gedrag aan te vertonen. 4.3.2 De factor “Kunnen” is een in staat stellende determinant en heeft te maken met externe hulpmiddelen (omgevingsfactoren). Het zijn externe randvoorwaarden zoals financiële-, technische- en organisatorische hulpmiddelen. Het “Kunnen” bepaalt of het gedrag ook echt mogelijk is en kan worden doorgevoerd (de mogelijkheden of onmogelijkheden van het vertonen van het gedrag). Technische voorzieningen en subsidies vallen hieronder, maar ook het aanleren van nieuwe vaardigheden van de doelgroep. Het gaat erom dat men in staat wordt gesteld om bepaald gedrag te gaan vertonen (Egmond, 2010, p. 12). Hieronder worden de onderdelen toegelicht: KUNNEN (IN STAAT STELLEND) 4.3.2.1 Het gaat hier om de beschikbaarheid (of afwezigheid) van financieringsconstructies. Bijvoorbeeld de Rijkssubsidieregeling die werd ingevoerd naast het Maatwerkadvies en/of de aanwezigheid van een (goedkope) duurzaamheidslening. Financiën 4.3.2.2 Het gaat hier om de technische randvoorwaarden om het Maatwerkadvies uit te voeren. Dit vanuit het perspectief van de eigenaar-bewoners maar ook vanuit de markt. Technische voorzieningen 4.3.2.3 De aanwezigheid van een uitvoeringsstructuur (netwerk). Bijvoorbeeld van mensen die het Maatwerkadvies afnemen. Ook heeft dit te maken met ontzorgen (beschikbaarheid van een helpdesk, enzovoorts). Organisatorisch
  39. 39. Integraal onderzoek naar een geschikt gemeentelijk instrumentarium in relatie tot de effectiviteit van het Maatwerkadvies Energiebesparing bij eigenaar-bewoners van particuliere woningen. 39 | P a g i n a 4.3.2.4 Deskundigheidsbevordering waarmee wordt bedoeld dat de doelgroep nieuwe competenties (handelingen) leert of krijgt aangereikt waarna het gewenste gedrag kan worden getoond. Dit kunnen zowel cognitieve als ook praktische handelingen zijn. Nieuwe Vaardigheden 4.3.3 “Versterken” zijn vooral de externe feedback factoren. Dus kenmerken uit de omgeving die ervoor zorgen dat het gewenste gedrag wordt beïnvloed. Die invloeden kunnen zowel positief zijn, dan werken ze versterkend, maar ook negatief, dan werken ze remmend. VERSTERKEN (BESTENDIGEND) Denk hier aan sociale interactie, zoals de invloed van gelijken, van experts en de invloed van het gezag. Eigenlijk gaat het hier ook om een stukje nazorg die, in het geval van het Maatwerkadvies, betrekking kan hebben op het doorvoeren van de werkelijke besparingsmaatregelen. 4.3.3.1 Gelijken Het gaat hier om sociale ondersteuning en dus de versterkende of verzwakkende invloed van directe familie, vrienden en/of buren. (familie en vrienden) 4.3.3.2 Experts Dit is de invloed van experts op het gebied van het Maatwerkadvies. Dit kunnen bedrijven zijn zoals de SalecoGroep en/of de Vereniging Eigen Huis. (instellingen, bedrijven en/of professionals) 4.3.3.3 Hier wordt bedoeld de feedback van de gemeente. Dit kan door middel van financiële instrumenten en communicatie-instrumenten. Kenmerkend is dat deze feedback gebaseerd is op macht. Gezag (gemeentelijke overheid) 4.4 DE VASTSTELLING VAN DE GEDRAGSBEÏNVLOEDENDE FACTOREN Normaliter, in de meest optimale omstandigheden, zouden de gedragsbeïnvloedende factoren en het belang daarvan (gewicht) worden vastgesteld door onderzoek te doen onder de doelgroep (eigenaar- bewoners van particuliere woningen). Door het ontbreken van de juiste gegevens is hiervoor geen kans gezien. Daarom is gekozen om via een alternatieve route inzicht te krijgen in de gedragsbeïnvloedende factoren. Deze werkzaamheden vonden plaats in fase 1 (het theoretisch deel) van het onderzoek. In deze fase werd geconstateerd dat het aan wetenschappelijke informatie ontbreekt waarmee een direct verband is aan te tonen tussen gedrag van de doelgroep en het Maatwerkadvies. Alleen literatuur met een indirect verband is gevonden. Deze onderzoeken gaan over het gedrag van eigenaar-bewoners in relatie tot energiebesparing in het algemeen, ten opzichte van het energielabel, renovatie en energie-investeringen. Uit deze onderzoeken komen aspecten naar voren van eigenaar-bewoners die een indicatie geven over hun gedrag en houding in relatie tot het maatwerkadvies. Deze aspecten zijn verzameld en ingedeeld naar de gedragsbeïnvloedende factoren “Willen, Kunnen en Versterken” van het Green en Kreuter model (Interview, Egmond, 2011), aangevuld met de verzamelde gegevens uit de hoofdstukken 5, 6 en 7. Vervolgens zijn uit deze aspecten de toetsingscriteria gedefinieerd voor het empirische deel van het onderzoek. In hoofdstuk 8 worden deze criteria genoemd. In figuur 8 wordt een korte uitleg gegeven hoe bovengenoemde stappen zijn gemaakt. Als voorbeeld wordt de gedragsbeïnvloedende factor “Willen” gebruikt.

×