Het huisgezin van Douwe Claasen
Upcoming SlideShare
Loading in...5
×
 

Het huisgezin van Douwe Claasen

on

  • 825 views

Geschreven door C.J. Manje - Ameland omstreeks 1933

Geschreven door C.J. Manje - Ameland omstreeks 1933
ISBN/EAN 978-90-819724-2-0
Uitgegeven door Ambla Forma - Sint Michielsgestel (NL)

Statistics

Views

Total Views
825
Views on SlideShare
420
Embed Views
405

Actions

Likes
0
Downloads
1
Comments
0

3 Embeds 405

http://www.amelanderhistorie.nl 338
http://m.amelanderhistorie.nl 47
http://cms.amelanderhistorie.webnode.nl 20

Accessibility

Categories

Upload Details

Uploaded via as Adobe PDF

Usage Rights

© All Rights Reserved

Report content

Flagged as inappropriate Flag as inappropriate
Flag as inappropriate

Select your reason for flagging this presentation as inappropriate.

Cancel
  • Full Name Full Name Comment goes here.
    Are you sure you want to
    Your message goes here
    Processing…
Post Comment
Edit your comment

Het huisgezin van Douwe Claasen Het huisgezin van Douwe Claasen Document Transcript

  • Het huisgezin van Douwe Claasen Hollum, Ameland, 1784 tot 1853
  • CIP-GEGEVENS KONINKLIJKE BIBLIOTHEEK, DEN HAAG Het huisgezin van Douwe Claasen Geschreven door C.J. Manje - Ameland omstreeks 1933 Bewerkt door Marian en René Stender Uitgegeven door Ambla Forma - Sint Michielsgestel (NL) ISBN/EAN 978-90-819724-2-0 Trefw.: ameland; hollum; dagelijks leven; vroeger; kerk; geloof; familie; Ambla Forma, Gemonde (NL) Mail: info@amblaforma.eu Eerste druk, 2013 Deze uitgave is uitsluitend digitaal (als e-book) te verkrijgen. Op de tekst berust geen copyright. Wel is bronvermelding vereist (“Het huisgezin van Douwe Claasen” en/of het ISBN nummer).
  • Inhoud Voorwoord. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 2 Inleiding. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 3 Het huisgezin van Douwe Claasen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 Eenige bijzonderheden aangaande Willem Hendruiks de Boer en Jetske Tjeerd Visser een vervolgens. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 19 Index familienamen. . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . . 32 Het huisgezin van Douwe Claasen 1
  • Voorwoord Amelanders zien er voor de buitenwereld misschien net zo uit als andere mensen, maar het is zonder enige twijfel een heel speciaal ras. Wars van gezag van buitenaf, met eigen regels, een eigen mentaliteit en, niet onbelangrijk, een geheel eigen humor. De Amelander is dus per definitie een apart persoon, en dat is een erfenis die ik van huis uit meekreeg. Het houdt onder meer in dat je daarmee je gehele leven, overigens vaak onbewust, bezig bent om te weten wat dat Amelander zijn eigenlijk inhoudt. Een soort “zoeken naar de bron”. Maar omdat je daarnaast ook nog je dagelijks brood moet verdienen, was ik ondertussen in Brabant terecht gekomen. Waar ik een collega trof die, alsof de duvel er mee speelt, met een Amelandse was getrouwd. Van het een komt het ander, en het duurde niet lang voordat deze mij verblijde met een stamboom van mijn familie tot omstreeks 1700 (ze waren toch bezig en hadden daarbij ook mijn familienaam gelijk maar uitgezocht) én twee boekjes. Eén met een handgeschreven verhaal van C.J. Manje (1873-1963) over “Het huisgezin van Douwe Claasen” te Hollum. En een tweede genaamd “Eenige bijzonderheden aangaande Willem Hendriks de Boer en Jetske Tjeerd Visser 1 een vervolgens”. Deze Douwe Claasen (geboren op 21-3-1784 en overleden op 18-10-1853) bleek achteraf mijn 4e overgrootvader te zijn, maar de beschreven verhalen zijn waarschijnlijk voor vele andere Amelanders (en niet Amelanders) net zo interessant. Getracht is om de geschreven tekst zo goed mogelijk te ontcijferen en letterlijk over te nemen. De opgenomen afbeeldingen zaten vanzelfsprekend niet in deze boekjes, maar zijn ter illustratie toegevoegd. René Stender 13 maart 2013 1 De voornaam Jetske lijkt in de oorspronkelijke tekst soms ook als IJtske te worden geschreven. Wij hebben echter Jetske aangehouden (R.S.) Het huisgezin van Douwe Claasen 2
  • Inleiding Hetgeen ik hier ga mede delen, heb ik vernomen uit de mond van mijn Grootmoeder Trientke Douwes Hennes die ofschoon al reeds op hoogen leeftijd gekomen zijnde, nog thans zoo helder van geest was, dat zij zelf meermalen te kennen gaf, dat haar verstandelijke vermogens niet schenen af te nemen maar eerder nog beter werden. In den geest doorleefde zij nog steeds den tijd haren jeugd in het ouderlijke huis, waar zoo veel doorleefd werd, dat het haar in haren ouderdom nog gedurig stof gaf om daarvan te vertellen, terwijl ik als aankomende jongen, altijd zeer veel belang stelde in hetgeen zij vertelde en gedurig haar aanspoorde om verder door te gaan. Ik stelde dan allerlei vragen dien aangaande die zij dan weer zoo veel mogelijk beantwoorde en opheldering gaf van het geen mij niet direct duidelijk was. Wat Gr.m. mij zoo voor en na vertelde heb ik goed onthouden, even als of ik het pas gisteren hoorde. En hier mede nu wil ik gevolg geven aan mijn voor nemen n.l. het in schrift brengen van het geen mij bekend is uit het leven van Douwe Claasen Hennes Hollum, Ameland C.J. Manje Het huisgezin van Douwe Claasen 3
  • Het huisgezin van Douwe Claasen Douwe Claasen was een zoon van Klaas Douwes Hennes en Trientke Jans. Hij was gehuwd met IJmme Claasen Bakker, dochter van Klaas Jobs en Berske Jacobs, uit dit huwelijk zijn voor zoover bekent 4 zoons en 2 dochters geboren t.w. Jacob, Klaas, Jan, Betske, Trientke en en Klaas. De oudste Klaas werd altijd groote Klaas en de jongste kleine Klaas genoemd. Jacob schijnt na veel lijden aan dauwworm enz. op nog jeugdigen leeftijd te zijn gestorven. Groote Klaas moest tijdens den oorlog met België voor zijn nummer ten strijde trekken en is na veel wedewaardigheden gezond en wel weer terug gekomen. Later evenwel is hem een ongeluk overkomen waardoor hij voor zijn verdere leven ongelukkig en hulp behoevend werd. Hij zou n.l. op zekeren tijd naar den zolder boven de vee stallen de z.g. “verdieping” en klom daartoe daar er geen ladder aanwezig scheen te zijn, bij de eg die overeind in het hooi vak stond naar boven. Ongelukkigerwijs begon deze te kantelenen viel om, waardoor Klaas zoo danig met de ijzeren punten den eg in aanraking kwam, dat hij aan een zijnen beenen ernstig verwond werd. Een dokter werd niet geraadpleegd, doch zijn moeder behandelde het been op haar manier en wikkelde er vervolgens heel wat lappen om. Het gevolg van een ander was, dat het in plaats van beter hoe langer hoe erger werd tot dat op ‘t laatst het been geheel krom gebogen en stijf werd, zoo dat hij zich later op twee krukken moest verplaatsen. Nog weer later is het met zijn verstandsvermogen ook minder geworden en deed soms heel zonderling. In de laatst tijd zijns levens leefde hij geheel afgezonderd in de ouderlijke woning waarin hij op gevoed was en kwam allen ‘s middags wanneer het etenstijd was, na dat zijn moeder hem geroepen had, bij de familie in de huiskamer. Hij ging dan niet bij hun aan tafel zitten, maar liep naar de kast die in het vertrek stond, en een bord met koud eten van den vorigen dag daar afnemende ging hij daar mede bij het z.g. “spien” zitten om daar zijn koude en verstijfde eten te verorberen. Het warme voedsel van dien dag werd dan door hem weer boven op de kleerkast neergezet voor den volgenden dag. Ook waren allerlei huishoudelijke dingen van zijn gading. Werd er eens wat vermist b.v. een schaar, een mes, een bordje kannetje, ‘t een of ander Het huisgezin van Douwe Claasen 4
  • kleedingstuk of iets dergelijks, dan zeide zijn moeder, och dat zal Klaas wel weer hebben meegenomen, ze zagen het dan ook niet weer terug. Na zijn dood vonden ze in de kamer waar hij de laatste jaren zijns levens in eenzaamheid had doorgebragt, al deze voorwerpen terug. Zelfs een massa steenen trof men er aan, welke hij in de kamer had opgestapeld. Het is te begrijpen dan zijn moeder veel met hem beleefd heeft. Hij stierf in het jaar 1856. Nog erger was het gesteld met de jongste zoon, Kleine Klaas die volslagen krankzinnig was geworden en op ‘t laatst aan een ketting vast gebonden op een hoop stro lag in de achterste kamer van familie Hennes in de oosterlaan. Dit huis draagt in de voorgevel in ankercijfers het jaartal 1728. Hollum, Oosterlaan met in de voorgevel het jaartal 1728 En ook Betske was niet heelemaal zoo ‘t behoorde kon op school ook niet veel leeren en was ook niet geschikt om bij anderen te verkeeren, zoo dat haar moeder haar meestal maar bij zich hield, in huis kon zij wel aardig wat doen, waar door moeder IJmme wat meer de handen ruim had om kleine Klaas te verzorgen, want daar ging zij alleen over. Niemand kwam anders bij hem. Gebeurde het eens een enkele keer dat iemand uit Het huisgezin van Douwe Claasen 5
  • nieuwsgierigheid om de hoek van de kamerdeur naar hem ging kijken, dan trok hij direct de deken over zijn hoofd, want hij was van wege zijn afzondering ook menscheschuw geworden, maar het ergste was dat hij zijn verstand vermogens kwijt was. Zoo als gezeg. Betske was ook niet geheel normaal en zoo als het helaas maar al te veel gebeurt worden zulke stumpers ook nog altijd geplaagd waar door ze natuurlijk niet beter worden, maar zich dan ook nog kwaad maken en geheel overstuur geraken. Iemand zeide eens tot IJmme Klaasen, och IJmme wat heb jou ook wat op de wereld, je beleeft wat, och zei IJmme het kon nog slimmer. Nog altijd scheen zij gelaten en te rusten in haar lot. Wel zeide ze soms, meer in zich zelf, als ons mem het eens wist, als ons mem het een wist, maar tegenover anderen klagen over het kruis dat zij in dezen had te dragen dat deed zij niet. Zoo lang moeder IJmme nog leefde ging alles zoo zijn gewonen gang, maar kwam die eens te vallen, want zij begon al flink op jaren te komen, wie zou dan voor die achter blijvers de stakkers zorgen? Gewis heeft zij zelf ook veel daarover getobt, maar tevens ook geweten waar zij met al hare bekommennissen heen moest. Eindelijk brak de dag aan dat dit moeite vol leven een einde nam. Het was in het jaar 1875 dat zij het moede hoofd neder legde en insliep. Het was de slaap des doods. Nu volgden er voor Klaas nog een paar moeilijke weken. Nu zijn moeder niet meer kwam om hem ter verzorgen en toe te spreken, werd hij onrustiger en riep onophoudelijk “Mem, mem”. Dit heeft zoo eenige weken geduurd en toen is ook hij gestorven. Algemeen werd aangenomen dat hij van heimwee gestorven was. Toen ze hem op namen om z.g. af te leggen, bleek hij heelemaal krom en vergroeid te zijn, het was een misvormde gestalte waar het hoofd met lang en onverzorgd haar en baard omringd was. Er moest een buitenmodel kist gemaakt worden om het lichaam van dezen ongelukkige te kunnen bergen. Nu moet ik nog even iets aan halen over Betske, zij was in haar jonge jaren met iemand verloofd, een zekere Klaas Appelman (ook wel Gabbe Klaas genoemd) en stonden op ‘t punt om te trouwen. Haar aanstaande man begaf zich op zekeren dag daar toe op weg naar Nes om bij den burgelijken stand aangifte te doen van hun voorgenomen huwelijk. Het huisgezin van Douwe Claasen 6
  • Het was in den ochtend van den 19 october 1840 dat eenige personen op reis zijnde naar Nes voor de slenk aan kwamen, waar toen het water zeer hoog stond. Ze waren met een wagen en dachten er nog wel door te kunnen, maar dit viel hun erg tegen. In plaats van er door te komen geraakten ze als ‘t ware in een gat, het welk zoo diep scheen te zijn, dat de paarden begonnen te zwemmen. Enkelen van hun op levensbehoud bedacht, probeerden door aan der paarden te gaan hangen aan de overkant te komen. In 1809 nam de landmeter Cornelis Boling enkele dwarsprofielen op, ter hoogte van de Slenk. Hij tekende deze op een kaart van P. van Diggelen, dat weer een kopie was van de kaart van Pieter de la Rive uit 1731. Bron: Rijks Archief te 's Gravenhage. Juist op dat critieke oogenblik naderde er iemand uit het dorp Nes, het was Johannes Lolkes Wagenaar die al ras bespeurde dat er iets bijzonders aan de hand was, waarom hij zich haaste om bij hun te komen. Al spoedig zag hij het gevaar waarin deze menschen verkeerden en trachte zonder beraad al het mogelijke te doen wat gedaan konde worden om deze in nood verkeerrenden te helpen. Na veel moeite gelukte het hem met behulp van een paard twee hunner op het drooge te brengen, een derde echter kon hij niet grijpen, zoo dat deze met het water worstelende man ten slotte niet meer in staat was het hoofd boven water te houden en begon te zinken. De pogingen welke nog tot redding werden aangewend, bleven vruchteloos en moest men ‘t aanzien, dat deze jonge man door verdrinking om het leven kwam. Het huisgezin van Douwe Claasen 7
  • Eenigen tijd later schonk Betske het leven aan een jonge dochter welke Jantje genoemd werd. Dit meisje werd bij het opgroeien echter te veel in huis gehouden, verder dan het erf bij huis mocht zij niet komen, zoo dat zij in ‘t geheel geen omgang met anderen kinderen had en zij later toen ze volwassen was menschen schuuw was geworden, en soms heel vreemd kon doen. Met de jaren werd dat er niet beter op en in het laatste van hun leven werd het zoo erg dat ze niet meer vertrouwd waren om hun huishouding op te houden en er werk van gemaakt werd om ze in een gesticht te krijgen. Den 27 juli 1887 was de dag dat ze zijn afgereisd. Met de visschers Snik van Jitse de Jong werd de reis naar Harlingen ondernomen. Afbeelding Snik Mijn oom Douwe W. de Boer ging mee als geleiders. Toen ze in Harlingen aan kwamen stond er een wagen gereed om ze in ontvangst te nemen. Mijn oom en Jitse de Jong namen eveneens plaats in den wagen en ging de reis verder naar Franeker, alwaar ze voor het krankzinnigen gesticht stil hielden. Hier werden de zware deuren ontgrendeld en geopend en de wagen naar binnen gereden, waarna de deuren direct weer gesloten werden. Ze zouden voor hun niet meer geopend worden dan bij hun dood. Reeds de eerst aankomende winter kwam Betske te overlijden, terwijl haar dochter Jantje die nu alleen over bleef, in den zomer daarop stierf. Het huisgezin van Douwe Claasen 8
  • Het huis gezin van IJmme werd na haar mans dood financieel gesteund door Krankzinnigengesticht Franeker de Doopsgezinde gemeente te Amsterdam. Terwijl na den dood van moeder IJmme, Betske en haar dochter even eens zoo lang zij leefden deze ondersteuning hebben genoten, door dat in aanmerking werd genomen, dat Douwe Claasen in zijn leven de Doopsgezinde gemeente als voorganger gediend had. Trientke was de eenigste die geheel normaal en tevens ook flink bij de hand was. Af en toe was zij nog al eens bij haar Bep (grootmoeder) Trijntje Jans, die toen alleen woonde, om wat boodschappen te doen, wat licht huiswerk verrichten enz. Ook moet zijn nog al een haar Grootmoeder geleiden wanneer deze ergens heen moest op visite. ‘s Middags precies 2 uur gingen ze dan op stap en ‘s avonds haar weer terug halen. Wanneer ze thuis was en haar Grootmoeder haar niet direct noodig had, dan moest zij daar in allerlei arbeid mee helpen. Ook moest ze vaak met haar vader er op uit en hem overal behulpzaam zijn. b.v. naar ‘t veld te aardappels zetten, in de hooitijd ‘s morgens met Brood en koffie naar de maaiers die al vroeg naar ‘t veld waren gegaan om te maaien, werd het hooi thuis gehaald dan moest ze daar weer helpen in de schuur om het hooi te verstouwen. Paarden van de grie halen enz. Werd het op gestapelde hooi op ‘t laatst zoo hoog, dat het aan de z.g. balk toe kwam dan ging ‘t moeilijk om er boven op en er weer af Het huisgezin van Douwe Claasen 9
  • te komen. Dan moest haar vader haar op tillen en moest zij ondanks haar tegenstribbelen zien er tegen op te klimmen. Groote Klaas was niet in staat iets te doen aangezien hij zoo gebrekkig was, ook de andere jongens waren tot den arbeid niet geschikt, dus was zij als aangewezen in allerlei werkzaamheden te helpen. - Van schoolgaan is bij haar dan ook niet veel gekomen waar van het gevolg was, dat zij later helemaal niet kon schrijven. Wanneer het voorkwam dat ze haar handtekening moest plaatsen op een of ander stuk of akte, dan kon ze dat slechts heel gebrekkig doen. Met het lezen ging het echter beter ja zelfs zeer goed maar hier over later meer. Ja, het was bij Douwe Klaasen zoo als grootmoeder vaak zeide, “een bezochte huishouding”. Allerlei wederwaardigheden hebben ze gehad voor al met de kinderen hebben ze veel beleefd. En daar bij een schraal stuk brood zoo als men wel eens zegt. In de drukste tijd in den zomer moest er wel eens een knecht gehuurd worden voor eenige weken. Nu was het loon wat ze zoo’n knecht hadden te geven, des tijds niet zoo groot, want het geld had toen meer waarde dan in den tegenwoordigen tijd. Doch ze hadden hem dan ook op den kost en zoo’n jonge knecht, die zoo’n heelen dag mee op ‘t land werkte luste ook graag wat en IJmme Klaasen was niet karig, ze had veel voor een ander over. Brood kon ze nog wel geven, want dat haalden ze op den kerfstok 2. Later in de den herfsttijd wanneer het dorschen van het graan was afgeloopen en het gedorschte graan gezuiverd was werd het naar den bakker gebracht dan werd er een zekere dag bepaald voor het z.g. “kerfstok verrekenen”, een zeker bedrag werd dan als “bakloon” betaald, en men kon weer een geheel jaar zijn brood halen op de kerfstok. Maar geld was er gewoonlijk weinig in huis. Het is wel voorgekomen dat er geen geld meer aanwezig was om de aller noodzakelijkste dingen welke men in het dagelijks leven noodig heeft te kunnen koopen, zoo dat wel eens bij een goede buur werd aangeklopt en diens hulp werd ingeroepen, die dan een zeker bedrag ter leen gaf, waar voor dan een paar voorwerpen van waarde als pand gegeven werd. Zoo dra echter de omstandigheden het veroorloofden werden deze weer tegen betaling van het geleende bedrag ingelost. 2 Van elke 30 broden á 5 pond, werd f 1,00 bakgeld betaald (= toelichting van C.J. Manje) Het huisgezin van Douwe Claasen 10
  • Afbeelding van een kerfstok Het waren gewoonlijk een paar zilveren eetlepels die door de ouders waren nagelaten en dus geërfd waren en waar aan men gehecht was. Twee van zulke eetlepels zijn nog in mijn bezit. Deze lepels met in gegraveerde letters in de steel. K. D. A. K. zijn afkomstig van Klaas Douwes Hennes en Antke Klaases Das. Jaartallen komen op deze lepels niet voor. Ze zijn echter van vóór 1779, want toen was Antke Klaases niet meer in leven. In genoemd jaar is Klaas Douwes den 5 December voor de tweede keer in het huwelijk getreden met Trijntje Jans. Deze lepels herinnerenden nog aan een tijd van meerderen welvaart den vorige eigenaars waarvan Douwe Klaasen ze geërfd had en deswege ze ook niet graag wilden missen. Douwe Klaasen is wat het maatschappelijke betreft zijn vader niet op gevolgd, daar hij een eenigste zoon was is het zeer wel mogelijk dat zijn vader hem heeft afgeraden om naar zee te gaan en hem heeft laten opleiden in het boere vak, althans zoo als uit het hier verzamelde blijkt had hij een boerderij, en daar de boerderijen des tijds lang niet zoo groot waren als tegenwoordig (gemiddeld 4 á 5 koeijen, 2 paarden en wat jong vee navenant, zoo kan men wel eenigzins nagaan dat het veel al tobben was om rond te komen. Ja, Douwe Klaasen had geen gemakkelijk leven. Allerlei tegenslagen had hij te verduren zoo wel in zijn bedrijf als in zijn huiselijk leven. Het was als ‘t ware een gedurig worstelen en roeijen tegen den stroom. Hij was iemand met een eerlijk karakter en wilde graag aan al zijn verpligtingen voldoen, het welk hem soms veel hoofdbrekens koste. En bij al den lichamelijken arbeid had hij ook nog geestelijk werk te verrichten. Het geslacht dat de liefdepreekers gekend heeft is na genoeg uit gestorven, slechts enkelen zijn er nog die het zich kunnen herinneren dat de voorgangers der Doopsgezinden op Ameland in vroeger tijden z.g. Het huisgezin van Douwe Claasen 11
  • liefdepreekers waren. Deze werden bij stemming uit de broeder schap gekozen en bij gebleken geschiktheid werd hun gevraagd of ze ”het aan namen” Wanneer dan het antwoord bevestigend luidde. Zoo werden ze verzocht of ze zich wilden toe leggen om de hun opgelegden taak te kunnen volbrengen en ter gelegener tijd eens een proeve van hun geschiktheid te willen leveren in de vorm van een predicatie. Cornelis P. Sorgdrager, die ten 10 februari 1782 als leeraar werd verkozen zegt van zijn benoeming als zoo danig aldus “en hebbe op hoop en onder inwachting van de Goddelijke ondersteuning dit mijn op gelegde ambt aangenomen”. Ook Douwe Klaasen is dit te beurt gevallen. In het jaar 1822 werd hij tegelijk met Jan Douwes Dekker als leeraar verkozen en was hij hier door genoodzaakt door eenige zelfstudie zich tot deze taak te bekommeren. Overdag had hij daar toe geen tijd, dan nam zijn bedrijf al zijn tijd in beslag en was al zoo genoodzaakt om ‘s avonds soms in den nacht studie te maken voor een preek. Voor het vervaardigen van preekboekjes werden losse vellen papier aangeschaft, waar van de preekers zelf een preekboekje moesten zien te maken. Die preek boekjes hebben allen een zelfder formaat 16x20 cm. en varieeren van 32-52 bladzijden. Al de schrijfbenoodigdheden daar toe noodig werden gehaald bij den preeker C.P. Sorgdrager die er vermoedelijk een winkel op na hield. Mijn Grootmoeder was toen een meisje van 8-10 jaren, die daar dan heen moest om een en ander te halen, zoo als papier, inktpennen enz. Sorgdrager richt zich dan tot haar met de vraag “is het voor je heit”? Ja” zeide Gr. Moeder “nu meisje” zeide hij dan “dan mag ik geen geld nemen want dat is liefde werk”. En dat was ook zoo. Traktement kregen ze niet, ze deden hun werk n.l. hun arbeid in den dienst des Heeren uit liefde om door hun benaming, liefde dienaars. Zoo als gezegd werden Douwe Klaasen en Jan Douwes in 1822 tot leraar verkozen en werden in 1826 als zoo danig bevestigt. Dat zij in dien tuschen tijd wel eens zoo nu en dan gepreekt zullen hebben, is aan geen twijfel onder hevig. Het gebeurde wel meer dat er eenige jaren verliepen voor dat de bevestiging plaats vond. Met Sorgdrager verliepen er bijna 6 jaren, en met Jacob Heijs die tegelijk met Sorgdrager bevestigt werd zelfs 11 jaren Het huisgezin van Douwe Claasen 12
  • toen ze eindelijk vrijmoedigheid vonden om geregeld hun dienst waar te nemen. Hollum, Ameland in 1749 (Bron: www.amelandtekaart.webklik.nl) Het was den 10 september 1826 dat Douwe Klaasen en Jan Douwes door Hendrik IJnsen de Jong tot hun dienswerk werden ingeleid en bevestigd. Hendrik IJnsen deed dit naar aan leiding van 1 Cor. 3:5. Des namiddags verbond Douwe Klaasen zich aan de gemeente met een leerrede naar de woorden van Herbreën 13 vers 17, welk vers aldus luidt: “Zijt uwene voorgangeren gehoorzaam en zijt hun onderdanig, want zij waken voor uwe zielen als die zekerschap geven zullen. Op dat zij dat doen mogen met vreugde en niet al zuchtende want dat er is u niet nuttig”. Een copie van deze preek is in mijn bezit. Het huisgezin van Douwe Claasen 13
  • Wanneer Douwe Klaasen zijn preeken schreef, dan deed hij dat meest al bij zijn moeder Trijntje Jans, die één huis van hun af c.a. 35 Meter afstand, woonde en die alleen woonde, hij had daar niet de minste afleiding en kon al zoo rustig aan zijn preek voort werken. De voor kamer diende als studeer vertrek. Een flinke ruime kamer van 4¾ breed en 5 meter diep, al waar in de zuidoost hoek een lessenaar stond met een statenbijbel er op. Ook gebeurde het wel eens dat hij, wanneer ‘t soms wat laat werd daar bleef slapen, maar ook dan wanneer hij in bed lag kon hij nog lang met zijn preek bezig zijn. Grootmoeder die veel bij haar Bep verkeerde en daar sliep lag dan vaak er naar te luisteren tot dat eindelijk alles stil werd en zij met hun drieën weldra in slaap vielen. De preekers behoefden echter niet elken zondag op te treden, dat zouden ze bezwaarlijk kunnen hebben volbrengen, aangezien zij althans de boeren, dagelijks op den akker verkeerden en dan ‘s avonds wanneer het vee verzorgd was en het gezin van koffie en brood verzadigd weinig lust zullen gehad hebben om dan op nieuw te beginnen. Zij waren toch ook menschen met hun natuurlijke behoeften, en zal het ook wel zijn voorgekomen, dat onder het door bladeren den H. Schrift en ander studie materiaal, de slaap hun te machtig is geworden. Er waren gewoonlijk een zestal predikers, die om beurten deze dienst waarnamen in de drie dorpen. Omstreeks dien tijd waren er de volgende personen als voorgangers in de gemeente werkzaam: Cornelis P. Sorgdrager, Hendrik IJnsen de Jong, Pieter Jacobs Prater, Tjerk Pieters Akkerman, Sjoerd Barends de Boer, Douwe Klaasen Hennes en Jan Douwes. In 1826 overleed C.P. Sorgdrager en daar Hendrik IJnsen ook al op jaren kwam, hij was toen 63 jaar, begon men in te zien dat het getal preekers diende aangevuld te worden. Doch daar toe kwam het direct niet men hield het nog zoo wat gaande, tot dat in 1829 het getal preekers vermeerderd werd door het verkiezen van twee leraars t.w. Pieter Jacobs Kat en Hans Jans Barends. Zoo als ik reeds aanhaalde geschiedde het preeken om beurten en werd door de preekers onderling besproken en vastgesteld. Het kwam ook wel eens voor dat een der dienaars wegens ongesteldheid geen dienst konde doen. Het huisgezin van Douwe Claasen 14
  • In zulk een geval moet dan een der andere leeraar zijn beurt waarnemen. Wanneer al dus iemand aan de beurt kwam, had hij te zorgen op tijd zijn preek klaar te hebben. Grootmoeder kon er zoo van vertellen hoe zij, nog zeer jong zijnde, vaak aan de hand van haar vader de reis naar Nes meegemaakt had, wanneer hij daar een preekbeurt had te vervullen. Ze namen dan ieder voor zich een paar kousen extra mee om reden ze op de slenk bij Nes bijna altijd natte voeten kregen, zoo dat ze dan bij aankomst te Nes dadelijk de natte kousen uit en de drooge weer aan trokken. Ja, het waren geen gemakkelijke en altijd even aangename tochten die ze hadden te volbrengen, vooral in den winter bij onstuimig weer, bij regen of sneeuw jacht, bij duisternis ‘s avonds, langs oneffene mulle zandwegen en het loopen vaak heel wat inspanning koste, dan hadden de broeders dienaars het niet gemakkelijk. Doch ze beschouwden het als een taak van Gods wege hun op gelegd en zij deswege gewillig en blijmoedig zich daar toe hadden te geven. Zij trokken er op uit in ‘t besef hunnes roeping, als voorgangers der gemeente, als wachters over het huis Gods. Dat zoo’n tocht naar Nes ook niet geheel buiten gevaar was bleek voor al uit het droevig ongeval dat de Nessen diaken Sipke Jurjens op zondag de 29 november 1795 overkwam. Deze was naar de godsdienst oefening te Ballum geweest onder het gehoor van C.P. Sorgdrager, die zijn hoorders bepaald had bij hetgeen geschreven staat in Romeinen 6:23. Naar Nes terug keerende is hij daar evenwel niet aangekomen. Toen men over zijn lang uit blijven ongerust begon te worden en erop uit toog om naar hem te zoeken vond men slechts zijn lijk in de slenk al waar hij van wege het hooge water verdronken was. Wanneer de leeraars een ochtend dienst te vervullen hadden te Nes, werden ze veel al bij dezen of genen verzocht het middagmaal mee te nuttigen, voor dat ze weer naar Hollum terug keerden. Meestal werd dan ook van het vriendelijk aanbod een dankbaar gebruik gemaakt. Later evenwel schijnt hier in eenige verflauwing te zijn gekomen, ofwel men werd onverschilliger omtrent godsdienstige zaken. Hoe het zij, door de leeraars werd er over geklaagd, dat de menschen zoo weinig genegen meer waren om hun gastvrijheid aan de voorgangers te betoonen. Het werd gaan de Het huisgezin van Douwe Claasen 15
  • weg minder. Dat een en ander weinig aanmoedigend voor de preekers zal geweest zijn, laat zich wel verstaan. Evenwel zij bleven hun roeping getrouw ziende en vertrouwende alleen op hun Heer en helper van wien alleen zij zich afhankelijk wisten. Zoo als ik eerder reeds aan haalde, hadden de preekers overdag hun arbeid te verrichten op den akker of in de werkplaats en hadden derhalve weinig gelegenheid om zich te oefenen voor een predikdienst. Toch waren ze daar om trent ook overdag in den geest hier mede bezig. Tijdens den arbeid op het veld of onder het melken der koeien, of het voederen der beesten, was Douwe Klaasen steeds bezig zijn preek te repeteeren. Men moet toch zulke mannen respecteren, dat zij bij al den arbeid betreffende hun bedrijf, nog tijd konden uitwinnen en lust hadden tot het over denken en op schrift stellen van een preek. God gaf hun de gaven en de kracht tot het volvoeren van hun vaak moeilijke, maar tegelijk ook zoo heerlijke taak. Sjoerd Barends de Boer van beroep timmerman, welke in 1814 uit en door het broederschap tot leeraar gekozen was, was ook nog iemand van den ouden stempel, een man met een innig vroom gemoed en die in zijn leven blijk gaf van een godvruchtigen levenswandel en gemeenzamen omgang met God. Op zekeren dag was hij bij Douwe Claasen aan huis tot het verrichten van eenig timmerwerk. Des middags noodigde de vrouw des huises IJmme Claasen, de beide mannen om in de kamer te komen en thee te drinken aan welken uitnoodiging aanstonds gevolg werd gegeven. Na dat ze aan tafel plaats hadden genomen en hun pijpen hadden aangestoken en de gepresenteerde thee gebruikten waren ze weldra in een levendig gesprek gewikkeld. Het ging over zaken die hun het meest ten harte gingen n.l. het heil hunner en de aan hun zorg toe vertrouwde zielen. Ja, nu het gereedschap eenige oogenblikken ter zijde was gelegd en zij daar zoo gezellig en in eensgezindheid des harten mochten getuigen van wat er in hun binnenste leefde, toen waren ze echt op dreef. “Vanochtend om 4 uur, zoo zeide Sjoerd Barends, was ik al bij de “Leene wiel” en loofde ik daar den Heer”. Ze waren als ‘t ware vol vuur in ‘t diepst van hun gesprek, tot op eens Sjoerd Barends naar de klok keek en met schrik ontwaarde, dat het onder de hand al zoo laat was geworden en op Het huisgezin van Douwe Claasen 16
  • stond, zeggende “Douwe Klaasen het is al zoo laat ik kan zoo geen dag huur houden, we moeten dat maar niet rekenen”. 3 “Ja, zeide Douwe Klaasen, dat is goed”. Grootmoeder had al dien tijd achter haar vaders stoel staan luisteren en ging er geheel in op zij mocht altijd zoo graag hooren zoo als ze later mij vertelde. Wat is het toch een voorrecht, ja een zegen van God, in zulk een gezin opgevoed te mogen worden wij kunnen dat nooit genoeg waardeeren en hebben God daar voor ootmoedig te danken die ons in zulk een omgeving deed geboren worden en die ons zulke ouders gaf. Spr. 22:6. Douwe Klaasen was de laatste tijd zijne levens niet zoo helder meer bij ‘t verstand. De huiselijke omstandigheden, de zorgen des levens en daar bij de zorg voor de gemeente in de vervulling van zijn taak als voorganger, dit alles heeft waarschijnlijk te veel gevergd van zijn uithoudingsvermogen. Over dag handen arbeid en ‘s nachts geesteswerk verrichten, daar voor was hij blijkbaar op den duur niet bestand. Zoo was dan in ‘t laatst zijn verstand ietwat beneveld. Te midden van den arbeid kon hij op eens stil blijven staan en in de verte staren, alsof iemand hem riep, waar op hij dan antwoord gaf. Somtijds kon hij geheel onverwacht van zijn stoel opstaan, liep de kamer uit en opende de buiten deur, naar links en rechts uit ziende wie daar toch geroepen had. Natuurlijk was er niemand te zien en bestond zulks alleen maar in zijne verbeelding. Ook is het eens gebeurd dat hij op het veld zijnde voor een roggestuuk stond te preeken. Roggeschoven 3 er wat rekening mede houden (= toelichting van C.J. Manje) Het huisgezin van Douwe Claasen 17
  • Ja, het was wel droevig, den eens zoo arbeidzamen man en ijverig prediker in zoo’n toestand te zien verkeeren. Bij het klimmen der jaren schenen zijn lichamelijke krachten hoe lang zoo meer uitgeput te geraken, waarmede tegelijk zijn geestelijke vermogens werden aangetast, van daar die abnormale verschijnselen. Maar toch bleef zijn geest werkzaam met de dingen van het Koninkrijk Gods, waar naar zijn hart steeds was uitgegaan en waar in hij zich nog altijd kon verlustigen. Het was als leefde hij nu enkel nog in het bewust zijn van zijn roeping als herder en leeraar in de zorg over de kudde, hem toebetrouwd door zijn zender. Dit verantwoordelijkheids besef scheen hem tot het laatst te zijn bij gebleven. In zijn leven heeft hij in ware vroomheid, eerlijk en dienstvaardig jegens de menschen, deze strijd gestreden in de kracht Gods tot het behalen van den kroon der overwinning, ziende op den oversten leidsman en vol einder des geloofs Jezus Christus. In het jaar 1853 den 18 den october werd zijn aardschen tabernakel gebroken na dat deze hem 69 jaren gediend had op zijn tocht door de woestijn van dit leven naar het hemels Kanaän. Na een zorg vol leven vol van moeilijk heden en tegenslagen heeft God dezen dienaar van zijn aardschen post ontheven en tot het stof zijnen vaderen doen terug keeren. Moge zijn ziel juichen voor Gods troon en zich verlustigen in Hem wien hij op aarde zij het met veel gebrek en te kortkoming wenschte te dienen in leer en leven om daar eeuwig de genade des Heeren te prijzen. Het huisgezin van Douwe Claasen 18
  • Eenige bijzonderheden aangaande Willem Hendruiks de Boer en Jetske Tjeerd Visser een vervolgens Daar mijn Grootmoeder Trienke Douwes Hennes, gehuwd is geweest met Willem Willems de Boer, komen we als vanzelf in aanraking met deze familie. De ouders van Grootvader Willems waren: Willem Hendriks de Boer en Jetske Tjeerds Visser. De ouders van Willem Hendriks waren: Hendrik Claases de Boer en Antke Willems. De kinderen van dezen waren als volgt: Antke, gedoopt 1 november 1771 Willempje, geboren 9 mei 1779 Willem, geboren 29 sept. 1783 Jan, ,, 4 maart 1787 Klaas, ,, 19 sept. 1791 Toen Hendrik Claases stierf bleef zijn vrouw, Antke Willems met de kinderen in zorgvolle omstandigheden achter. De jongens moesten deswege zoo spoedig mogelijk zien iets te verdienen, en zijn waarschijnlijk na het eindigen der schooljaren al gauw naar zee gegaan. Willems was zoo gelukkig al spoedig op te klimmen tot de rang van opperstuurman en was hier door in staat, om de zorgen voor het huisgezin eenigzins te verlichten. Eenigen tijd later werd er op een werf te Hoogezand een schip gebouwd waarop hij toen als Gezagvoerder werd aangesteld. Ter zelfder tijd is hij toen op 26 jarigen leeftijd getrouwd met Jetske Tjeerds Visser, den 22 April 1810. In de portefeuille welke in mijn bezit is staat met gouden schrift: Willem H. De Boer 1810. Een niet onaardige herinnering aan twee niet onbelangrijke gebeurtenissen uit het leven van Willem H. de Boer. In een kleine opening tusschen den omslag dezer portefeuille bevond zich een eenvoudig zilveren potloodhouder, welke tot op heden altijd door mij wordt gebruikt. Zes kinderen, 5 zoons en een dochter hebben ze groot gebracht. 1 t.n.v. Hendrik geboren 20 juni 1811 2 Willem ,, 6 jan. Het huisgezin van Douwe Claasen 1814 19
  • 3 Gelske ,, 19 dec. 1817 4 Klaas ,, 29 juli 1820 5 Jan ,, 3 april 1826 6 Dirk ,, 5 maart 1823 Het eerste schip waar over Willem Hendriks de Boer het bevel voerde zal zeer waarschijnlijk de “vereeniging”geweest zijn. Er bestaat althans een schilderij voor stellend een Barkschip genaamd “vereeniging” Kaptein W.H. de Boer, 1825. Dit schilderij is thans in ‘t bezit van Laurens Jans de Boer. Een tweede schilderij waar van Klaas H. Nobel de eigenaar is, stelt voor een barkschip genaamd “De vriendschap” van Amsterdam. Kaptein W. H. De Boer 1839. De vlag in den top der mast bevat de letters W.d.B. Voorbeeld van een Barkschip Terwijl alzoo de man met zijn schip de baren des Oceaan door kliefde tot naar de verre Indische kusten en bij droeg tot de welvaart en bloei der Hollandsche scheepvaart was de vrouw de taak op gelegd, haar huisgezin alleen te besturen en ruste op haar de verantwoordelijke pligt, betreffende de opvoeding der kinderen, welke God haar geschonken had. Ja, vooral de opvoeding der kinderen eischte veel zorg en toewijding. Was haar man soms wel eens wat al te streng in zijn vaderlijke pligten jegens de kinderen, dan wist zij altijd zonder evenwel al te toegevend tegenover haar kinderen te zijn, met overleg haar bemiddeling aan te wenden op een wijze, die haar positie als Echtgenoote en Moeder tot eer verstrekte en waar door Het huisgezin van Douwe Claasen 20
  • haar Man tot het besef kwam, dat haar het op voedingswerk zeer wel was toe vertrouwd en er ten slotte mee in stemde. In dit op zicht moest haar man haar steeds bewonderen en toegeven dat zij in dezen zijn meerdere was. Spr. 31:10. Ja, Grootmoeder Jetske Tjeerds Visser was een flinke vrouw, waren er menschen die in moeilijkheden zaten, dan werd bij haar aangeklopt en werd haar de zaak voorgesteld, waarop zij dan advies gaf en zelf vaak handelend optrad. In vele gevallen werden dan die zaken op bevredigende wijze op gelost. Menig leed is door haar verzacht, de vele behoeftigen die hier destijds waren, werden zoo veel zulks mogelijk was door haar persoonlijk bezocht. Menigeen heeft zij dan ook met raad en daad bij gestaan en geholpen. Wanneer haar man W.H. de Boer zijn reis volbragt had en in Nieuwediep was binnen gekomen dan werd door hem een scheepje naar Ameland gezonden met een brief voor zijn vrouw. Zoo’n scheepje noemde men destijds “Miedschip” d.w.z. een schip met een bijzondere opdracht, bericht over brengen. Reeds weken van te voren werd er al door de boeren-voer-lui naar zoo’n Miedschip uitgezien. Kwam er dan eindelijk een in ‘t zicht, dan er al spoedig enkele jonge boeren het zij per wagen of te paard het dorp uit en begaven zich op weg naar de waterkant, de Hollummer Ree”. Wie dan het eerst bij het schip was, kreeg dan de brief mede om die bij de Kapiteins vrouw te bezorgen. De brenger van zoo’n brief had dan een goede dag, want behalve dat hij dan eens extra getracteerd werd kreeg hij bovendien een flinke fooi. Nu maakte het nog al eens verschil en was zoo’n fooi niet altijd even gelijk groot. Dit hing meestal af van de mate der mildheid van de betrokken Kapiteins vrouw. De een was karig, ja vaak gierig en de ander goedgeefs. Een en ander was dan ook genoegzaam bekend en vooral onder de voerlui was men hier van voldoende op de hoogte. Volgens een oude boer mij eens verteld, stond Grootmoeder in dit opzicht goed aangeschreven. Nu, hier aan twijfelde ik dan ook geen oogenblik. Als kapiteinsvrouw, behoorde ze dus tot de gegoede stand in het dorp, en ontbrak het haar niet aan middelen om haar behoeftige mede dorpsgenoten wel te doen. Doch hoe velen zijn er vaak die in gelijke omstandigheden verkeeren als zij, doch die zich om hun naasten niet bekommeren wier toeleg alleen maar is Het huisgezin van Douwe Claasen 21
  • om voor zich zelf zoo veel mogelijk schatten ter vergaderen, maar de armen en hulpbehoevende mede mensch in wiens onmiddelijke nabijheid God hun plaatste, hulp te bieden daarvoor zijn ze even koud en gevoelloos als een steen. Ach, de zulken verstaan het niet, dat het zaliger is te geven dan te ontvangen. Het rechte genot van de hun geschonken aardsche goederen wordt door hun niet gesmaakt. Niet te ontvangen maar te geven, is de zaligheid van ‘t leven. Het was dan ook algemeen bekend dat Jetske de Boer zoo als zij meestal genoemd werd, veel voor de armen en behoeftigen deed en vaak met milde hand hulp bood. Vooral bij het naderen van den winter ging zij zoo nu en dan er op uit en bezocht die genen die zij dacht het niet ruim te zullen hebben, en vroeg hun dan hoe ze het hadden of ze wel behoorlijk beddegoed hadden, of ook gebrek aan warme kleeding, aardappelen, brandstof enz. Werd het haar dan duidelijk dat ze aan ‘t een of ander gebrek hadden, dan zorgde zij er voor dat het noodige er kwam. Het gebeurde wel eens dat bij een zeer armoedig gezin een wagen turf werd bezorgd zonder dat de menschen wisten aan wien ze zulks hadden te danken, maar zullen het later allicht wel hebben begrepen. Wanneer Gr. moeder Jetske den brief, welke de behouden aankomst van haar man vermelde, ontvangen had, moest zij zoo vlug mogelijk zich gereed maken voor de reis, want zij moest met het zelfde Miedschip dat op haar bleef wachten, de reis naar N. Diep of Amsterdam ondernemen. Het spreekt van zelf dat zij al weken van te voren hier op had gerekend, doch wanneer het dan eindelijk zoo ver is, dan valt er in een huishouding toch nog zoo veel te regelen en te bedisselen, want de kinderen blijven achter en daar moet ook voor gezorgd worden, het zij dat ze bij familie worden op genomen of er wordt iemand in huis genomen die de huishouding kan waarnemen. Op deze dag dat de bewuste brief is aangekomen is het een en al drukte en beweging, het is een geloop en gedraaf den ganschen dag tot soms laat in den nacht. Familie, goede kennissen en buren kwamen om haar met het goede bericht geluk te wenschen en booden vaak hun diensten aan om in ‘t een of ander behulpzaam te zijn. Het liep af en aan, zoo dat Gr.moeder Jetske blij was wanneer ze goed en wel op het schip en daar kooigoed kon uit leggen waar op zij haar ledematen kon uitstrekken. Zoodra het schip vlot begon te worden, werd het anker gelicht, het zeil geheschen, en de reis werd aanvaard. Het huisgezin van Douwe Claasen 22
  • Het was in den winter van 1813-14 dat twee oost Indie vaarders van hun reis behouden waren aangekomen. Beiden stonden onder bevel van een Amelander Kapitein. De een was Willem H. De Boer, de andere Dirk Tjeerds Visser, een broeder van Jetske Tjeerds. Beiden hadden hun vrouwen bij zich aan boord. Den 6 den januari werden Kapt. W. De Boer en zijne vrouw verblijd met de geboorte van een zoon. Bij de aangifte van deze gebeurtenis bij den Burgerlijkenstand te Amsterdam werd hun gevraagd hoe ze de den jongen wereldburger wenschten te noemen, ze zeiden: Tjeerd want hun oudste zoon was naar de mans vader genoemd en heete “Hendrik”, en deze moest nu den naam dragen van de vrouws vader. Maar hier van wilden de Ambtenaren van den Burgerlijkenstand niets weten, ze zeiden, Tjeerd, dat is geen naam, dat lijkt nergens op die naam nemen wij niet aan, je moet hem naar je man noemen, “Willem”, dat is een heele goede en bekende naam. Natuurlijk gingen ze hier op niet direct in. Reeds lang van te voren was dit besproken en vast gesteld, dat wanneer het een jongen werd, dan moest dat een Tjeerd wezen. En nu werden ze in dit hun voornemen door de plaatselijke overheid bemoeilijkt. Dit kwam hun wel wat onverwacht over, doch na eenig delibereeren werd hierin toegestemd en besloten hem “Willem” te noemen. De schepen van W.H de Boer en Dirk Tjeerds Visser lagen naast elkaar. Dirk Visser was gehuwd met Fanneke van der Gouwe te Nieuwendam den 8 januari 1805, te zelfder tijd werd ook daar een zoon geboren, ook zij wilden hem den naam Tjeerd geven doch bij de aangifte werd hun hetzelfde antwoord gegeven als aan W.H. de Boer en zijn vrouw ze zeiden, “noem hem naar je man”, en al zoo is geschied, het werd een Dirk. Daar Grootvader Willem Hendriks de Boer kerkelijk bij de Hervormde gemeente behoorde, zoo werden de kinderen, welke naar zijn familie genoemd waren klein gedoopt in de grote of Hervormde kerk. Wanneer er een kind gedoopt zou worden ging moeder Jetske zelf met het kind in de armen voor de preekstoel staan en hield het ter doop, want zeide zij: “ik ben de moeder en moet het kind voeden en opvoeden”. Zij aanvaarde het als een taak van God haar op gelegd en toe vertrouwd. De kinderen naar haar familie genoemd behoorden bij de Doopsgezinde gemeente, welke waren: Willem, Gelske en Dirk. Het huisgezin van Douwe Claasen 23
  • Nu moet ik nog een andere zijde van deze merkwaardige vrouw belichten. Zoo als ik reeds zeide, was zij iemand die met de pen wist om te gaan. Niet alleen dat zij vaak voor anderen de pen hanteerde om zaakjes in orde te brengen, ook op ander terrein heeft zij haar schrijftalent aangewend. In het jaar 1862 is zij begonnen met het schrijven van een dagboek, zij was toen juist 73 jaar geworden. Iederen dag schreef zij een paar bladzijden naar aanleiding van een tekst uit de H. Schrift, afwisselend uit het oude en nieuwe Testament. Hier voor maakte zij boekjes van c.a. een paar honderd bladzijden dik voor 3 maanden dus, formaat 21x13 cm. Het papier van deze boekjes was nu eens wit en dan weer van een licht blauwe kleur. Elk boekje werd op den omslag genummerd van 1 af. Hiermede is zij voortgegaan tot eind 1869. Het laatste boekje, beginnend 1 october van genoemd jaar, begint naar aanleiding van openbaring 1 vers 4, midden gedeelte en vers 5 a voor aan op den omslag (binnenzijde) staat als volgt: “No 32. Dagboekje van Jetske TJ Visser voor ¼e jaar. 1869". Op het achterste deel van den omslag (binnen zijde) schrijft zij als volgt: “en hier mede besluit ik verder met mijn schrijverij, want veel boeken te maken is geen end. Dog ik hoop dat het, (al is het gering en eenvoudig) toch niet geheel verwerpelijk mag zijn. Voor geleerden is het zeker niets waard, als mocht het voor eenvoudigen of kinderen tot van eenig nut zijn, dan zal het mij welzijn, doch het meest was mij te doen om mijn eigen geest op te scherpen en te oefenen. De Heer zegene het waar het te pas komt. Het zij zoo”. Acht jaar lang heeft zij al zoo dit werk voortgezet, waar voor zij iederen dag zich eenigen tijd afzonderde in stille overdenking en bepeinzing van Gods woord. Grootmoeder Jetske begon op ‘t laatst op een leeftijd te komen, dat zij zich niet meer zoo goed kon redden en den druk der jaren begon te gevoelen zoo dat het haar bezwaarlijk ging worden om de huishouding langer op te houden, zoo dat zij er over dacht, om de huishouding maar op te breken. Na eenig overleg met haar kinderen dien aangaande, werd toen besloten om hieraan gevolg te geven en dan bij haar eenige dochter Gelske, die gehuwd was met Cornelis Dirks de Groot, te gaan inwonen. Alzoo is geschied en heeft toen nog eenige jaren in een tamelijk goede gezondheid door mogen door brengen tot dat het God behaagde haar op 96 jarigen leeftijd van haren aardschen taak te verlossen, en naar we mogen gelooven haar heeft doen in gaan de vreugde haar’s Heeren. Het huisgezin van Douwe Claasen 24
  • Een ziekbed heeft zij niet gehad. Het was in den avond van 2 maart 1885. Twee haren zonen waren er dien avond op bezoek en zaten er gezellig in gesprek met hun zwager de Groot, terwijl de overig familie leden van het gezin rond de tafel zaten. Tot opeens een uit het gezelschap zeide: ”wat doet Grootmoeder vreemd” en toen men naar haar toe ging, (zij zat in haar leuning stoel) zag men nog even haar mond bewegen en de levensgeesten waren geweken. Zacht en bijna onmerkbaar, gelijk een kaarsje die uitdooft, dewijl haar sappen verteerd zijn, is haar ziel het lichaam ontvloden naar hemelsche gewesten, terug gekeerd tot Hem, die haar geformeerd had tot een levende ziel. Onder de tekst stond deze tekening. Tevens de enige illustratie in beide boekjes (R.S) Met het afsterven van Gr. moeder Jeske Tj. Visser is er als ‘t ware een tijdvak afgesloten en komen we nu in aanraking met een volgend geslacht. Mijn Grootvader Willem N. de Boer en Grootmoeder Trientke Douwes Hennes zijn gehuwd den 12 December 1834. Grootvader de Boer had in zijn jeugd het timmervak geleerd en was daarvoor in Amsterdam bij een baas in de leer geweest. In het begin hunner huwelijks jaren was hij dan ook op het dorp Hollum in dit vak werkzaam, doch hij had geen sterk gestel en was zenuwachtig van aard. Bij het zitten op de huizen en schuuren tijdens de werkzaamheden werd hij op ‘t laatst zoo doof, dat zijn ouders hem aanraden om het timmerwerk maar op te geven en dan maar een bakkerij op te zetten. En alzoo is geschied, er werd een kamer in het huis in de Westerlaan daar voor ingericht en een knecht gehuurd, die toen mijn Grootvader op de hoogte van het vak gebracht heeft. Grootmoeder hielp van begin af aan flink mee in de bakkerij en daar zij nog een helder verstand had en van aanpakken wist, kwam het al zoo ver, dat Grootmoeder zeide ”de knecht moet de deur uit, we kunnen het nu zelf wel redden”, want zeide zij, de knecht maakte het goed zoo zwaar dat er niets aan verdiend kon worden. Het huisgezin van Douwe Claasen 25
  • Reeds eerder had Grootvader Willem Hendriks een schuur laten bouwen aansluitend aan de Noordwesthoek van het huis. De achterste helft van de oven bevond zich in het z.g. achterhuis. In dit achterhuis was tevens de regenbak, de gootsteen, de aanrechtbank, een vlakke kleerkast en een builkist waar naast een deur welke toegang gaf tot het z.g. “melkhoekje. Hier bevond zich een gemetselde bak, waarin de eendeieren werden bewaard. Achter de trap was een ruimte waar het koek en taai deeg werd neergelegd om te overnachten. ‘t Achterhuis zoo wel als het melkhoekje waren beide bevloerd met tegels z.g. “estrikken”. Achter de oven langs kwam men voor een deur, welke toegang gaf tot de schuur, waardoor men via een halve stal in het koe huis kwam. Deze schuur is gebouwd in ‘t jaar 1830. Alzoo hadden Gr. Vader en Gr. Moeder een drukke werkkring, en daar het huisgezin gaande weg grooter werd, moest er ook een meid en een knecht gehuurd worden want Grootmoeder was daags meestal grootvader behulpzaam in de Bakkerij, zoo als afwegen, brood en kleingoed op maken, deeg bereiden en al wat er verder in een bakkerij voorkomt. Zij heeft later vaak gezegd: ”als ik vroeger niet bij de hand geweest was en mee aan gepakt had, waar zouden we teregt zijn gekomen met zoo’n groote huis houding?” Twaalf kinderen werden hun geschonken, waarvan 4 op jeugdigen leeftijd zijn gestorven. Tweemaal hebben ze tweelingen gehad. De acht overigen waren als volgt. Jetske, geboren 1 maart 1835 Douwe ,, 24 augustus 1836 Antke ,, 13 maart 1839 Willem ,, 13 juni 1842 Ijmme ,, 20 mei 1845 Trijntje ,, 15 mei 1850 Gelske ,, 11 september 1852 Tjeerd ,, 12 augustus 1855 Grootvader en Grootmoeder hadden een zeer gelukkig huwelijks leven, en de beste en aangenaamste tijd was geweest (zoo als Gr.moeder menigmaal zeide) toen de kinderen nog klein waren, toen hadden ze nog niet die zorgen zoo als later. Kleine kinderen kleine zorgen, groote kinderen groote zorgen. 40 jaren lang hebben ze de zaak op gehouden. Het huisgezin van Douwe Claasen 26
  • Toen op eens een droevige gebeurtenis plaats vond, het welk een groote verandering in de familie omstandig heden te weeg bracht. Maar nu moeten we hier even terug gaan. In het jaar 1872 den 20 maart huwde mijn moeder Trijntje W de Boer met Jan Cornelis Manje van Ballum, een kleinzoon van Jan Ones de Boer en Grietje Clases Hennes. Mijn vaders moeder was een nicht van mijn moeders moeder. Ze waren alle beide naar één genoemd n.l. naar Trientke Jans. In het begin kwamen mijn vader en moeder wonen in het huis in de Westerlaan, waan van de cijfer ankers in den gevel het stichting jaar 1619 aangeven. Hollum, Westerlaan met in de voorgevel het jaartal 1619 In dit huis werd ik geboren. Het staat schuin tegenover dat, waar in Grootvader en Grootmoeder de Bakkerij hadden. Barend Manje en IJmme de Boer woonden in het huis dat dwars staat vlak tegen over de bakkerij waarin Grootmoeder Jetske Tj Visser vroeger had gewoond. De familie was hier al zoo dicht bij elkaar. In het jaar 1876 in de maand Juni is mijn moeder gaan verhuizen naar de Oosterlaan, het huis waar eerst Klaas D. Hennes en Trientke Jans hebben Het huisgezin van Douwe Claasen 27
  • gewoond en later de weduwe van Douwe Clasen. De cijfer ankers geven als stichtingsjaar aan 1728. Na den dood van IJmme Clasen is het voorgedeelte van dat huis wat vertimmerd, de kamers wat kleiner gemaakt doordat in de plaats waar eerst de bedsteden waren met de kelder er onderlangs, een dwarsgang gemaakt werd. De poort aan het einde der voorgang, welke toegang gaf naar de achter kamer, werd dichtgemetseld en aldaar een regenwaterbak gemaakt terwijl er een endje z.g. leegervan aan de zuidkant tegen het huis werd aangebouwd, waar in een gootsteen kwam te staan zoo dat daar het grove werk, de wasch enz. gedaan kon worden. Na dat alles wat geverfd was, is toen mijn moeder met mij daar heen getrokken. Betske en haar dochter Jantje woonden toen in de achterkamer. In datzelfde jaar kocht mijn vader een schip, een z.g. hek Tjalk, welke hij den naam gaf: “de jonge Cornelis”. Afbeelding van een hektjalk Nauwelijks een paar reizen hier mede gedaan hebbende kwam mijn moeder die den 9 augustus het leven had geschonken aan een jonge dochter, plotseling op het kraambed te liggen, waar op zij toen den 25 september is overleden. Het huisgezin van Douwe Claasen 28
  • Ik was toen nog maar 3 jaar, 8 maanden en 19 dagen oud. Toch heb ik nog enkele bijzonderheden betreffende mijn moeder in mijn geheugen. Het spreekt van zelf dat ik het groote verlies dat mij getroffen had toen onmogelijk kon beseffen. Het eerste jaar ben ik toen bij tante Jetske in huis op genomen en mijn zuster kwam bij C. de Groot en Gelske. Wat is het toch een groot voorrecht wanneer men zijn moeder mag bezitten tot in lengte van jaren. Moeder had nu nog wel kunnen leven, terwijl ze al 57 jaar weg is. Zij was toen ze stierf, 26 jaar, 4 maanden en 11 dagen oud. Mijn vader had door dit verlies zoo veel verdriet, dat hij zich van het schip wilde ontdoen, om dat hij er nu geen lust meer toe had. Hij had het schip aan geschaft, omdat hij dan wat meer thuis zou kunnen wezen in het gezin. Ze hadden vroeger hun eigen tehuis al spoedig verloren en de jongens waren met c.a. 13 jaar al naar zee gegaan. Kwamen ze eens een poosje op het eiland door brengen, dan moesten ze bij vreemden in den kost, daar hun ouders er niet meer waren. En nu stonden de zaken zoo, vader wilde nu van het schip af, maar om daar nu goedschiks af te komen zonder al te veel schade te lijden dat ging misschien nog niet zoo gemakkelijk. Nu scheen mijn oom Willem de Boer wel genegen te zijn om het schip over te nemen, geld had hij er niet voor, doch dat zou geen bezwaar zijn, vader wilde het geld er onderhouden maar daar moest dan natuurlijk Interest voor betaald worden. En alzoo is geschied. Oom Willem die in de Bakkerij was opgeleid en die later de zaak van Grootvader zou over nemen, werd nu schipper en ging varen op Harlingen en Amsterdam. Doch de zaken gingen niet al te best. Na eenigen tijd verloor hij het schip en werd er een ander gekocht, waar ook weer geld bij gepast moest worden. Eindelijk kwam het zoo ver, dat het heelemaal niet meer ging, er werd niet genoeg verdiend om er van te kunnen bestaan en is zoo geloopen dat het schip voor een klein prijsje van de hand gedaan werd en oom Willem toch nog in de bakkerij is gekomen. Na dat vader zich van het schip ontdaan had is hij weer in de groote vaart gegaan. Hij is toen, na dat de zaken zoo geregeld waren dat Gr.vader en Gr.moeder de bakkerij zouden overdragen aan mijn oom Barend C. Manje, Het huisgezin van Douwe Claasen 29
  • welke ook als stuurman voer, naar Oost-Indië gegaan en is daar toen als 2e stuurman bij de Pakket vaart in dienst gekomen. Later heeft hij als 1e stuurman aldaar dienst gedaan op de “Prins Hendrik den Nederlanden”. Afbeelding van het pantserschip “Prins Hendrik der Nederlanden” Onderwijl leefden wij als kinderen bij Grootvader en Gr.moeder in het huis inde Oosterlaan een vredig genoegelijk leven, doch zoo als overal en altijd het geval is in dit tijdelijk leven. Zoo was ook hier weer iets, wat aan de Grootouders veel zorg baarde. Wat was het geval? Bij het opgroeien openbaarden zich bij mij verschijnselen van zenuwachtigheid en wel in die mate, dat noodig geoordeeld werd om een Dokter te raadplegen. Het werd op ‘t laatst zoo erg, dat Gr.moeder met mij naar Amsterdam toog om aldaar een zenuwarts te bezoeken. Vader schreef uit Indië, er moesten in dit geval geen kosten ontzien worden. Verschillende Dokters en zelfs een Professor werden zoo voor en na bezocht, medicijnen werden gegeven voor eenige weken en dan moesten wij maar eens weer terug komen. Dat ging zoo voort, misschien een paar jaar lang. Overigens was ik gezond en levenslustig, kon best eten, het welk voor mij een geluk was, de dokters zeiden allemaal: laat hem maar eten zoo veel als hij lust, veel in de buiten lucht, zoo nu en dan rusten, zoo maar op den grond en overigens kalm leven. Want vanwege deze aandoening was ik zeer verzwakt en altijd moede. Het huisgezin van Douwe Claasen 30
  • Eindelijk werd er van Dokters zijde op aangedrongen dat ik van school af moest, niet leeren werd er gezegd en heelemaal niet rekenen, en zoo kwam het dat ik op ongeveer 9 jarigen leeftijd van school afgenomen werd. Toen, het was in het voorjaar van 1883, kwam er van vader uit Indië een brief dat hij verlof had aangevraagd om naar Europa te gaan voor een half jaar. In juni van genoemd jaar is hij toen alhier aangekomen en is eenige dagen later met mij naar Amsterdam gegaan om te zien of hij mij in een ziekenhuis geplaatst kon krijgen en is toen met mij naar het Kinderziekenhuis in de Sarphatistraat gegaan, waarvan Dokter De Ranitz Geneesheer directeur was. Zoo dra er plaats was zoude ik al daar kunnen worden opgenomen, en moesten we voorloopig maar weer naar huis terug keeren. Lang heeft het niet geduurd, al spoedig kwam er bericht dat er plaats was voor opname al daar. 1933 Het huisgezin van Douwe Claasen 31
  • Index familienamen De vermelde namen zijn de exacte familienamen zoals deze in het verhaal zijn geschreven 4. Antke Klaases Das. . . . . . . . . . . 11 Jan Ones de Boer.. . . . . . . . . . . . 27 Antke Willems. . . . . . . . . . . . . . 19 Jetske de Boer.. . . . . . . . . . . . . . 22 Barend C. Manje. . . . . . . . . . . . 29 Jetske Tjeerds Visser. . . . . . . . 19, 21 Barend Manje. . . . . . . . . . . . . . 27 Jitse de Jong. . . . . . . . . . . . . . . . . 8 Berske Jacobs. . . . . . . . . . . . . . . 4 Johannes Lolkes Wagenaar. . . . . . . 7 C. de Groot. . . . . . . . . . . . . . . . 29 Klaas Appelman. . . . . . . . . . . . . . . 6 C.P. Sorgdrager. . . . . . . 12, 14, 15 Klaas Douwes Hennes. . . . . . . . 4, 11 Cornelis P. Sorgdrager. . . . . 12, 14 Klaas H. Nobel.. . . . . . . . . . . . . . 20 Dirk Tjeerds Visser.. . . . . . . . . . 23 Klaas Jobs.. . . . . . . . . . . . . . . . . . 4 Dirk Visser. . . . . . . . . . . . . . . . 23 Laurens Jans de Boer. . . . . . . . . . 20 Dokter De Ranitz. . . . . . . . . . . . 31 Pieter Jacobs Kat. . . . . . . . . . . . . 14 Douwe W. de Boer. . . . . . . . . . . . 8 Pieter Jacobs Prater. . . . . . . . . . . 14 Fanneke van der Gouwe. . . . . . . 23 Sipke Jurjens.. . . . . . . . . . . . . . . 15 Gabbe Klaas. . . . . . . . . . . . . . . . 6 Sjoerd Barends de Boer. . . . . . 14, 16 Grietje Clases Hennes. . . . . . . . 27 Tjerk Pieters Akkerman. . . . . . . . 14 Hans Jans Barends.. . . . . . . . . . 14 Trientke Douwes Hennes. . . . . . 3, 25 Hendrik Claases de Boer. . . . . . . 19 Trientke Jans.. . . . . . . . . . . . . . 4, 27 Hendrik IJnsen de Jong. . . . 13, 14 Trijntje Jans. . . . . . . . . . . . 9, 11, 14 IJmme Claasen Bakker. . . . . . . . . 4 Trijntje W de Boer. . . . . . . . . . . . 27 IJmme de Boer. . . . . . . . . . . . . 27 Willem de Boer. . . . . . . . . . . . . . 29 IJmme Klaasen. . . . . . . . . . . 6, 10 Willem H. de Boer. . . . . . . . . . 19, 23 Jan Cornelis Manje. . . . . . . . . . . 27 Willem Hendriks de Boer. 2, 19, 20, 23 Jan Douwes Dekker. . . . . . . . . . 12 Willem Willems de Boer. . . . . . . . 4 19 Eenzelfde naam die echter op verschillende manieren is gespeld, kan dus vaker voorkomen (R.S.) Het huisgezin van Douwe Claasen 32